Inleiding
Het
analytische onderzoek van paranoia levert artsen die niet, zoals
ikzelf, in
openbare klinieken werkzaam zijn, een ingewikkeld soort problemen op.
Wij kunnen
patiënten die aan een dergelijke aandoening lijden, niet opnemen of in
elk
geval niet lang houden, omdat wij geen behandeling kunnen bieden,
tenzij er
enige kans op therapeutisch succes bestaat. Het gebeurt daarom slechts
in
uitzonderlijke omstandigheden dat ik erin slaag meer dan een
oppervlakkig beeld
te krijgen van de structuur van paranoia—als bijvoorbeeld de diagnose
(wat niet
altijd een eenvoudige zaak is) onzeker genoeg is om een poging te wagen
om de
patiënt te beïnvloeden, of als ik, ondanks een zekere diagnose, zwicht
voor het
aandringen van de familie van de patiënt om hem voor een bepaalde tijd
in
behandeling te nemen. Afgezien daarvan zie ik natuurlijk genoeg
gevallen van paranoia
en dementia praecox, en daar leer ik net zoveel van als andere
psychiaters van
hun gevallen; maar in de regel is dat niet voldoende om tot analytische
beslissingen te komen.
Het
psychoanalytisch onderzoek van paranoia zou overigens geheel onmogelijk
zijn,
als de patiënten zelf niet de eigenaardigheid bezaten om, (weliswaar in
verwrongen vorm), juist datgene te verraden wat andere neurotici
heimelijk
verbergen. Omdat paranoïde patiënten niet kunnen worden gedwongen om
hun
innerlijke weerstanden te overwinnen en omdat ze hoe dan ook alleen
maar zeggen
wat ze willen zeggen, volgt daaruit dat dit juist een aandoening is,
waarbij
een schriftelijk verslag of de gedrukte ziektegeschiedenis de plaats
kan
innemen van een persoonlijke kennen van de patiënt. Ik acht het daarom
gerechtvaardigd
om analytische duidingen te baseren op de ziektegeschiedenis van een
patiënt die
aan paranoia lijdt (of duidelijker gezegd, aan dementia paranoides) die
ik
nooit gezien heb, maar die zijn eigen ziektegeschiedenis heeft
geschreven en in
boekvorm voor iedereen toegankelijk heeft gemaakt.
Het
gaat hier om Dr. jur. Daniel Paul Schreber, voormalig Senaatspresident
in
Dresden, wiens boek Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken (Memoires
van
een
Zenuwzieke)
in
1903
werd
gepubliceerd
en,
als
ik goed ben
ingelicht, vrij veel
belangstelling van psychiaters heeft gekregen. Het is mogelijk dat Dr.
Schreber
nog in leven is en dat hij zich te zeer van het in 1903 door hem naar
voren
gebrachte waansysteem heeft gedistantieerd, om nog door deze
opmerkingen over
zijn boek pijnlijk getroffen te kunnen worden. Voor zover hij echter
vasthoudt aan
de identiteit van zijn toenmalige persoonlijkheid, kan ik me verlaten
op zijn
eigen argumenten, waarmee hij—iemand met een buitengewone geestelijke
begaafdheid en begiftigd met een zowel ongewone scherpzinnigheid als
verstand
en opmerkingsgave—reageerde op de pogingen om hem van het publiceren
van zijn
memoires te weerhouden: ‘Ik heb er geen moeite mee gehad schrijft hij,
‘om mijn
ogen te sluiten voor de problemen, die het publiceren kennelijk in de
weg
staan, en met name voor het probleem om rekening te houden met de
gevoeligheden
van enkele personen die nog in leven zijn. Anderzijds ben ik van mening
dat het
zowel voor de wetenschap en als voor het inzicht in religieuze
waarheden van
belang zou kunnen zijn, als nog tijdens mijn leven gekwalificeerde
deskundigen in
staat zouden worden gesteld om enig onderzoek aan mijn lichaam te
verrichten en
mijn persoonlijke ervaringen te bestuderen. Voor dit belang moeten alle
gevoelens
van persoonlijke aard wijken.’ In een andere passage in het boek
verklaart hij
dat hij heeft besloten om vast te houden aan de publicatie van het
boek, ook al
zou het gevolg daarvan zijn dat zijn dokter, geheimraad dr. Flechsig
uit
Leipzig, een aanklacht tegen hem in zou dienen. Hij doet daarbij op
Flechsig
hetzelfde beroep dat ik nu op hemzelf doe: ‘Ik vertrouw erop,’ zegt
hij, ‘dat
zelfs in het geval van geheimraad prof. dr. Flechsig, eventuele
persoonlijke
gevoeligheden die hij zou kunnen koesteren, zullen wijken voor het
wetenschappelijke belang van het onderwerp van mijn Denkwürdigkeiten.’
Hoewel
ik alle passages van de Denkwürdigkeiten waarop mijn duidingen
zijn
gebaseerd op de volgende pagina’s woordelijk zal citeren, zou ik mijn
lezers toch
willen vragen om zich van tevoren met het boek vertrouwd te maken, door
het op zijn
minst een keer door te lezen.
1. DE ZIEKTEGESCHIEDENIS
‘Ik
ben tweemaal zenuwziek geweest,’ schrijft Dr. Schreber, ‘en beide keren
ten
gevolge van geestelijke overspanning. De eerste keer was het te wijten
aan mijn
kandidatuur voor de verkiezingen voor de Rijksdag, toen ik nog
president van
het Landesgericht in Chemnitz was en de tweede keer was het naar
aanleiding van
de buitengewoon zware werklast waarvoor ik me geplaatst zag bij het
aanvaarden
van het ambt van Senaatspresident bij het Oberlandesgericht in Dresden.’
De
eerste ziekte van Dr. Schreber begon in de herfst van 1884 en eind 1885
was hij
volkomen genezen. Gedurende die periode bracht hij zes maanden door in
de
kliniek van Dr. Flechsig en die laatste beschreef zijn ziekte, in een
formeel
rapport dat hij achteraf opstelde, als een aanval van ernstige
hypochondrie. ‘Dr.
Schreber verzekert ons dat deze ziekte verliep zonder ook maar één
incident dat
met het bovenzinnelijke te maken had.’
Noch
het eigen relaas van de patiënt, noch de aantekeningen van de artsen
die aan
het eind van het boek staan, vertellen ons voldoende over zijn
voorgaande geschiedenis
of zijn persoonlijke omstandigheden. Ik ben zelfs niet in staat om te
vertellen
hoe oud de patiënt was toen hij ziek werd, hoewel de hoge positie bij
de
rechterlijke macht die hij al had bereikt voordat hij voor de tweede
maal ziek
werd, een soort ondergrens vormt. We vernemen dat Dr. Schreber lang
voor zijn
‘hypochondrie’ al getrouwd was. ‘De dankbaarheid van mijn vrouw,’
schrijft hij,
‘was misschien nog dieper, want zij vereerde Professor Flechsig als
degene die
haar haar man had teruggegeven, en daarom had zij jarenlang zijn
portret op haar
bureau staan.’ En op dezelfde plaats: ‘Na de genezing van mijn eerste
ziekte
heb ik acht, over het geheel genomen, zeer gelukkige en ook aan
officiële
waardering rijke jaren met mijn vrouw doorgebracht, waarbij de hemel
alleen
soms tijdelijk werd bewolkt omdat wij meerdere malen teleurgesteld
werden in
onze hoop dat wij met kinderen zouden worden gezegend.’
In
juni 1893 werd hij in kennis gesteld van zijn aanstaande benoeming tot
Senaatspresident en hij aanvaardde zijn ambt op de eerste oktober van
hetzelfde
jaar. Intussen had hij enkele dromen, waaraan hij pas later enige
betekenis toekende.
Hij droomde twee of drie keer dat zijn vroegere zenuwziekte
teruggekomen was en
was daarover in zijn droom even ongelukkig als hij zich na het ontwaken
gelukkig voelde, omdat het allemaal maar een droom was geweest.
Bovendien kwam
een keer in de vroege ochtenduren, toen hij zich in een toestand tussen
waken
en slapen bevond, bij hem ‘de gedachte op dat het toch eigenlijk heel
prettig
moest zijn om een vrouw te zijn die de bijslaap onderging.’ Die
gedachte zou
hij bij volle bewustzijn met grote verontwaardiging hebben afgewezen.
De
tweede ziekteperiode begon eind oktober 1893 met een martelende aanval
van
slapeloosheid. Daardoor was hij genoodzaakt om opnieuw naar de kliniek
van
Flechsig terug te keren, waar zijn toestand echter snel verergerde. Het
verdere
verloop van zijn ziekte wordt beschreven in een later [uit 1899]
rapport, dat
door de directeur van de inrichting Sonnenstein werd opgesteld: ‘In het
begin
van zijn verblijf alhier gaf hij meer dan eens uiting aan
hypochondrische
gedachten, klaagde dat hij aan hersenverweking leed en wel gauw dood
zou gaan,
enz.’ Maar het idee dat hij werd achtervolgd vond toen al zijn weg naar
het klinische
beeld. Het was gebaseerde op zintuiglijke illusies die echter
aanvankelijk
slechts sporadisch optraden, terwijl er tegelijkertijd een ernstige
vorm van
hyperaesthesie werd waargenomen. Later werden de visuele en auditieve
waanvoorstellingen veel frequenter en samen met dissociatiestoornissen
beheersten ze zijn gevoel en denken. Hij dacht dat hij dood was en in
staat van
ontbinding verkeerde, dat hij aan de pest leed; hij beweerde dat zijn
lichaam op
allerlei walgelijke manieren werd behandeld en maakte, zoals hijzelf
nog steeds
volhoudt, ergere verschrikkingen mee dan iemand zich zou kunnen
voorstellen, en
dat allemaal ter wille van een heilig doel. De patiënt was zo volledig
in
beslag genomen door deze ziekelijke ervaringen dat hij voor elke andere
indruk
ontoegankelijk was en gewoonlijk volkomen star en onbeweeglijk bleef
zitten
(hallucinatoire stupor)
Aan
de andere kant kwelden ze hem dermate dat hij naar de dood verlangde.
Hij deed
herhaaldelijk een poging om zichzelf in bad te verdrinken en vroeg om
de “voor
hem bestemde cyaankali”. Zijn waanideeën namen langzamerhand een
mystiek en
religieus karakter aan; hij stond in rechtstreeks contact met God, was
een
speelbal van de duivels, zag “wonderbaarlijke verschijningen”, hoorde
“gewijde
muziek” en geloofde tenslotte zelfs dat hij in een andere wereld
leefde.
Daar
zou aan toegevoegd kunnen worden dat hij dacht dat er bepaalde mensen
waren die
hem achtervolgden en kwaad deden en op wie hij schold. De belangrijkste
was zijn
vroegere dokter, Flechsig, die hij een ‘zielenmoordenaar’ noemde en hij
had de
gewoonte om keer op keer uit te roepen ‘Kleine Flechsig!
waarbij hij dan
de bijtende nadruk op het eerste woord legde. Hij werd in juni 1894, na
een
kort verblijf in een andere inrichting, vanuit Leipzig naar het
krankzinnigengesticht Sonnenstein bij Pirna gebracht en bleef daar tot
zijn
stoornis haar uiteindelijke vorm had aangenomen. In de loop van de
volgende paar
jaren veranderde het ziektebeeld op een manier die we het beste in de
woorden
van de directeur van de inrichting, dr. Weber, de directeur van het
gesticht,
kunnen weergeven: ‘Ik voel niet de behoefte om verder op alle details
van het
ziekteverloop in te gaan. Ik moet echter de aandacht vestigen op de
manier
waarop, in het verloop van de tijd, de aanvankelijk betrekkelijk acute
psychose, die het hele psychische leven van de patiënt rechtstreeks had
aangetast
en als “hallucinatoire krankzinnigheid” kon worden aangeduid, zich
steeds
duidelijker (men zou bijna zeggen, uitkristalliseerde) ontwikkelde tot
het
paranoïde klinische beeld dat wij nu voor ons zien. Enerzijds had hij
namelijk
een kunstige waanstructuur ontwikkeld, die alleszins aanspraak mag
maken op
onze belangstelling, terwijl anderzijds zijn persoonlijkheid een
reorganisatie had
ondergaan die nu, afgezien van een paar op zichzelf staande
stoornissen, opgewassen
was tegen de eisen van het dagelijkse leven.
Dr.
Weber maakt in zijn rapport van 1899 de volgende opmerkingen: ‘Afgezien
van
bepaalde psychomotore symptomen, die zelfs op een oppervlakkige
toeschouwer
onmiskenbaar een ziekelijke indruk zouden maken, vertoont Dr. Schreber
geen
tekenen van verwardheid of psychisch remmingen, want zijn intelligentie
is merkbaar
verbeterd. Hij is bedachtzaam, zijn geheugen is uitstekend, hij
beschikt over een
uitgebreide hoeveelheid kennis, (niet alleen in juridische kwesties
maar ook op
vele andere gebieden) en is in staat om die kennis in een samenhangende
reeks
van gedachten weer te geven. Hij toont belangstelling voor het volgen
van
gebeurtenissen op politiek, wetenschappelijk en artistiek terrein enz.,
en
houdt zich daar voortdurend mee bezig en een toeschouwer die niet nader
over
zijn algemene toestand zou zijn ingelicht, zou op die gebieden
nauwelijks iets
bijzonders merken. Ondanks dat alles is de patiënt vervuld van ideeën
met een pathologische
oorsprong, die zichzelf tot een volledig systeem hebben gevormd. Ze
zijn min of
meer gefixeerd en lijken niet vatbaar voor correctie, door middel van
een
objectieve beschouwing en beoordeling van de objectieve feiten.’
Zo
had de toestand van de patiënt een grote verandering doorgemaakt en
achtte hij
zichzelf in staat een onafhankelijk bestaan te leiden. Daarom ondernam
hij de
nodige stappen om weer het beheer over zijn eigen zaken te krijgen en
ervoor te
zorgen dat hij uit de inrichting werd ontslagen. Dr. Weber verzette
zich tegen dat
voornemen en stelde daartegen een rapport op. In zijn rapport uit 1900
voelde
hij zich verplicht om het volgende waarderende verslag van het karakter
en
gedrag van zijn patiënt te geven: ‘Omdat de heer President Schreber de
afgelopen negen maanden dagelijks zijn maaltijden heeft gebruikt aan
mijn
gezinstafel, ben ik uitgebreid in de gelegenheid geweest om met hem
over
allerlei mogelijke onderwerpen van gedachten te wisselen. Welke zaken
in die
tijd ook ter sprake zijn gekomen (natuurlijk afgezien van zijn
waanideeën), of
het daarbij ging om gebeurtenissen op het gebied van staatsbestuur en
rechtspraak,
over politiek, kunst en literatuur, over het maatschappelijke leven,
—kortom over
welk onderwerp dan ook, telkens gaf Dr. Schreber blijk van levendige
belangstelling, een welingelicht verstand, een goed geheugen en een
gezond
oordeelsvermogen, terwijl hij bovendien een ethisch standpunt innam dat
men wel
moest onderschrijven. Ook in de luchtige conversatie met de aanwezige
dames, was
hij zowel hoffelijk als innemend, en als hij in een meer grappige bui
zaken
aanroerde, legde hij steeds tact en fatsoen aan de dag. Geen enkele
keer heeft
hij, tijdens deze onschuldige tafelgesprekken, onderwerpen ter sprake
gebracht,
die eigenlijk op het spreekuur naar voren gebracht hadden moeten
worden.’ Toen
zich in die periode een zakelijk probleem voordeed waarbij de belangen
van zijn
hele familie waren betrokken, pakte hij dat aan op een manier, die
zowel zijn
technische kennis als zijn gezonde verstand liet zien.
In
de talrijke verzoekschriften aan de rechtbank, waarmee Dr. Schreber
zijn
vrijheid probeerde terug te krijgen, ontkende hij geenszins zijn
waanideeën en maakte
er geen geheim van dat hij van plan was de Denkwürdigkeiten te
publiceren. Hij weidde juist uit over het belang van zijn ideeën voor
het
religieuze denken en over het feit dat ze voor de moderne wetenschap
onweerlegbaar
waren; maar tegelijkertijd benadrukte hij dat alle handelingen waartoe
hij, zoals
hij wist, door zijn wanen werd gedwongen, “volkomen onschuldig” waren.
Zijn
scherpzinnigheid en logische trefzekerheid waren van dien aard, dat
ondanks het
feit dat hij als een paranoïcus werd aangemerkt, zijn inspanningen
uiteindelijk
met een succes werden bekroond. In juli 1902 kreeg Dr. Schreber zijn
burgerrechten terug en het jaar daarop verscheen de Denkwürdigkeiten
eines
Nervenkranken, zij het in een gecensureerde vorm en met weglating
van vele
waardevolle gedeelten.
De
rechterlijke uitspraak waardoor Dr. Schreber zijn vrijheid herkreeg,
vat de inhoud
van zijn waansysteem in enkele zinnen samen: ‘Hij dacht dat hij
geroepen was om
de wereld te verlossen en haar verloren gelukzaligheid in ere te
herstellen.
Dat zou hij echter pas kunnen volbrengen, als hij eerst van een man in
een
vrouw was veranderd.’
Voor
een meer uitvoerige beschrijving van zijn wanen, zoals zij in hun
uiteindelijke
vorm verschenen, zouden we ons kunnen wenden tot het rapport van dr.
Weber, uit
1899: ‘het hoogtepunt van het waansysteem van de patiënt is zijn idee
dat hij
geroepen is om de wereld te verlossen en de mensheid haar verloren
gelukzaligheid terug te geven. Hij beweert dat hij tot die taak is
geroepen door
een rechtstreekse goddelijke ingeving, net zoals wij ook leren dat de
profeten dat
waren; want overprikkelde zenuwen, zoals die bij hem dat langdurig
waren, hebben
juist de eigenschap dat ze een aantrekkingskracht op God
uitoefenen—hoewel dat
zaken raakt die nauwelijks of helemaal niet in menselijke taal vallen
uit te drukken,
omdat ze buiten het bestek van de menselijke ervaring vallen en
kennelijk
uitsluitend aan hem zijn geopenbaard. Het meest essentiële van zijn
opdracht
als verlosser is dat het voorafgegaan moet worden door zijn verandering
in
een
vrouw.
We moeten niet aannemen dat hij in een vrouw veranderen wil—het
gaat
eerder
om
een
op
de
Wereldorde
gebaseerd
“moeten”, waaraan hij
zich met
geen mogelijkheid kan onttrekken, hoezeer het hem persoonlijk liever
was als
hij zijn eigen eervolle en mannelijke positie zou kunnen handhaven.
Maar noch
hijzelf, noch de rest van de mensheid kan dat andere leven weer
bereiken,
tenzij hij eerst in een vrouw verandert (een proces dat vele of
misschien wel
tientallen jaren kan duren), door middel van goddelijke wonderen. Hij
is er
zelf van overtuigd, dat hij de enige is waar de goddelijke wonderen hun
uitwerking op hebben en dat hij dus de meest opmerkelijke mens is, die
ooit op
aarde heeft geleefd. Jarenlang heeft hij, elk uur en elke minuut, deze
wonderen
aan zijn lichaam ervaren, en dat wordt hem ook bevestigd door de
stemmen die
met hem hebben gesproken. Gedurende de eerste jaren van zijn ziekte
hebben
bepaalde lichaamsorganen zulke verwoestende beschadigingen ondergaan,
dat die
bij ieder ander onvermijdelijk tot de dood zouden hebben geleid: een
tijd lang
leefde hij zonder maag, zonder darmen, bijna zonder longen, met een
gescheurde
slokdarm, zonder blaas en met verbrijzelde ribben—af en toe heeft hij
een
gedeelte van zijn strottenhoofd met zijn eten mee naar binnen geslikt,
enz.
Maar de goddelijke wonderen (“stralen”) herstelden steeds weer wat er
was
beschadigd, en daarom is hij, zolang hij een man blijft, in feite
onsterfelijk.
Aan deze onheilspellende verschijnselen is lang geleden een eind
gekomen en in
plaats daarvan is zijn “vrouwelijkheid” duidelijker geworden. Het gaat
daarbij
om een ontwikkelingsproces dat waarschijnlijk nog tientallen jaren, zo
niet
eeuwen nodig heeft om tot voltooiing te komen, zodat het niet
waarschijnlijk is
dat iemand die nu leeft dit einde zal meemaken.
Hij
heeft het gevoel dat er al enorme hoeveelheden “vrouwelijke zenuwen” in
zijn
lichaam zijn overgegaan—en dat daaruit, als deze rechtstreeks door God
worden
bevrucht, nieuwe mensen zullen ontstaan. Pas dan lijkt hij een
natuurlijke dood
te kunnen sterven en net als alle andere mensen de staat van
gelukzaligheid te kunnen
herwinnen. Intussen spreekt niet alleen de zon met een menselijk
stemgeluid,
maar ook bomen en vogels, die de aard van “gewonderde resten van
voormalige
menselijke zielen” hebben, en gebeuren er overal om hem heen
wonderbaarlijke
dingen’
De
belangstelling die door de praktiserende psychiater wordt gevoeld voor
dergelijke waansystemen is, in de regel, over als hij eenmaal de aard
van de
waanvoorstellingen heeft vastgesteld en een inschatting heeft gemaakt
van de
invloed op het algemene gedrag van de patiënt; in dit geval is
verwondering
niet het begin van het begrijpen. De psychoanalyticus benadert het
onderwerp in
het licht van zijn kennis van de psychoneurosen, met een vermoeden dat
zelfs
denkstructuren die zo merkwaardig zijn als deze en die zo sterk van
onze gewone
manier van denken afwijken, toch ontleend zijn aan de meest algemene en
begrijpelijke opwellingen van de menselijke geest en hij zou graag
zowel de
motieven van een dergelijke verandering willen weten als de manier
waarop die
tot stand komt. Om die reden zal hij dieper in willen gaan op de
details van
het waansysteem en de ontwikkelingsgeschiedenis ervan.
a.
De opsteller van het rapport legt de nadruk op twee punten, die volgens
hem van
het grootste belang zijn: de het aannemen van de rol van verlosser en
zijn
verandering in een vrouw. De verlosserswaan is een
fantasie waarmee we
vertrouwd zijn door dat die herhaaldelijk voorkomt, waardoor het de
kern vormt van
de religieuze paranoia. De bijkomende factor, die de verlossing laat
afhangen
van het eerst veranderen van de man in een vrouw, is ongebruikelijk en
is op
zichzelf verbazingwekkend, omdat het zozeer afwijkt van de historische
mythe
die de patiënt in zijn verbeelding tracht te reproduceren.
Het
ligt voor de hand om het medische rapport te volgen en aan te nemen dat
de
drijvende kracht van zijn waancomplex de eerzucht van de patiënt was om
de rol
van verlosser te spelen en dat zijn ontmanning daarbij slechts
diende
als middel om dit doel bereiken. Hoewel dit juist lijkt te zijn voor de
uiteindelijke vorm van zijn waansysteem, dwingt de bestudering van de Denkwürdigkeiten
ons toch tot een heel andere kijk op de zaak. We
merken dan dat het
idee om in een vrouw te veranderen (d.w.z. ontmand te worden) de
primaire waan was,
dat hij dit aanvankelijk als een ernstige beschadiging beschouwde en
zich
daardoor achtervolgd voelde, en dat het pas later op een secundaire
manier aan
de verlossersrol werd verbonden. Er kan bovendien geen twijfel bestaan
over het
feit dat hij aanvankelijk geloofde dat deze verandering moest
geschieden, zodat
hij seksueel misbruikt kon worden en niet om hogere doeleinden te
dienen. Om
het formeel te stellen: de seksuele vervolgingswaan werd bij de patiënt
achteraf omgezet in een religieuze grootheidswaan. De rol van de
vervolger werd
in het begin toegekend aan professor Flechsig, de arts bij wie hij
onder
behandeling was, maar later werd die plaats door God zelf ingenomen.
Ik zal
de relevante passages uit de Denkwürdigkeiten in hun geheel
aanhalen.
‘Op deze manier kwam er een tegen mij gericht complot tot stand
(omstreeks
maart of april 1894). De bedoeling was dat ik, zodra mijn zenuwziekte
eenmaal
ongeneeslijk verklaard of gebleken was, op een bijzondere manier aan
iemand ter
beschikking zou worden gesteld: mijn ziel zou aan zichzelf worden
overgelaten,
maar mijn lichaam—tennWereld- g was, gevolge
een
misvatting
over
de
bedoeling
die
ik
heb
beschreven die aan de
Wereldorde
ten grondslag ligt—moest in een vrouwelijk lichaam veranderd worden, en
als
zodanig ter seksueel misbruik aan de betrokkene overgeleverd worden en
dan gewoon
“in de steek gelaten moest worden” — dat wil zeggen dat het
ongetwijfeld aan
ontbinding prijsgegeven zou worden.’
‘Daarbij
was het vanuit menselijk oogpunt, dat mij destijds nog bij voorkeur
beheerste,
wel alleszins natuurlijk, dat ik mijn eigenlijke vijand alleen maar in
professor
Flechsig of zijn ziel zag (later kwam daar nog de ziel van von W. bij,
waarover
verder hieronder) en dat ik de Almachtige God als mijn natuurlijke
bondgenoot
beschouwde, waarvan ik dacht dat die alleen tegenover professor
Flechsig in een
noodtoestand verkeerde en daarom met alle denkbare middelen, tot
zelfopoffering
toe, meende te moeten steunen. Dat God zelf deelgenoot, zo niet zelfs
aanstichter is geweest van het plan van de zielenmoord, die op mij
moest worden
gepleegd en van het prijsgeven van mijn lichaam als vrouwelijke hoer,
is een
gedachte, die zich pas veel later aan mij heeft opgedrongen, deels
zelfs, durf ik
wel te zeggen, bij mij pas tijdens het opschrijven van de huidige
verhandeling
tot een helder besef is gekomen.
‘Alle
bedoelingen tot het plegen van zielenmoord en ontmanning, die te zeer
strijdig
zijn met de Wereldorde (d.w.z. die voor bevrediging van iemands
seksuele
begeerte dienen) en de pogingen, die later op vernietiging van mijn
verstand waren
gericht, zijn mislukt. Omdat de Wereldorde aan mijn kant staat, kom ik
als
overwinnaar tevoorschijn uit het ogenschijnlijk zo ongelijke gevecht
van een
enkele zwakke mens met God zelf, zij het na menig bitter lijden en
menige ontberingen.’
In een voetnoot bij de woorden ‘strijdig met de Wereldorde’ in de
passage
hierboven, kondigt de schrijver de latere verandering aan van de
ontmanningswaan
en zijn verhouding tot God: ‘Ik zal later laten zien dat een ontmanning
met een
heel ander doel—een doel dat met de Wereldorde overeenstemt—binnen
het
bereik
der
mogelijkheden
ligt,
en
eigenlijk
zeer
waarschijnlijk
de
oplossing
van het conflict verschaft.’
Deze
uitspraken zijn van doorslaggevend belang voor de manier waarop wij de
ontmanningswaan moeten zien en dus ook voor het verwerven van een
algemeen
inzicht in het geval. Daar kan aan toe worden gevoegd dat de ‘stemmen’
die de
patiënt hoorde, zijn verandering in een vrouw nooit anders dan als een
seksuele
vernedering hebben opgevat, waardoor ze een soort excuus kregen om
smalende
opmerkingen over hem te maken. ‘De godsstralen dachten niet zelden, met
betrekking tot de kennelijk aanstaande ontmanning, met mij als “miss
Schreber”
te kunnen spotten,’ Of ze plachten te zeggen ‘En dat moet een
Senaatspresident
voorstellen — iemand die zich laat n. . . ?‘ En dan weer: ‘Schaamt u
zich dan
niet tegenover uw vrouw?’
Dat
de ontmanningsfantasie primair was en aanvankelijk onafhankelijk van
het verlossersidee
bestond, wordt nog waarschijnlijker als we bedenken dat de ‘gedachte,’
zoals ik
al eerder heb vermeld, optrad tussen slapen en waken—‘dat het toch
eigenlijk
heel mooi moest zijn om een vrouw te wezen die de bijslaap onderging.’
Deze
fantasievoorstelling verscheen in de incubatietijd van zijn ziekte, nog
voordat
hij de gevolgen van het overwerkt zijn in Dresden begon te voelen.
November
1895 wordt door Schreber zelf aangeduid als de periode waarin de
ontmanningsfantasie en het verlossersidee met elkaar in verband werden
gebracht
en de weg werd gebaand om zich met het eerste denkbeeld te verzoenen.
‘Nu ging
ik echter vast beseffen, dat de Wereldorde de ontmanning, of die mij al
dan
niet beviel, dwingend van mij verlangde en dat mij daarom uit
verstandelijke
overwegingen niets anders overbleef, dan mij met de gedachte aan een
verandering in een vrouw te verzoenen. Als een bijkomend gevolg van de
ontmanning kon natuurlijk alleen een bevruchting door goddelijke
stralen in
aanmerking komen, met het doel om nieuwe mensen te scheppen.’
Het
idee dat hij in een vrouw moest veranderen, was het veelzeggende punt
en de
eerste kiem van zijn waansysteem. Het bleek ook het enige element dat
na zijn herstel
overbleef, en het enige idee dat zich na zijn genezing daadwerkelijk in
zijn
gedrag in het dagelijkse leven wist te handhaven. ‘Afgezien daarvan
durf ik
echter onverschrokken te beweren, dat iedereen, die mij met ontbloot
bovenlijf voor
de spiegel zou zien staan,—temeer als de illusie door wat vrouwelijke
opsmuk
ondersteund zou worden —ongetwijfeld de indruk van een vrouwelijk
bovenlijf
krijgen. Ik aarzel ook niet om te verklaren, dat ik bij een verblijf
buiten de
kliniek geen gelegenheid voor een dergelijke observatie mijnerzijds
geef.’
Deze
wuftheid bekende de heer Senaatspresident in een periode (juli 1901)
toen hij
weer in een toestand verkeerde waarin hij in het dagelijkse leven weer
blijk
kon geven van zijn volledige herstel— ‘Ik besef nu al lang dat de
personen die
ik om mij heen zie geen “vluchtig in elkaar geflanste mannen” maar
echte mensen
zijn, en dat ik me tegenover hen dus net zo behoor te gedragen als een
verstandig iemand in de omgang met zijn medemensen gewend is te doen.’
In
tegenstelling tot manier waarop hij zijn ontmanningsfantasie in gang
bracht, heeft
de patiënt nooit iets ondernomen om erkenning te vinden voor zijn
missie als verlosser,
behalve het publiceren van zijn Denkwürdigkeiten.
b. De verhouding van
onze patiënt tot God is zo merkwaardig en zit zo vol
innerlijke
tegenstrijdigheden, dat het
nogal wat geloof vraagt, als men erin wil blijven geloven dat deze
‘waanzin’
toch een ‘systeem’ bevat. Met behulp van wat Schreber in de Denkwürdigkeiten
vertelt moeten wij nu een wat nauwkeuriger inzicht in
zijn
theologisch-psychologische systeem proberen te krijgen, en moeten wij
zijn
opvattingen over de zenuwen, de toestand van
gelukzaligheid, de goddelijke
hiërarchie, en de eigenschappen van God in hun
schijnbare (op
een waanidee berustende) samenhang uiteenzetten. Op elk punt in zijn
theorie
zullen wij getroffen worden door de verbijsterende vermenging van
platitudes en
scherpzinnigheid, van wat hij heeft overgenomen en wat oorspronkelijk
is.
De
menselijke ziel ligt vervat in de zenuwen van het lichaam. Die
moet men
zich voorstellen als een buitengewoon fijn weefsel, vergelijkbaar met
de ragfijnste
draden. Sommige van deze zenuwen zijn slechts geschikt voor
zintuiglijke
waarnemingen, terwijl andere (de verstandszenuwen) alle
psychische
functies uitvoeren; waarbij de onderlinge verhouding zodanig is, dat elke
afzonderlijke
verstandszenuw
de
totale
geestelijke
individualiteit
van
de
mens
vertegenwoordigt,
en dat het aanwezig zijn van een groter of
kleiner aantal
zenuwen alleen invloed heeft op de tijdsduur waarin de geest haar
indrukken kan
vastgehouden.
Terwijl
de mens uit lichaam en zenuwen bestaat, is God juist door Zijn aard
alleen maar
zenuw. De godszenuwen zijn echter niet, zoals bij menselijke lichamen
het geval
is, in een beperkt aantal aanwezig, maar oneindig of eeuwig. Ze
bezitten alle
eigenschappen van de menselijke zenuwen, maar in een enorm verhevigde
mate. Als
scheppend vermogen,—d.w.z. hun vermogen om zich in alle mogelijke
dingen van de
geschapen wereld te veranderen,—staan ze bekend als stralen. Tussen
God,
de
met
sterren
bezaaide
hemel
en
de
zon
bestaat een innige betrekking.
Toen
het scheppingswerk voltooid was, trok God zich op een eindeloze afstand
terug
en liet de wereld in het algemeen aan haar eigen wetten over. Hij
beperkte zich
ertoe de zielen van de overledenen naar zich omhoog te trekken. Slechts
bij
uitzondering kon hij wel eens met bijzonder begaafd mensen in contact
treden of
door middel van een wonder in de lotgevallen van de wereld ingrijpen.
God heeft
geen enkel regelmatig contact mensenzielen, overeenkomstig de
Wereldorde, tot
na de dood. Als iemand sterft, worden zijn zielendelen (dat wil zeggen,
zijn zenuwen)
aan een louteringsproces onderworpen, voordat zij uiteindelijk als
‘voorportalen
van de hemel’ met God zelf worden verenigd.
Zo
ontstaat bij alles een eeuwige kringloop, die aan de Wereldorde ten
grondslag
ligt. Door iets te scheppen, ontdoet God zich van een deel van
zichzelf, of
geeft hij aan een deel van zijn zenuwen een andere gedaante. Het
schijnbare
verlies dat hij daardoor lijdt wordt weer goedgemaakt wanneer,
honderden of
duizenden jaren later, de zenuwen van de gestorven mensen de toestand
van
gelukzaligheid hebben bereikt en opnieuw als ‘voorportalen van de
hemel’ in hem
opgaan. De door het louteringsproces gezuiverde zielen bereiken de gelukzaligheid.
Hun individuele bewustzijn is intussen wat verzwakt en ze
zijn met andere
zielen tot hogere eenheden versmolten. Belangrijke zielen, zoals die
van
Goethe, Bismarck enz., moeten hun identiteitsbesef misschien nog eeuwen
lang
bewaren, voordat ze zelf in hogere zielencomplexen, zoals
‘Jehova-stralen,’ in
het geval van het oude jodendom, of ‘Zoroaster-stralen,’ in het geval
van het
oude Perzië kunnen opgaan. Tijdens hun loutering leren de zielen ‘de
door God
zelf gesproken taal, de zogenaamde “oertaal”, een ietwat ouderwets,
maar nog
altijd robuust Duits, dat zich vooral onderscheidt door haar grote
rijkdom aan eufemismen.’
God zelf is geen eenvoudig wezen. ‘Boven de “voorportalen van de hemel”
zweefde
God zelf, die in tegenstelling tot de “voorste godsrijken” ook wel als
de
“achterste godsrijken” werd aangeduid. De achterste godsrijken waren,
en zijn
nog steeds, op een eigenaardige manier in tweeën verdeeld, zodat een
lagere God
(Ahriman) werd onderscheiden van een hogere God (Ormuzd).’ Over de
betekenis
van deze verdeling weet Schreber ons niets naders te zeggen dan dat de
lagere
God meer hoorde bij de volken van het donkere (de Semieten) ras en de
hogere God
bij het blonde (de Ariërs) ras.
Het
zou niet redelijk zijn om in zulke verheven sferen meer van de
menselijke
kennis te verwachten. Overigens wordt ons nog wel verteld dat de lagere
en
hogere God, ‘ondanks het feit dat de Almachtige God in zekere zin een
eenheid vormt
toch dienen te worden opgevat als verschillende wezens die, elk voor
zich, zelfs
in hun onderlinge verhouding, over hun eigen egoïsme en hun eigen
drang tot
zelfbehoud beschikken, zodat ze zich voortdurend op de voorgrond
trachten te
dringen. Bovendien gedroegen de beide goddelijke wezens zich tijdens
het acute
stadium van de ziekte ook op totaal verschillende manier tegenover de
ongelukkige Schreber.
In
de periode voor hij ziek werd was Dr. Schreber in religieuze zaken een
twijfelaar geweest; tot een vast geloof in het bestaan van een
persoonlijke God
had hij zichzelf nooit kunnen overtuigen. Hij voert zelfs dit feit uit
zijn
vroegere leven aan als een argument ten gunste van de volstrekte
juistheid van zijn
waandenkbeelden. Maar iedereen die het volgende verslag van de
karaktertrekken
van Schrebers God leest, zal moeten toegeven dat de verandering die de
toestand
van paranoia had teweeggebracht toch niet zo wezenlijk was en dat in de
huidige
verlosser nog veel van de vroegere twijfelaar was overgebleven.
De
Wereldorde heeft namelijk een zwakke plek, waardoor Gods bestaan zelf
gevaar schijnt
te lopen. Door niet nader verklaarbare omstandigheden oefenen de
zenuwen van levende mensen, vooral als ze in een toestand van hevige
opwinding
verkeren, een zodanig sterke aantrekkingskracht
op de godszenuwen
uit, dat God zich
daar niet meer van kan bevrijden en dus in zijn eigen bestaan wordt
bedreigd.
Deze buitengewoon zeldzame situatie deed zich nu bij Schreber voor en
daar had
hij vreselijk onder te lijden. In God ontstond een drang tot
zelfbehoud, en het
bleek dat God de volmaaktheid die hem door de religies wordt
toegeschreven, bij
lange na nog niet had bereikt.
Schrebers hele boek is één lange bittere aanklacht tegen God, die
alleen maar aan
de omgang met overledenen gewend is en de levende mensen niet
begrijpt. ‘Daarover
nu bestaat echter een fundamenteel misverstand, dat sindsdien als een
rode
draad door mijn hele leven loopt en wat er juist op berust, dat God
volgens de
Wereldorde de levende mensen eigenlijk niet kende en niet hoefde te
kennen, maar
in overeenstemming met de Wereldorde alleen met lijken contact kon
hebben.’ ‘Dat….
moet naar mijn overtuiging opnieuw in verband worden gebracht met het
feit, dat
God bij wijze van spreken niet met levende mensen om wist te gaan, maar
alleen
het contact was gewend met lijken of in ieder geval met in slaap
gevallen
(dromende) mensen.’ ‘Incredibile scriptu, zou ik daar zelf aan
willen
toevoegen, en toch is het allemaal echt waar, hoe weinig andere mensen
ook de
gedachte zullen kunnen bevatten van een zo totaal onvermogen van God om
levende
mensen juist te beoordelen, en hoe veel tijd ik ook zelf nodig heb
gehad om te
wennen aan deze gedachte, gezien de ontelbare observaties die ik
hiervan heb
gedaan.’
Omdat
God niet in staat was levende mensen te begrijpen was het resultaat dat
hij zelf
de aanstichter van het tegen Schreber gesmede complot werd, en dat hij
hem voor
een idioot versleet en hem aan de zwaarst mogelijke beproevingen
blootstelde. Om
te voorkomen dat hij als een idioot werd beschouwd, onderwierp Schreber
zich
aan een uitermate moeizame ‘denkdwang.’ ‘Vooral zodra God tijdens elke
pauze
van mijn denken (als mijn nietsdenken begint) meteen weer een poging
doet om
zich terug te trekken in de veronderstelling, dat ik dan tot waanzin
ben
vervallen.’
Bijzonder
hevige verontwaardiging wekt de wijze waarop God zich gedraagt als de
patiënt
aandrang voelt om zich te ontlasten (of sch…). Deze passage is zo
karakteristiek dat ik die in zijn geheel zal citeren. Maar ter
verduidelijking moet
ik eerst nog vermelden dat zowel de wonderen als de stemmen afkomstig
zijn van
God, d.w.z. van de goddelijke stralen.
’Gezien
haar karakteristieke betekenis moet ik aan de hierboven vermelde vraag
“waarom
sch… je dan niet?” nog enige opmerkingen wijden, hoe weinig decent het
thema
ook is, dat ik daarbij moet aanroeren. Zoals al het andere aan mijn
lichaam,
wordt namelijk ook de ontlastingsbehoefte door wonderen opgeroepen; dat
gebeurt
doordat de ontlasting in de darmen naar voren (soms ook weer
terugwaarts) wordt
geduwd en als er tengevolge van al gebeurde ontlastingen niet meer
voldoende
materiaal aanwezig is, worden de nog aanwezige geringe restanten van de
darminhoud rond mijn zitopening gesmeerd. Het gaat daarbij om een
wonder van de
hogere God, dat elke dag minstens meerdere tientallen malen wordt
herhaald.
Daarmee staat het, voor mensen gewoonweg onbegrijpelijke en slechts uit
de
volkomen onbekendheid van God over de levende mens als organisme,
verklaarbare
beeld in verband, dat het “sch….” in zekere zin het laatste is, d.w.z.
dat met
het wonderen van de sch…drang het doel van de vernietiging van het
verstand is
bereikt en de mogelijkheid van een definitieve terugtrekking van de
stralen een
gegeven is. Het lijkt mij, dat men, om het ontstaan van deze
voorstelling tot
op de grond uit te zoeken, moet denken aan het bestaan van een
misverstand met
betrekking tot de symbolische betekenis van de ontlastingsdaad,
namelijk dat
iemand, die een contact de goddelijke stralen heeft gemaakt, dat met
het mijne
overeenkomt, in zekere zin het recht heeft om “op de hele wereld te
sch…”
‘Tegelijkertijd
blijkt
daarbij
echter
ook
de
hele
doortraptheid
van
de politiek, die
ten
opzichte van mij wordt gevolgd. Vrijwel elke keer, als men bij mij de
ontlastingsbehoefte
wondert, stuurt men— doordat men de zenuwen van de desbetreffende
persoon
daartoe aanzet—een of ander ander iemand uit mijn omgeving naar het
toilet, om
mij het ontlasten te verhinderen; het is dat verschijnsel, dat ik
jarenlang zo
ontelbare (duizenden) keren en zo regelmatig heb waargenomen, waardoor
elke
gedachte aan toeval uitgesloten is. Tegenover mijzelf wordt dan echter
op de
vraag “waarom sch… je dan niet?” het fameuze antwoord gegeven “omdat ik
dom ben
of zoiets.” Mijn pen verzet zich er bijna tegen om de formidabele onzin
op te
schrijven, dat God inderdaad in zijn verblinding, die berust op het
onbekend
zijn met de menselijke natuur, zover gaat om te veronderstellen dat er
iemand
zou kunnen bestaan, die—wat zelfs elk dier kan—van domheid niet zou
kunnen
“sch…”. Als ik vervolgens, in het geval dat ik de behoefte voel, mij
daadwerkelijk ontlast,—waarbij ik mij in de regel van een emmer bedien,
omdat
ik het toilet steeds bezet aantref—dan is dat telkens met een
bijzondere
krachtige toename van de zielenwellust verbonden, De bevrijding van de
druk,
die door de ontlasting die zich in de darmen bevindt wordt veroorzaakt,
heeft
namelijk voor de darmen een intens behaaglijk gevoel tot gevolg;
hetzelfde is
bij het pissen het geval. Daarom zij bij het ontlasten en pissen nog
steeds en
zonder uitzondering alle stralen gebundeld geweest; om dezelfde reden
probeert
men ook steeds, als ik mij naar deze natuurlijke functies schik, de
ontlastings- en pisdrang, zij het ook meestal tevergeefs, weer terug te
wonderen.’
Bovendien
is de merkwaardige God van Schreber ook niet in staat om iets van zijn
ervaring
te leren: ‘Om uit de zo verkregen ervaring een les voor de toekomst te
trekken,
lijkt een onmogelijkheid te zijn, door een of andere eigenschap die in
het wezen
van God ligt. Daardoor kan hij dezelfde kwellende beproevingen,
wonderen en
stemmen jarenlang onveranderlijk blijven herhalen, zodat hij tenslotte
onvermijdelijk het doelwit van de spotlust van zijn slachtoffer wordt.’
‘Het
gevolg is dat, nu de wonderen hun vermogen om angstaanjagende gevolgen
teweeg
te brengen, dat zij vroeger bezaten, grotendeels hebben verloren, God
mij
vooral, bij alles wat mij overkomt, belachelijk of kinderachtig
toeschijnt. Wat
betreft mijn gedrag heeft dat vaak tot gevolg dat ik uit noodweer
gedwongen ben
om, bij tijd en wijle ook hardop, tegenover God de rol van de spotter
te
spelen...’
Deze
kritische en opstandige houding tegenover God stuit bij Schreber echter
op een
krachtige tegenstroming, waaraan op talrijke plaatsen uitdrukking wordt
gegeven: ‘Maar ook hier moet ik weer nadrukkelijk verklaren dat dit
slechts een
voorbijgaande toestand is, die, naar ik hoop, ten slotte met mijn
verscheiden
ten einde zal komen, en dat het recht om met God te spotten daarom
alleen aan
mij, en niet aan anderen toekomt.’ Voor hen blijft God de almachtige
schepper
van hemel en aarde, de eerste oorzaak van alle dingen en hun redding
van de
toekomst—ook al mogen enkele traditionele religieuze voorstellingen aan
herziening toe zijn,—en het past hen om Hem te aanbidden en de hoogste
eer te
bewijzen.
Er
worden daarom herhaaldelijk pogingen gedaan om het gedrag van God
jegens de
patiënt te rechtvaardigen. Bij deze pogingen, met de spitsvondigheid
eigen aan
alle theodiceeën, wordt de verklaring de ene keer gezocht in de
algemene aard
van de zielen, en dan weer in de drang tot zelfbehoud die God
noodzakelijkerwijs bezit, of in de verderfelijke invloed van de ziel
van
Flechsig.
Over
het algemeen vat Schreber zijn ziekte echter op als een strijd tussen
hem en
God, waarbij hij ondanks zijn menselijke zwakheid overwinnaar is, omdat
hij de
Wereldorde aan zijn kant heeft.
De
medische rapporten zouden ons gemakkelijk kunnen doen denken dat
Schreber de
gangbare vorm van de verlossersfantasie vertoonde, waarbij de patiënt
gelooft
dat hij Gods zoon is, geroepen om de wereld uit haar ellende te
verlossen of
voor haar dreigende ondergang te behouden, enz. Ik ben daarom
zorgvuldig geweest
bij het uitvoerig tonen van de bijzondere aspecten van Schrebers
verhouding tot
God. De betekenis die deze verhouding voor de rest van de mensheid
heeft, wordt
maar zelden in de Denkwürdigkeiten ter sprake gebracht, en dan
nog pas
als de waan zijn uiteindelijke vorm gaat aannemen. De essentie daarvan
is dat niemand
die dood gaat de gelukzaligheid kan bereiken, zolang het merendeel van
de godsstralen
door zijn (Schrebers) persoonlijke aantrekkingskracht wordt
geabsorbeerd. Ook zijn
vereenzelviging met Jezus Christus komt pas heel laat onverhuld te
voorschijn.
Geen
enkele poging tot interpretatie van het geval Schreber zal ooit
aanspraak op
juistheid kunnen maken, als er geen rekening wordt gehouden met deze
bijzondere
aspecten van zijn opvatting van Gods, met dit mengsel van verering en
opstandigheid in zijn houding ten opzichte van Hem. Ik ga nu over op
een ander
thema, dat in nauwe betrekking tot God staat, namelijk de
gelukzaligheid.
Schreber
heeft het hier ook over als ‘het leven in het hiernamaals waartoe de
menselijke
ziel na de dood door het louteringproces wordt verheven. Hij beschrijft
het als
een toestand van ononderbroken genieten, verbonden met de aanschouwing
van God.
Erg origineel is dat niet, maar aan de andere kant worden we verrast
als we
zien dat Schreber een onderscheid maakt tussen mannelijke en
vrouwelijke gelukzaligheid.
‘De mannelijke gelukzaligheid stond hoger dan de vrouwelijke
gelukzaligheid: de
laatste schijnt bij voornamelijk in een ononderbroken gevoel van
wellust te
hebben bestaan.’ In andere passages wordt dit samenvallen van de
toestand van
gelukzaligheid en wellust in een duidelijkere taal uitgedrukt, en
zonder
melding te maken van verschillen tussen de seksen; terwijl ook het
bestanddeel
van de gelukzaligheid dat bestaat uit de aanschouwing van God, verder
onbesproken blijft.
Bijvoorbeeld
.’.. de aard van de godszenuwen brengt mee dat de zaligheid.., gepaard
gaat met
een zeer intens gevoel van wellust, hoewel het daar niet uitsluitend
uit
bestaat.’ En verder: ‘Wellust kan worden opgevat als een stukje van de
gelukzaligheid
dat mensen en andere levende wezens in zekere zin als voorproefje is
vergund,’ zodat
de hemelse zaligheid eigenlijk beschouwd moet worden als een
geïntensiveerde voortzetting
van het aardse zingenot!
Deze
opvatting van de zaligheid was allesbehalve een aspect van Schrebers
waanideeën
dat uit het eerste stadium van zijn ziekte stamt en later als
wezensvreemd
element werd geëlimineerd. Zelfs in het bezwaarschrift van zijn geval,
dat de
patiënt in juli 1901 bij het Hof van Beroep indiende, heeft hij het nog
nadrukkelijk over een van zijn grootste ontdekkingen, het feit ‘dat
wellust nu
eenmaal in nauwe (maar voor andere mensen in een tot dusver niet
waarneembare)
betrekking staat met de gelukzaligheid van de geesten der overledenen.’
We zullen
inderdaad zien dat deze ‘nauwe betrekking’ de rots is waarop de patiënt
de hoop
heeft gebouwd dat hij zich tenslotte met God zal verzoenen en dat er
dan een
einde zal komen aan zijn lijden. Gods stralen verliezen hun vijandige
gezindheid, zodra ze de zekerheid hebben dat ze door in zijn lichaam te
mogen
opgaan, een geestelijke wellust zullen ervaren; God zelf verlangt
wellust bij
hem te vinden en dreigt bij hem zijn stralen terug te trekken, wanneer
hij nalaat
om zijn wellust te ontwikkelen en God niet kan verschaffen wat hij
verlangt.
Deze
verrassende seksualisering van de hemelse gelukzaligheid duidt op de
mogelijkheid dat Schrebers voorstelling van gelukzaligheid is ontleend
aan een
verdichting van de twee hoofdbetekenissen van het Duitse woord ‘selig’:
namelijk
‘overleden’ en ‘zinnelijk gelukkig.’ Dit voorbeeld van
seksualisering zal voor ons ook aanleiding zijn om een onderzoek in te
stellen
naar de algemene houding van de patiënt tegenover de seksuele kant van
het
leven en naar kwesties wat betreft de seksuele bevrediging. Wij
psychoanalytici
huldigen immers tot nu toe de mening dat de wortels van elke nerveuze
en
psychische stoornis voornamelijk in het geslachtsleven van de patiënt
moeten
worden gezocht—een standpunt dat sommigen van ons alleen op grond van
hun
ervaring innemen, terwijl anderen bovendien door theoretische
overwegingen worden
beïnvloed.
Na
de tot dusver vermelde voorbeelden van Schrebers waanideeën mogen we
ons zonder
meer ontslagen achten van het vermoeden dat juist deze paranoïde
aandoening wel
eens het ‘negatieve geval’ zou blijken te zijn, waar zolang naar
gezocht is,
waarin de seksualiteit geen noemenswaardige rol speelt. Uit de manier
waarop Schreber
telkens weer spreekt lijkt het alsof hij het eens is met ons
vooroordeel. Hij heeft
het doorlopend in één adem over ‘nervositeit’ en erotische missers
alsof die
twee dingen onafscheidelijk zouden zijn.
Voor
hij ziek werd was Senaatspresident Schreber een man van strenge zeden
geweest:
‘Er zullen weinig mensen zijn,’ zo beweert hij, en ik zie geen redenen
om hem
niet te geloven, ‘die volgens zulke strenge zedelijke beginselen zijn
opgevoed
als ik, en die zich hun hele leven lang, vooral ook in seksueel
opzicht, een zo
consequent met deze beginselen strokende zelfbeheersing hebben opgelegd
als ik
van mezelf mag beweren.’ Na de zware innerlijke strijd waarvan de
ziekteverschijnselen de uiterlijke kentekenen waren, was zijn houding
tegenover
de erotische kant van het leven veranderd. Hij was tot het inzicht
gekomen dat
het cultiveren van wellust voor hem plicht was geworden en dat hij
alleen op
die manier een eind zou kunnen maken aan het hevige conflict dat in hem
was—of,
naar hij zelf dacht, om hem heen was losgebroken. Wellust was, zoals de
stemmen
hem verzekerden, iets ‘godvruchtigs’ geworden, en het speet hem
alleen
dat hij niet in staat was zich de hele dag aan het cultiveren van
wellust te
wijden.
Dat
was dus, zoals wij dat het licht van de twee hoofdlijnen van zijn
waansysteem
vinden uitgedrukt, het resultaat van de veranderingen die de ziekte bij
Schreber teweegbracht. Eerder was hij iemand geweest die tot seksuele
ascese
neigde en die ten opzichte van God een twijfelaar was geweest; terwijl
hij
daarna in God geloofde en een liefhebber van wellust was. Maar net
zoals zijn
herwonnen godsgeloof zonderlinge trekken vertoonde, was ook het
seksuele genot
dat hij voor zichzelf had veroverd uiterst merkwaardig. Het was geen
mannelijke
seksuele vrijheid, maar de seksuele gevoelens van een vrouw. Hij nam
een
vrouwelijke houding aan tegenover God en voelde zich Gods vrouw.
Geen ander aspect van zijn waanideeën wordt door de patiënt zo
uitvoerig, en
men zou zelfs kunnen zeggen, zo hardnekkig behandeld als zijn
zogenaamde
verandering in een vrouw. De door hem opgenomen zenuwen hebben in zijn
lichaam
het karakter van vrouwelijke wellustzenuwen aangenomen en zijn lichaam
verder ook
een min of meer vrouwelijke karakter bezorgd, en speciaal zijn huid,
waaraan ze
een voor het vrouwelijke geslacht typerende zachtheid hebben verleend.
Wanneer
hij met zijn hand zachtjes op een of andere plek van zijn lichaam
drukt, kan
hij deze zenuwen als een weefsel van een draad- of koordachtige
substantie
onder de oppervlakte voelen, en dat is vooral het geval in zijn borst,
op de
plek waar zich bij vrouwen de boezem bevindt. ‘Door druk uit te oefenen
op dat
weefsel kan ik, vooral wanneer ik aan iets vrouwelijks denk, een met
vrouwelijke lustgevoelens overeenkomende sensatie oproepen.’ Hij weet
zeker dat
dit weefsel van oorsprong niets anders zijn dan godszenuwen, die door
de
overgang in zijn lichaam nauwelijks aan karakter kunnen hebben
ingeboet. Door
middel van wat hij het ‘tekenen’ noemt (d.w.z. door visuele beelden op
te
roepen) is hij in staat zichzelf en de stralen de indruk te geven, dat
zijn
lichaam van vrouwelijke borsten en vrouwelijke geslachtsdelen is
voorzien: ‘Het
tekenen van een vrouwelijk achterste aan mijn lichaam—honni soit qui
mal y pense—is
zo’n gewoonte voor me geworden dat ik dat bij het bukken bijna elke
keer
onwillekeurig doe.’ Hij durft boudweg te beweren: ‘Afgezien daarvan
durf ik
echter onverschrokken te beweren, dat iedereen, die mij met ontbloot
bovenlijf
voor de spiegel zou zien staan, temeer als de illusie door wat
vrouwelijke
opsmuk ondersteund zou worden—ongetwijfeld de indruk van een vrouwelijk
bovenlijf zou krijgen.’ Hij vraagt om een medisch onderzoek, dat zou
moeten
uitwijzen dat zijn hele lichaam van top tot teen doorweven is met
wellustzenuwen, wat volgens hem alleen bij vrouwen voorkomt, terwijl de
wellustzenuwen bij mannen, voor zover hem bekend, alleen in de
geslachtsdelen
en in de onmiddellijke omgeving daarvan zitten. Door deze opeenhoping
van
zenuwen heeft zich in zijn lichaam zo’n krachtige zielenwellust
ontwikkeld, dat
het maar een lichte inspanning van zijn fantasie vereist (vooral als
hij in bed
ligt) om een toestand van zinnelijk welbehagen te bereiken, dat hem een
vrij
duidelijk beeld verschaft van het seksuele genot dat vrouwen tijdens de
bijslaap
ondervinden.
Als
we nu weer denken aan de droom van de patiënt tijdens de incubatietijd
van zijn
ziekte, nog voordat hij naar Dresden verhuisde, zal het ongetwijfeld
duidelijk
worden dat zijn waanvoorstelling dat hij in een vrouw zou veranderen,
niets
anders was dan de verwerkelijking van de inhoud van deze droom.
Destijds was
hij vol mannelijke verontwaardiging tegen deze droom in opstand
gekomen, en op
dezelfde manier hij verzette hij zich tijdens zijn ziekte aanvankelijk
tegen de
vervulling daarvan en zag hij een dergelijke verandering tot vrouw als
een
schande, waarmee hij op een vijandig gezinde manier werd bedreigd. Maar
er kwam
een moment (dat was in november 1895) waarop hij zich met die
verandering begon
te verzoenen en het in overeenstemming bracht met hogere bedoelingen
van God:
‘Sinds die tijd heb ik het cultiveren van vrouwelijkheid, mij volledig
bewust
van wat ik deed, in mijn vaandel geschreven.’
Daarna
raakte hij er vast van overtuigd dat God zelf, omwille van zijn eigen
bevrediging, van hem verlangde dat hij een vrouw zou worden: ‘Zodra ik
echter
(als ik dat zo mag zeggen) met God alleen ben, voel ik me genoodzaakt
om met
alle denkbare middelen, en tevens met de volle inzet van mijn
verstandelijke
vermogens en vooral van mijn verbeeldingskracht, te bewerkstelligen dat
de
goddelijke stralen zo onafgebroken mogelijk (of omdat dat dat zijn
vermogen als
sterveling te boven gaat, toch op zijn minst op bepaalde uren van de
dag) de
indruk krijgen dat ik een vrouw ben die in gevoelens van wellust
zwelgt.’
’Aan de andere kant
verlangt God een voortdurend genieten, dat overeenkomt met de
bestaansvoorwaarden
van de ziel, die met de Wereldorde stroken; het is mijn taak hem dat te
verschaffen in de vorm van de meest uitvoerige ontwikkeling van de
zielenwellust, voor zover het onder de eenmaal geschapen toestanden,
die tegen
de Wereldorde indruisen, binnen het bereik ligt van de mogelijkheden;
voor
zover daarbij iets van het zinnelijke genot voor mijzelf overblijft,
geeft mij
dat het recht om dat mee te nemen als een kleine schadeloosstelling
voor de
overmaat aan lijden en ontberingen, dat mij jarenlang is opgelegd.’
.’..Ik denk zelfs dat ik,
gezien de verkregen indrukken, de mening mag uitspreken, dat God nooit
tot een
terugtrekkingsactie zou overgaan (waardoor mijn lichamelijk welbevinden
telkens
eerst aanzienlijk wordt verslechterd), maar zonder enige tegenstand en
voortdurende regelmaat gevolg zou geven aan het aantrekken, als het
voor mij
mogelijk zou zijn om steeds de liggende vrouw, in een seksuele omarming
met
mijzelf, te spelen, mijn blik steeds op vrouwelijke schepsels te laten
rusten,
steeds naar vrouwelijke afbeeldingen te kijken enz.’
De
twee voornaamste aspecten van Schrebers systeem, (het idee dat hij in
een vrouw
moet veranderen en zijn bevoorrechte relatie tot God), hangen met
elkaar samen
door de vrouwelijke houding die hij tegenover God aanneemt. We staan
dus voor
de onvermijdelijke taak om te laten zien dat er een wezenlijk oorzakelijk
verband
tussen deze aspecten bestaat. Anders zullen onze verklaringen van
Schrebers
waan ons in dezelfde belachelijke positie terecht laten komen die Kant
in de befaamde
gelijkenis in zijn Kritik der reinen Vernunft heeft
beschreven,—we
zullen dan lijken op de man die de zeef onder de bok houdt terwijl een
ander
hem melkt.
2.
Pogingen tot duiding
Er
bestaan twee invalshoeken van waaruit wij de ziektegeschiedenis van
deze
paranoïde patiënt kunnen proberen te begrijpen en de daarin de bekende
complexen en driften van zijn geestelijk leven aan het licht te
brengen. We
zouden kunnen uitgaan van de waandenkbeelden die de patiënt zelf
verkondigt of
van de uitlokkende factoren van zijn ziekte.
De
eerste benadering lijkt aanlokkelijk sinds het briljante voorbeeld dat
C. G.
Jung ons heeft gegeven met zijn duiding van een geval van dementia
praecox, dat
veel ernstiger was en waarbij de symptomen ook aanmerkelijk meer
afweken van
het normale patroon. Bij deze aanpak lijkt onze taak bovendien
vergemakkelijkt
te worden door de grote intelligentie en mededeelzaamheid van de
patiënt. Meer
dan eens drukt hij ons zelf de sleutel tot zijn waanideeën in de hand
doordat
hij, op een ogenschijnlijk toevallige manier, een toelichting, citaat
of
voorbeeld toevoegt, of een hem zelf plotseling invallende overeenkomst
nadrukkelijk bestrijdt. Als dat gebeurt, hoeven wij alleen maar onze
gebruikelijke
psychoanalytische techniek te volgen,—slechts zijn uitspraak te ontdoen
van
haar negatieve inkleding, het voorbeeld als de zaak zelf te beschouwen,
of het
citaat of de uitspraak als de oorspronkelijke bron op te vatten—en
beschikken
we over waar we naar op zoek waren, namelijk een vertaling van de
paranoïde manier
van uitdrukken in de normale.
Misschien
is het zinnig om een meer gedetailleerd voorbeeld van deze techniek te
geven.
Schreber klaagt over de last die hij heeft van de zogenaamde
‘gewonderde’ of
‘sprekende vogels waaraan hij een aantal heel opmerkelijke
eigenschappen
toeschrijft. Volgens hem zijn ze gevormd uit de resten van voormalige
‘voorportalen van de hemel dat wil zeggen, mensenzielen die de
gelukzaligheid
hebben bereikt, en die worden beladen met lijkengif en op hem af worden
gestuurd.
Ze hebben geleerd ‘zinloze uit het hoofd geleerde zegswijzen’ na te
praten die
hen zijn ‘ingestampt.’ Telkens wanneer ze hun lading lijkengif op hem
hebben gedeponeerd,—d.w.z.
telkens als ze ‘de hun min of meer ingestampte frasen hebben
afgeraffeld—worden
ze tot zekere hoogte in zijn ziel opgenomen, met de woorden ‘rotvent’
of
‘verdorie nog toe wat de enige woorden zijn waarmee ze nog zoiets als
een echt
gevoel tot uitdrukking kunnen brengen. De zin van de door hen
uitgesproken
woorden begrijpen ze zelf niet, maar ze hebben een natuurlijke
ontvankelijkheid
voor klankovereenkomsten, waarbij de gelijkluidendheid niet volledig
hoeft te
zijn. Voor hen maakt het dus niet uit of men zegt:
"Santiago"
of "Carthago"
"Chinezendom"
of "Christendom"
"Avondrood"
of "ademnood"
"Ariman"
of "akkerman"
"Keukenstoel"
of "reukgevoel." enz., enz.
Als
wij deze beschrijving lezen kunnen wij niet aan het idee ontkomen, dat
dit in
werkelijkheid moet slaan op jonge meisjes. In een kinderachtige bui
vergelijken
mensen die met ‘gansjes,’ en maken ze, niet bepaald hoffelijk, uit voor
‘kippen
zonder kop’ en beweren dat ze alleen maar aangeleerde frasen kunnen
napraten en
hun gebrek aan opvoeding verraden doordat ze op elkaar lijkende vreemde
woorden
door elkaar halen. Dat ‘rotvent,’ de enige uitdrukking die ze serieus
nemen,
zou in dat geval een toespeling zijn op de triomf van de jongeman die
indruk op
ze heeft weten te maken. En waarachtig, een paar bladzijden verder
stuiten we
op een passage waarin Schreber deze duiding bevestigt: ‘Om ze uit
elkaar te
houden heb ik bij wijze van grap een groot aantal van de overige
vogelzielen
meisjesnamen gegeven, omdat ze allemaal, vanwege hun nieuwsgierigheid,
wellustigheid enz. op de eerste plaats aan kleine meisjes doen denken.
Sommige
van deze meisjesnamen zijn daarna door de godsstralen overgenomen en
gehandhaafd om de betreffende vogelzielen aan te duiden.’ Deze
eenvoudige
duiding van de ‘gewonderde vogels’ geeft ons dan een aanwijzing die ons
kan
helpen om de raadselachtige ‘voorportalen van de hemel’ te begrijpen.
Ik
besef heel goed dat een psychoanalyticus, elke keer als hij bij zijn
werk zich
buiten de typische voorbeelden van de duiding begeeft, nogal wat tact
en terughoudendheid
in acht dient te nemen, en dat de toehoorders of lezers alleen met hem
mee
kunnen gaan, voor zover hun eigen vertrouwd zijn met de analytische
techniek hen
dat toelaat. Hij heeft dus alle reden om op te passen voor het gevaar
dat het tonen
van een grotere scherpzinnigheid van zijn kant gepaard kan gaan met een
vermindering
van de zekerheid en geloofwaardigheid van zijn resultaten. Het is dus
alleen
maar vanzelfsprekend dat de ene analyticus teveel naar voorzichtig
neigt en de
ander teveel naar stoutmoedigheid. We zullen pas de juiste grenzen van
de duiding
kunnen bepalen, als we veel onderzoek hebben gedaan en totdat wij met
het
onderwerp vertrouwd zijn geraakt. Bij het werken aan het geval Schreber
heb ik
een terughoudend beleid moeten voeren door de omstandigheid dat de
weerstand
tegen de publicatie van de Denkwürdigkeiten in zoverre het
gevolg heeft
gehad, dat we geen kennis kunnen nemen van een aanzienlijk deel van het
materiaal,—het gedeelte dat naar alle waarschijnlijkheid het
belangrijkste licht
op de zaak had geworpen. Zo begint hoofdstuk 3 van het boek
bijvoorbeeld met de
veelbelovende aankondiging: ‘Ik zal het nu eerst hebben over
gebeurtenissen bij
mijn andere familieleden, die mogelijk in verband zouden kunnen staan
met de
veronderstelde zielenmoord, en die in ieder geval allemaal een meer of
minder
raadselachtig, volgens andere menselijke ervaringen moeilijk te
verklaren,
stempel dragen,’ maar de laatste zin, die tevens de laatste van het
hoofdstuk
is luidt als volgt: ‘De verdere inhoud van het hoofdstuk komt, als
ongeschikt
voor publicatie, bij het drukken te vervallen.’ Ik zal dus tevreden
moeten zijn
als het me lukt om met enige mate van zekerheid aan te tonen dat juist
de kern
van het waansysteem tot bekende menselijke drijfveren kan worden
herleid.
Met
het oog daarop vermeld ik hier nog een stukje van de ziektegeschiedenis
waaraan
in de rapporten onvoldoende aandacht is besteed, hoewel de patiënt er
zelf
alles aan heeft gedaan om het op de voorgrond te schuiven. Ik verwijs
naar de
verhouding van Schreber tot zijn eerste dokter, geheimraad prof.
Flechsig uit
Leipzig.
Zoals
we al weten nam het geval Schreber aanvankelijk de vorm aan van een
vervolgingswaan en begon dat pas te verliezen toen er een keerpunt in
de ziekte
was opgetreden (ten tijde van de ‘verzoening’). Vanaf dat moment werd
de
vervolgingswaan steeds minder ondraaglijk en het smadelijke idee dat
aan de
dreigende ontmanning ten grondslag lag begon nu plaats te maken voor
een idee
dat in overeenstemming met de Wereldorde was. De oorspronkelijke
aanstichter
van alle vervolgingen was echter Flechsig en hij blijft dat gedurende
het hele
verloop van de ziekte.
Over
de eigenlijke aard van de wandaden en de motieven van Flechsig, heeft
de
patiënt het met zijn kenmerkende vaagheid en ongrijpbaarheid, dat als
een
kenmerk van een bijzonder intensieve ‘waanvorming’ kan worden
beschouwd—als het
juist is om paranoia te beoordelen naar het voorbeeld van een veel
beter bekend
mentaal fenomeen, de droom. Flechsig heeft volgens de patiënt een
‘zielenmoord’
gepleegd, of heeft dat geprobeerd,—een daad die, volgens hem, was te
vergelijken met de pogingen van de duivel of demonen om iemands ziel te
bemachtigen en die was voorafgeschaduwd door gebeurtenissen, die tussen
reeds
lang gestorven leden van de families Flechsig en Schreber waren
voorgevallen. Wij
zouden graag meer over de betekenis van deze zielenmoord te weten
willen komen,
maar hier blijven de bronnen weer op een tendentieuze wijze zwijgen:
‘Waaruit
het eigenlijke wezen van de zielenmoord en zogezegd de techniek daarvan
bestaat, kan ik niet zeggen, afgezien van wat hierboven is aangeduid.
Er zou
alleen nog aan toe kunnen worden gevoegd…. (volgt een passage, die niet
geschikt is voor publicatie).’ Als gevolg van deze weglating worden wij
in het
ongewisse gelaten over de vraag wat er nu met ‘zielenmoord’ wordt
bedoeld. De
enige aanwijzing, die aan de censuur ontsnapt is, zullen we later
vermelden.
Hoe
het ook zij, er vond al snel een nieuwe ontwikkeling in het waansysteem
plaats,
die zijn verhouding tot God betrof, maar zijn verhouding tot Flechsig
niet
veranderde. Tot dan toe had hij Flechsig (of veeleer zijn ziel) als
zijn enige
echte vijand en de Almachtige God als zijn bondgenoot beschouwd, maar
nu kon
hij de gedachte niet meer van zich afzetten, dat God zelf in de
samenzwering
tegen hem de rol van medeplichtige had gespeeld, zo niet die van
aanstichter.
Maar Flechsig bleef de eerste verleider en God was door zijn invloed
gezwicht.
Flechsig was erin geslaagd om met zijn hele ziel of een deel daarvan in
de
hemel door te dringen en, zonder dood te gaan en enige voorafgaande
loutering,
leider van de stralen te worden. Deze rol behield de ziel van Flechsig
ook
nadat de patiënt van de kliniek te Leipzig naar de inrichting van dr.
Pierson
was verhuisd. De invloed van de nieuwe omgeving bleek uit het feit dat
nu de ziel
van Flechsig zich verenigde met de ziel van de hoofdverpleger, in wie
de
patiënt iemand herkende die vroeger in hetzelfde woonblok had gewoond
als hij. Dat
was de ziel van v.W. De ziel van Flechsig introduceerde het systeem van
de ‘zielendeling
dat grote afmetingen aannam. Op een bepaald moment bestonden er 40 tot
60 onderafdelingen
van de ziel van Flechsig; twee grotere zielendelen werden de ‘bovenste
Flechsig’ en de ‘middelste Flechsig’ genoemd. De ziel van v.W. (van de
hoofdverpleger) gedroeg zich op dezelfde manier. Het was dan soms
uiterst
vermakelijk om te merken hoe deze beide zielen, ondanks hun
bondgenootschap, een
vete met elkaar voerden: de aristocratische trots van de een en de
professorale
eigendunk van de ander maten hun krachten met elkaar. In de eerste
weken van
zijn verblijf in Sonnenstein (waar hij uiteindelijk in de zomer van
1894
naartoe werd gebracht) kwam de ziel van zijn nieuwe arts, dr. Weber, in
het
spel en kort daarop volgde de ommekeer in de ontwikkeling van zijn
waansysteem,
die wij als de ‘verzoening’ hebben leren kennen.
Tijdens
dit latere verblijf op Sonnenstein, toen God hem beter leerde
waarderen, werd
er een overval gepleegd op de zielen, die zo in aantal waren toegenomen
dat ze
een plaag vormden. Als gevolg daarvan bleef de ziel van Flechsig
slechts in één
of twee vormen, en de ziel van v.W. maar in één enkele vorm over. De
laatste
verdween weldra helemaal. De zielendelen van Flechsig, die
langzamerhand zowel
hun intelligentie als hun macht verloren, werden daarna als de
‘achterste
Flechsig’ en als ‘nou-ja-partij’ beschreven. Dat de ziel van Flechsig
tot het
einde toe haar belangrijkheid handhaafde, wordt verduidelijkt door
Schreber
voorafgaande ‘Open brief aan de heer geheimraad prof. dr. Flechsig.’
In
dit opmerkelijke geschrift geeft Schreber uitdrukking aan zijn vaste
overtuiging dat de dokter die hem beïnvloedde, dezelfde visioenen had
gehad en
dezelfde onthullingen over bovenzinnelijke zaken had ontvangen als
hijzelf. Hij
laat dan meteen de waarschuwing volgen dat de schrijver de Denkwürdigkeiten
geenszins
als een aanval op de goede naam van deze arts heeft bedoeld en
datzelfde wordt
in de verzoekschriften van de patiënt nog eens plechtig en nadrukkelijk
herhaald. Het is duidelijk dat hij probeert om ‘de ziel Flechsig’ en de
levende
persoon van dezelfde naam, de Flechsig van de waanideeën en de echte
Flechsig,
gescheiden te houden.
Het
bestuderen van een aantal gevallen van vervolgingswaan heeft mij, net
als
andere onderzoekers, tot de overtuiging gebracht dat de relatie tussen
de
patiënt en zijn vervolger tot een eenvoudige formule valt te herleiden.
Het
lijkt alsof de persoon aan wie het waansysteem grote macht en invloed
toeschrijft, en in wiens handen alle draden van de samenzwering
samenkomen, als
hij met name wordt genoemd, of identiek is aan degene die vóór het
uitbreken
van de ziekte een soortgelijke veelbetekenende rol in het gevoelsleven
van de
patiënt speelde, of een gemakkelijk herkenbaar substituut voor hem is.
De
heftigheid van de emotie wordt geprojecteerd in de vorm van een
uiterlijke
macht, terwijl de hoedanigheid in haar tegendeel omslaat. Degene die nu
als vervolger
gehaat en gevreesd wordt, werd vroeger bemind en vereerd. De
belangrijkste
bedoeling van de vervolging, die door de waan van de patiënt wordt
bevestigd, is
vooral een rechtvaardiging voor de verandering van zijn emotionele
houding.
Laten
we vanuit dat oogpunt de relaties eens bekijken, die vroeger tussen de
patiënt
en zijn dokter en vervolger Flechsig hadden bestaan. We hebben al
gehoord dat
Schreber in de jaren 1884 en 1885 voor het eerst aan een nerveuze
aandoening
leed, die verliep ‘zonder dat er ook maar één voorval met het
bovenzinnelijke
te maken had.’ In die toestand, die als ‘hypochondrie’ werd
beschreven
en blijkbaar niet de grenzen van een neurose overschreed, trad Flechsig
op als
zijn dokter. Schreber bracht toen 6 maanden door in de
universiteitskliniek van
Leipzig. We vernemen dat hij na zijn herstel hartelijke gevoelens voor
zijn
dokter koesterde. ‘De hoofdzaak was, dat ik ten slotte (na een vrij
lange
periode van herstel) was genezen en daarom kon ik destijds alleen maar
zijn
vervuld van gevoelens van een zeer grote dankbaarheid jegens Prof.
Flechsig,
waaraan ik ook door een later bezoek en een volgens mij passend
honorarium nog op
een bijzondere manier uitdrukking heb gegeven.’ Het is juist dat
Schrebers lof
in de Denkwürdigkeiten voor de eerste behandeling door
Flechsig niet geheel
zonder voorbehoud is, maar dat valt gemakkelijk te begrijpen, als we
bedenken
dat zijn houding intussen was omgeslagen. De passage die meteen volgt
op degene
die net is aangehaald, getuigt van de oorspronkelijke warmte van zijn
gevoelens
die hij koesterde voor de arts die hem met zoveel succes had behandeld:
‘Bijna
nog inniger werd de dankbaarheid door mijn vrouw ervaren, die in
professor
Flechsig gewoon degene vereerde, die haar haar man had teruggegeven en
om die
reden zijn portret jarenlang op haar werktafel had staan.’
Omdat
we geen enkel inzicht kunnen krijgen in de oorzaken van de eerste
ziekteperiode
(een kennis die beslist onmisbaar is, als wij de ernstige tweede aanval
juist
willen verduidelijken) moeten we ons nu op goed geluk storten in een
aaneenschakeling van omstandigheden. We weten dat hij in de
incubatietijd van
de ziekte (tussen juni 1893, toen hij zijn nieuwe aanstelling kreeg, en
oktober
daaropvolgend, toen hij zijn werkzaamheden begon), herhaaldelijk
droomde dat
zijn vroegere zenuwziekte was teruggekomen. Bovendien kreeg hij een
keer, in
een toestand tussen slapen en waken, het idee dat het toch aangenaam
moest zijn
om een vrouw te zijn, die de bij slaap onderging.
De
dromen en deze fantasie worden door Schreber vlak achter elkaar
meegedeeld; en
als we nu ook hun onderwerp met elkaar in verband brengen, kunnen we
concluderen dat, tegelijkertijd met het terugdenken aan de ziekte, ook
de
herinnering aan de dokter weer werd opgeroepen, en dat de vrouwelijke
houding
die hij in de fantasie aannam van het begin af aan op de dokter was
gericht. Het
zou ook kunnen dat deze droom, over een terugkeer van de ziekte, gewoon
een
uiting was van zoiets als het verlangen: ‘ik wou dat ik Flechsig weer
zou
kunnen zien.’ Omdat we niet op de hoogte zijn van de psychische inhoud
van de
eerste ziekte kunnen we in die richting niet verder komen. Misschien
had hij
uit deze periode een innige afhankelijkheid van de dokter overgehouden,
die nu
om een onbekende reden, werd verhevigd tot een erotisch verlangen. Deze
vrouwelijke fantasie, die nog steeds onpersoonlijk bleef, stuitte
meteen op een
verontwaardigde afwijzing—een echt ‘mannelijk protest om een
uitdrukking van
Alfred Adler, maar in een afwijkende betekenis, te gebruiken. Maar
gedurende de
kort daarop uitbrekende ernstige psychose overheerste de fantasie over
de
vrouwenrol al het andere, en we hoeven de karakteristieke paranoïde
vaagheid
van Schrebers manier van uitdrukken maar een beetje te bij te stellen
om te kunnen
raden dat de patiënt bang was dat de dokter zelf hem seksueel zou
misbruiken.
De aanleiding tot deze psychose was dus een plotselinge uitbarsting van
een
homoseksuele libido; het voorwerp van die libido was waarschijnlijk
vanaf het
begin al op Flechsig gericht, en zijn verzet tegen deze libidineuze
impuls
veroorzaakte het conflict waaruit de symptomen voortsproten.
Ik
pauzeer hier even om een stortvloed van verwijten en tegenwerpingen te
weerleggen. Iedereen die de huidige psychiatrie kent, moet zich
voorbereiden op
het onder ogen zien van problemen.
’Is
het niet onverantwoordelijk lichtvaardig, indiscreet en lasterlijk om
een
ethisch zo hoogstaand iemand als de voormalige Senaatspresident Dr.
Schreber,
van homoseksualiteit te betichten?’—Nee, want de patiënt heeft de
fantasie over
zijn verandering tot vrouw zelf wereldkundig gemaakt en hogere belangen
laten
prevaleren boven persoonlijke overwegingen. Hij heeft ons dus zelf het
recht gegeven
om ons met deze fantasie bezig te houden en door het in medische
vaktermen te
vertalen hebben we aan de inhoud daarvan niet het geringste toegevoegd.
‘Ja,
maar hij was niet goed bij zijn hoofd toen hij dat deed. Zijn
waandenkbeeld dat
hij in een vrouw moest veranderen, was een ziekelijk idee.’—Dat zijn we
niet
vergeten. We bemoeien ons ook alleen maar met de betekenis en de
herkomst van
dit ziekelijke idee. We beroepen ons op het onderscheid dat hij zelf
maakt
tussen de mens Flechsig en de ‘ziel van Flechsig.’ We verwijten hem
overigens
niets— noch dat hij homoseksuele neigingen had, noch dat hij probeerde
ze te
verdringen. Psychiaters zouden nog een lesje kunnen leren van deze
patiënt die,
ondanks al zijn waandenkbeelden, probeert om de wereld van het
onbewuste niet
te verwarren met de echte wereld.
‘Maar
er wordt toch nergens expliciet gezegd dat de verandering tot vrouw,
waar hij
zo bang voor was, ten gerieve van Flechsig moest worden
uitgevoerd?’—Dat is
juist, en het is niet moeilijk te begrijpen waarom hij, toen hij bezig
was met
de voorbereiding voor de publicatie van zijn memoires, omdat hij de
‘mens
Flechsig’ niet wilde beledigen, een dergelijke grove beschuldiging zou
hebben vermeden.
Maar
het afzwakken van zijn uitspraken, gezien deze overwegingen, ging niet
zover dat
de echte bedoeling van zijn aanklacht daardoor verborgen kon blijven.
Men kan
zelfs staande houden dat het idee eigenlijk ook openlijk wordt
uitgesproken,
bijvoorbeeld in de volgende passage: ‘Op die manier kwam een tegen mij
gericht
complot tot stand (ongeveer in maart of april 1894), dat de bedoeling
had om
mij, nadat de ongeneeslijkheid van mijn ziekte eenmaal was toegegeven
of
aanvaard, zo aan iemand uit te leveren, dat mijn ziel wel aan
hem werd
toevertrouwd, maar mijn lichaam ….in een vrouwelijk lichaam werd
veranderd, en als
zodanig aan de desbetreffende persoon ten behoeve van seksueel
misbruik
werd overgelaten.’ Het is overbodig om op te merken dat er nooit iemand
wordt
genoemd die men Flechsigs plaats zou kunnen laten innemen. Tegen het
eind van Schrebers
verblijf in de kliniek in Leipzig duikt de angst op dat hij ‘voor de
bewakers
zou worden geworpen,’ om seksueel misbruikt te worden. Ons laatste
restje
twijfel over de oorspronkelijk aan de dokter toebedachte rol, verdwijnt
als we
zien dat hij tijdens de latere stadia van zijn waan zijn vrouwelijke
instelling
tegenover God openlijk toegeeft. Het andere verwijt tegen Flechsig
klinkt overduidelijk
door het hele boek heen. Flechsig, zegt hij, heeft een poging tot
zielenmoord
op hem gedaan. We weten al dat de werkelijke aard van dit misdrijf de
patiënt
zelf niet duidelijk was, maar dat het te maken heeft met dingen die hij
uit
discretie niet voor publicatie in aanmerking wilde laten komen (zoals
we zien
bij het tegenhouden van hoofdstuk 3). Er is slechts één draad die ons
verder
wijst. Schreber licht de zielenmoord toe door te verwijzen naar de
sagen, die deel
uitmaken van Goethes Faust, Lord Byrons Manfred, Webers
Freischütz, enz., en een van deze voorbeelden wordt
ook
nog op een
andere plaats
aangehaald. Als hij het heeft over de splijting van God in twee
personen,
identificeert Schreber de ‘lagere’ en de ‘hogere’ God respectievelijk
met Ahriman
en Ormuzd; en kort daarop volgt terloops de opmerking: ‘De naam Ahriman
wordt bijvoorbeeld
ook in Lord Byrons Manfred in verband met een zielenmoord
gebracht.’ In
het gedicht, wat hij op die manier aanhaalt, is nauwelijks iets te
vinden dat
te vergelijken is met prijsgeven van de ziel van Faust, en ook naar de
uitdrukking ‘zielenmoord’ heb ik daar vergeefs gezocht. Maar het wezen
en het
geheim van het hele werk ligt in de incestueuze verhouding tussen broer
en
zuster. En hier breekt onze draad voortijdig af.
Het
is mijn bedoeling om in een later stadium van deze studie nog andere
bezwaren te
bespreken, maar intussen denk ik geldige redenen te hebben om de
opvatting
staande te houden, dat het tot een uitbarsting komen van een
homoseksuele
impuls de grondslag van Schrebers ziekte vormde. Deze hypothese komt
overeen
met een opmerkenswaardig detail van het geval dat anders onverklaarbaar
blijft.
De patiënt had opnieuw een ‘zenuwinzinking die een doorslaggevende
invloed op
het verloop van zijn ziekte had, op een tijdstip dat zijn vrouw vanwege
haar
eigen gezondheid een korte vakantie had genomen. Tot dat moment had ze
elke dag
verscheidene uren met hem doorgebracht en ‘s middags samen met hem
gegeten.
Maar toen ze na een afwezigheid van vier dagen terugkeerde, merkte ze
dat hij
een uiterst trieste verandering had ondergaan, zo sterk zelfs dat hij
haar niet
meer wilde zien. ‘Beslissend voor mijn geestelijke ineenstorting was
met name
een nacht, waarin ik, in die ene nacht, een geheel ongebruikelijk
aantal polluties
(wel een half dozijn) had.’ Het is gemakkelijk te begrijpen dat alleen
al de
aanwezigheid van zijn vrouw als een bescherming tegen de
aantrekkingskracht van
mannen uit zijn omgeving moet hebben gediend, en als we bereid zijn te
erkennen
dat bij volwassenen geen zaadlozing kan optreden zonder enig
begeleidend mentaal
proces, kunnen we de zaadlozingen van de patiënt in die nacht
aanvullen, door
aan te nemen dat ze vergezeld gingen van homoseksuele fantasieën die
onbewust
zijn gebleven.
De
vraag waarom de patiënt nu juist op dat moment, (dat wil zeggen, in de
periode
tussen zijn benoeming en de verhuizing naar Dresden), door deze
uitbarsting van
homoseksuele libido werd overvallen, kunnen we bij het ontbreken van
nadere kennis
over zijn levensgeschiedenis niet beantwoorden. In het algemeen wordt
een mens
zijn leven lang heen en weer geslingerd tussen heteroseksuele en
homoseksuele
gevoelens, en elke frustratie of teleurstelling aan de ene kant drijft
hem
gewoonlijk naar de andere kant toe. Van dergelijke factoren is ons in
het geval
Schreber niets bekend, maar we moeten niet nalaten de aandacht te
vestigen op
een somatische factor die mogelijk heel goed van belang zou kunnen
zijn. Toen
hij ziek werd, was Dr. Schreber eenenvijftig, en had daarom wat zijn
seksuele
leven aangaat een kritieke leeftijd bereikt. Het is een periode waarin
de
seksualiteit van de vrouw, na een fase van activering, een ingrijpende
teruggang
ondergaat; maar ook de man schijnt niet van die invloed verschoond te
blijven,
want zowel mannen al vrouwen maken een ‘climacterium’ door, met een
daarmee gepaard
gaande ontvankelijkheid voor bepaalde ziekten.
Ik
kan me heel goed indenken dat het een twijfelachtige hypothese moet
lijken, om
te veronderstellen dat iemands gevoel van sympathie voor zijn dokter
plotseling,
na een verloop van acht jaar, in een verhevigde vorm naar buiten treedt
en dan
aanleiding kan geven tot zo’n ernstige psychische stoornis. Maar ik
denk dat
het niet terecht is om een dergelijke hypothese, louter vanwege de
daarmee samenhangende
onwaarschijnlijkheid, te laten vallen, als die om andere redenen
aannemelijk is.
We kunnen beter onderzoeken hoever we kunnen komen als wij die
hypothese
volgen. Die onwaarschijnlijkheid is misschien maar van voorbijgaande
aard en kan
te wijten zijn aan het feit dat de twijfelachtige hypothese nog niet in
verband
is gebracht met andere fragmenten kennis, en dat het de eerste
hypothese is
waarmee het probleem moet worden aangepakt. Maar ter wille van degenen
die niet
in staat zijn om hun oordeel op te schorten en onze hypothee volkomen
onhoudbaar
vinden, kunnen we gemakkelijk een mogelijkheid voorleggen, waardoor het
idee
zijn verbijsterende karakter verliest. De vriendschappelijke gevoelens
van de
patiënt voor zijn dokter kan namelijk best te danken zijn aan een
proces van
‘overdracht,’ waardoor een bepaalde emotionele concentratie op iemand
die voor
hem belangrijk was wordt verlegd naar de dokter die hem eigenlijk
onverschillig
was, zodat de dokter wordt verkozen tot een plaatsvervanger of
surrogaat, voor
iemand die hem veel nader staat. Om een meer concrete vorm te
gebruiken: de
patiënt werd eigenlijk door de figuur van de dokter aan zijn broer of
zijn
vader herinnerd; hij heeft hen in hem teruggevonden; het is dan niet
meer
verwonderlijk dat er dan, onder bepaalde omstandigheden, opnieuw een
verlangen
naar deze surrogaatfiguur bij hem opkomt en een uitwerking heeft
waarvan de
hevigheid alleen valt te verklaren in het licht van de herkomst en
oorspronkelijke betekenis ervan. Met het oog op deze poging tot
verklaring, leek
het mij de moeite waard om te weten te komen of de vader van de patiënt
bij het
uitbreken van de ziekte nog in leven was, en of hij soms een broer had,
en zo ja,
of deze broer toen nog in leven of ‘zaliger’ was. Het deed mij daarom
goed toen
ik tenslotte, na lang speuren in de Denkwürdigkeiten, een
passage
aantrof waarin de patiënt een einde aan mijn onzekerheid maakte: ‘De
herinnering aan mijn vader en mijn broer. . . is me zo heilig als. . .‘
enz.
Toen hij voor de tweede keer ziek werd (misschien ook tijdens de eerste
keer
ook al) waren ze dus allebei al overleden.
We
hoeven, denk ik, verder geen bezwaar te maken tegen de hypothese dat de
ziekte werd
veroorzaakt door het in hem optreden van een vrouwelijke (dat wil
zeggen een
passief homoseksuele) begerende fantasie, die de figuur van de dokter
tot
object nam. Hiertegen ontstond een hevige weerstand van de zijde van
Schrebers
persoonlijkheid, en de daarop volgende afweerstrijd, die misschien net
zo goed een
andere vorm had kunnen aannemen, kreeg om ons onbekende redenen de vorm
van een
vervolgingswaan. De begeerde persoon werd nu zijn vervolger, en de
inhoud van
zijn fantasie werd de inhoud van zijn vervolgingswaan. We mogen
aannemen dat
dezelfde schematische schets ook op andere gevallen van vervolgingswaan
van
toepassing zal blijken. Wat het geval Schreber echter van andere
gevallen onderscheidt
is de verdere ontwikkeling die het in het verloop onderging.
Een van deze veranderingen was het vervangen van Flechsig door een meer
verheven persoon, God.
Dit lijkt
aanvankelijk alsof het een teken was van de verergering van het
conflict, en een
verheviging van de ondraaglijke vervolgingswaan, maar weldra wordt
duidelijk
dat het een voorbereiding was voor de tweede verandering en daarmee de
oplossing
van het conflict. Schreber kon zich onmogelijk verzoenen met de rol van
hoer
tegenover de dokter, maar de taak om God zelf de wellust te verschaffen
die Hij
verlangde riep minder weerstand op van het Ik. Ontmanning was nu geen
schande
meer; het was ‘in overeenstemming met de Wereldorde,’ nam zijn plaats
in in een
grootse kosmische reeks gebeurtenissen, en was het middel om de
mensenwereld, na
haar teloorgang, te herscheppen.
‘Een
nieuw mensenras geboren in Schrebers geest’ zou deze man, die dacht dat
hij het
slachtoffer van vervolging was, als hun stamvader vereren. Op die
manier werd
er een uitweg geboden, die de elkaar bestrijdende kampen tevreden
stelde. Zijn
ego werd schadeloos gesteld door de grootheidswaan, terwijl zijn
vrouwelijke begerende
fantasie haar plaats vond en aanvaardbaar werd. Strijd en ziekte konden
ophouden. De werkelijkheidszin van de patiënt echter, die intussen
sterker was
geworden, dwong hem om de oplossing vanuit het heden te verschuiven
naar de
toekomst, en zich tevreden te stellen met wat beschreven kan worden als
een
asymptomatische wensvervulling. Op een zeker moment verwachtte hij, zou
zijn verandering
in een vrouw nog wel eens plaatsvinden; tot dat tijdstip zal de
persoonlijkheid
van Dr. Schreber onverwoestbaar blijven voortbestaan.
In psychiatrische
leerboeken komen we vaak tegen dat grootheidswaan zich kan ontwikkelen
uit
vervolgingswaan. Men veronderstelt dat dit als volgt in zijn werk gaat.
De
patiënt is in eerste instantie ten prooi aan het waanidee dat hij wordt
achtervolgd
door geweldige machten. Vervolgens voelt hij de behoefte om zichzelf
daar
verantwoordelijk voor te stellen en op die manier komt hij op het idee
dat
hijzelf een verheven man is en dus niet voor niets wordt vervolgd. De
ontwikkeling van de grootheidswaan wordt op die manier door de
leerboeken toegeschreven
aan een proces dat we, (met een verdienstelijke term van E. Jones
[1908]),
‘rationalisering’ zouden kunnen noemen. Maar een rationalisering zulke
sterke affectieve
gevolgen toekennen is, vinden wij, een volslagen onpsychologische
werkwijze, zodat
we een scherp onderscheid willen maken tussen onze opvatting en die wij
uit de
genoemde leerboeken hebben aangehaald. Wij hebben voorlopig niet de
pretentie
dat we weten wat de oorsprong van grootheidswaan is.
Als
wij weer tot het geval Schreber terugkeren, moeten we toegeven dat elke
poging
om licht te werpen op de veranderingen waaraan zijn waan onderhevig is
geweest,
ons voor buitengewone problemen plaatst. Hoe en waarmee werd het
opstijgen van
Flechsig tot God teweeggebracht?
Waaraan
ontleent Schreber zijn grootheidswaan die op een zo fortuinlijke wijze
een
verzoening met de vervolger tot stand bracht en waardoor hij, in een
analytisch
jargon, de begerende fantasie die hij had moeten verdringen toch
aanvaardde? De Denkwürdigkeiten bieden ons hier een eerste
aanwijzing, want zij laten
ons zien dat ‘Flechsig’ en ‘God’ voor de patiënt onder dezelfde noemer
vielen.
In een van zijn fantasieën luistert hij een gesprek tussen Flechsig en
zijn
vrouw af, waarbij de eerste beweert dat hij de ‘God Flechsig’ is, zodat
hij
door haar voor gek wordt versleten. Maar er is nog een ander typisch
kenmerk in
de ontwikkeling van Schrebers waandenkbeelden, dat onze aandacht
vraagt. Als we
het gehele waansysteem overzien, zien we dat de vervolger zich
opsplitst in
Flechsig en God, maar Flechsig zelf verdeelt zich vervolgens op precies
dezelfde manier in twee persoonlijkheden, de ‘bovenste’ en de
‘middelste’
Flechsig, en God in een ‘lagere’ en een ‘hogere’ God. In de latere
stadia van
de ziekte wordt de splitsing bij Flechsig nog verder doorgevoerd. Een
dergelijk
desintegratieproces is voor paranoia heel karakteristiek. Paranoia
splitst,
zoals hysterie verdicht. Of juister gezegd: wat in het onderbewuste is
verdicht
en geïdentificeerd, ontleedt de paranoia weer tot de oorspronkelijke
factoren.
De snelle afwisseling van het ontbindingsproces in het geval Schreber,
zou
volgens C. G. Jung, een uiting zijn van de belangrijkheid die de
betrokkene voor
hem heeft. Al deze verdelingen van Flechsig en God in meerdere personen
hebben
dus dezelfde betekenis als de splitsing van de vervolger in Flechsig en
God.
Het waren allemaal verdubbelingen van dezelfde betekenisvolle relatie.
Om echter
al deze details te duiden moeten we verder aandacht besteden aan onze
visie
over de splitsing van de vervolger in Flechsig en God, als een
paranoïde
reactie op een eerder ontstane vereenzelviging met die twee figuren, of
het
feit dat ze tot dezelfde klasse behoorden. Als de vervolger Flechsig
aanvankelijk
iemand was waar Schreber op gesteld was, dan moet God gewoon het
opnieuw
verschijnen zijn van iemand van wie hij hield, maar die waarschijnlijk
veel
belangrijker was.
Als
we deze gedachtegang volgen, wat een aannemelijke is, moeten we wel tot
de
conclusie komen dat deze andere persoon niemand anders kan zijn dan
zijn vader.
Dat maakt het des te duidelijker dat Flechsig zijn broer
vertegenwoordigde—die,
naar wij hopen, ouder was dan hijzelf. De vrouwelijke fantasie, die op
zo’n
heftige weerstand bij de patiënt stuitte, was dus gebaseerd was op een,
tot een
erotisch hoogtepunt verhevigd, verlangen naar zijn vader en broer. Dat
gevoel,
voor zover het naar zijn broer verwees, werd door een proces van
overdracht op
zijn dokter, Flechsig, overgedragen, en toen dat weer terug werd
gebracht op
zijn vader was de basis van het conflict gelegd.
We
zullen pas merken dat het terecht is dat wij Schrebers vader op die
manier in
zijn waanideeën een rol hebben laten spelen, als de nieuwe hypothese
voor ons
enig nut heeft bij het begrijpen van het geval en bij het verhelderen
van
details die tot nu toe onbegrijpelijk zijn. We moeten weer bedenken dat
Schrebers
God en Schrebers relatie tot zijn God de meest zonderlinge trekken
vertonen.
Het was een bijzonder merkwaardig mengsel van een enerzijds
godslasterlijke
kritiek en rebelse opstandigheid en een anderzijds eerbiedige
toewijding aan de
ander. God was, volgens hem, bezweken voor de misleidende invloed van
Flechsig.
Hij was niet bij machte iets van zijn ervaringen te leren, begreep
niets van
levende mensen omdat hij alleen met lijken wist om te gaan, en liet
zijn macht
alleen blijken in een reeks wonderen die, hoe opvallend ook, toch ook
flauw en
kinderachtig waren.
Nu
was de vader van Dr. Schreber geen onbeduidende figuur geweest. Het was
Dr.
Daniël Gottlob Moritz Schreber, wiens nagedachtenis tot op heden door
de,
vooral in Saksen bloeiende, talrijke Schreberverenigingen levendig
wordt
gehouden; en bovendien was hij een dokter. Zijn werkzaamheden
voor de
bevordering van een harmonische opvoeding van de jeugd, voor een hechte
samenwerking tussen de opvoeding thuis en op school en door het
introduceren
van lichamelijke opvoeding en handenarbeid, met het oogmerk om de
gezondheidstoestand
te verbeteren—hebben allemaal een duurzame invloed op zijn tijdgenoten
uitgeoefend. Zijn grote faam als oprichter van de heilgymnastiek in
Duitsland blijkt
nog steeds uit de in medische kringen wijde verspreiding van zijn Ärztliche
Zimmergymnastik,
en de talloze drukken die het heeft beleefd.
Een
dergelijke vader was zonder meer geschikt om in de liefdevolle
herinnering van
zijn zoon, aan wie hij zo vroeg door de dood ontviel, te worden
vergoddelijkt.
Voor ons gevoel gaapt er echter een onoverbrugbare kloof tussen de
persoon van
God en een gewoon mens, hoe voortreffelijk hij ook mag zijn. We moeten
echter
bedenken dat dit niet altijd zo is geweest. Bij de volkeren uit de
oudheid
stonden de goden dichter bij de mensen. De Romeinen plachten hun
overleden
keizers in de regel te vergoddelijken. En keizer Vespasianus, een
verstandig en
bekwaam iemand, riep uit toen hij voor het eerst ziek werd: ‘Helaas, ik
geloof
dat ik een god ga worden!.’
Wij
zijn heel goed bekend met de infantiele houding van jongens tegenover
hun vader;
die bestaat uit dezelfde mengeling van eerbiedige onderwerping en
rebelse
opstandigheid, die we hebben aangetroffen in Schrebers relatie tot zijn
God,
die onmiskenbaar een prototype van de genoemde verhouding is. Het feit
echter
dat Schrebers vader dokter was, en dan ook nog een zeer voortreffelijke
dokter,
en iemand die ongetwijfeld hogelijk door zijn patiënten werd
gewaardeerd, geeft
ons een verklaring voor de meest opvallende karaktertrekken van zijn
God en die
hij in zo’n kritisch daglicht stelt. Kan men zich over een dergelijke
dokter
minachtender uitlaten, dan door te beweren dat hij niets van levende
mensen
begrijpt en alleen met lijken weet om te gaan? Het is ongetwijfeld een
wezenlijk attribuut van God dat hij wonderen doet, maar ook een dokter
doet
wonderen, zoals zijn enthousiaste patiënten zullen verkondigen, want
hij brengt
wonderbaarlijke genezingen tot stand.
Dus
als we zien dat nu juist deze wonderen, (waarvoor de hypochondrie van
de
patiënt het materiaal heeft geleverd), zo ongeloofwaardig, ongerijmd en
tot op
zekere hoogt kinderachtig blijken te zijn, moeten wij weer denken aan
mijn
uitspraak in Die Traumdeutung, namelijk dat absurditeit in
dromen een uiting
van spot en sarcasme is. Daarom wordt daar met hetzelfde doel bij de
paranoia gebruik
van gemaakt. Bij andere verwijten die hij God maakte, bijvoorbeeld dat
God
niets van zijn ervaringen leert, is het vanzelfsprekend om te
veronderstellen dat
het voorbeelden zijn van het door kinderen gebruikte tu quoque
mechanisme, waarbij dat, als ze een verwijt krijgen, in ongewijzigde
vorm naar
de afzender wordt teruggekaatst. Op dezelfde wijze doen de al eerder
genoemde
stemmen ons vermoeden dat de tegen Flechsig gerichte beschuldiging van
‘zielenmoord’
in eerste instantie een zelfverwijt was.
Aangemoedigd
door de ontdekking dat het beroep van zijn vader helpt om de
merkwaardigheden
van Schrebers God te verklaren, durven we nu een poging tot duiding te
wagen,
die enig licht zou kunnen werpen op de opmerkelijke instelling van dat
Wezen. Zoals
we weten bestaat het hemelrijk uit de ‘voorste godsrijken ook wel
‘voorportalen
van de hemel’ genoemd, waarin de zielen van de overledenen huizen, en
uit de
‘lagere’ en ‘hogere’ God, die samen de ‘achterste godsrijken’ vormen.
Ofschoon
we erop voorbereid moeten zijn dat hier sprake is van een verdichting
die we
niet kunnen verklaren, is het toch zinnig om te verwijzen naar een
aanduiding
waar wij al over beschikken. Als de ‘gewonderde’ vogels, die dus
meisjes bleken
te zijn, oorspronkelijk voorportalen van de hemel waren, zou het dan
niet zo
kunnen zijn dat de voorste godsrijken en de voorportalen van
de
hemel
als
symbool
voor
het
vrouwelijke
beschouwd
moeten
worden, en de achterste
godsrijken voor het mannelijke? Als we zeker zouden weten dat de
overleden
broer van Schreber ouder was dan hij, zouden we kunnen veronderstellen
dat de splitsing
van God in een lagere en een hogere God, uitdrukking gaf aan de
herinnering van
de patiënt dat de oudste broer, na de vroege dood van de vader, de
positie van
de vader had ingenomen.
Tenslotte
zou ik in dit verband aandacht willen vragen voor de zon, die
door haar
‘stralen’ zo’n grote betekenis heeft gekregen voor de manier waarop hij
zijn
waan tot uitdrukking heeft gebracht.
Schreber
heeft een heel speciale verhouding met de zon. Ze spreekt met hem in
menselijke
taal en maakt zich voor hem bekend als een levend wezen of als het
orgaan van
een nog achterliggend hoger wezen. Uit een medisch rapport vernemen we
dat hij
haar een keer ‘letterlijk dreigementen en scheldwoorden toebrult en dat
hij
tegen haar schreeuwt dat ze voor hem zou moeten wegkruipen en zich zou
moeten
verbergen. Hij deelt ons zelfs mee dat de zon verbleekt als hij haar
aankijkt. De
manier waarop zij met zijn lot is verbonden, blijkt uit de belangrijke
veranderingen
die zij ondergaat zodra er bij hemzelf veranderingen plaats vinden,
bijvoorbeeld in de eerste weken van zijn verblijf op Sonnenstein.
Schreber
maakt het ons gemakkelijk om deze zonnemythe te duiden. Hij
vereenzelvigt de
zon rechtstreeks met God, nu eens met de lagere God (Ahriman), dan weer
met de
hogere: ‘De volgende dag. . . zag ik de hogere God (Ormuzd), en ditmaal
niet
met mijn geestesoog, maar met de ogen van mijn lichaam. Het was de zon,
maar
niet de zon in haar gewone, aan alle mensen bekende verschijning, het
was. . .‘
enz. Het is dus niet meer dan logisch dat hij haar net zo behandelt als
God
zelf.
De
zon is dus niets anders is dan een ander gesublimeerd symbool voor de
vader; en
door daar op te wijzen moet ik elke verantwoordelijkheid afwijzen voor
de
eentonigheid van psychoanalytische verklaringen. De symboliek gaat in
dit
voorbeeld voorbij aan elk taalkundig geslacht, althans wat het Duits
aangaat,
want in de meeste andere talen is zon mannelijk. Haar tegenhanger in
dit beeld
van de twee ouders is ‘Moeder Aarde zoals zij gewoonlijk wordt genoemd.
Wij
stuiten herhaaldelijk op bevestigingen van deze bewering, als wij bij
neurotici
psychoanalytisch de pathogene fantasieën ontleden. Over het verband van
dit
alles met kosmische mythen, kan ik slechts met een enkel woord ingaan.
Een van
mijn patiënten, die zijn vader op zeer jeugdige leeftijd had verloren,
trachtte
hem in al het grote en verhevene van de natuur terug te vinden. Sinds
ik dat
weet leek het mij waarschijnlijk dat Nietzsches hymne ‘Vor
Sonnenaufgang’ aan
hetzelfde verlangen uitdrukking geeft. Een andere patiënt, die na de
dood van
zijn vader aan een neurose leed, kreeg voor het eerst een aanval van
angst en
duizeligheid toen bij het spitten in de tuin de zon op hem scheen. Hij
bracht
spontaan de verklaring naar voren dat hij bang was geworden omdat zijn
vader had
toegekeken toen hij met een scherp instrument zijn moeder bewerkte.
Toen ik een
milde tegenwerping waagde, maakte hij zijn opvatting aannemelijker door
te
vertellen dat hij, zelfs toen zijn vader nog leefde, hem met de zon had
vergeleken, hoewel hij dat toen spottend bedoeld had. Als hem gevraagd
werd
waar zijn vader die zomer heen zou gaan, had hij daarop altijd met de
welluidende
woorden uit de ‘Prolog im Himmel’ geantwoord:
‘En
zijn voorgeschreven reis
Voltooit hij met een dondergang.’ (Goethe, Faust)
Op
medisch advies ging de vader namelijk doorgaans elk jaar naar
Marienbad. Bij
deze patiënt had de infantiele houding tegenover zijn vader in twee
fasen resultaat
gehad. Zolang de vader leefde bleek het uit een ongeremde opstandigheid
en
openlijke onenigheid, maar onmiddellijk na zijn dood nam het de vorm
aan van een
neurose die gebaseerd was op kruiperige onderwerping en eerbiedige
gehoorzaamheid
aan hem.
In
het geval Schreber bevinden we ons dus op het vertrouwde terrein van
het
vadercomplex. Het gevecht van de patiënt met Flechsig bleek voor hem
een
conflict met God te zijn, en daarom moeten wij dat ontleden als een
infantiel
conflict met de geliefde vader; de details van dat conflict (waar wij
niets
over weten) hebben de inhoud van het waansysteem bepaald. Niets van het
materiaal dat in andere dergelijke gevallen door analyse aan het licht
wordt
gebracht, is hier volledig afwezig, want alle factoren zijn op een of
andere
manier bedekt te kennen gegeven. De vader verschijnt in deze infantiele
ervaringen als de verstoorder van de door het kind gezochte
bevrediging, die
doorgaans van auto-erotische aard is, hoewel dat later in de fantasie
vaak door
een andere, eerloze bevrediging wordt vervangen. In het laatste stadium
van
Schreber waansysteem viert de infantiele seksuele drang een grootse
triomf: de
wellust werd godvruchtig en God zelf (de vader) blijft dat voortdurend
van hem
eisen. Het meest gevreesde dreigement van de vader, castratie, heeft in
feite
het materiaal geleverd voor de begerende fantasie (waar eerst weerstand
tegen
werd geboden en die tenslotte geaccepteerd werd) namelijk de
verandering in een
vrouw. Zijn toespeling op een belediging, verborgen achter het
surrogaat-misdrijf van de ‘zielenmoord laat aan duidelijkheid niets te
wensen
over. De hoofdverpleger blijkt achteraf precies dezelfde te zijn als
zijn buurman
v.W., die hem, volgens de stemmen, valselijk van onanie had
beschuldigd. De
stemmen zeggen, alsof zij de dreigende castratie motiveren: ‘U zult
namelijk voorgesteld worden als iemand die zich overgeeft aan
wellustige
uitspattingen.’
Tenslotte komen we bij de denkdwang, waaraan de patiënt zich
onderwerpt, omdat hij
aannam dat God zou geloven dat hij idioot was geworden en zich van hem
zou
terugtrekken wanneer hij maar een moment zou ophouden met denken. Dit
is een (ons
ook uit andere gevallen bekende) reactie op het dreigement of de angst,
dat men
door het toegeven aan seksuele praktijken, en speciaal aan onanie, zijn
verstand kan verliezen. Gezien het enorme aantal hypochondrische
waandenkbeelden die de patiënt ontwikkelde, mag men misschien niet te
veel
waarde hechten aan het feit dat sommige daarvan een woordelijke
weergave zijn
van de hypochondrische angsten van masturberende personen.
Iedereen die bij het duiden gedurfder is dan ik, of in contact heeft
gestaan met
Schrebers familie en dus beter op de hoogte is met het milieu waarin
hij zich
bewoog en de gebeurtenissen uit het dagelijkse leven van de patiënt,
zou het niet
moeilijk vinden om talloze details van Schrebers wanen tot hun bron te
herleiden en zo hun betekenis te ontdekken, en dat ondanks de censuur
waaraan
de Denkwürdigkeiten zijn onderworpen. Maar zoals de zaken nu
staan
moeten wij ons noodgedwongen tevreden stellen met deze vage schets van
het
infantiele materiaal, waarmee de paranoïde stoornis het lopende
conflict heeft verbeeld.
Misschien
mag ik hier nog een paar woorden aan toevoegen, met het oog op het
vaststellen
van de oorzaken van dit conflict, dat uitbrak vanwege de vrouwelijke
begerende
fantasie. Zoals we weten is het onze taak om, als er een begerende
fantasie optreedt,
die in verband te brengen met een frustratie, iets dat in het
werkelijke
leven gemist wordt. Nu geeft Schreber toe dat hij onder een dergelijk
gemis heeft
geleden. Zijn huwelijk, dat hij verder als gelukkig had beschreven, had
hem
geen kinderen geschonken, en in het bijzonder bracht het hem geen zoon
die hem
had kunnen troosten bij het verlies van zijn vader en broer, en waarop
hij zijn
onbevredigende homoseksuele gevoelens had kunnen richten. Zijn geslacht
dreigde
uit te sterven, en hij schijnt nogal trots op zijn afstamming en
familie te
zijn geweest. ‘Zowel de Flechsigs als de Schrebers behoorden namelijk,
zoals
het heette, tot “de hoogste hemelse adel.”’ ‘De Schrebers voerden de
speciale
titel “markgraaf van Toscane en Tasmanië”, omdat zielen, uit een soort
persoonlijke ijdelheid, de gewoonte hebben om met ietwat hoogdravende
titels te
pronken, die ontleend zijn aan deze wereld. De grote Napoleon liet
zich, (zij
het pas na zware innerlijke strijd), van Josephine scheiden, omdat ze
het
voortbestaan van de dynastie niet kon verzekeren.’ Misschien heeft Dr.
Schreber
de fantasie ontwikkeld dat hij, als hij een vrouw was, bij het kinderen
krijgen
meer geluk zou hebben; en zo heeft hij misschien de weg terug gevonden
naar de vrouwelijke
instelling die hij in zijn kinderjaren tegenover zijn vader had
vertoond. Als
dat zo zou zijn, dan was zijn waanidee dat als gevolg van zijn
ontmanning de
wereld opnieuw bevolkt moest worden door een ‘nieuw mensenras, geboren
in de
geest van Schreber’—een waanidee dat naar een steeds verder tijdstip in
de
toekomst werd verschoven, dus ook bedoeld om hem een uitweg uit zijn
kinderloosheid
te bieden. Als de ‘mannetjes die Schreber zelf zo raadselachtig vindt,
kinderen
zijn, dan wordt het voor ons volkomen begrijpelijk dat ze zich in zo
groten
getale op zijn hoofd verzamelden: het waren in feite ‘kinderen geboren
uit zijn
geest.’
3.
Over het mechanisme van de paranoia
We
hebben ons tot dusver beziggehouden met het vadercomplex, dat de
overheersende
factor was in het geval Schreber en met de begerende fantasie, die in
zijn ziekte
centraal stond. Dat alles bevat niets dat voor het ziektebeeld, dat als
paranoia
bekend staat, karakteristiek is, niets dat niet bij andere soorten
neurose aangetroffen
kan worden (en ook inderdaad bij Schreber niet is gevonden). Het
typerende van
paranoia (of de dementia paranoïdes) moet elders worden gezocht,
namelijk in de
bijzondere verschijningsvorm van de symptomen, en daarvoor zullen we
naar onze
verwachting ontdekken, dat niet aard van de complexen zelf dat bepaalt,
maar
het mechanisme waardoor de symptomen worden gevormd of waardoor de
verdringing
teweeg wordt gebracht. We zouden geneigd zijn om te stellen dat het
paranoïde
van de ziekte in de omstandigheid ligt dat de patiënt, als afweermiddel
voor
een begerende homoseksuele fantasie, nu juist met een dergelijke soort
vervolgingswaan reageert.
Deze
overwegingen hechten daarom een extra gewicht aan de omstandigheid, dat
wij in
feite door de ervaring worden gedwongen om aan de begerende
homoseksuele
fantasie een nauw (en misschien wel constant) verband met deze
afzonderlijke
ziekte toe te kennen. Omdat ik mijn eigen ervaringen met dit onderwerp
wantrouwde, heb ik de afgelopen jaren, in samenwerking met mijn
vrienden C. G.
Jung te Zürich en S. Ferenczi te Boedapest, en aan de hand van een
aantal
gevallen van paranoïde aandoeningen die zij hadden geobserveerd, dit
speciale
punt onderzocht. Het ging daarbij om mannen en vrouwen van verschillend
ras,
beroep en maatschappelijk niveau, waarvan de ziektegeschiedenissen het
materiaal leverden voor dit onderzoek. Toch waren we verrast toen we
zagen dat
in al deze gevallen de afweer van een homoseksueel verlangen duidelijk
herkenbaar was als het centrale punt dat aan de ziekte ten grondslag
lag, en
dat zij allemaal hadden gefaald bij de poging om hun onbewust
versterkte
homoseksualiteit te beheersen. Dat was beslist niet wat we hadden
verwacht.
Juist
bij paranoia is de seksuele oorzaak van de ziekte op geen enkele manier
duidelijk; verre van dat, maar wat het meest opvalt bij de oorzakelijke
factoren van paranoia, vooral hij mannen, zijn maatschappelijke
krenkingen en
afwijzingen. Maar we hoeven in de zaak maar een klein beetje dieper te
graven
om te kunnen zien dat de rol die de homoseksuele componenten in hun
gevoelsleven spelen in feite de voornaamste factor is bij deze
maatschappelijke
kwetsuren. Zolang het individu normaal functioneert en het daarom
onmogelijk is
om een dieper inzicht in zijn zielenleven te krijgen, zouden we kunnen
betwijfelen of zijn emotionele relaties met zijn medemensen in de
maatschappij,
iets met seksualiteit hebben te maken, hetzij feitelijk hetzij bij hun
ontstaan. Maar waanideeën brengen deze relaties altijd aan het licht en
brengen
het sociale gevoel weer terug tot de kern van het rechtstreekse
erotische
verlangen. Zolang hij gezond was had ook Dr. Schreber, wiens waanideeën
culmineerden in een begerende fantasie van een onmiskenbaar
homoseksueel
karakter, volgens alle verslagen geen enkel teken vertoond van
homoseksualiteit
in de normale betekenis van het woord.
Ik
zal nu proberen aan te tonen (en ik denk dat nodig en terecht is) dat
de kennis
van psychologische processen, waar wij inmiddels dankzij de
psychoanalyse over
beschikken, ons al in staat stelt om de rol te begrijpen die het
homoseksuele
verlangen speelt bij de ontwikkeling van paranoia. Recente
onderzoekingen
hebben ons opmerkzaam gemaakt op een stadium in de ontwikkeling van de
libido,
die het op de weg van auto-erotiek tot objectliefde doorloopt. Men
heeft dit
stadium narcissisme genoemd, maar ik geef de voorkeur aan het
woord
narcisme. Wat er gebeurt is het volgende. Er komt een moment in de
ontwikkeling
van het individu, waarop hij zijn seksuele instincten bundelt (die tot
dan toe bezig
waren met auto-erotische activiteiten) om een liefdesobject te
bemachtigen; en
daarbij neemt de libido eerst zichzelf en zijn eigen lichaam tot
liefdesobject,
voordat het bij zijn keuze op een andere persoon, dan zichzelf,
overstapt. Een
dergelijke tussenfase tussen auto-erotiek en objectliefde is wellicht
onvermijdelijk
normaal, maar het schijnt dat veel mensen daar ongewoon lang in blijven
hangen
en dat er uit deze toestand veel trekken overblijven die op latere
ontwikkelingsstadia worden overgedragen. Bij dit tot liefdesobject
genomen
‘zelf’ kan het hoofdaccent al op de genitaliën vallen.
De
verdere ontwikkeling leidt vervolgens tot de keuze van een extern
object met
dezelfde genitaliën —dat wil zeggen tot een homoseksuele
objectkeuze,—en
vandaar tot heteroseksualiteit. We nemen aan dat mensen die in hun
latere leven
manifest homoseksueel zijn, zich nooit hebben losgemaakt van de
bindende
voorwaarde dat het object van hun keuze dezelfde genitaliën moet hebben
als
zijzelf; en dat in dit verband infantiele theorieën over seksualiteit,
die aan
beide geslachten dezelfde genitaliën toeschrijven, een belangrijke
invloed
zullen uitoefenen.
Nadat
het stadium van de heteroseksuele objectkeuze is bereikt, worden de
homoseksuele neigingen niet, zoals verondersteld zou kunnen worden,
opgeheven
of gestaakt, maar alleen afgebogen van hun seksuele doel en op een
nieuw
gericht. Ze verbinden zich nu met delen van de Ik-driften, om als
‘verbonden’
componenten de sociale driften te helpen vormen, en dragen zo een
erotische
factor bij aan vriendschap, kameraadschap, gemeenschapszin en
liefde tot
de mensheid in het algemeen. Hoe groot de bijdrage, die aan erotische
bronnen
(waarbij het seksuele doel wordt onderdrukt) onttrokken is, in feite
is, zou
men uit de normale sociale betrekkingen tussen de mensen nauwelijks
kunnen
opmaken. Het is echter niet zonder betekenis om op te merken dat juist
manifeste homoseksuelen, en onder hen weer degenen die zich tegen
uitleving van
hun zinnelijke verlangens verzetten, zich onderscheiden doordat ze zich
zo
bijzonder intensief inzetten voor de algemene belangen van de mensheid,
wat bij
hen door sublimering van hun erotische instincten is ontstaan.
In
mijn Drei Abhandlungen zur Sexualtheorie heb ik uitdrukking
gegeven aan de
opvatting, dat elk stadium in de ontwikkeling van de psychoseksualiteit
een
mogelijkheid verschaft tot ‘fixatie’ en dus tot een bepaalde
dispositie. Mensen
die niet helemaal los gekomen zijn van het stadium van hun
narcisme,—die als
het ware een fixatie bezitten, die als een dispositie voor een latere
ziekte
kan fungeren—lopen het risico dat een ongebruikelijke hevige golf van
libido,
als deze geen andere uitweg vindt, zou kunnen leiden tot een
seksualisering van
hun sociale driften en dus de, bij hun ontwikkeling verworven,
sublimatie weer
ongedaan maakt. Dat kan voortkomen uit alles wat een terugstromen van
de libido
(dat wil zeggen een ‘regressie’) veroorzaakt, zodat de libido enerzijds
bijkomstig
versterkt wordt ten gevolge van teleurstellingen met vrouwen of door
een
rechtstreeks onderdrukken van de libido omdat de sociale contacten met
andere
mannen niet lukken—dit zijn allebei gevallen van ‘frustratie’—of
anderzijds ook
uit een algemene verheviging van de libido, zodat die te hevig wordt om
via de daarvoor
al openstaande kanalen een uitweg te vinden, en daarom dan doorbreekt
op de
plek waar de dam het zwakst is. Omdat uit onze analyses blijkt dat
paranoïde
patiënten zich tegen elke dergelijke seksualisering van hun sociale
driftbezettingen
trachten te weer te stellen, worden we gedwongen om te
veronderstellen dat
de zwakke plek in hun ontwikkeling ergens gezocht moet worden in de
periode
tussen de fasen van auto-erotiek, narcissisme en homoseksualiteit, en
dat hun
bevattelijkheid voor ziek worden (die mogelijk nog nader gepreciseerd
moet
worden) in dat gebied moet liggen. Een soortgelijke bevattelijkheid zou
ook moeten
worden toegekend aan patiënten die lijden aan Kraepelins dementia
praecox of
(zoals Bleuler dat noemt) schizofrenie, en wij hopen dat we in
een later
stadium aanwijzingen vinden, waarmee we de verschillen tussen de twee
aandoeningen (zowel in vorm als in het verloop) kunnen terugvoeren tot
overeenkomstige verschillen in de predisponerende fixaties van de
patiënten.
Als
we dan in ogenschouw nemen dat, wat de kern van het conflict bij
gevallen van paranoïde
mannen vormt, een begerende homoseksuele fantasie van liefde voor
een man is,
mogen we toch beslist niet vergeten dat een zo ingrijpende hypothese
pas bevestigd
kan worden, nadat een groot aantal van alle verschillende vormen van
paranoïde
stoornissen is onderzocht. We moeten er dus zonodig op voorbereid zijn,
om onze
stelling tot één enkel type van paranoia te beperken. Toch blijft het
een merkwaardig
gegeven dat de bekende hoofdvormen van paranoia allemaal kunnen worden
geformuleerd als ontkenningen van een enkele uitspraak: ‘Ik (een
man)
heb
hem (een man) lief, en dat daarmee in feite alle mogelijke
manieren waarop
deze uitspraak verwoord kan worden zijn uitgeput.
De uitspraak ‘Ik (een man) heb hem lief kan op de volgende manieren
worden
ontkend:
a.
Door een vervolgingswaan, die luidruchtig beweert: ‘Ik heb
hem
niet lief—ik haat hem.’ Van deze ontkenning, die op
die manier in
het onbewuste aanwezig is, kan de paranoïde patiënt zich echter niet in
deze
vorm bewust worden. Het mechanisme van de symptoomvorming bij paranoia
vereist
dat de innerlijke gewaarwording,—het gevoel—door waarnemingen in de
buitenwereld wordt vervangen.
Daarom wordt de uitspraak ‘Ik haat hem’ via projectie gewijzigd
in
een
andere:
‘Hij haat (vervolgt) mij, wat mij dan een
geldige reden
oplevert om hem te haten.’ Het dwingende onbewuste gevoel verschijnt
dus als een
gevolg van een waarneming in de buitenwereld: ‘Ik heb hem niet
lief— ik haat hem—omdat hij
mij vervolgt.’
Observatie laat er geen twijfel over bestaan dat de vervolger iemand is
die hij
vroeger liefhad.
b. De erotomanie is
een andere
factor, die wordt gekozen voor de ontkenning en die vanuit elk ander
standpunt volkomen
onbegrijpelijk zou blijven. ‘Ik heb hem niet lief—ik heb haar
lief.’
En gehoorzamend aan dezelfde behoefte tot projectie, wordt de uitspraak
gewijzigd in: ‘Ik merk dat zij mij liefheeft.’ ‘Ik heb hem
niet
lief—ik heb haar lief—omdat zij mij
liefheeft.’
Veel
gevallen van erotomanie kunnen misschien de indruk wekken dat ze
voldoende
verklaarbaar zijn als overdreven of vervormde heteroseksuele fixaties,
als onze
aandacht niet werd getrokken door de omstandigheid dat deze
bevliegingen steevast
bij de patiënt beginnen, niet met de innerlijke gewaarwording dat hij
iemand
liefheeft, maar met de uiterlijke waarneming dat iemand hem liefheeft.
Bij deze
vorm van paranoia kan echter ook de tussenliggende uitspraak, ‘ik heb haar
lief
bewust worden, omdat de strijdigheid tussen deze en de oorspronkelijke
uitspraak niet zo’n rechtstreekse is, niet zo onverzoenlijk is als die
tussen
liefde en haat. Het is uiteindelijk mogelijk om zowel hem, als
haar lief
te hebben. Zodoende kan het gebeuren dat de uitspraak die is vervangen
door een
projectie, weer plaats zou kunnen maken voor wat ‘in de oertaal’ ‘ik
heb haar lief’ zou luiden.
c. De derde manier
waarop de
oorspronkelijke uitspraak ontkend kan worden zouden jaloerse waanideeën
kunnen
zijn, waarvan we de karakteristieke vormen kunnen bestuderen
waarin zij bij
de man en de vrouw voorkomen.
d.
De jaloeziewanen van de alcoholicus. De rol die door alcohol bij deze
stoornis wordt
gespeeld is alleszins begrijpelijk. We weten dat dit genotmiddel
remmingen
opheft en sublimaties ongedaan maakt. De man wordt niet zelden tot de
drank
gedreven omdat zijn vrouw hem heeft teleurgesteld,—maar dat betekent
dat hij dan
doorgaans zijn toevlucht zoekt in een café en het gezelschap van
mannen, die
hem de emotionele bevrediging verschaffen die hij thuis bij zijn vrouw
niet kan
krijgen. Als deze mannen nu objecten worden van een sterk libidineuze
bezetting
in zijn onderbewuste, zal hij zich daartegen verweren door middel van
de derde
vorm van ontkenning: ‘Niet ik heb mannen lief— zij heeft
ze
lief—en
verdenkt
hij
zijn
vrouw
ervan
dat
ze
de mannen liefheeft tot wie hij
zich
aangetrokken voelt.
Verdraaiing
door middel van projectie ontbreekt uiteraard in dit voorbeeld, omdat
het hele
proces, met de verwisseling van degene die liefheeft, in elk geval
buiten het
Ik wordt geprojecteerd. Het feit dat de vrouw mannen liefheeft, is voor
hem een
kwestie van waarneming in de buitenwereld; dat hij zichzelf niet
liefheeft, maar
haat, of dat hij niet deze maar een andere persoon liefheeft, is een
kwestie
van innerlijke gewaarwording.
Jaloeziewanen
bij vrouwen verlopen op een volkomen analoge manier. ‘Niet ik heb
vrouwen
lief—
maar
hij heeft ze lief.’ De jaloerse vrouw
verdenkt haar
man in verband met alle vrouwen tot wie zij zich aangetrokken voelt,
dankzij
haar homoseksualiteit en een neiging tot overmatig narcissisme. Uit de
keuze
van de liefdesobjecten die ze de man toeschrijft, blijkt duidelijk de
invloed
van de levensperiode waarin de fixatie optrad; het zijn voor een echte
liefde
vaak oude en volstrekt ongeschikte oplevingen van liefdesrelaties met
kindermeisjes,
dienstboden en jeugdvriendinnen of zusters, die in feite haar
concurrenten
waren.
Men
zou kunnen denken dat een uit drie elementen bestaande uitspraak, zoals
‘Ik
heb hem lief’ slechts op drie verschillende manieren ontkend kan
worden. Jaloeziewanen
ontkennen het onderwerp, vervolgingswanen het werkwoord en erotomanie
het
lijdend voorwerp. Toch is er nog een vierde ontkenning mogelijk,
namelijk de
uitspraak die de gehele ontkenning verwerpt:‘Ik heb helemaal niet
lief—ik
heb niemand lief.’ Deze uitspraak lijkt, omdat iemand met zijn
libido toch
ergens heen moet, het psychologische equivalent van de uitspraak: ‘Ik
heb
alleen mijzelf lief.’ Door deze vorm van ontkenning zouden wij
megalomaan
kunnen worden, wat wij kunnen opvatten als een seksuele
overschatting van
het Ik en zou dus kunnen leiden tot veronachtzaming van de
overschatting van
het liefdesobject, waar wij al vertrouwd mee zijn.
Voor
andere aspecten van de paranoiatheorie is het van belang om op te
merken dat
wij bij de meeste andere vormen van paranoïde stoornissen ook wat
grootheidswaan kunnen constateren. We mogen met recht aannemen dat
grootheidswaan in wezen een infantiel karakter draagt en dat dat bij de
latere
ontwikkeling wordt opgeofferd op grond van sociale overwegingen. Op
dezelfde
manier wordt de individuele grootheidswaan nooit zo intensief
onderdrukt, als wanneer
iemand in de greep is van een overweldigende verliefdheid.
‘Want
waar de liefde ontwaakt,
Sterft
het Ik, de duistere tiran.”
Jalal
al-Din Rumi (1207 – 1273)
Na
deze bespreking van de onverwacht belangrijke rol die de begerende
homoseksuele
fantasie voor de paranoia speelt, zullen we terugkeren naar de twee
factoren
waarin we van begin af aan de
karakteristieke
kenmerken van paranoia dachten te vinden: het mechanisme van de
symptoomvorming
en het mechanisme wat de verdringing teweegbrengt.
Het
is op geen enkele manier terecht als wij meteen aannemen dat deze twee
mechanismen identiek zijn, en dat symptoomvorming langs dezelfde weg
tot stand komt
als verdringing. Misschien verlopen ze beiden wel in een
tegenovergestelde
richting. Het lijkt ook niet erg waarschijnlijk dat er een dergelijke
overeenkomst bestaat. We zullen dus afzien van elke uitspraak over dat
onderwerp, tot wij ons onderzoek hebben afgerond.
Het
meest opvallende kenmerk van de symptoomvorming bij paranoia is het
proces dat
de naam projectie verdient. Een innerlijke gewaarwording wordt
onderdrukt en in plaats daarvan dringt haar inhoud, na een bepaalde
vervorming
te hebben ondergaan, in de vorm van een waarneming van de buitenwereld
tot het
bewustzijn door. Bij de vervolgingswaan bestaat de vervorming uit een
verandering
van het affect; wat innerlijk als liefde had moeten worden gevoeld,
wordt vol
haat buiten waargenomen. Wij zouden in de verleiding kunnen komen om
dat
merkwaardige proces als het belangrijkste aspect van de paranoia en als
volstrekt
pathognomonisch voor deze aandoening te beschouwen, als wij niet op het
juiste
moment aan twee dingen zouden denken. Op de eerste plaats dat projectie
niet
bij alle vormen van paranoia dezelfde rol speelt, en op de tweede
plaats dat
projectie niet alleen bij paranoia, maar ook onder andere
psychologische
omstandigheden voorkomt, en eigenlijk een regelmatige bijdrage aan onze
houding
ten opzichte van de buitenwereld levert. Als we immers de oorzaken van
bepaalde
zintuiglijke ervaringen aan de buitenwereld toeschrijven en niet (zoals
wij in
het geval van andere doen) in onszelf zoeken, verdient ook deze normale
gang
van zaken de naam projectie. Nu wij duidelijk hebben gemaakt dat het,
bij de
vraag naar de aard van de projectie, om meer algemenere psychologische
problemen gaat, zullen we besluiten om de bestudering hiervan (en
daarmee van
het algemene mechanisme van de paranoïde symptoomvorming) tot een ander
moment uit
te stellen. Laten wij ons nu wenden tot de vraag welke ideeën we over
het
mechanisme van de verdringing bij paranoia bij elkaar kunnen brengen.
Ik zal
meteen zeggen dat wij, om dit voorlopige uitstel te rechtvaardigen,
zullen
ontdekken dat de manier van het proces van de verdringing voorkomt,
veel
directer samenhangt met de ontwikkelingsgeschiedenis van de libido en
de aanleg
die daar aanleiding toe geeft, dan bij het proces van de
symptoomvorming.
In
de psychoanalyse zijn we gewend om de pathologische verschijnselen over
het
algemeen uit verdringing te laten voortkomen. Als we datgene waarover
als ’verdringing’
wordt gesproken nader bekijken, zullen we merken dat er aanleiding
bestaat om
het proces onder te verdelen in drie fasen, die begripsmatig eenvoudig
van elkaar
te onderscheiden zijn.
1.
De eerste fase bestaat uit fixatie, die voorafgaat aan en de
noodzakelijke voorwaarde vormt voor elke ‘verdringing.’ Fixatie kan op
de
volgende manier worden omschreven: een drift of driftmatige factor
slaagt er
niet in om de rest te vergezellen bij de verwachte normale
ontwikkelingsgang en
ten gevolge van deze belemmerde ontwikkeling blijft die in een
infantieler
stadium steken. De libidineuze stroming in kwestie gedraagt zich
vervolgens,
ten opzichte van de latere psychische structuren, alsof zij als een
verdrongen neiging
tot het systeem van het onbewuste behoort. We hebben al laten zien dat
deze
driftmatige fixaties de basis vormen voor de ontvankelijkheid voor een
daaropvolgende ziekte, en wij kunnen daar nu aan toevoegen dat zij
vooral de
basis verschaffen voor het resultaat van de derde fase van de
verdringing.
2.
De tweede verdringingsfase is die van de eigenlijke verdringing—de fase
waar
tot nu toe de meeste aandacht is besteed. Het komt voort uit de hoger
ontwikkelde egosystemen, die voor het bewustzijn toegankelijke zijn en
kan in
feite als een proces van ‘achteraf verdringen’ worden beschreven. Het
maakt de
indruk van een in wezen actief proces, terwijl de fixatie eigenlijk een
passief
achterblijven blijkt te zijn. Wat wordt verdrongen kunnen óf de
psychische
derivaten zijn van deze aanvankelijk achtergebleven driften, als deze
versterkt
worden en op die manier in conflict raken met het Ik (of de op Ik
afgestemde
driften), óf psychische neigingen die om andere redenen een sterke
weerzin hebben
opgeroepen. Deze weerzin zou echter op zichzelf geen verdringing tot
gevolg
hebben, als er geen verbinding was ontstaan tussen de ongewenste
neigingen die
moeten worden verdrongen en de neigingen die al verdrongen zijn. Waar
dit het
geval is, neigen de verdringing die wordt uitgeoefend door het bewuste
systeem
en de aantrekkingskracht die wordt uitgeoefend door het onbewuste
systeem in
dezelfde richting. De beide hier behandelde mogelijkheden zullen in
werkelijkheid afzonderlijk misschien minder scherp te onderscheiden
zijn en het
onderscheid daartussen zou slechts in meerdere of mindere mate kunnen
afhangen
van de manier waarop de primair verdrongen driften aan het resultaat
bijdragen.
3.
De derde en voor de pathologische verschijnselen belangrijkste fase, is
die van
het mislukken van de verdringing, van de doorbraak, van de terugkeer
van
het
verdrongene.
Deze doorbraak vindt plaats vanuit het punt
van
fixatie en houdt een regressie in van de libido tot op dit punt.
We hebben al terloops gewezen op de grote verscheidenheid van
fixatiepunten; er
bestaan in wezen net zoveel als er stadia in de ontwikkeling van de
libido zijn.
We moeten erop voorbereid zijn dat wij een soortgelijke verscheidenheid
zullen
ontdekken aan eigenlijke verdringings- en doorbraakmechanismen (of van
symptoomvorming), en we zouden nu al kunnen gaan vermoeden dat het
onmogelijk
zal zijn om deze hele veelvormigheid uitsluitend uit de
ontwikkelingsgeschiedenis van de libido te verklaren.
Het
is eenvoudig te zien dat deze bespreking in de buurt begint te komen
van het
probleem van de ‘neurosekeuze’ dat echter niet zonder andersoortig
voorbereidend werk ter hand kan worden genomen. Laten we voorlopig
bedenken dat
we de fixatie al hebben behandeld, en dat we het onderwerp van de
symptoomvorming hebben uitgesteld, en laten we ons beperken tot de
vraag of de
analyse van het geval Schreber enig licht kan werpen op het mechanisme
van de
eigenlijke verdringing, dat bij de paranoia een overheersende rol
speelt.
Onder
invloed van visioenen die ‘aan de ene kant iets huiveringwekkends, maar
aan de
andere kant deels ook iets onbeschrijfelijk verhevens’ hadden, raakte
Schreber op
het hoogtepunt van zijn ziekte ervan overtuigd dat er een grote ramp
dreigde,
waarbij de wereld zou vergaan. Stemmen zeiden hem dat het werk van de
afgelopen
14.000 jaar nu verloren zou gaan en dat de aarde nog maar een bestaan
van 212
jaren was beschoren; gedurende de laatste tijd van zijn verblijf in de
inrichting van Flechsig dacht hij dat dit tijdperk al voorbij was. Hij
was zelf
de ‘enige werkelijke mens die nog in leven was gelaten’ en de weinige
menselijke figuren die hij nog zag, — de dokter, de verplegers en de
andere
patiënten, — worden door hem verklaard als ‘vluchtig in elkaar
geflanste mannen.’
Af en toe kwam ook de omgekeerde stroming aan het licht; er werd hem
een krant in
handen gegeven, waarin zijn eigen overlijdensbericht stond; hij was
zelf in een
tweede, minderwaardige vorm aanwezig en in die gedaante op zekere dag
rustig
heengegaan. Maar de vorm waarin zijn waan aan zijn Ik vasthield en de
wereld
opofferde, bewees verreweg het sterkst te zijn. Over de wijze waarop
deze ramp
tot stand zou komen, had hij verschillende theorieën. De ene keer dacht
hij aan
een proces van bevriezen doordat de zon zich terugtrok, dan weer aan
een
verwoesting door een aardbeving, waarbij voor hem in zijn hoedanigheid
van ‘geestenziener’
een leidende rol was weggelegd, net zoals dat, volgens het verhaal, bij
de
aardbeving van Lissabon in 1775 met een andere geestenziener was
gebeurd. Een
andere keer lag de schuld bij Flechsig, die door zijn toverkunsten
angst en
schrik onder de mensen had gezaaid, de grondslagen van de religie had
ondermijnd, en een algemene verbreiding van zenuwaandoeningen en
onzedelijkheid
had teweeggebracht, zodat de mensheid door verwoestende epidemieën werd
overvallen.
In
ieder geval was de ondergang van de wereld een gevolg van het tussen
hem en
Flechsig uitgebroken conflict, of, in overeenstemming met de etiologie
die voor
de tweede fase van zijn waan was aangenomen, van de onlosmakelijke
verbintenis die
tussen God en hem was ontstaan; het was een onvermijdelijk gevolg van
zijn ziekte.
Toen Dr. Schreber jaren later in de menselijke gemeenschap was
teruggekeerd en geen
spoor kon vinden in boeken, muziekpartituren of andere dingen voor
dagelijks
gebruik die hem in handen kwamen, of ook maar iets dat zijn theorie kon
bevestigen dat er in de lange duur van de geschiedenis van de mensheid
een
diepe cesuur was geweest, gaf hij toe dat zijn theorie niet meer te
handhaven
was:’ .. . ik kan niet langer ontkennen dat, van de buitenkant
beschouwd, alles
bij het oude is gebleven. Op de vraag of zich intussen toch niet
een
diepgaande innerlijke verandering heeft voltrokken, zal ik later
terugkomen. Voor hem leed het geen twijfel dat tijdens zijn
ziekte de
wereld ten onder
was gegaan, en dat ondanks alles de wereld die hij nu voor zich zag,
een andere
was.
Een
dergelijke ondergang van de wereld is ook in andere gevallen niet
zeldzaam tijdens
het geagiteerde stadium van de paranoia. Als we ons baseren op onze
theorie over
de libido-bezetting, en ons laten leiden door de aanwijzing die wordt
verschaft
door het idee van Schreber over ‘vluchtig in elkaar geflanste mannen’
valt het
ons niet moeilijk deze rampen te verklaren. De patiënt heeft de
libido-bezetting losgekoppeld van de personen uit zijn omgeving en de
wereld in
het algemeen, die tot dusver wel op hen gericht was geweest. Daarmee is
alles
voor hem onverschillig en irrelevant geworden, en moet door hem worden
verklaard door middel van een secundaire rationalisering als ‘gewonderd
en vluchtig
in elkaar geflanst.’ Het einde van de wereld is de projectie van deze
innerlijke catastrofe; zijn subjectieve wereld is ten onder gegaan,
sinds hij
zijn liefde daarvan heeft afgetrokken.’
Nadat
Faust de vervloeking heeft uitgesproken waardoor hij zich van de wereld
heeft bevrijd,
zingt het Koor der Geesten:
‘Wee!
wee!
vernietigd hebt gij haar,
de mooie wereld,
met machtige vuist;
Ze stort in, ze vergaat!
Een halfgod heeft haar verslagen!
Machtigen
der aardse zonen,
Prachtiger
bouwen zij weer,
Aan
uw boezem
Bouwen
ze weer op!’
[uit
Goethe’s Faust, deel 1,
scène 4]
En
de paranoïcus bouwt haar weer op, weliswaar niet prachtiger, maar op
zijn minst
toch zo dat hij er weer in kan leven. Hij bouwt haar weer op door de
activiteit
van zijn wanen. De waanvorming, die wij als iets ziekelijks
beschouwen, is
in werkelijkheid de poging tot herstel, een reconstructieproces. Een
dergelijke
reconstructie
lukt
na
de
catastrofe
in
mindere
of meerdere
mate,
maar nooit helemaal; er heeft zich, in Schrebers woorden, een
‘diepgaande
innerlijke verandering’ in de wereld voltrokken. Maar het menselijke
voorwerp heeft
een, vaak zeer intensief, contact met de personen en dingen van de
wereld
heroverd, ook al is dat nu dan van een vijandige aard, terwijl het
vroeger verwachtingsvol
toegenegen was. We kunnen dus zeggen dat het verdringingsproces
eigenlijk bestaat
in een loskoppelen van de libido van personen—en dingen—die vroeger
geliefd
waren. Het voltrekt zich in stilte; we merken er niets van en kunnen
dat alleen
uit latere verschijnselen afleiden. Wat wel luidruchtig onze aandacht
opeist is
het genezingsproces, dat de gevolgen van de verdringing ongedaan maakt
en de
libido terugvoert naar de personen, die zij in de steek had gelaten.
Dit proces
voltrekt zich bij paranoia via projectie. Het was dus niet juist om te
stellen dat
de innerlijk onderdrukte gewaarwording op de buitenwereld wordt
geprojecteerd; we
zien nu dat het in werkelijkheid het eerder zo is, dat waar innerlijk
afstand
van was genomen, van buitenaf weer terugkeert. Een grondig onderzoek
van het
proces van projectie, dat we tot een andere gelegenheid hebben
uitgesteld, zal onze
resterende twijfels over dit onderwerp ophelderen.
Intussen
biedt het echter een bron voor enige tevredenheid als we zien dat onze
zojuist
verworven kennis voor ons een aantal nieuwe gesprekspunten met zich
meebrengt.
Onze
eerste gedachte zal ons vertellen dat het niet zo kan zijn dat deze
loskoppeling
van de libido uitsluitend bij de paranoia voorkomt; noch dat het, als
het
elders voorkomt, dergelijke rampzalige gevolgen heeft. Het is heel goed
mogelijk dat de loskoppeling van de libido een wezenlijk en normaal
mechanisme
van elke verdringing is. We kunnen daar niets met zekerheid over
zeggen, zolang
de overige op verdringing berustende stoornissen niet aan een
soortgelijk
onderzoek zijn onderworpen.
Het
staat echter vast dat we in ons normale zielenleven (en niet alleen in
verdrietige perioden) voortdurend op dergelijke wijze onze libido van
personen
en andere objecten loskoppelen, zonder dat we daar ziek van worden. Als
Faust zich
met de bekende vervloekingen van de wereld losmaakt, resulteert dat
niet in
paranoia of een andere neurose, maar gewoon in een bepaald soort
algemene gemoedsgesteldheid.
Op zichzelf kan deze loskoppeling van de libido dus niet op zichzelf
het
pathologische element bij de paranoia vormen; er moet een bijzonder
kenmerk
bestaan waardoor een paranoïde loskoppeling van de libido zich
onderscheidt van
andere vormen. Het is niet moeilijk om aan te duiden wat die eigenschap
zou
kunnen zijn. Waar dient de libido voor, nadat het vrijgekomen is door
het loskoppelingsproces?
Een normaal iemand zal meteen gaan uitkijken naar een substituut voor
de
verloren band en totdat het substituut is gevonden, zal de bevrijde
libido in
de psyche in een zwevende toestand worden gehouden en daar aanleiding
geven
voor spanningen en zijn stemming kleuren. Bij hysterie wordt de
vrijgekomen hoeveelheid
libido omgezet in lichamelijke prikkels of angstgevoelens. Maar bij de
paranoia
zal het klinische bewijs aantonen dat de libido, nadat zij van het
object losgekoppeld
is, voor een speciaal doel wordt gebruikt. Men moet bedenken dat het
merendeel
van de gevallen van paranoia sporen van grootheidswaan vertoont en dat
de
grootheidswaan op zichzelf al een vorm van paranoia kan vormen. Daaruit
zou
opgemaakt kunnen worden dat de vrijgekomen libido zich aan het Ik hecht
en daar
wordt gebruikt om het Ik te versterken. Daarmee zijn we teruggekeerd
naar stadium
van het narcissisme (dat wij al kennen uit de ontwikkeling van de
libido),
waarin iemands eigen Ik het enige seksuele object was. Op grond van
deze
klinische bevinding mogen we aannemen dat paranoïci een fixatie aan
het
narcistische stadium met zich mee hebben gebracht, en kunnen we
dus stellen
dat de lengte van de stap tussen de gesublimeerde homoseksualiteit
en het
narcissisme de mate van regressie aangeeft, die karakteristiek is
voor de
paranoia.
1. Een
even voor de hand liggend bezwaar kan zowel gebaseerd worden op de
ziektegeschiedenis
van Schreber als op vele andere. Er kan immers worden aangevoerd dat de
vervolgingswaan (die tegen Flechsig was gericht) onmiskenbaar eerder
optrad dan
de fantasie over de ondergang van de wereld, zodat wat als een
terugkeer van
het verdrongene werd verondersteld, in feite voorafging aan de
verdringing
zelf, —en dat is klinkklare onzin. Om dit bezwaar te weerleggen moeten
we van
de generalisering afdalen tot een gedetailleerde bezinning op de
feitelijke omstandigheden,
die ongetwijfeld veel gecompliceerder zijn. We moeten de mogelijkheid
aanvaarden dat een dergelijke loskoppeling van libido, waar wij het nu
over
hebben, even goed een gedeeltelijke kan zijn, een loskoppelen van één
enkel
complex, als een algemene. Misschien komt de gedeeltelijke loskoppeling
wel veel
vaker voor dan de gehele en zou aan de algemene voorafgaan, omdat
alleen bepaalde
levensomstandigheden een motief verschaffen voor het beginnen van een
gedeeltelijke loskoppeling.
2. Het
proces kan vervolgens ophouden bij een gedeeltelijke, of uitgroeien tot
een
algemene loskoppeling, wat dan luid zijn aanwezigheid zal verkondigen
door symptomen
van grootheidswaan. In het geval van Schreber kan de loskoppeling van
de libido
van de persoon van Flechsig toch primair zijn geweest; het werd meteen
gevolgd
door het optreden van de waan, dat de libido weer terugbracht naar
Flechsig (hoewel
met een minteken om aan te geven dat er verdringing heeft
plaatsgevonden) en zo
het werk van de verdringing tenietdeed. En toen barstte de strijd van
de
verdringing opnieuw los, maar dit keer met krachtigere wapenen.
Naarmate het
omstreden object meer het belangrijkste in de buitenwereld werd, dat
enerzijds
alle libido naar zich toe wilde trekken en anderzijds alle weerstanden
tegen
zich mobiliseerde, werd het gevecht dat om het unieke object woedde
meer
vergelijkbaar met een algemeen treffen, tot uiteindelijk een
overwinning van kracht
der verdringing tot uiting kwam in de overtuiging dat de wereld ten
onder was gegaan
en hijzelf alleen overgebleven was. Als we de ingenieuze constructies
overzien die
door Schrebers waan op het gebied van de religie waren ontstaan, —de
hiërarchie
van God, de beproefde zielen, de voorportalen van de hemel, de lagere
en de
hogere God —, dan kunnen we daaraan achteraf de rijkdom aan sublimaties
afmeten
die werd vernietigd door de catastrofe van de algemene loskoppeling van
de
libido van de buitenwereld.
3.
Een derde overweging die voortvloeit uit de inzichten die op deze
bladzijden
zijn ontwikkeld is de volgende. Moeten wij aannemen dat een algemene
loskoppeling
van de libido van de buitenwereld een voldoende doeltreffend middel is
om daaruit
de ‘ondergang van de wereld’ te verklaren? Of zouden Ik-bezettingen,
die nog
steeds bleven bestaan, niet voldoende zijn geweest om het contact
met de
buitenwereld in stand te houden? Om dit probleem tegemoet te treden
zouden we
óf moeten aannemen dat wat wij libidobezetting noemen (dat wil zeggen
een
belangstelling die voortspruit uit erotische bronnen) met een algemene
belangstelling samenvalt, óf we zouden de mogelijkheid in ogenschouw
moeten
nemen dat een zeer uitgebreide verstoring van de verdeling van de
libido een
daarmee overeenkomende verstoring bij de Ik-bezettingen teweeg kan
brengen. Dit
zijn echter problemen waar we nog volkomen hulpeloos en onthand
tegenover
staan. Het zou anders zijn als we van een goed gefundeerde driftleer
konden
uitgaan, maar in feite hebben wij niet iets dergelijks tot onze
beschikking. We
zien de drift als een begrip, dat zich op de grenslijn bevindt tussen
het
somatische en het psychische, en zien daarin de psychische representant
van de
organische krachten. Verder aanvaarden we het populaire onderscheid
tussen
Ik-driften en geslachtsdrift; een dergelijk onderscheid lijkt immers
overeen te
stemmen met de biologische opvatting dat het individu een dubbele
gerichtheid
heeft, die aan de ene kant naar zelfbehoud en aan de andere kant naar
behoud
van zijn soort streeft. Maar verder bestaan er alleen maar hypothesen,
die we zelf
hebben opgesteld—maar net zo gemakkelijke weer laten varen—om onze weg
te
vinden in de chaos van de meer obscure psychische processen. Wat we van
de
psychoanalytische onderzoekingen over pathologische psychische
processen nou juist
verwachten is, dat ze ons over bepaalde kwesties van de driftleer tot
beslissingen zullen aanzetten. Deze onderzoekingen staan echter nog in
de
kinderschoenen en worden slechts uitgevoerd door afzonderlijke
onderzoekers,
zodat de hoop die wij op hen stellen nog steeds onvervuld is gebleven.
We
kunnen evenmin de mogelijkheid verwerpen dat verstoringen van de libido
van
invloed zijn op de Ik-bezettingen, dan dat we de omgekeerde
mogelijkheid over
het hoofd zien,— namelijk dat een secundaire of geïnduceerde verstoring
van de
libidineuze processen zou kunnen ontstaan door abnormale veranderingen
in het
Ik. Het is zelfs waarschijnlijk dat dergelijke processen kenmerkend
zijn voor psychosen.
Het valt onmogelijk te zeggen hoeveel van dit alles toegepast zou
kunnen worden
op de paranoia. Er bestaat echter een overweging, die ik zou willen
benadrukken. Men mag niet beweren dat de paranoïcus, ook niet als de
verdringing
op haar hoogtepunt is, zijn belangstelling voor de buitenwereld
volledig
verliest—wat bijvoorbeeld wel het geval schijnt te zijn bij bepaalde
andere vormen
van hallucinatorische psychosen (bijvoorbeeld bij de amentie van
Meynert). De
paranoïcus neemt de buitenwereld waar, houdt rekening met elke
verandering die
daarin optreedt en de invloed die dat op hem heeft, prikkelt hem tot
het
ontwikkelen van verklarende theorieën (de ‘vluchtig in elkaar geflanste
mannen’). Het lijkt mij dus heel wat waarschijnlijker dat de veranderde
betrekking
van de paranoïcus tot de wereld geheel of voornamelijk verklaard kan
worden uit
het wegvallen van zijn libidineuze belangstelling.
4. Het
is onmogelijk, gezien de nauwe relatie die er tussen paranoia en
dementia
praecox bestaat, om voorbij te gaan aan de vraag in hoeverre deze
opvatting
over de paranoia onze opvatting over dementia praecox kan beïnvloeden.
Naar
mijn mening had Kraepelin volkomen gelijk, toen hij de stap nam om een
groot
gedeelte van wat tevoren paranoia werd genoemd, samen met de catatonie
en bepaalde
andere ziektevormen, af te scheiden tot een nieuwe klinische
eenheid—hoewel de
naam dementia praecox daarvoor een bijzonder ongelukkige keuze was. Ook
tegen de
benaming die door Bleuler werd gekozen voor dezelfde groep
ziektevormen—‘schizofrenie’—,
zou men het bezwaar kunnen inbrengen dat deze naam alleen maar
toepasbaar
lijkt, zolang we de letterlijke betekenis van het woord vergeten.
Verder
geeft het blijk van vooringenomenheid over het vraagstuk, omdat het is
gebaseerd op een kenmerk van de ziekte dat theoretisch is
gepostuleerd,—en bovendien
ook nog een kenmerk dat niet uitsluitend aan die ziekte toebehoort en
dat in
het licht van andere overwegingen niet als essentieel kan worden
beschouwd. Over
het algemeen is het echter niet zo belangrijk welke naam men aan een
klinisch ziektebeeld
geeft. Mijns inziens is het van wezenlijker belang om paranoia als een
zelfstandig
klinisch type te handhaven, hoe vaak het beeld dat het geeft ook door
de
aanwezigheid van schizofrene trekken wordt gecompliceerd. Want vanuit
het standpunt
van de libidotheorie zou deze stoornis, terwijl die wel op de dementia
praecox
lijkt, in zoverre de verdringing in beide stoornissen hetzelfde
hoofdkenmerk
vertonen,—de loskoppeling van de libido, samen met een regressie tot
het Ik—door
een andere lokalisatie van de gepredisponeerde fixatie en door een
ander
mechanisme van de terugkeer van het verdrongene (dat wil zeggen voor de
symptoomvorming)
onderscheiden kunnen worden van de dementia praecox. Het meest geschikt
zou
mijns inziens zijn, om aan de dementia praecox de naam parafrenie toe
te
kennen.
Die
term
heeft
geen
speciale
lading,
en
zou kunnen dienen om
een verband
aan te geven met de paranoia (een naam die niet meer veranderd kan
worden), en
bovendien doet denken aan de hebefrenie, die nu onder de dementia
praecox valt.
Het is juist dat die naam al eerder voor andere doeleinden is
voorgesteld, maar
dat gaat ons niet aan, omdat het gebruik in deze gevallen niet
ingeburgerd is
geraakt.
Abraham
heeft zeer overtuigend aangetoond dat het loskoppelen van de wereld van
de
libido een bijzonder duidelijk kenmerk van de dementia praecox is. Wij
leiden
daaruit af dat er door middel van libido-loskoppeling verdringing is
teweeggebracht.
Hier kunnen wij weer de fase van de hevige hallucinaties zien als een
strijd
tussen de verdringing en een poging tot herstel, door de libido weer
naar haar
objecten terug te brengen. Jung [1908] heeft, met een buitengewone
analytische
scherpzinnigheid, geconstateerd dat de delirante en motorische
stereotypen die
bij de ziekte voorkomen, restanten zijn van vroegere objectbezettingen,
waar
zeer hardnekkig aan vast wordt gehouden. Deze poging om te genezen, die
toeschouwers voor de ziekte zelf verslijten, bedient zich echter niet
van
projectie, zoals bij de paranoia, maar van een hallucinatorisch
(hysterisch)
mechanisme. Dat is een van de twee belangrijke aspecten waarin de
dementia
praecox verschilt van de paranoia, en het ontstaan van dit verschil kan
ook op
een andere manier worden verklaard. Het tweede verschil blijkt uit de
afloop
van de ziekte in gevallen waarbij het proces niet al te beperkt is. De
prognose
is in het algemeen ongunstiger dan bij de paranoia. De overwinning
wordt niet,
zoals bij de laatstgenoemde, behaald door wederopbouw, maar door de
verdringing. De regressie strekt zich niet alleen uit tot het
narcissisme, (dat
in de vorm van grootheidswaan tot uitdrukking komt), maar tot aan de
volledige
opheffing van de objectliefde en de terugkeer naar de infantiele
auto-erotiek.
De gedisponeerde fixatie moet dus nog verder terug liggen dan bij de
paranoia
en moet ergens aanwezig zijn bij het begin van de ontwikkelingsgang van
auto-erotiek naar objectliefde. Het is bovendien allesbehalve
waarschijnlijk
dat homoseksuele impulsen, zoals we die zo vaak—misschien steevast—bij
paranoia
aantreffen, een even belangrijke rol spelen in de etiologie van de veel
ingrijpender ziekte dementia praecox.
Door
onze hypothesen over de gepredisponeerde fixaties bij paranoia en
parafrenie is
eenvoudig te zien, dat een geval met paranoïde verschijnselen kan
beginnen en
zich toch tot dementia praecox kan ontwikkelen, en dat paranoïde en
schizofrene
verschijnselen in allerlei verhoudingen gecombineerd kunnen worden. Zo
kunnen
we begrijpen dat een klinisch beeld tot stand kan komen als dat van
Schreber, en
dat het de naam paranoïde dementie verdient. Het komt voort uit het
feit dat
het in het veroorzaken van de begerende fantasie en de hallucinaties
parafrene
trekken vertoont, terwijl het in het gebruik maken van het mechanisme
van
projectie en in de afloop een paranoïde karakter vertoont. Er kunnen in
de loop
van de ontwikkeling immers verschillende fixaties zijn blijven bestaan,
die allemaal
achtereenvolgens een doorbraak van de verdrongen libido mogelijk
maken—misschien
eerst bij de fixaties die later zijn ontstaan, en vervolgens, als de
ziekte
zich verder ontwikkelt, bij de oorspronkelijke fixaties, die dichter
bij het uitgangspunt
liggen. We zouden graag willen weten aan welke omstandigheden het
huidige geval
zijn betrekkelijk gunstige afloop te danken heeft, want we kunnen niet
zomaar
de hele verantwoordelijkheid voor de afloop leggen bij iets zo
toevalligs als
de ‘verbetering door de verandering van verblijfplaats,’ die intrad
toen de
patiënt de inrichting van Flechsig verliet. Omdat we echter onvoldoende
op de
hoogte zijn van de persoonlijke omstandigheden in de
ziektegeschiedenis, kunnen
wij die belangrijke vraag onmogelijk beantwoorden. Men zou echter
kunnen vermoeden
dat, wat Schreber in staat heeft gesteld om zich te verzoenen met zijn
homoseksuele fantasie en het dus mogelijk maakte dat zijn ziekte
eindigde in
iets dat op een herstel leek, het feit zou kunnen zijn geweest dat zijn
vader-complex hoofdzakelijk optimistisch was gestemd en dat
waarschijnlijk in
het werkelijke leven de laatste jaren van zijn relatie met zijn vader
onbekommerd is geweest.
Omdat
ik kritiek van anderen niet vrees, noch zelfkritiek schuw, heb ik geen
reden om
voorbij te gaan aan een gelijksoortig aspect, dat mogelijk in de ogen
van veel
lezers afbreuk kan doen aan onze libido-theorie. De ‘godsstralen’ van
Schreber,
die door verdichting waren samengesteld uit zonnestralen, zenuwbanen en
spermatozoïden, zijn in feite niets anders dan een concrete weergave en
een
projectie in de buitenwereld van libidobezettingen; en daardoor
verlenen zij
zijn waansysteem een treffende overeenkomst met onze theorie. Zijn
geloof dat
de wereld ten onder moest gaan omdat zijn Ik alle stralen naar zich toe
trok, zijn
angstvallige bezorgdheid in een latere periode, tijdens het proces van
wederopbouw, voor het feit dat God het stralencontact met hem zou
verbreken—al
deze en nog vele andere details van het waansysteem van Schreber
klinken bijna
als endopsychische waarnemingen van de processen waarvan ik het
bestaan, op
deze bladzijden, als basis heb genomen voor onze verklaring van de
paranoia. Ik
kan me echter op het getuigenis van een vriend en mededeskundige
beroepen, die
kunnen verklaren dat ik mijn paranoia-theorie al had ontwikkeld voordat
ik op
de hoogte was van de inhoud van Schrebers boek. Het blijft aan de
toekomst
voorbehouden om uit te maken of mijn theorie meer waan behelst dan ik
zou
willen toegeven, of dat er meer waarheid schuilt in Schrebers waan dan
anderen tot
nu toe bereid zijn te geloven.
Tot
slot kan ik het huidige werk, dat nogmaals niet meer dan een fragment
uit een
groter geheel is, niet besluiten zonder de twee voornaamste stellingen
aan te
kondigen waarvoor de libidotheorie van de neurosen en psychosen steeds
meer
bewijzen begint aan te voeren, ten eerste namelijk dat de neurosen
hoofdzakelijk
uit een conflict tussen het Ik en de seksuele driften voortkomen, en
ten tweede
dat de verschillende vormen die de neurose kan aannemen, het stempel
dragen van
de ontwikkeling die de libido en het Ik doorlopen.
NASCHRIFT
1912
Bij
de behandeling van de ziektegeschiedenis van Senaatspresident Schreber
heb ik
me met opzet tot een minimum aan duiding beperkt; ik ben ervan
overtuigd dat
elke psychoanalytisch geschoolde lezer uit het door mij voorgelegde
materiaal
meer heeft gehaald dan ik expliciet heb beweerd, en dat het hem geen
moeite
heeft gekost de grote lijnen meer uit te werken en conclusies te
trekken waar
ik alleen maar op heb gewezen. Door een gelukkig toeval heeft hetzelfde
nummer
van dit tijdschrift waarin mijn eigen bijdrage is verschenen, laten
zien dat Schrebers
autobiografie ook de aandacht heeft getrokken van enkele andere
medewerkers,
waardoor eenvoudig valt te raden hoeveel meer materiaal er nog is te
putten uit
de symbolische inhoud van de fantasieën en wanen van deze begenadigde
paranoïcus.
Sinds
de publicatie van mijn studie over Schreber is mijn kennis door een
toevallige
omstandigheid toegenomen, waardoor ik in staat ben om een van zijn
waandenkbeelden beter naar waarde te schatten en de rijkdom aan
betekenis voor
de mythologie te onderkennen. Op bladzij 233 vermeldde ik dat
de patiënt
een speciale relatie onderhield met de zon, wat mij ertoe bracht om dat
als een
gesublimeerd ‘vader-symbool’ te duiden. De zon spreekt doorgaans met
hem in
menselijke taal en openbaart zich zo aan hem als een levend wezen.
Schreber had
de gewoonte om tegen de zon te schelden en haar dreigementen toe te
schreeuwen;
bovendien beweert hij dat haar stralen verbleken als hij oog in oog met
haar
staat en zijn stem tegen haar verheft. Na zijn ‘genezing’ gaat hij er
prat op
dat hij zonder enige moeite in de zon kan kijken en daardoor maar
nauelijks wordt
verblind, wat hem vroeger natuurlijk niet mogelijk zou zijn geweest
Het mythologische
belang ligt nu in dit gewaande voorrecht, dat hij in de zon zou kunnen
kijken,
zonder te worden verblind. Wij lezen bij S. Reinach dat de
natuuronderzoekers
uit de oudheid dit vermogen alleen toekenden aan de adelaar, die als
bewoner
van de hoogste regionen een bijzonder innige relatie met de hemel, de
zon en de
bliksem had verkregen. Bovendien leren we uit dezelfde bronnen dat de
adelaar
zijn jongen aan een proef onderwerpt, voordat hij ze als wettige
nakomelingen
erkent. Als zij niet in staat zijn om zonder met de ogen te knipperen
in de zon
te kijken, worden ze uit het nest geworpen.
De
mythologische zin van deze dierenfabel is aan geen twijfel onderhevig.
Het is
duidelijk dat wat hier slechts aan dieren wordt toegeschreven, een
geheiligd
gebruik onder de mensen was. Wat de adelaar met zijn jongen uitvoert,
is een godsoordeel, een afstammingsproef, dat ons van de meest
uiteenlopende
volkeren uit de
oudheid is overgeleverd. De Kelten, die langs de oevers van de Rijn
woonden, vertrouwden
hun pasgeborenen aan de wateren van de rivier toe, om zich ervan te
overtuigen
dat zij werkelijk hun eigen vlees en bloed waren. De stam van de
Psyllen die
woonden, waar nu Tripoli ligt, beroemden zich erop dat ze van slangen
afstamden,
en stelden hun pasgeboren kinderen bloot aan contact met slangen; hun
rasechte
kinderen werden óf niet gebeten óf herstelden spoedig van de gevolgen
van de
beet. De vooronderstelling die ten grondslag ligt aan deze proeven
voert ons
tot diep in de totemistische denkgewoonten van primitieve
volkeren. De
totem—een dier of de animistisch opgevatte natuurkracht, waarin de stam
haar
oorsprong ziet—spaart de stamleden als haar eigen kinderen, zoals hij
op zijn
beurt als stamvader door hen vereerd en gespaard wordt. We zijn hier
aangeland
bij het overdenken van zaken die volgens mij mogelijk zullen maken om
tot een psychoanalytische
verklaring van de oorsprongen van de religie te komen.
De
adelaar die zijn jongen tegen de zon in laat kijken en verlangt dat ze
door zijn
licht niet worden verblind, gedraagt zich dus als een afstammeling van
de zon,
die zijn kinderen aan een voorouderproef onderwerpt. En als Schreber er
prat op
gaat dat hij ongestraft en zonder verblind te worden in de zon kan
kijken,
heeft hij opnieuw ontdekt hoe hij op een mythologische manier kan
uitdrukken dat
hij een kind van de zon is, wat ons nogmaals bevestigt in de opvatting
dat de
zon een symbool van de vader is. We moeten weer bedenken dat Schreber
tijdens
zijn ziekte openlijk uitdrukking gaf aan zijn trots over zijn familie
en dat we
in het feit van zijn kinderloosheid een menselijk motief hebben
gevonden voor zijn
ziek worden met een begerende fantasie. Het verband tussen zijn als
voorrecht
opgevatte waandenkbeeld en de basis van zijn ziekte wordt dan
duidelijk.
Dit
korte naschrift bij mijn analyse van een paranoïde patiënt zou kunnen
dienen om
aan te tonen dat Jung een uitstekende reden had, voor zijn bewering dat
de mythenscheppende
vermogens van het mensdom niet zijn uitgedoofd, maar dat zij tot op de
dag van
vandaag in de neurosen dezelfde psychische producten teweegbrengen als
in het
verste verleden. Ik zou graag het idee, dat ik enige tijd geleden al
heb
opgevat, weer willen oppakken en willen toevoegen dat hetzelfde geldt
voor het
vermogen om religies te construeren. Verder ben ik van mening dat voor
ons
weldra de tijd rijp zal zijn om een stelling uit te breiden, die al
lang
geleden door psychoanalytici is uitgesproken en te voltooien wat tot nu
toe
slechts een ontogenetische toepassing heeft gekend, door de toevoeging
van haar
antropologische tegenhanger, die fylogenetisch moet worden opgevat. ‘In
dromen
en neurosen luidde onze stelling, ‘stuiten wij opnieuw op het kind en
de
typische
kenmerken
die
zijn
manier
van
denken
en
zijn gevoelsleven
bepalen.’ We
zouden daar nu aan kunnen toevoegen ‘en wij stuiten ook op de wilde,
de primitieve mens, zoals die ons in het licht
van
de oudheidkunde en de
etnologie wordt onthuld.’