|
Opmerking
bij deze
vertaling: Panizza was een
rebel en
vond dus ook dat hij niet aan de gangbare spelling was gebonden. Waar
hij dat
niet deed, is dat in deze vertaling ook niet gedaan. Voor een
uitgebreide inleiding
(in het Nederlands) over Panizza:
http://www.zombrec.be/oskarpanizza.pdf
OSKAR
PANIZZA
1853
-
1921
Christus
in een psicho-patologisch licht
|

|
an wat
voor
mensen hij er een is geweest, valt moeilijk te achterhalen. De moeder
was in
ieder geval een heel gewone vrouw die, zoals doorgaans blijkt, aan het
geëxalteerde
karakter van haar zoon, een grote hekel had, en die er alles aan deed
om hem
een zogenaamde burgerlijke levensroeping toe te bedelen. Over de
vader weten we helemaal niets. En ook aan die lachwekkende en obscene
legenden,
die, vooral in de Romaanse landen, aan de heilige Jozef zijn
opgehangen, moet
hier, omdat ze niet terzake doende zijn, worden voorbijgegaan. In
dezelfde
categorie behoort natuurlijk ook de deels rationalistiese, deels aan
een spirituele
behoefte ontsproten veronderstelling, dat een Romeinse landsknecht, of
de
"Heilige geest" zijn vader zou zijn geweest. De heilige geest had hij
wel in
zijn lijf, maar op een geheel andere manier, als de
Drie-Eenheid-ontwerpers in
de 4e en 5e eeuw dachten, die de heilige geest
als een
persoon, of als duif uitbeeldden, of zoals later de steenhouwer van de
Mariakerk in Würzburg die zich hem als een klisteerspuit voorstelde.
De psichiatriese
diagnose, waarmee Christus zich aan ons vertoont, is de paranoia [1];
de "oorspronkelijke
krankzinnigheid", of, zoals Magnan het noemt, de dégénération
héréditaire.
Het ziektebeeld ontwikkelt zich langzaam. Al vroeg verschijnen er
excentrieke,
nerveuze, eigenaardige trekken en perversiteiten. Door een heftig
innerlijk
leven lijkt het alsof de eigen persoonlijkheid macht heeft over de
materie en
alsof de wereld volledig op het eigen ik is betrokken. Weldra
verschijnen
hallucinaties, maar meer innerlijke, als zogenaamde "innerlijke
stemmen", die
het al lang gekoesterde innerlijke stemmingsbeeld ook uiterlijk
manifesteren;
waarmee de onontkoombaar noodzakelijke uiterlijke zekerheid van de
werkelijkheid, van de intussen overmatig toegenomen persoonlijkheid en
de
kenmerken daarvan, in de buitenwereld wordt bepaald. Inhoudelijk vullen
deze
"stemmen", die zich spoedig als stellingen en oordelen tot het publiek
zullen
wenden, zich met het armzalige ontwikkelingsgehalte van het moment, dat
de tijd
aanreikt. Hoe minder dergelijke lieden, dergelijke sjenieën zoals
Richard
Wagner ooit treffend opmerkte, aan schoolkennis hebben opgenomen, hoe
beter het
is, en des te grootser ontwikkelt zich de patologiese kiem, die bedoeld
is om
hele volksmassa's te vergiftigen en geestelijk te vervormen. Tegenover
de
oorspronkelijkheid van de aanleg is toch ook dat beetje ortodokse
bestaan of
transcendentale hopen, dat een volk juist in een dergelijke tijd
beweegt, zo
mateloos onbelangrijk. Het is net als bij de zijderups, die haar draad
aan de dichtstbijzijnde
haagdoorn of het lagergelegen struikgewas vastmaakt, om aan het eigen
glinsterende spinsel te beginnen. Het spinsel is de hoofdzaak, het
struikgewas
maar bijzaak.
Het is dus
vrij onbelangrijk, dat Jezus juist bij het Messiasgeloof van zijn tijd
aanknoping
zocht en het met de oude vertrouwde pop van een onzegbaar hard en
egoïstisch
gevormd, joods geloofssysteem, aan de stok kreeg. Met de zekerheid van
een
aangeboren talent en het onfeilbare instinct van de paranoïcus, nam hij
de
plaats in van de komende, de Messias, zonder enig benul van de
gruwelijkheid
van deze aanmatiging, voor een, in zijn ortodokse opvattingen hard en
steriel
geworden volk, als dat van de toenmalige joden. En met al die oude
Godsbeelden die
hij in die tijd kapotsloeg en van de sokkels afwierp, werd nog minder
rekening
gehouden. Zijn nieuwe zinnebeelden en figuren waren immers oneindig
veel mooier
en beschaafder. En zijn "Vader in de Hemel" onderscheidde zich van de
oude,
cholerische, joodse "Jehova", als een Te Deum van de, van het bloed
druipende,
plek van een mensenoffer.
Wij zien hier
een van die psichies oerfenomenen voor ons, zoals ze weliswaar niet
zelden voorkomen,
maar toch zelden op zo’n bevruchtende manier in de geestesgeschiedenis
van
volkeren ingrijpen en daar de gemoedstoestand van bepalen. Dit
identificeren
van het eigen, hevige en onbeheersbare gevoel met "God", of wat voor
hoogdravend
symbool dan ook, - hier, als we de evangeliën moeten geloven, "de goede
vader
in de hemel" – is het oerbeeld van een geestelijk proces, de psichiese
dwangtoestand van een naar een basis zoekende, innerlijk hevig bewogen
mens,
die de toereikende basis naar binnen keert en antropomorfiseert, zoals
wij
tegenwoordig bijna met proefondervindelijke zekerheid kunnen bewijzen.
Wij
vinden dat fenomeen bij alle godsdienststichters, bij Mohammed, bij
Boeddha,
bij Swedenborg, bij Fox [2] - wij vinden het bij allemaal, bij die hele
volksscharen,
die plotseling op overtuigende wijze aan hun bevelen gehoorzamen: voor
het
heil. Bij Franciscus, bij de jonkvrouwe van Orleans, bij Louise Lateau
[3]; wij
vinden het bij de kruistochten, bij de sectarische, communistische
emigranten
naar Amerika in de vorige eeuw, - we vinden het bij de ketterse
Begarden [4] in
de 14e en 15e eeuw, en bij de hele groep, die de
godsdienstige
omwentelingen in de 16e eeuw tot stand hebben gebracht, bij
Nikolaus
Storch [5], bij Thomas Münzer, bij Hans Böhm [6][7], bij Luther, bij de
Wederdopers
onder anderen – en tenslotte vinden we het bij de visionaire epileptici
in de
krankzinnigengestichten, wier "hemeltekenen" en "openbaringen" die in
schoonheid en kracht in niets onderdoen voor dezelfde psichiese
prestaties van
de christelijke heiligen en de boetedoeners in de kloosters. Dat
Christus zich
dus op zijn "goede vader in de hemel" beroept, is bij alle prachtige,
kunstzinnige en dichterlijke uitwerking in de wereldgeschiedenis, toch
slechts
een klinies specialistisch geval van een psichologies vaststaande en
wetmatig
optredende gebeurtenis in onze psiche. –
Zoals hij
echter vervolgens het resultaat van zijn jongemannen-ervaring en
–denken, de
vrucht van jarenlange afzondering en melancholieke opwellingen, de
atmosfeer
van een volstrekt zuivere, van zinnelijke emoties vrije, bijna
homoseksueel
getinte, en daarbij gelukkige en blijmoedig aangelegde ziel, die in
zijn leerzame
gezangen en lofprijzingen, een mensomvattende, belangeloze
naastenliefde
verspreidde en uitstraalde, was van zo’n hartelijkheid, zoetheid en
nieuwigheid,
dat men geloofde dat men de nachtegaal hoorde zingen; hier lag in zijn
psiche
het punt, waarin men het niet van hem kon winnen; hier werd het punt
aangegeven, waarmee hij de gepredestineerde overwinnaar was, tegenover
elke
vijand, of die nou de staat of de kerkelijke ortodoksie heette. Want
belangeloosheid
in een zaak is juist de meest onvoorwaardelijke garantie voor de
overwinning in
die zaak, en de poging om de drager van de zaak tot martelaar te maken,
bespoedigt en versterkt de overwinning alleen maar. Hier blijkt echter
ook de
volledige onafhankelijkheid en onaantastbaarheid van het gevoelsleven
van alle
logische fouten en functionele gebreken van het verstand, een verstand,
dat bij
Jezus, zoals zijn botte confrontatie met het openbaar belang laat zien,
aan een,
wat wij tegenwoordig empirisch "geestesziekte" noemen, ten prooi was
gevallen: het
laten prevaleren van het gevoelsleven boven het verstandsleven. En op
dezelfde
wijze zien wij, zoals wij vaak bij zogenaamde moral insanity,
de
ontwikkeling van het verstand tot een briljante hoogte kunnen
waarnemen, hoe
zich hier, bij een uitgesproken inperking van het verstand, de bronnen
en
sluizen van een overweldigend gevoelsleven openen. Later in de
wereldgeschiedenis heeft men slechts een enkele keer kunnen zien, hoe
de
gevoelsinhoud van een enkeling nog eenmaal op die manier de menigte
heeft
aangestoken: bij Franciscus van Assisië; weliswaar in de vorm van een
herhaling, op een oppervlakkigere manier, en zonder de versterkende
hulp van
het martelaarschap. Maar het gevecht moest nog komen.
adat hij
jarenlang in eenzaamheid had door gebracht en daar – net als Luther,
Mohammed
en Savonarola – net als al die paranoïde geesten, die door een
fabelachtig
geestelijk egoïsme geplaagde jonge mensen – met de duivel had
geworsteld, aan alle
verleidingen weerstand had geboden, en het systeem van de eigenwaan
tegen alle
vijanden van de logica en de rede in, met succes had
uitgebouwd, en het
proces van de aangename zelfvergoddelijking ten slotte tot een einde
had
gebracht, trad hij naar buiten, gewapend tegen alle futiliteiten van
het alledaagse
geruzie en afgunst en in het bezit van een snedige, satirische en
dialectische redeneerkunst,
begon hij zich aan zijn medemensen op te dringen. De ene keer betreedt
hij
argeloos de tempel en mengt zich onder de opponenten. Een andere keer
spreekt
hij als een echte agitator, als een tweede Lassalle [8], als een tweede
Richard
Wagner, de menigte toe, die deze aardige, bloedeloze jongeling niet kan
weerstaan. Overal waar de gelegenheid zich ook maar voordoet, bij de
visvangst,
bij een bruiloft, bij een begrafenis, aan de tafel van de tollenaar,
tijdens de
Sabbatsrust, grijpt hij in, haakt in op de kleine dagelijkse
gebeurtenissen en legt,
net als Sokrates, de argeloze voorbijgangers zijn vlijmscherpe
antithesen voor.
Ook de tricks van de wonderdoeners uit die tijd – de
onvermijdelijke
toegift, om zich het air van een supermens, van een
geestelijke
geweldenaar, van een tovenaar aan te meten – heeft hij zich allemaal
eigen
gemaakt en beheerst die met een groot bravoure en elegantie. Maar
helemaal als
hij een gelukkige corona plattelandsmeisjes, afgetobde
arbeidsters,
goedhartige prostituees en eenvoudige dagloners om zich heen heeft
verzameld en
hen de hele betoverende werking van zijn meest innerlijke
gemoedsbewegingen,
met een "Zalig de vredestichters! Zalig de armen! Zalig de reinen van
hart!"
laat voelen, en deze geplaagde aartsproletariërs de angst en smaad
ontneemt, en
voor hen de hemel opent, die speciaal voor hen, met uitsluiting van de
rijken,
is bereid – dan heeft hij ze allemaal. Wat moet er voor deze
toehoorders een
verschil hebben bestaan, tussen dat ontroerende geluid van een
Galileïsch
natuurgevoel en dat harde, letterzifterige gekrakeel van de
tempelgeleerden! Wat
moeten zij zich door deze etherische jongeman verblijd, verrukt en
begeesterd
hebben gevoeld! In groten getale liepen zij hem na, zoals later bij de
Pijper
van Niklashausen (Hans Böhm, noot v.d. vertaler) aan het eind van de 15e
eeuw, en waar hij ook de zoetgevooisde fluit van zijn hart liet
klinken, zwoeren
zij met de hand op hun hart bij hem, geloofden alles van hem, wat hij
maar wilde,
zowel zijn afstamming van David als zijn Godszoonschap en zijn
toekomstige communistische
hemelrijk, dat hij op aarde zou vestigen – het kwam niet aan op een
beetje meer
of minder – en spoedig kon hij het gewest en de georganiseerde
plattelandsbevolking
in een stormloop tegen de protserige, zwelgende hoofdstad aanvoeren.
Daar was
men natuurlijk op zijn hoede geworden. Hij scheen een gevaarlijk nummer
te
zijn. Dergelijke gevallen kwamen immers elke dag voor. Bij een algemene
onvrede, de werkelijk afschuwelijke politieke verhoudingen en
afgestompte onverschilligheid
jegens alles, ook het meest krankzinnige, bij een geknecht en
geestelijk
onderdrukt volk, kwam het elk moment voor, dat een vermetele of
geëxalteerde
het gepeupel aantrok, hen met zich mee naar het met stenen bezaaide
onvruchtbare platteland voerde, hen daar bepredikte en door honger
verzwakte,
om vervolgens die mensen voor elke suggestie rijp te maken en de
halfwaanzinniggewordenen in een stormaanval naar de stad te leiden. Dat
was
herhaaldelijk gelukt, en het proletariaat had dan het stadsbestuur in
bezit
genomen. Meestal echter waarschuwden de ortodokse teokraten, die hier
een politiek
schijnbestuur uitoefenden, de Romeinse landvoogd en smeekten om de
"wereldse
arm". Dan werd de Romeinse ruiterij werd uitgezonden en werden de
verzwakten en
slechtbewapenden in elkaar getimmerd.
Dat het hier
bij Jezus vanuit het standpunt van het openbaar belang – wat zou er
anders
kunnen bestaan? – om een volledig vergelijkbare oproerkraaier ging, was
zonder
enige twijfel. Maar de grote massa, waar het hier om ging, de talrijke
opruiende
propagandareizen, die hij had gemaakt, het in de verschillende gewesten
aan
alle kanten opflakkeren van de oproer, de lange voorbereidingstijd –
twee jaar
– die de beweging had genomen, gaf te regering toch te denken.
Men
probeerde hem eerst op zijn zwakke kant te pakken en met zachte hand te
ontwapenen, door zijn – God wat armzalig en zichtbaar krankzinnig! –
leersysteem te weerleggen, en stuurde farizeeërs op hem af. Maar kijk
nou, die
waren niet tegen de jongen opgewassen. Zijn leersysteem en zijn
dialekteerkunst, dat vormden zijn sterke en niet zijn zwakke kant. En
wat gaf
hij hen ervan langs! Een echte paranoïcus, die ondanks de in zijn
psiche
woekerende grandioze en afgrijselijke waanideeën, zijn intellect tot
een scherp
en briljant verdedigingswapen had omgesmeed. Beëlzebub? Wat had hij hen
het
verwijt van het verbond met de duivel terugbetaald en hoe had hij
tegenover die
geestelijke smeerpijpen zijn ontroerend zuivere ziel gesteld.
Wat moest
men doen? Gekkenhuizen bestonden er niet. De "zieke" psiche werd
bovendien
teologies geconstrueerd. Psichiaters waren er nog weinig. Maar er waren
officieren van justitie. Die zijn er altijd. Dus greep men naar de
godslasteringparagraaf. Dat is immers in zulke gevallen het meest
eenvoudig. De
regering zoekt een paragraaf op, waarmee men definitief van de
onaangename man
afkomt. Is de doodstraf toevallig nog niet ingevoerd, dan draait en
keert men
juridisch de zaak zo, dat er minstens 15 jaar tuchthuis uitkomt.
Intussen wordt
hij geestesziek of de leer maakt hem kapot. Het een of het ander! Bij
de
rechtbank is men immers zeker van zijn zaak. – Hier lag de zaak nog
gunstiger,
omdat op godslastering – en hiertoe was die te herleiden – de doodstraf
stond. Dan
was ook deze beweging neergeslagen, en het bureaucratische apparaat had
dan,
net zoals bij zovele eerdere gevallen, naar volstrekte tevredenheid
gefunctioneerd.
Maar de
krankzinnigheid boekte in het hoofd van onze heldhaftige jongeling een
alleraardigste vooruitgang, terwijl de heren in Jeruzalem maar wat
zaten te
dromen. Toen hij zag, dat de psichiese besmetting met zijn Godsrijk op
aarde te
langzaam voortschreed en versukkelde, maar dat de volksmenigte nog
steeds
achter hem stond, waagde hij de coup en zette net als
Masaniello [9]
zijn aanhangers tot een bestorming aan. — De evangelisten hebben in hun
eeuwenlange verguldingswerk deze daad tot een zoetsappige lente-intocht
met palmbladeren
en, in het wit geklede, meisjes veranderd; alsof een politieke
heerschappij en
Romeinse bezettingstroepen met palmbladeren uitgewuifd konden worden! –
In de
eerste bestorming sloeg hij alles neer. En feitelijk bestond zijn
teokratie echt
een aantal dagen, een aantal weken, zoals later in Florence die van
Savonarola –
Dat hij dat, met zijn zieke brein, presteerde moet bewondering van
iedere
kenner, iedere psichiater oproepen. – Maar wat is bij deze half
intelligente en
half impulsieve karakters vaak alles wonderlijk vermengd! Denk maar aan
Knipperdollinck [10] en zijn mensen, die destijds in München een half
politiek-, half godsdienstig-erotisch-fantasie-rijk, met de meest grote
oprechtheid en tegelijkertijd met de meest doortrapte sluwheid, meer
dan een
jaar lang verwezenlijkten en regeerden! Of aan die lakenwever uit
Zwickau,
Nicholas Storch, die overstelpt met hallucinaties, jarenlang in
middenduitsland
rondtrok en overal de geesten opveegde! Er zijn zelfs tijden, waarin de
hallucinanten met geen goud te betalen zijn, en waarin hun enige
mogelijkheid
is, hun weke en met een wonderbaarlijke verbeeldingskracht begiftigde
naturen, die
in de hardheid van hun hart en de dikte van hun schedels gezetelde
volledig
onvruchtbare massa, met een nieuwe geest te vullen. Juristen zouden in
dergelijke gevallen, wanneer diezelfde mensen voor hun gerecht
verschijnen,
altijd kunnen onderscheiden, wat nog onder de "vrije wil", de
toerekeningsvatbaarheid met de normale beperkingen, en wat onder de
onweerstaanbare impulsiviteit, - wat zij "ziekte" noemen – valt. Alsof
dat van
elkaar te scheiden is! Psichologen gruwen van een dergelijke gang van
zaken.
Wat zijn hallucinaties? Dat zijn autonome uitingen van de menselijke
psiche,
die ons van de meest verborgen diepten en oergronden van de menselijke
ziel, de
laatste instantie, die wij als bewust wezen bezitten, in kennis
stellen. Hebben
zij een godsdienstig koloriet, dan zijn ze onoverwinnelijk, omdat ze,
op
dezelfde diepte en oergrond, op de daarbij behorende massa stuiten.
Worden ze
opgenomen, dan vormen zij de "waarheid". Zoals M. Jacobi heel juist
zei: "De
krankzinnigheid heet, als die epidemisch wordt, "gezond verstand." – De
hallucinaties en visioenen van Mohammed vormen de werkelijke
grondslagen van
het islamitische geloofssysteem. – Dergelijke mensen volgens de regels
van
juridische stelsels willen behandelen, is hetzelfde als een reus met
een
liniaal willen opmeten, of een kunstwerk naar het materiaal, waaruit
het is
vervaardigd beoordelen, en wil ongeveer zeggen: het voorspel van
"Lohengrin"
met een natuurkundeboek over akoestiek te lijf willen gaan. — De
schrijver
herinnert zich nog heel goed een prachtige figuur in het
districtskrankzinnigengesticht in München, B., een arme vijlenmaker,
wiens
rugzak, zoals begrijpelijk met de meest povere studiemogelijkheden was
toegerust.
Hij was wat zijn verstand betrof, afgezien van zijn paar waanideeën,
volledig
intakt. Zijn denkvermogen was levendig en helder. Wat zijn gevoelskant,
zijn zintuiglijke
waarneming, zijn inspiratie en ideeën betrof, had hij zich volledig tot
een
Christusachtige figuur, met die wonderlijke houding van een milde en
innemende
zachtmoedigheid, ontwikkeld. Jarenlang was hij stad en land
rondgetrokken om
zijn monsterachtige gevoel aan zijn armzalige en eigen armoede aan te
passen.
En tenslotte lukte het niet meer. En daar stond hij dan met een
brandende blik,
met de gehele gloed van zijn ziel de arts aanklampend, bereid om alles
voor de
heiligheid van zijn innerlijk op te offeren, een innerlijk, dat hij met
een
paar jeugdherinneringen en met wat schoolkennis, in de meest
ontroerende
eenvoud, door een aantal heiligachtige spreuken volkomen gestalte wist
te
geven. – Dat is het mensenmateriaal waaruit de godsdienststichters
worden gesneden.
Godsdiensten zijn relatieve geestelijke waarden en waarheden, die een
gunstige
voedingsbodem vinden om voort te woekeren. Er bestaan geen absolute
waarheden. Er
bestaat in de mens alleen de relatieve mate van zelfopenbaring, en de
besmetting door de massa. Deze jongeman, in tijden van nood aan
droefenis,
angst en ellende overgelaten, onderwerpt aan zichzelf ,samen met zijn
kuise
gasten, met een aan de algemene ellende aangepaste, bovenaardse spreuk,
dorp na
dorp, gat na gat. Die vijlenmaker had een beter figuur geslagen dan de
kwaadaardige
lakenwever Nikolaus Storch in de 16e eeuw, die landstreek na
landstreek aan zich onderwierp, en die zelfs diepe indruk op een man
als
Melanchton maakte. – Maar in Jeruzalem stond de reactie voor de deur,
en de
autoriteiten hadden zich, na de eerste verrassing, weer snel
bijeengeraapt. Zoals
hier een versterking van de energie optrad, was aan de andere kant, bij
Jezus,
na een vreselijke geestelijke prestatie, verslapping opgetreden. En als
iets
niet voorwaarts gaat, gaat het altijd terugwaarts. Wat kon deze
weergaloze
jongeling, die met de lentestorm van zijn gevoel alles om zich heen had
overwonnen
en bezield, in deze uitgestrekte stad nou voor staatsinstellingen
scheppen, en aan
teokratie tot stand brengen? Waar moest hij het saaie bureaucratische
apparaat,
dat hier in het dagelijkse leven de orde handhaafde, en dat nog niet in
zijn
handen was, door vervangen, hij, die alleen maar zaligsprekingen kon
fluisteren, of in het meest gunstige geval kon prediken of opjutten.
Bij de
Franse commune ging het om mensen die daar ter plekke hadden geleefd,
de gang
van zaken kenden en die, tant bien que mal, in ieder geval in
stand
konden houden. Maar hier ging het om vissers – zoals bij Masaniello in
Portici
– om vissers en handarbeiders, om een groep samengestroomde,
goedmoedige, maar
volledig ongeschikte volksmensen. In dergelijke gevallen is het
neerslaan van
de staatsgreep met zekerheid te verwachten. En hier ging het er met
name om, om
de aanstichter van de hele beweging, de actor rerum, het
fanatieke en zieke
brein, in handen te krijgen. De rest zou dan niet meer veel
voorstellen. Ook
had de beweging, naar het schijnt, er al zeer spoedig van afgezien, het
centrum
van Jeruzalem als haar eigendom te beschouwen, en had zich in de
omgeving
teruggetrokken. De arrestatie van Jezus vond, naar het schijnt, zonder
problemen plaats. Zodra men van zijn verblijfplaats op de hoogte was,
werd er
een patrouille op uitgestuurd, die hem gevangen nam. Toen het werkelijk
gebeurde, was de hele troep aanhangers in een oogwenk uit elkaar
gestoven.
e zaak zou
eenvoudig zijn verlopen en gezien de ongecompliceerdheid van het geval
– de
eenvoudige overbrenging van de schuldbekennende godslasteraar – zou de
aangelegenheid in slechts weinig dagen afgehandeld kunnen zijn, ware
het niet
dat er eindeloze competentieproblemen tussen het Sanhedrin, de joodse
godsdienstinstantie, en de Romeinse uitvoerend macht bestonden, die,
zoals dat
altijd gaat, bij deze gelegenheid een aantal kleinzielige belangen op
andermans
kosten wilden regelen. Het Romeinse gezag, met zijn oude koloniale
ervaring en
zijn indrukwekkend gevoel voor gelijkwaardigheid, vermeed angstvallig
zich in
de godsdiensttwisten van dat duodecimovolkje te mengen, ook als de
plaatselijke
cultus – die voor Rome niet eens een op zinnelijk gebied een voordeel
opleverde
– minder weerzinwekkend was geweest. En het joodse cultusgezag hield,
met het
oog op de zielzorg voor het volk, streng vast aan de zelfstandigheid en
de
onkwetsbaarheid van zijn voorschriften, de enige vrijheid, die het had
behouden.
Tussen deze beide machten was dus ook de mogelijkheid van een botsing,
een
competentiestrijd zogezegd, uitgesloten. En slechts op één punt
weigerde het
Romeinse uitvoerende gezag oprecht elk beroep op de wereldse arm: in
het geval
van terdoodveroordelingen en de voltrekking daarvan wegens vermeende
godsdienstige overtredingen. Het moest een staat, zoals de Romeinse,
voor wie
de eigen landsgodsdienst allang waarzeggerige onzin was geworden, en
die uit
het grote reservoir van zijn Aziatische gewesten alles bijeen had
gebracht, aan
erotische getinte culten en godsdienstig zinneprikkelends, wat zich
voor Rome exportgeschikt
had bewezen, onbegrijpelijk en onfatsoenlijk voorkomen om iemand
vanwege
godsdienstige overtuigingen terecht te stellen. Nu was Jezus, volgens
de Joodse
wet zonder twijfel een bewezen godslasteraar. En op godslastering stond
volgens
de Joodse wet de doodstraf. Maar hoe moest deze doodstraf voltrokken
worden,
als de wereldse arm weigerde godsdienstige terechtstellingen te
voltrekken? Nu rees
de grote vraag: onder welke paragraaf schikken wij die persoon? Geloop
en
gevraag naar een paragraaf. Een paragraaf, een paragraaf! Hoe dan ook
een
paragraaf, die het gebruik van de doodsstraf veroorlooft. Gelukkig had
Jezus op
een onbewaakt ogenblik ook iets over een "koning" gezegd, "koning der
Joden."
Dat scheen een politieke bijsmaak te hebben. – "Zijt gij de koning der
Joden?"
vraagt Pilatus hem. – "Gij zegt het!"- Nu scheen het pleit gewonnen.
Toen ontstond
dat weerzinwekkende gefoeter en geloop van gezagsdragers en
politieagenten, die
leugenachtige pleidooien van veile advocaten, dat knipogen en omboeken
van
processtukken, dat uitzoeken van strafkamers, dat afschuwelijke gewroet
van agentes
provocateurs, die de menigte tot een "kruisig hem" ophitsten, en
daggeldgeile kroongetuigen, die tot elke woordverdraaiing bereid waren,
dat
telegraferen voor nieuwe getuigen en gedrang bij instanties, waarbij de
officier van justitie barst van de koppijn – want als hij het proces
verliest
(het is een politiek proces en de veroordeling van de verdachte is
gewenst) dan
is het met zijn bevordering gedaan. Elke dag brengt een nieuwe stand
van zaken,
ieder uur een andere paragraaf. De "Messias"paragraaf en de
"Gods-zoon"paragraaf en de paragraaf waar wat hij heeft gezegd onder
valt: "hij
wil de tempel in drie dagen afbreken", zijn in iedere geval verlaten.
Met de
"godslastering"paragraaf lukt het niet. Nu komt de
"majesteitsbeledigings"paragraaf.
"Koning der Joden". Zo lukt het. Als het lukt…….
En het lukte.
Wel merkte Pilatus, een rustige, saaie ambtenaar, die deze
weerzinwekkende
wetten hartgrondig tegen de borst stuitten, precies waar men naar toe
wilde.
Hij onderkende meteen, dat het allemaal juridische zwendel en humbug
was, dat
balletjewisselen met de politiek, die erbarmelijke paragrafenwisseling
en
rechtsverkrachting. "Wat heeft hij dan voor kwaads gedaan? Ik vind geen
grond
in deze mens, voor datgene waarvan gij hem beschuldigt!" – Maar de
menigte was
te bedreigend. De spionnen van het Sanhedrin hadden met vrucht gewerkt.
Nu
begon de zaak echt politiek te worden. En vervolgens: dat beetje Jezus.
En dan
ook nog uit Galilea. Een provinciaal. Een handarbeider. Een
proletariër. En duidelijk
ziek. Het was het leven van die man niet waard, dat er ook nog een
politieke
oproer ontstond. – Eindelijk dan toch een dringend verzoek voor een
spoedbericht
naar Rome? – Een slinkse blik van de keizer? – o God!…….
En zo stierf
Jezus. Stierf de dood onder beulshanden. Een paranoïcus. Maar
geestelijk een
held, die met de hele taaie, nooit wankelende kracht van de paranoïese
waan,
zijn ideeën tot de laatste bloeddruppel verdedigt; die, als hij als
martelaar
valt, de menigte met de inhoud van zijn waan aansteekt, en op die
manier de
"krankzinnigheid" een bijna 2000 jaar lange periode van "waarheid"
verschaft.
Hij stierf net als Sokrates, als Savonarola, als Hus, als Servet [11],
als Sand
[12], als Perowskaja [13], als Angiolillo [14], door het als psichies
fenomeen
unieke en onvergelijkbare bewustzijn, als een idealistisch idee,
slechts door
de dood de overwinning te bezorgen.
De
evangelieschrijvers hebben het proces van de legendevorming bij deze
wonderbaarlijke anarchist tot in het mierzoete en sentimentele
doorgevoerd. En
het merendeel van dit wondermooie karakterbeeld is vervaagd en onzeker.
Maar
één ding schijnt zeker te zijn: dat geleidelijke en rustige ontkiemen
en
groeien van het merkwaardige ideeëngehalte bij hem, dat zuiver
paranoïese,
primair door erfelijkheid gegevene en vervolgens die met consequente
zekerheid tot
onwrikbaarheid voortschrijdende groei, die waan, die geestelijke
vastheid, die
de wereld aan zich wil onderwerpen – en uiteindelijke dat numquam
retrorsum!
dat nooit terug! op de eenmaal ingeslagen weg van de geestelijke
ontwikkeling,
dat uithouden tot het laatste moment:…."U zegt het!" –
En dat
moeten
zelfs de atheïst en de psicholoog hem toegeven. Dat hij in Jeruzalem,
voor dit
erbarmelijke soort advocaten, kromschrijvers, politici,
regeringsambtenaren,
dokters, geheimagenten en bureaucraten, waarvan ieder op een wenk van
de keizer
alles voor een gunstbetuiging, een onderscheiding, een salarisverhoging
had
gedaan, niet terugdeinsde, geen concessie deed, nooit om genade
smeekte, maar als
enige verdediging deze haarklovers het blanke ereschild van zijn
zuivere
bedoeling en zijn ontroerende goedheid van hart voorhield. Dat zal hem
tot
onuitwisbare roem strekken, als de laatste Leipziger ortodokse kop
allang
vermolmd zal zijn.
Noten
[1] Als wij Christus met zuiver psichiatriese
ogen zouden
kunnen bekijken, en het jammerlijke confijt- en versuikerwerk buiten
beschouwing konden laten, dat de evangelisten met behulp van de
destijds gebruikelijke
Griekse biografenstijl – zoiets als het genre van Apollonius van Tyana
– over
hem heen hebben gelegd, zouden wij hem waarschijnlijk als "mattoied"
herkennen,
met welke niet erg gelukkige term Lombroso de onderafdeling van de
paranoia
(krankzinnigheid) heeft aangeduid, waarmee mensen met een intacte en
zelfs verfijnde
logica en intellect, met een eveneens intacte zintuiglijke waarneming
en met
een diep, vaak kenmerkend gemoedsleven, maar daarnaast met een welhaast
kolossaal ontwikkeld persoonlijkheidsgevoel, ons tegemoettreden, dus
mensen,
zoals wij ze tegenwoordig in iemand als Guttzeit, Pudor, maar met name
in de
bekende schilder Diefenbach opnieuw zien, en die, omdat ze de grens
tussen normale
nuchterheid en totale waanzin in acht houden, dus zogezegd de grootst
denkbare
mate van geestelijke originaliteit en geniale ombuiging van het leven
vrijwillig doorvoeren, meestal van een diepgaande invloed op hun
tijdgenoten
verzekerd blijven.
[Opmerking
WR: Heinrich Pudor (1865-1943) was een vroege propagandist van de
levenshervormende naaktcultuur. Zijn in 1893 onder het nogal
doorzichtige
pseudoniem van Heinrich Scham verschenen boek "Naakte mensen" was
eigenlijk een
van de eerste boeken over het nudisme. Zijn verdere ontwikkeling toont
vervolgens boektitels als "Voorbereiding voor een wet tegen de joodse
immigratie in Duitsland" en "Amerikaanse geldjoden".
Johannes
Guttzeit was auteur van talrijke godsdienstkritisch-filosofische
geschriften,
onder andere "Onzin en immoraliteit in het Oude Testament: of de bloed-
en
staalgodsdienst"(2e editie 1889)
Karl Wilhelm
Diefenbach (1851-1915), een Duitse schilder en filosoof, ook
"bloemkoolapostel"
genoemd, was eveneens een propagandist voor het nudisme, stuitte in
München op
Hugo Höppener, die daar een schildersopleiding volgt. Omdat Diefenbach
soms in
de vrije natuur, maar ook gewoon van elke kledij afzag, veroordeelde
justitie
hem tot acht dagen hechtenis. Hugo Höppener zat die straf,
plaatsvervangend voor
zijn ziek geworden meester, uit en kreeg van hem daarvoor de
"kloosternaam"
Fidus – de "getrouwe", onder welke naam Höppener vervolgens de
kunstgeschiedenis, afdeling Jugendstil, inging ("Lichtgevend").]
[2] George
Fox werd in 1624 in Fenny Drayton, Leicestershire, geboren.
Aanvankelijk
leerling bij een schoenmaker, trok hij al spoedig predikend door het
land. Hij
kwam in opstand tegen de anglicaanse staatskerk en hield staande dat
voor de
zoektocht van de mens naar God kerk noch priester nodig of zelfs maar
van
betekenis konden zijn. Drie jaar later kreeg hij een openbaring, die
hem tot
een belijden van broederlijke liefde inspireerde.
De
aanhangers van Fox wezen vanaf 1656 het bezoeken van anglicaanse
erediensten en
het betalen van kerkbelasting af, wat weldra tot conflicten met de
staat zou
voeren. Bij een bepaalde gelegenheid maande een rechter Fox "to
quake in the
presence of the lord " ( zoiets als: beven voor Gods aangezicht).
De
aanhangers van Fox, die zich aanvankelijk Friends of Truth, en
later Friends
of Truth noemden, werden daarom als Quaker bekend.
Tijdens de
regering van Karel II werden in Engeland 13.562 Quakers in hechtenis
genomen en
gevangen gezet, 198 werden in slavernij gebracht en 338 stierven óf in
de
gevangenis, óf aan de gevolgen van gewelddadig optreden tegen
verzamelde
Quakers. Desondanks groeide de Quakerbeweging: in 1660 had Fox meer dan
20.000
aanhangers in Groot-Brittannië en de Amerikaanse koloniën.
Fox
stichtte in 1861 samen met William Penn de American Quaker Colony
of Pennsylvania.
Hij stierf in 1691. [Opm.
WR]
[3] Louise Lateau
(1850-1883), was een Belgische boerendochter. Door een koe bijna dood
getrapt,
krijgt zij drie weken later visioenen en ontwikkelt stigmata, die op
vrijdag
bloeden. Een Ierse arts die haar bezoekt beschrijft de wonden als
ongeveer één
inch lang en een halve inch breed. De huid was onbeschadigd, maar het
bloed
siepelde of perste zich door het weefsel naar buiten, tot vreugde van
de
gelovigen.
[4] De
Begarden, ook
Lollarden of Becheri genaamd, was een beweging van volksdevotie met
wortels in
Nederland [Opm. WR]
[5]
Nikolaus Storch, was een visionair
aangelegde linnenwever. Samen met Markus Thomae was hij een van de
"Zwickauer
profeten", die de kinderdoop afwezen, een spoedig oordeel over de
goddelozen
verkondigden en op het langverwachte duizendjarige rijk wachtten. Toe
zij, die
zich als door de heilige geest geïnspireerde leraren van de mensen
beschouwden,
in december 1521 in Wittenberg optraden, wist Melanchton niets tegen ze
in te
brengen en schreef een brief aan Luther, die zich toen nog op de
Wartburg
verborgen hield. Deze kwam weldra persoonlijk naar Wittenberg en loste
het
probleem, op de hem eigen, meedogenloze wijze op: na een hevige
woordenwisseling bulderde Luther: "die geest van jullie sla ik op de
bek!" en
zette de profeten buiten de deur. Beide Zwickauers verlieten
Wittenberg, en hun
verdere sporen gingen in de duisternis van de geschiedenis verloren
[Opm. WR]
[6] Hans Böhm, beter bekend als de "trommelaar
van
Niklashausen" of ook wel de "pijper van Niklashausen" was van oorsprong
een
jonge herder uit Helmstadt, een dorpje tussen Würzburg en Wertheim. Op
feestdagen speelde hij in de herbergen tijdens het dansen van de
bevolking,
totdat aan hem, terwijl hij ’s nachts de kudde hoedde, de Maagd Maria
verscheen. Als teken van zijn verandering van levensinstelling
verbrandde hij
zijn trommel en trad vanaf die tijd als boeteprediker en profeet op.
Hij
dreigde de geestelijkheid, de adel en de vorst met een angstaanjagend
strafgericht
en verkondigde het volk een "nieuw Godsrijk op aarde", waarin elk
standsverschil was opgeheven, een volledige belasting- en tolvrijheid
en een algemene
broederliefde zou heersen. Deze boodschap aanhoorde de menigte graag,
zodat
binnen enkele dagen meer dan 40.000 mensen op pelgrimstocht naar
Niklashausen
gingen. Om de door hem geplande opstand van de boeren te voorkomen,
liet
bisschop Rudolf van Würzburg hem in de nacht van 13 juli 1476
gevangennemen en
naar de vesting Marienburg brengen. Zijn aanhangers, die de volgende
dag met
16.000 man aanrukten, probeerden hem tevergeefs te bevrijden. Op 19
juli 1476
werd hij op de brandstapel verbrand [Opm. WR]
[7] Thomas Müntzer of Münzer (1488-1525) was
theoloog van
het apocalyptische en mystieke stempel, een revolutionaire
boerenleider, buitenstaander
van de reformatie en tegenstander van Luther. Werd na de slachtpartij
van
Niklashausen, waar de troepen van graaf van Mansfeld 6000 boeren
afslachtten,
gevangengenomen en op 27 mei 1525 onthoofd.
[8] Ferdinand Lassalle (1825 - 1864). De Duitse
politicus
en maatschappijtheoreticus studeert van 1843 tot 1846 filosofie en
geschiedenis. Daarna werkt hij als jurist, publicist en politicus. In
1863 werd
onder zijn leiding de Algemene Duitse Arbeidersvereniging opgericht,
die als
eerste voorloper van de sociaaldemocratie geldt. Lassalle stierf aan de
gevolgen van een duel.
[9]
Masaniello, eigenlijk
Tommaso Aniello (1620-1647) was een Napolitaanse visser, die in Napels
een
volksopstand tegen de Spaanse overheersing en onderdrukking door de
adel
leidde. Werd door een, door de adel ingehuurde, huurmoordenaar op 16
juli 1647
om het leven gebracht. [Opm. WR]
[10] Bernhard Knipperdolling
was leider van de Doperse beweging in Münster. Werd in het begin van de
16e
eeuw in een welgesteld gezin van een lakenkoopman geboren, sloot zich
aan bij
de radicale vleugel van de Doperse beweging onder de profetische
leider, de
Nederlander Jan Matthijs, en werd, nadat de bisschop en stadsraad uit
de stad
waren verdreven, in 1534 burgermeester van Münster.
Nadat de
verwachte wederkeer van Christus was uitgebleven en Jan Matthijs bij
een poging
tot uitbraak was gedood, voltrekt zich binnen de Dopergemeenschap een
verandering. Nu moet Münster onder Jan van Leiden, de opvolger van Jan
Matthijs, een "voorbeeld voor de wereld" worden: al in maart werd het
geldverkeer afgeschaft en de gemeenschap van goederen ingevoerd. In
april nog
werd een "raad van twaalf oudsten" ingesteld. In juli voert Jan van
Leiden voor
de vrouwen het verplichte huwelijk in en het voor de mannen het recht
op
meerdere vrouwen. In september tenslotte sticht hij het Doperse
Koninkrijk in
Münster met zichzelf als koning.
Op 25 juni
1535 valt de stad voor de belegerende prinsbisschop. Honderden mannen
worden
gedood, duizenden vrouwen verdreven. De drie leiders, Jan van Leiden,
Bernd
Knipperdolling en Bernd Krechting worden op 22 januari 1536 voor het
gemeentehuis van Münster met gloeiende tangen gefolterd en met een dolk
gedood.
Hun lijken hangt men in drie korven op aan de toren van de St.
Lambertuskerk,
als eeuwige afschrikking. Münster wordt opnieuw gekatholiseerd.
[11]
Michael Servetus
(1511?-1553), was een Spaanse arts en theoloog, die door zijn
onorthodoxe leer
bereikte, dat hij zowel door de protestanten als door de katholieken
als ketter
verdoemd werd. Op 27 oktober 1553 werd hij op instigatie van Calvijn
net buiten
Genève op de brandstapel verbrand. Omdat de calvinisten kennelijk niet
voor de
Spaanse inquisitie onder wilden doen, werd de brandstapel uit verse
takkenbossen opgebouwd, om de verbranding langzaam plaats te laten
vinden en de
foltering te verlengen. Bovendien zette men Servetus nog een krans van
zwavel
op het hoofd, waarbij het idee was, dat de zwavel in de hitte zou
smelten en
het slachtoffer dan met een brandend hoofd zou vallen. De opzet werd
beloond,
want volgens ooggetuigen duurde de doodsstrijd van Servetus meer dan
een half
uur, Verder details zijn te vinden op www.evangelicaloutreach.org/ashes.htm.
[12]
Karl Ludwig Sand
(1795-1820) was een student uit Erlangen. Hij was een aanhanger van
Karl
Follens en nam van hem het idee van de politieke aanslag over. Hij
koesterde
een uitzonderlijke haat voor de schrijver August Friedrich Ferdinand
von
Kotzebue, die een voorstander van het aristocratische systeem en een
vermeende
Russische spion was. Op 23 augustus 1819 vermoordde Sand Kotzebue. Hij
gaf
daarmee aanleiding tot de zogenaamde Karlsbader Besluiten, een soort
terroristenwetgeving uit de 19e eeuw. Meer dan een jaar na
de
aanslag velde het hooggerechtshof van Niederrhein het oordeel over
Sand. Zijn
verdediging had, zonder uitzicht op resultaat, voor vrijspraak gepleit,
omdat
de aanslag aan de "verstandsverbijstering" van een zielszieke mens
ontsproten
zou zijn. Het gerechtshof bevond de aangeklaagde toch eenstemmig
schuldig en
veroordeelde hem tot de dood door het zwaard; de anders ingrijpende
afschrikking om het hoofd van de opgehangene op een staak te steken
bleef in
het geval van Sand achterwegen. Slechts twee rechters vroegen om
gratie.
Na de
voltrekking van het vonnis ontbrandde rond de terechtgestelde een ware
cultus,
die bij tijd en wijlen macabere trekjes had: kijklustigen doopten hun
zakdoek
in het bloed, men probeerde haren van Sand te bemachtigen, en uit de
het
Mannheimse "schavot" bouwde de beul een huisje voor zijn wijngaard en
bood daar
onder bezwering van het genius loci onderdak aan leden van het
Heidelbergse studentencorps. De belangstelling voor het lot van de
aanslagpleger
is des te opmerkelijk, als men bedenkt, dat de officiële
rouwplechtigheid voor
zijn slachtoffer wegens gebrek aan openbare belangstelling niet door
was gegaan.
[Opm. WR]
[13]
Sofia Perovskaja, een
Russische nihiliste, werd als een van de deelnemers aan de aanslag op 5
februari 1880 op tsaar Alexander II terechtgesteld.
[14]
Michelle Angiolillo een
Italiaan, eerst redacteur, had wegens radicale uitspraken het land
moeten
verlaten en ging ten slotte naar Engeland, waar hij als componist
werkte.
In 1896
waren in Spanje, als reactie op een bomaanslag ca. 300 mensen opgepakt.
Een
aantal van hen was anarchist, maar de meeste van hen waren
vakbondsleden en
socialisten. Ze werden naar de gevangenis van Montjuich overgebracht en
daar
aan de meest stuitende folteringen onderworpen. Veel van hen stierven.
De
weinige overlevenden vonden in Engeland asiel, nadat wereldwijde
protesten hun
vrijlating had afgedwongen. Daar zag Angiolillo met eigen ogen de
sporen van de
martelingen op de lichamen van de slachtoffers.
Verantwoordelijk
voor die onmenselijke behandeling van de gevangenen in Montjuich was de
toenmalige Spaanse eerste minister Antonio Cánovas de Castillo. Op 8
augustus
1897 bracht deze zijn verlof door in Santa Agueda, een badplaats aan de
Spaanse
noordkust, waar Angiolillo, die zich voordeed als een verslaggever van
een
Italiaanse krant hem opzocht en doodschoot. Angiolillo werd tot de dood
door de
garrote (wurgkoord) veroordeeld.
|