Prijs
20 Pfennig
Genie en Waanzin
Geachte aanwezigen! De
pathologie van de ziel neemt tegenwoordig, zoals u allen weet, zowel in
de
dramatische als in de verhalende litteratuur, een vooraanstaande plaats
in. Ik
hoef u slechts te herinneren aan de, op de vorige openbare avond,
voorgedragen
novelle, “De moedermoordenaar” van Ola
Hansson, of de naam Ibsen te noemen. De belangrijkste
stelling, die
door al deze litteraire voortbrengsels heenloopt, is dat de mens op
grond van
zijn erfelijkheid moet handelen zoals hij handelt, of, als deze
erfelijkheid
een ongunstige is, op grond van zijn belasting. De ontdekking en het
gebruik
van deze stelling was voor de letterkunde een gebeurtenis van de eerste
orde.
Alleen al het enorme strafmateriaal gaf nog voor jaren stof tot denken.
– Toch
mag men niet vergeten, dat de bewering over het moeten handelen van de
mens,
die thans in de maatschappij een brandende kwestie is geworden, in de
rechtszaal en het krankzinnigengesticht al lang is beslist en zogezegd
tot rust
is gekomen. Al in het begin van de zeventiger jaren heeft Benedict – om over Gall maar niet te spreken, – in
zijn „misdadigershersenen“ niet
alleen de mening uitgesproken, maar zich ook aan het bewijs gewaagd,
dat
ziekelijke handelingen op grond van een pathologisch veranderd orgaan
kunnen
bestaan, en heeft daarmee „een zich over latere zones en tijden
uitbreidende
beweging“ voorspeld. Tegenwoordig weet iedere rechter, dat mensen, met
name
misdadigers, onder bepaalde omstandigheden dwanghandelingen begaan; en
thans
mag geen schuldig! worden uitgesproken, zonder dat de psychiatrische
deskundige
uitgebreid is geraadpleegd. – Hier zijn dus de juristen en artsen de
profetische
gave van de dichter te snel af. Dat verhindert niet, dat tegenwoordig,
nu de
ontwikkelde massa door dit interessante probleem is gegrepen, nogmaals
een
filtering van alle desbetreffende vragen zal plaatsvinden. Dat is in
ieder
geval zeer nuttig.
Bij deze stand van zaken,
zult u het wellicht niet onwelwillend opvatten, als wij vanavond een
andere
klasse mensen tot onderwerp van een bespreking zullen maken, waarvan
eveneens
van oudsher wordt beweerd, dat zij bij het voortbrengen van hun werken
onder de
veel sterkere dwang van een ‘moeten’ staan; waarmee zij natuurlijk, net
zo goed
als de misdadiger, binnen het terrein van het ziek zijn kwamen; en
aangezien
het hier om geestelijke gevallen gaat, op het terrein van de
geestesziekte, van
de waanzin, – namelijk de genieën.
–
Dus
vanavond
zal
het
genie
ons
bezighouden,
de
aard
van
zijn geestelijke
toestand
en zijn verwantschap met de geestesziekten.
Onder genie heeft men in
verschillende tijdperken, nogal wat anders verstaan. In de laatste
dertig jaar
van de vorige eeuw was er een periode van de zogenaamde genialiteit op
eigen
kracht, of het oer-genie. Iedereen, die zich met enige vrijmoedigheid
de nieuwe
ontwikkelingen van het toenmalige mensheidsideaal eigen maakte, en dat
met een
zekere verve voordroeg, werd een genie genoemd. In de “Geschiedenis van
het
geestelijke leven in Duitsland” van Julian Schmidt,
staat onder andere de voor die tijd toepasselijke zin: “Een aantal
vrolijke
kameraden of genieën, sloten zich in Frankfurt bij de dichter van
de “Götz”
aan……” Net zo als later in de tijd van Vogt
en Büchner, elke jonge
man, die de
behoefte voelde, om zich boven de massa te verheffen, begon met zich
tot vrije
geest te verklaren, was toen het emanciperende woord voor de
vooruitstrevenden:
genie. En ik geloof dat het Herder
was, die ooit die bedenkelijke kliek van het lijf hielt met de woorden:
“Wie
mij een genie noemt, die geef ik een oorvijg.” – Intussen heeft de
psychologie
het begrip van het geniale nogal ingeperkt. Altijd al was men het
erover eens,
dat het geniale product, in tegenstelling tot het intellect, een
spontane actie
van de fantasie, van het voorstellingsvermogen was, en aangezien men
het
voorstellingsvermogen in de vorige eeuw tot de zogenaamde “lagere
geesteskrachten” rekende, definieerde Adelung
genie dus logischerwijs als “een voortreffelijke ontwikkeling van de
lagere
geesteskrachten.” (Über den deutschen Stil“ 1785) . Kant zegt dat het
eigenlijke terrein voor het
genie de
verbeeldingskracht is, omdat die autonoom scheppend is (anthropologie).
Zeer
indringend spreekt Schopenhauer
zich
over het genie uit. Hij zegt: het eigenlijke werk van het genie gebeurt
volstrekt spontaan; het innerlijk begrijpen van een kunstwerk door het
genie is
onafhankelijk van de wil; daar zelfs tegenovergesteld aan; dus geen
daad van de
eigenmachtigheid; maar buiten ons goedvinden; het is een sterke
prikkeling van
de aanschouwende hersenactiviteit; het talent pakt zijn materiaal uit
een vrije
activiteit van de wil; het talent denkt zekerder, sneller en juister
dan de
andere activiteiten; het genie, daarentegen, schouwt in een andere
wereld dan
alle anderen (“De wereld als wil en voorstelling”). Jürgen Mayer zegt: het talent kent
zichzelf; het
weet, waarom het tot een bepaald inzicht komt; voor het genie is dat
niet
duidelijk; het volgt een onweerstaanbare impuls; niets is meer
onberekenbaar en
willekeurig, dan een geniaal idee! (“Genie und Talent“) Maudsley en Eduard von
Hartmann geloven, dat het geniale concept eerst onbewust
plaatsvindt en
vervolgens voor het verbaasde oog van zijn bezitter verschijnt.
(„Physiologie
and pathologie of Mind.“ – „Philosophie des Unbewussten“). Jean Paul vergelijkt het moment van de
ingeving rechtstreeks
met de slaapwandelende toestand. („Vorschule der Ästhetik“).
En Humboldt zegt: „Op
het unieke
moment,
waarop de fantasie van de kunstenaar het beeld geboren laat worden, is
het
meesterwerk klaar, zelfs als zijn hand op dat ogenblik zou verstijven.
De echte
vervaardiging is slechts de nagalm van dat beslissende moment.” – Uit
al deze
uitspraken ziet u, dat het optreden van het geniale ogenblik als iets
nieuws, onverwachts
en zonderlings wordt opgevat, en als iets dat van het normale denken
wezenlijk
verschilt. De geniale inval is een vrijwillig voortgebracht geschenk
van de desbetreffende
geestestoestand aan haar eigen bezitter, onverhoeds, onverwacht,
toevallig, en
alsof het van buitenaf komt, zodat de desbetreffende persoon zelf
verrast is.
Alleen al de oude uitdrukking inspiratie, van het Latijnse inspirare,
inblazen,
wijst erop, dat genieën uit de oude tijd hun ideeën als iets
dat van buitenaf
tot hen kwam beschouwden.
Bij alle oude volkeren gold
de dichtkunst als een ingeving van de godheid. En het is niet
toevallig, dat de
uitdrukking genius zowel
genie,
als
een
gevleugelde
afgezant
uit
de
andere
wereld
betekent.
Ook
later,
toen men de band tussen de dichtkunst en een haar verschaffend
goddelijk wezen min
of meer had laten vallen, noemden de oudste dichters van het avondland,
de
Provençaalse, zich trovatore, troubadour, van het
Italiaanse trovare,
vinden, dus vinders. Het begrip vinden geeft dan weer aan, dat het
voorwerp
buiten hun geest ligt. – In onze dagen zijn de psychologie en de
filosofie het
over het algemeen met elkaar eens geworden, zodat men zegt: de geniale
inval
wordt door intuïtie, door het psychische voorstellingsvermogen
geboren, en is
een vrijwillige, onberekenbare prestatie van de desbetreffende
geestestoestand;
terwijl het talent meer deductief werkt, door een bewuste en gerichte
bedoeling
tot zijn ideeën komt, en zijn succes aan zijn vlijt en inspanning
dankt. Sinds
wij weten, dat een deel van onze voorstellingen onbewust kan verlopen,
is het
plotselinge binnendringen van de geniale inval gemakkelijker te
verklaren: na
een reeks onbewuste activiteiten van de verbeelding, treedt de geniale
gedachte
opeens bewust tevoorschijn, de desbetreffende persoon verkeert over de
herkomst
zelf in twijfel en noemt het een inval; het woord inval, van buiten
naar
binnenvallen, verplaatst immers ook de bron van het gebeuren naar
buiten. Dat
is de enige methode van verklaring. Of het gaat bij het genie om
hetgeen men
een dubbele persoonlijkheid noemt: onder een min of meer inslapen van
het
bewustzijn, van de wil, treedt de verbeeldingskracht, net als in de
droom,
volledig in werking. En de geniale invallen komen dan met de
eigenaardigheid
van droombeelden tevoorschijn. Maar met het onderscheid, dat, terwijl
de dromer
machteloos is, het genie zijn droomachtig invallende opwellingen kan
beoordelen, en met zijn wil kan ordenen. Hier klopt de vergelijking van
Jean Paul van de
geniale
mens op het moment van
de inval volkomen met de slaapwandelaar. Een groot aantal beroemde
mensen
schijnen volgens hun biografieën op bepaalde tijden als
slaapwandelaars te
hebben gehandeld. Van Beethoven
is
bekend, dat hij op zijn wandelingen door Wenen vaak plotseling op
straat bleef
staan, vaak midden op de rijweg; uit zijn hele houding kon men opmaken,
dat hij
onder invloed van een hevige innerlijke opwinding stond; zijn ogen
glansden, en
gingen als een dwaallicht heen en weer, zoals bij iemand, die door een
hevige
emotie wordt beheerst; hij zag dan helemaal niets van wat er om hem
heen
gebeurde; hoorde niet roepen dat hij opzij moest gaan en derg.; maar
hij haalde
wel bij die gelegenheden papier en potlood tevoorschijn, die hij voor
dit doel
steeds bij zich droeg, schreef een paar muzieknoten op, en vervolgde
dan,
rustig en weer normaal zijn weg voort. – Dus het autochtone optreden
van een fantasiebeeld
of een gedachte is de voorwaarde voor een geniale begaafdheid. Laten
wij met
een voorbeeld hier in deze zaal illustreren wat wij op het oog hebben:
stelt u
zich voor, dat hier in deze zaal de temperatuur en warmtegraad
plotseling in
een gevaarlijke manier toenemen; dat de atmosfeer, door een of andere
eenvoudige
gebeurtenis, zoals het springen van een verwarmingsbuis, in korte tijd
net zo
zou worden als bij dat „zwarte gat“ in Calcutta, waar, bij de grote
Indische
opstand, enkele honderden Engelse mannen en vrouwen, die door de
opstandelingen
in een kleine ruimte waren opgesloten, alleen al stikten doordat ze van
de
buitenlucht waren afgesloten; laat ik ook de omstandigheden in zoverre
reconstrueren, dat er als enige uitgang die tussendeur was, die echter,
omdat
die naar binnen toe openging, en dus door de naar buitendringende
menigte werd
geblokkeerd, niet kon worden geopend; en stel u zich dan voor, dat op
het
moment van het grootste gevaar, iemand zijn bierpul zou pakken en
daarmee een
van die hooggelegen, tot aan het plafond van de zaal reikende, ruiten
zou
ingooien, en zo met het binnendringen van de verse buitenlucht, de
situatie zou
redden, – dan zou dat een geniale inval zijn; onder voorwaarde, dat
deze worp
niet het resultaat van een in de algehele verwarring onmogelijke
discussie was,
maar dat hij het desbetreffende beeld van de tegen de ruit vliegende
bierpul,
het versplinteren van de getroffen ruit, het wervelend naar
binnenstorten van
de koude lucht, de staande splinters rondom de ontstane opening in
een
snelle opeenvolging voor zijn innerlijk oog zou zien voorbijtrekken, en
hij
door een plotselinge drijfveer gegrepen, het geziene zou uitvoeren. –
Stelt u
zich daarentegen voor, dat de herbergier, of iemand anders, die op de
hoogte
was van de omstandigheden, met de bedoeling om de menigte bij de
geblokkeerde
tussendeur weg te lokken, naar een kleine zijdeur zou lopen, die naar
omstandigheden gesloten zou moeten zijn, maar onder de kreet: hier is
de
uitgang! en dat hij door deze list, de mensen van de tussendeur weg zou
voeren,
die nu zou kunnen worden geopend, dan zou dat meer het optreden van een
slim,
tegenwoordigheid van geest bezittend, getalenteerd brein zijn. Het
talent weet
van huis uit, wat het wil en zoekt naar middelen; het genie weet,
behalve een beangstigend
gevoel, niet wat hij wil, maar ziet plotseling, in een uitgewerkt
beeld, de
oplossing voor zich. – De uit het hoofd van Zeus tevoorschijnspringende
gewapende Pallas Athene, met schild en speer, klaar voor de strijd, is
een treffend
symbool voor het invallen van het geniale idee. En Archimedes, die plotseling verrast
door de oplossing van een
mathematisch probleem, uit het bad springt en naakt, onder de kreet
‘Eureka’,
ik heb het gevonden, door de straten van Syracuse snelt, is een
gelukkig
oerbeeld voor de spontane prestatie van een geniaal brein. – De geniale
begaafdheid beperkt zich, volgens de psychologische definitie, die wij
hierboven hebben gegeven, natuurlijk niet tot de mensen, die wij in
bewondering,
graag alleen genie zouden willen noemen: tot grote dichters,
kunstenaars,
geleerden en dergl. Iedereen, iedere sector, en elk geslacht kan door
de
geniale vonk worden doortrild: in de vorige eeuw werd de Bank van
Engeland, op
een ongehoorde en hoogst merkwaardige manier bestolen. Het lukte een
schrander
iemand dit meest solide en meest veilige gebouw ter wereld, dat zonder
enig
raam, slechts een groot vierkant van muren vormt, aan te vallen,
doordat hij op
een paar honderd meter afstand een onaanzienlijk huis kocht, en vanuit
de
kelder een tunnel groef tot onder het niveau van het bankgebouw. Op een
nacht
verwijderde hij de laatste laag en beroofde het instituut van een
aanzienlijk
bedrag. – Of neem Meyer Anselm Rothschild,
de
grondlegger
van
het
vermogen
van
dit
grote
financiële
huis,
die
zich na de
slag bij Waterloo met gevaar voor eigen leven op een boot het Kanaal
laat
overroeien, in Londen de fors gedevalueerde papieren opkoopt, om na de
bekendmaking van het bericht over de overwinning, het enorme verschil
op te
strijken! – En als u daarbij ook denkt aan die ander fantastische reis,
die Swift zijn
kapitein naar
de Lilliputters
laat maken, dan zou het twijfelachtig kunnen zijn, welke van deze drie
ondernemingen de prijs van de grootste originaliteit toekomt. Wat weet
de
natuur van onze schema’s en armzalige indelingen!? Wat weet ze van ons
onderscheid in nuttige en schadelijke genieën!? Wat maakt het haar
uit, dat wij
heden de slapen van een dichter omkransen, en morgen een misdadiger de
kop
afslaan!? Zij koestert roos een scheerling met dezelfde liefde aan haar
boezem.
Ze werpt heden deze, morgen gene de ontbrandende vonk van een geniale
impuls in
de borst. – Maar laten wij bij de roos, en bij de aangenaam geurende
bloesem
van de mensheid blijven! De beslissing over wat geniaal is en wat niet,
ligt
natuurlijk niet bij de desbetreffende, niet bij de kunstenaar, maar bij
de
toeschouwer van het kunstwerk. Een bepaald instinct vertelt ons in veel
gevallen, dat de kunstenaar slechts een eenmalige, plotselinge greep in
zijn
fantasie deed, dat het kunstwerk, namelijk de eerste schets, slechts
een
momentopname van een gelukkige samenstelling van zielenleven weergaf.
Neem b.v. Dante Gabriel May
Morris.
Wie ook
maar enigermate geoefend is in het beschouwen en beoordelen van werken
van uitvoerende
kunstenaars, zal tot de conclusie komen, dat wat May vaak in zijn afbeeldingen
toont, slechts de heftige gemoedsbeweging van het moment was. Hetzelfde
geldt
voor de b.v. tentoongestelde werken van Klinger. Deze dingen zijn deels te zonderling om langere tijd in de ziel van een
kunstenaar te huizen. Neem
daarentegen werken, als die van een Vautier, of van een Menzel. Hier hebben wij meer de
indruk, dat het
onderwerp eerst door het verstand wordt gegrepen, vervolgens met liefde
uitgebroed, uitgedacht, verzorgd, door toegewijde studie van de natuur
ondersteund
en uiteindelijk met onvermoeibaar vlijt wordt uitgevoerd. In het eerste
geval
werd meer ons gevoel geschokt. Hier is het ons verstand, dat de tol van
de
bewondering zonder enige terughoudendheid betaalt. De eersten waren
meer
poëten, die toevallig het potlood of de penseel in de hand werd
gedrukt; de bron van hun scheppen ligt ver achter hun oog; het is
het resultaat van een bepaalde zielstoestand; en de impuls, de explosie
is vaak
zo hevig, dat de hand dat niet kan bijhouden; en liever wordt de vorm
veronachtzaamd, dan dat een deel van de visie wordt prijsgegeven. – De
laatsten
zijn de eigenlijke kunstenaars; in hun oog, dat hen slechts tot de
tekenstift
in staat stelde, ligt het zwaartepunt van hun scheppen; hun gevoel mag
in niets
meespreken bij het artistieke voortbrengen en schijnt pover te zijn;
des te
rijker is hun onuitputtelijke achtergrond in het aanschouwen van de
natuur; het
onderwerp is vaak nietig en bijzaak; de vorm is tot in het kleinste
detail en
meesterlijk uitgewerkt. – Ik heb met opzet slechts namen van de eersten
genoemd, om meteen een eind te maken aan het misverstand, dat
genialiteit meer
zou zijn dan talent, of het eerste zelfs een uitvergroting van het
laatste zou
zijn. Genie en talent zijn niet gradueel verschillend van elkaar. Het
zijn twee
verschillende soorten, die niets met elkaar hebben te maken. Ze zijn
net zo
verschillend als twee legeronderdelen. Net zomin als men kan zeggen,
dat
artillerie meer is dan infanterie, kan men zeggen dat genie meer is dan
talent.
Elk van deze geestelijke strijdmethoden opereert op zichzelf. Welke op
een
bepaald moment de gelukkige is, en de overwinning boekt, hangt af van
de
omstandigheden. Het genie vindt moeizaam en vaak geen erkenning; het
talent
vindt gemakkelijker onthaal. Neem bijvoorbeeld de Belgische schilder Wiertz (Antoine Wiertz, 22 februari 1806 - 18 juni
1865), wiens onverkoopbare werken uiteindelijk in
een eigen museum in
Brussel werden verenigd, waar ze thans nog steeds een grote
bezienswaardigheid
vormen. Hier is zonder twijfel sprake van genialiteit. Maar de manier
van
uitbeelding, net als de materiaalkeuze, is zo ongehoord, zo absurd en
gezocht,
dat de wereld het niet heeft geapprecieerd. Of neem Jean Paul (Johann Paul Friedrich Richter, 1763.-1825 in
Bayreuth,
noemde zich Jean Paul uit bewondering voor Jean-Jacques Rousseau). Hier hebben wij een tot het waanzinnige
originele kunstenaar. In zijn eigen tijd met erkenning overladen, en
gelijkgesteld
aan Goethes en Schillers, is hij
tegenwoordig haast ongenietbaar en naar het schijnt voor de grote
volksmenigten
definitief verloren. Of neem Rabelais;
een
origineel
portret,
als
er
ooit
een
is
geweest;
maar
eigen is hij in
Franktijk nooit geworden; en elke poging hem nader tot het publiek te
brengen
is evenzo vaak mislukt, als pogingen om hem in de
litteratuurgeschiedenis in te
sluiten; hij staat eenzaam en verlaten. – Bij deze gelegenheid zult u
mij zeker
veroorloven om enige woorden over ons Dioscuren-paar Goethe en Schiller te zeggen: Schiller en Goethe in één
adem kortweg als „genieën“ te bestempelen, houd ik voor een
dooddoener, zowel
in het denken als in het spreken. Als één van hen een
genie was, dan was de
andere het zeker niet. Want een zo fundamenteel verschil, tot in de
wortel,
zoals bij deze twee grote geesten, is nauwelijks denkbaar. Het is een
armoede
van de taal, dat wij twee van dergelijke mensen onder één
begrip moeten
scharen. Als echter een van beiden een genie was, dan was het
ongetwijfeld Schiller.
Als
er ooit iemand geniaal tot in
zijn laatste haarwortel was, dan was het deze jongeman, met zijn magere
gezicht, zijn vrijmoedige, bijna meedogenloze profiel, de ingevallen
wangen, de
onrustige ademhaling, en dat fabelachtige geestelijke elan, zoals
zoveel
longpatiënten vertonen. Ik doe een beroep op uw ervaring bij het
lezen van “De
Rovers”. Wellicht kan geen enkele litteratuur ter wereld een
stoutmoediger werk
leveren. Alleen een jongeman, wiens geest in vuur en vlam stond, kon
zoiets
vervaardigen. In dit jeugdwerk vindt men passages, die aan een deur
kloppen,
waar gewone mensen, ook talenten, en zelfs Goethe aan toekomen. – Neem
daarnaast Goethe’s
“Werther”;
een werk dat, ik
wil niet zeggen geschikt, maar wel waard is om met “De Rovers” te
worden
gemeten. Wie wil betwijfelen, dat de tragiek van die ervaring tranen
uit ons
perst? Dat wij geschokt en gereinigd weggaan? Maar uiteindelijk zijn
het toch maar aardse toestanden. Het is een
liefdesavontuur, zoals
het ook elders voorkomt. Alleen met een ongekende meesterschap ten toon
gespreid. Zijn tijdgenoot, de criticus La Harpe zei destijds, toen de Fransen het grote
succes van de
„Werther“ in Duitsland niet konden begrijpen: dat is vanzelfsprekend,
want een
goed vertelde liefdesgeschiedenis is in dat land altijd zeker van de
hevige
werking op de gemoederen; iets dergelijks hadden zij thuis ook; b.v.
Manon
Lascaut. – Goed! Maar „De Rovers“hadden de Fransen niet. Hierin gaat
het niet
om juist geschetste typen uit het volk, zoals bij „Werther“, maar zowel
Franz,
als Karl en Amelie zijn bijna tot het onmogelijke opgeschroefde
figuren. De
transcendentale inhoud van de „Rovers“ stijgt ver boven zijn aardse
belang uit. Schiller’s
hyperideale verlangen
doorbrak alle grenzen en schiep personen, die uit de hemel en de hel
lijken te
zijn gerukt. En dat is voor ons de maatstaf, om het jeugdwerk van
Schiller als
geniaal
te
beschouwen. – Ik beroep mij
bij dit betoog niet op het esthetische of litterair-historische, maar
ik beroep
mij op het kunstzinnige instinct van de massa. De grote volksmassa zal
altijd
diegene het meest luid bejubelen, die hen in een bezichtigd kunstwerk
het verst
boven het niveau van hun dagelijkse bemoeienissen uitbrengt. Een
ruiter, die in
het circus, halverwege de manege op een ander paard gaat zitten, en dat
met gevaar
van hals- en beenbreuk doet, wordt door de brede volksmassa het meest
gewaardeerd. De keurige manegeruiter, die volgens alle regelen der
kunst de
baan aflegt, interesseert hen minder. Dat is meer voor de kenners. – Welnu, Schiller
was in de ogen van het volk steeds een dergelijke roekeloze ruiter, die
de val
niet vreesde. En het Duitse volk ziet zich in de geniale durf van
Schiller als het
ware
gepersonifieerd. Hem
heeft het in de eerste plaats als genie bestempeld. Want het vrijmoedig
voorwaarts stormen is hem toch nader dan sentimentaliteit, ook al zou
die in de
mantel van de hoogste kunstzinnige meesterschap zijn gehuld. – Wij
zullen ons
er voor hoeden om ons het oordeel van de bekende Amerikaanse schrijver Cooper eigen te maken, die vond,
dat onder
bepaalde omstandigheden in elk esthetisch theekransje een geestrijk man
als
Goethe kon opstaan; maar dat alleen een God de ziel van Schiller kon scheppen. Maar het
uitgesproken beroep op Schiller
als genie, komt in dit oordeel van
de germaansvoelende Amerikaan duidelijk naar voren. – En ik zou willen
dat u
aan nog een andere opmerking uw welwillend gehoor schenkt: Er bestaat
een brede
laag in de mensenmaatschappij die op alles, wat naar genie riekt,
overduidelijk
ongunstig te spreken is. Alles wat zich in de breedste zin conservatief
noemt,
of op een comfortabele, bevochten positie de voorvaderen bemint, wil
zich voor
geen prijs door het brutale aankloppen van een stoutmoedige vernieuwer
van
de wijs laten brengen. Voor dergelijke mensen was en is een stuk als
„De
Rovers“ van Schiller
een
gruwel,
terwijl de artistieke elegantie van iemand als Goethe, die tot niets verplicht,
voor hen als het hoogste in de
kunst lijkt. – Neem onze huidige toestand: velen willen niets van Ibsen weten, omdat hij hen uit hun
dagelijkse sleur haalt. Een koopman, die met vrouw en dochter s’ avonds
naar
het theater gaat, wil een plezierige emotie beleven; maar na het vallen
van het
doek, wil hij naar zijn avondeten, zijn rust en orde terugkeren. Ibsen echter vervolgt de mensen
een deel
van de week tot in hun woning, tot in hun zolderkamer, tot op het
kantoor. Dat
wil een degelijk mens niet. Hij kent de kunst alleen maar als genot.
Maar Ibsen doet pijn!
– Deze
tegenstander van
het genie mogen wij niet vergeten, als wij willen begrijpen, hoe mensen
als Boecklin, Klinger,
Nietzsche
in Duitsland, Poe in Amerika
en Byron in Engeland,
gewoon
niet tot de oppervlakte konden
doordringen. – De ongehoorde grootheid, die Goethe
thans heeft bereikt, heeft hij voornamelijk door de geleerden bereikt,
die
natuurlijk allemaal conservatief zijn, en wier blik afdoende
achterwaarts is
gekeerd; terwijl wat Schiller bij ons tegenwoordig is geworden, hij
vrijwel
uitsluitend door de gunst van het volk is geworden. Over „Tasso“ en
„Iphegenie“, is vast honderdmaal meer geschreven dan over “Kabale und
Liebe”.
Maar laat maar eens „Kabale und Liebe“ in het theater opvoeren, en elk
hart in
de zaal siddert tot aan de kroonluchters toe. – Ik zou niets van de
betekenis
van Goethe willen afnemen,
en zijn
gedachten zouden voor mij nog ontroostbaarder zijn, als u hier met het
idee zou
weggaan, dat ik Goethe
zou
hebben
willen kleineren. Maar Schiller,
deze
lange
en
magere
teringlijder,
deze
afgetobde
heldenfiguur
met
het
plotselinge
optredende
wangenrood,
waarop meteen dan een dodelijke bleekte volgt,
lijkt nu
eenmaal het summum van die doodbloedende hunkering, die naar de hoogste
zegekrans grijpt, terwijl de dood hem reeds in de borst huist, zoals
het de
Duitser eigen is, en zoals dat in Ernst Schulze,
de zanger van de “Betoverde Roos” een andere uitdrukking heeft
gevonden.
Terwijl de robuuste en gezonde Goethe,
met
zijn
sensuele
voorkeuren
en
bij
tijd
en
wijle
zinnelijke
verfijningen
een
bepaalde academische waardigheid nu eenmaal niet van zich af kan
schudden. En
dat is het Duitse volk vreemd. –
Als het u niet te lang
ophoudt, zou ik u graag nog een aantal voorbeelden willen geven, die
het
onderscheid tussen genie en talent heel duidelijk zullen aangeven.
Laten wij
ons eens beperken tot het terrein van de tekenaars
en illustratoren.
Eerst een
paar
oudere. Ik denk dat het bij niemand op zou komen, om b.v. Chodowiecki als genie te
betitelen. Bij hen
staat een zorgvuldige natuurbeschouwer en vlijtige kunstenaar te zeer
op de
voorgrond. Anders is het met Hogarth,
die
beslist
geniale
momenten
bezit,
en
die
ons
in
de
opeenhoping van
allegorische toespelingen, vaak op een enkele prent, op gedachten
brengt, die
slechts een oorspronkelijk en origineel brein zo kan arrangeren, en die
met
natuurbeschouwing vooralsnog helemaal niets hebben te maken. Ik
herinner u aan
die kostelijke prent in de kerk, waar elke toehoorder, van de prediker
tot de
kreupele aan de kerkdeur, zijn eigen gedachten in een afschrikwekkende
waarheid
plotseling als handeling afgebeeld, op de preekstoel voor zich ziet
opgesteld.
Dat is voorwaar geen natuurbeschouwing. Want dat komt in de natuur niet
voor. Dat
is veel meer de innerlijke drang van de kunstenaar om de onzichtbare
waarheid
in het diepst van het menselijk hart te onderzoeken, en het tot elke
prijs, en
met de juist bij de hand hebbende middelen, aan het daglicht te
brengen. – Wie
alleen maar in staat is om de natuur na te bootsen en weer te geven,
zonder
daar iets eigens aan toe te voegen, mag daarvan genieten, daar
bevrediging in
vinden en door andere worden gewaardeerd, – maar niemand zal hem een
genie
noemen.
Als ik uit de reeks romantici
en die groep, die uit de „Nazareners“ zijn voortgekomen, een paar namen
mag
noemen, dan is het misschien Rethel,
de
componist
van
de
„Dodendans“,
die
bij
ons
het
meest
sterk de indruk
wekt,
die wij met „geniaal“ betitelen, terwijl Führich, Beit, Schnorr v. Carolsfeld, Genelli
en Preller,
waarschijnlijk
meer aan
de andere kant liggen; maar Schwindt
verwekt weer in ons een echo, die hem meer met Rethel verwant laat lijken, dan
met een van de anderen. Bij de
grote Cornelius worden
wij
vaak door
een afschrikwekkende verstandelijke kilte verrast. En bij Kaulbach is het weer die grote
dosis
sarcasme, waardoor wij ons met voorbehoud aan hem toevertrouwen. – Als
ik nog
een paar namen van de laatste tijd moet toevoegen, dan zou ik het
liefst op die
eigenaardige tegenstelling willen wijzen, zoals twee tekenaars van het
bij ons
ook veel gelezen “Journal amusant” laten zien, op die twee, die met hun
“nom de
guerre” Stop en Mars heten. Een treffender
voorbeeld voor
het onderscheid tussen genie en talent, is waarschijnlijk voor de
tegenwoordige
tijd op het gebied van de potlood- en krijtstift nauwelijks te
vinden: Mars, een
volmaakte
tekenkunstenaar, levert
die vaak overpikante schilderingen en toestanden uit het Parijse
boulevardleven, die zijn naam ook buiten Frankrijk beroemd hebben
gemaakt. Zijn
gemaaktheid is betoverend. Hij is het geboren tekentalent. Ook de
grootste
banaliteit zou hij door zijn tekenstift nog aan bijval kunnen helpen.
Hij gaat
nooit boven de meest oppervlakkige onderwerpen uit. En zijn meest
geliefde
stoffering vormen kleren, schorten, hoge hakken, schoenen, hoede en
modegarnituren. Maar wie kan zich met hem in het kunnen tekenen
eigenlijk vergelijken?!
– En stel daar nou iemand als Stop
tegenover. Een grotere tekenstumper is er in dit vak misschien nooit
geweest.
Als hij alleen maar een beetje oppervlakkig of hem niet aansprekend
thema voor zich
heeft, kan men vrijmoedig beweren, dat elke zondagsleerling hem in het
tekenen
binnen een paar weken kan evenaren. Maar wat een originaliteit van
ideeën! Wat een burleske wendingen! Wat een waanzinnige
opwellingen! En
wat verandert hij de mensen in de caleidoscoop van zijn ziel tot een
nieuw en
ongehoord geslacht! Op die manier is hij dan ook de grondlegger van een
heel
nieuwe parodistische kunst geworden; namelijk van die kunst om door de
zaal van
een schilderijententoonstelling, b.v. de Parijse “salon” te wandelen, en als door
een scheefgeslepen brillenglas, wat Stop
echter niet
nodig heeft, aan de
tentoongestelde schilderijen de meest ongelofelijke vervormingen,
verwringingen
en komische situaties te ontdekken, een manier, die maar al te snel
na-apers
heeft gevonden. – Maar waarom naar Frankrijk gaan, om een tekengenie te
ontdekken, als wij binnen onze muren een dergelijk genie, van de meest
uitgesproken en krachtige kleur bezitten? – Wie kent Oberländer niet?! Hier komen
toevallig populariteit en mateloze
erkenning met een geniale aanleg samen, wat bij Stop zeker niet het geval is. Maar
dat is zeker geen maatstaf. Nee,
waardoor Oberländer
onbetwistbaar
burger uit het genieënland blijkt te zijn, is opnieuw die
onverklaarbare, diepe
ondergrond van de ziel, waaruit zijn ontwerpen opstijgen, gehuld in een
mantel,
die anderen niet dragen. Wij staan vaak versteld, getroffen tot in het
diepst
van de ziel, en vergeten de komische situatie volkomen. Wie alleen maar
de
vrolijke kant van zijn afbeeldingen kent, die heeft de volstrekt
ernstige
kunstenaar niet begrepen. Oberländer
biedt
ons komische verwikkelingen en voorvallen, die vaak slechts met een
zweem aan
de
werkelijkheid, aan de mogelijkheid doen denken; de rest is zijn
eigendom,
gewaagd geconstrueerd, zonderling, grotesk en ongehoord. En voor hem
geldt het
woord van Schopenhauer
voor
het
genie: Hij blikt in een andere wereld dan u allemaal. –
Wij moeten nog een groep van
psychologisch geaarde mensen bekijken, waarvan het volgens de gegeven,
nauw
omschreven grenzen van hetgeen men genie noemt, twijfelachtig is, of
men hen daar
al dan niet tot moet rekenen. Met name Moleschott
heeft daar op geattendeerd, en het onder de kenmerken van de
genialiteit
gerekend, als bepaalde mensen, denkers, onderzoekers, door de meest
onopvallende prikkels uit de buitenwereld tot conclusies,
gevolgtrekkingen, problemen,
en mogelijkheden worden gebracht, die in hun gewichtigheid, grootsheid
of ongelijksoortigheid,
de oorspronkelijke prikkel, de hefboom die de hele gedachteketen in
werking
zet, nietig en overbodig doet lijken. Zo kwam b.v. Galilei door het kijken naar de
aan lange koorden opgehangen
hanglampen in de kerk en hun bijna onmerkbare slingering op de wet van
de
slingerbewegingen; Newton
kwam door
het kijken naar een appel die van de boom in zijn tuin in Woolsthorpe
viel,
toen hij daar op de bank zat, op het idee van de wet van de
zwaartekracht en de
aantrekkingskrachten tussen hemellichamen en planeten; John Watt kwam door het kijken naar de
deksel
van een kokende theeketel die naar boven bewoog, op het idee om de
stoom als
motor te gebruiken. De Franse componist Auber
vond bij het kloppen van scheerschuim, de melodie van het bekende
marstempo in
de ouverture tot zijn „De Stomme van Portici“. Archimedes vond toen hij in bad
ging de wet het soortelijk
gewicht van lichamen. De astronoom Leverier
kwam door de storingen in de beweging van de planeet Uranus op het idee
van de
nabijheid van een ander hemellichaam, berekende dat naar grootte en
plaats, en
gaf op die manier aanleiding tot de ontdekking van de planeet Neptunus.
– Hier
hebben wij een reeks van geestestoestanden van de allereerste orde voor
ons.
Het lijk echter twijfelachtig, of wij hun veroorzakers onder de
genieën mogen
rekenen. Van het genie verlangen wij, dat het, wat het geniale dat het
bevat, geen
aanknopingspunten met zijn tijdgenoten of voorgangers heeft. Een zuiver
litterair genie moet, wat betreft woordverbindingen, zinsvorming en de
algemene
werking van de taal, ongehoord zijn. Dat geldt b.v. volkomen voor Luther en Klopstock.
Een coloristisch genie, zoals Makart
was, leunde niet zomaar tegen Rubens, Titiaan of de Venetiërs aan,
maar vond
zijn eigen toonaard uit. De manier van schilderen van iemand als May, wat men bij een schilder de
voordracht
noemt, was absoluut nieuw, en werkte op het eerste gezicht als een
openbaring.
Wat men ook van Wagners
dramatische
talent, zijn instrumentatie en compositiewijze mag hebben gezegd, toch
lijkt
dat scherp afgegrensde gebied van de harmonisering zijn belangrijkste
originaliteit uit te maken; bewijs: de bijna onverminderde werking van
de muziek
van Wagner bij
uitvoering op
de
piano, waarbij alle bovengenoemde factoren wegvallen, en de harmonie
(niet de
melodie) volledig tot haar recht komt. In de kracht van orkestrale
middelen
heeft Wagner aan Meyerbeer, in melodievondsten
aan Weber, in een
meedogenloos
opblazen van de
traditionele muzikale vorm aan Berlioz
gelijkwaardige, deels superieure rivalen; maar in de harmonisering, met
name
bij de enharmonische behandeling van de toonconstructie, in het gebruik
van de
meest gewaagde dissonanten heeft Wagner
uitdrukkingsvormen gecreëerd, die men voordien niet kende, die
deels
niet analyseerbaar zijn, en die alleen door zijn naam worden gedekt; en
in
zoverre
is hij een genie. –
Wij moeten hier ook nog aan
een laatste groep geniale mensen denken, ten opzichte waarvan men bijna
tot de
veronderstelling kan worden verleid, dat een gelukkig toeval hen heeft
gemaakt
tot wat zij zijn geworden. Alles wat bij anderen in de vorm van
herhaaldelijke
ingevingen, stemmingen, stimulansen en inspiraties gedurende het hele
leven als
een op en neergaan van gelijkmatig bewogen golven is verdeeld,
verschijnt bij
hen als een plotselinge impuls van de ziel van een ongehoorde kracht,
waarvan
het nasidderen het gemoed niet meer tot rust laat komen; een enkel
moment van
een bijna helderziende kracht beslist voor de hele levensduur; en een
psychisch
proces, dat zich wellicht in minder dan een half uur afspeelt, brengt
bevrijding
en een werkprogramma voor een halve eeuw. Het meest opmerkelijke
voorbeeld in
deze richting is wel Descartes.
Descartes, die twee
jaar in de meest
absolute eenzaamheid in een Parijse voorstad met tevergeefs filosofisch
gepieker had gevuld, treedt plotseling met de overweging, dat men de
oplossing
van de grote wereldvragen buiten, onder de mensen, moet zoeken, naar
buiten en
neemt, zoals dat destijds gedurende de dertigjarige oorlog gebruikelijk
was,
dienst in het Beierse leger. En hier, in het legerkamp bij Neuburg aan
de
Donau, doet de jonge Fransman de grote vondst, – hij noemt de 10e
november 1619 – van de kenmerkende band tussen filosofie en wiskunde,
die
kenmerkende methode om filosofische wetten wiskundig op te vatten, die
hem in
zijn overmatige twijfel als de enige redding voor een exact en
filosofisch
onderzoek hadden geleken en die voor hem van toen af aan het onwrikbare
doel
van zijn leven vormde. (Erdmann, Gesch. d. Philos. Band II pag 9 ff.)
Stelt u
zich eens voor, Descartes,
een
man
die
aan
de
top
van
onze
gehele
huidige
filosofie
staat, Descartes,
die
het als eerste op
zich neemt, om niet de
buitenwereld en de betrekkingen daarvan op ons denken, maar het
denkende ik in
zijn functioneren te onderzoeken, een soort denkmechaniek te leveren,
een weg,
die wij thans nog steeds bewandelen, Descartes,
ondenkbaar
zonder
Spinoza
en
verder
Kant
en
wat
zich
bij
hen aansluit,
vindt
het voortreffelijke gereedschap voor zijn methode in een Beiers
legerkamp, en
laat voor de rest van zijn leven deze vondst niet meer los! En Descartes was echt geen fantast,
maar een
bijna zuiver mathematische figuur. Veel eerder begrijpen wij een
dergelijke
gebeurtenis bij Jakob Böhme,
die
bij
het
kijken
naar
een
door
de
zon
beschenen
tinnen
kan voor het eerst op
de
gedachte schijnt te zijn gekomen, die hij twee jaar later in zijn
“Aurora”,
zijn doorslaggevende werk, tot uitdrukking bracht. Ongetwijfeld is het
tinnen
voorwerp als zodanig, van volledig ondergeschikte betekenis voor het
geestelijke voedingsproces in het hoofd van iemand als Jakob Böhme; maar wat het ons
leert, is het
plotselinge, waarmee in een geniaal brein al die veelkleurige
gedachtesteentjes
op een gegeven moment tot een zinvol mozaïek samenvallen, een
beeld, dat de
desbetreffende persoon dan niet meer verlaat, en waarover hij stralend
van
vreugde de wereld kond doet. – En wie van u herinnert zich bij
deze
gelegenheid niet dat merkwaardige geval van een plotselinge heftige
gemoedsbeweging
van een belangrijk man, dat wij onder de benaming “de bekering van
Saulus”
kennen. Wat blijft er over, als wij al het legendarische, waarmee dit
voorval
ongetwijfeld is opgesierd, er vanaf halen? Een man, van middelbare
leeftijd,
buitengewoon hartstochtelijk, bezig met het fanatieke volgen van zijn
levensdoel, namelijk de uitroeiing van de pas gevestigde
christengemeenten, blijft
plotseling staan, en gaat zelfs de stad binnen , die hij een
beslissende slag
wilde toebrengen, als vriend van de vervolgden, waar hij nu de meest
hartstochtelijke voorvechter van wordt. Het maakt niet uit wat Paulus aan de hemel heeft gezien,
of heeft
willen zien; of het een zuiver innerlijk proces, een psychisch conflict
was; of
dat er uiterlijke omstandigheden, natuurverschijnselen, een hevige
bliksemflits
tijdens een onweer, zoals bij Luther, en derg. meewerkten; noem het
inspiratie,
visioen of schrik; het blijft een historisch feit, dat een man, wiens
geestkracht nooit in twijfel is getrokken, en die door zijn stoutmoedig
doordrammen
de jonge christelijke kerk een vermogen tot aanvallen verleende, zonder
welk
zij, zoals Renan
gelooft,
vast ten
onder was gegaan, binnen een paar uur de meest hevige innerlijke
revolutie
doormaakte, en dat dat een tegen zijn eigen wil gericht, spontaan en
onverbiddelijk verlopend psychisch proces was. –
Maar deze plotselinge
verlichting, dit treffen door een bijna buitenaardse invloed, waaraan
de
desbetreffende als aan een vreemde macht gelooft, het scherp luisteren
van de
geniale mens naar die vreemde stem, die hem al eenmaal het verlossende
woord
heeft toegefluisterd, het aangewezen-zijn op de een geestelijke
toestand, die
men niet willekeurig teweeg kan brengen, het moeten afwachten, of ook
dit keer
de ziel het beeld, het fantoom kan schenken, dat tot een artistieke
begeestering aanzet, deze hele toestand, – eerste een traag en vaag
broeden, en
dan een koortsachtige angst en opwinding, – brengt het genie
psychologisch zeer
dichtbij een soort perverse geestelijke mensen, die men doorgaans onder
de naam
van hallucineerders
samenvat. En
daarmee komen wij bij het tweede deel van onze uiteenzetting: de
verwantschap
van het genie met de waanzin. –
De band van de geniale aanleg
met geestesziekte is al een zeer oude, en wel om het feit, dat de
meeste oude
volkeren waanzin met dichtkunst vereenzelvigden. Bij de Hebreeën
betekent navi profeet en nar. De Turken noemen de
geesteszieken “zonen
van God“. De
„witte vrouwen“ bij de oude Duitsers, van wier uitspraken de meest
belangrijke
politieke beslissingen afhingen, waren geestelijk veranderde personen.
De
priesteressen van het orakel van Delphi bij de Grieken, waren
geesteszieke
vrouwen of ze waren kunstmatig in extase gebracht. Tot aan de zieneres
van
Prevorst en de helderziende uitspraken van gehypnotiseerden toe, wordt
de
profetie altijd met een geestelijke verandering in verband gebracht.
Maar ook
die Griekse schrijvers, die geestesziekte en dichtkunst al heel goed
van elkaar
konden onderscheiden, brengen beide toestanden op een bepaalde manier
met
elkaar in verband. Men sprak over een goddelijke waanzin van Plato. En ook Aristoteles merkte al op, dat alle
ingenieuze mensen melancholiek
waren. Inderdaad is de melancholie, die typisch in de gelaatstrekken
van Beethoven tot
uitdrukking komt, een
regelmatig terugkerend verschijnsel bij mensen, die bijna onophoudelijk
door
innerlijke emoties en beelden worden geteisterd. Het is niet toevallig
dat het
Duitse woord “tiefsinnig” melancholiek ziek en rijk aan gedachten
betekent. Zelfs
een zo heldere en verziende figuur als Frederik
de Grote, raakte tijdens zijn leven zijn melancholische buien en
gedachten aan de dood niet kwijt. Nog voordat het door hem gebouwde
slot
Sanssouci klaar was, liet hij, die nog niet eens 33 jaar was, in de
tuin voor
het raam van zijn toekomstige studeerkamer een grafkelder metselen,
bedekte
die, om het doel voor anderen geheim te houden, met een beeld van de
bloemengodin, en zei tijdens een vertrouwelijk gesprek met iemand uit
zijn
omgeving: „Quand je serai là, je serai sans souci!“ (Als
ik daar beneden
zal liggen, zal ik zonder zorgen zijn!) En daaraan dankt het twee jaar
later
gebouwde slot zijn naam. Sanssouci was geen lustslot van zorgeloosheid,
maar
het slot van een eenzaam-teruggetrokken en melancholiek denkwerk. – De
melancholie, heeft men gezegd, is de gedachtebrenger, zoals de
westenwind de
regenbrenger is. Beiden werken bevruchtend. Maar de melancholie is ook
de
duistere akkergrond, waarop de bonte bloem van de zinsbegoocheling zo
licht
gedijt. Zelfs de grote Napoleon
I
werd in zijn jeugdjaren in Brienne, Valence en Auxonne in de ban van
een
melancholieke stemming gehouden, en hij, die zoveel ongeluk over de
mensheid
heeft gebracht, schreef sentimentele verhandelingen, zoals “Over het
geluk van
de mens”, “Diaoloog over de liefde”, en “Mijmeringen over de
natuurtoestand.” –
Het eigenlijke wetenschappelijke verband tussen genie en geestesziekte
wordt
pas in onze eeuw gelegd. Moreau,
de
bekende
Franse
psychiater,
schreef
al
in
1859
een
intelligent
boek
over
dit
onderwerp. Hij definieerde het genie rechtstreeks als een
hersenneurose, als
een „éréthisme nerveux“, dat echter zijn
ontwikkeling tot waanzin of idiotie
niet doormaakt, maar stationair blijft; dus een soort stilstaande
geestesziekte. Deze aanleg tot een gepredisponeerde hersenfunktie is
meestal
erfelijk; net zoals in bepaalde families steeds weer long-, gewrichts-
of
oogziekten voorkomen, zijn er ook families, waarin het functioneren van
de
hersenen naar de morele of intellectuele zijde overhangt. Een
dergelijke
familie loopt een grote kans een geestelijk eminent mens, maar in het
verdere
verloop een geesteszieke voort te brengen. Van Griesinger stamt reeds de bekende
uitspraak: „Als ik hoor, dat er
in de familie een genie voorkomt, vraag ik meteen, of er ook niet een
idioot
bij zit.” Het is inderdaad buitengewoon vaak het geval, dat wij in het
voorgeslacht of het nageslacht van geniale mensen, verschillende vormen
van
psychosen aantreffen. Slechts een aantal zeer bekende
voorbeelden: Schopenhauers
oom en grootmoeder
waren
waanzinnig. De zuster van Hegel was gek (dit woord als psychiatrische
term
gebruikt), geloofde dat ze in een pakketje was veranderd, dat gezegeld
en
verstuurd werd; stierf door zelfmoord. Een zuster van Diderot stierf krankzinnig. De
geesteszieke zuster van Richelieu
dacht dat haar lichaam van glas
was en behoedde dat navenant; de broer van beiden, had visioenen en
hield
zichzelf voor God de Vader. De moeder van Karel
V, bracht de laatste vijftig jaar van haar leven in een
melancholieke
stompzinnigheid door; Karel V
zelf
was gezond, maar trok zich op de betrekkelijk jonge leeftijd van
vijftig jaar, walgend
van de wereld in een klooster terug, waar hij stierf. Zijn zoon was de
hoogbegaafde en energieke Filip II.
En
diens
zoon,
Don Carlos,
was
weer
geestesziek en moest gevangen worden gehouden. De broer van Alexander de Grote, Arrhidaios,
was idioot.
Een zoon van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus
was krankzinnig. Hierbij hoort ook de bekende uitspraak: “Grote vaders,
kleine
zonen.” Iwan, de oudere broer van Peter
de
Grote, was waanzinnig, zijn zuster Sophie was, net als hijzelf,
buitengewoon getalenteerd; en zijn kleinzoon, Paul I, leed weer aan
hallucinaties, geloofde dat hij in de stegen van Sint Petersburg door
zijn gestorven
grootvader werd achtervolgd, en lokte zelf door zijn onberekenbare,
dwaze en
zijn hele omgeving in angst houdende gedrag, het complot uit, waardoor
hij uit
de weg werd geruimd. – Lombroso, de
bekende Italiaanse psychiater en meest nieuwerwetse voorvechter van het
identiek zijn van genie en waanzin, gaat zonder enig vooringenomen
standpunt de
hoofdkenmerken na van de lichamelijke en psychische toestand bij
geesteszieken
en geniale mensen, vindt door vergelijking een groot aantal wezenlijke
symptomen overeenkomstig en concludeert uit de overeenkomst van deze
symptomen,
de overeenkomst van het geestelijke proces. Een ietwat summiere
handelswijze, wat
vooralsnog een enorme hoeveelheid materiaal heeft opgeleverd, dat
echter nog
dringend een kritische schifting nodig heeft. Onder de gelijktijdig bij
geesteszieken en geniale mensen aan te treffen kenmerken rekent Lombroso in de 5e druk van zijn
„L’uomo di
Genio“ het volgende: een klein postuur, bleke gelaatskleur, magerte,
beschadigingen en asymmetrie van de schedel, een wijkend voorhoofd, een
overschrijding van het gemiddelde van de herseninhoud, ontstekingen van
het
hersenvlies, vergroeiing van het laatste aan de schedelwand,
ongelijkheid van
de hersenhelften, hakkelen, stotteren, vroegrijpheid, een drang om te
zwerven
e.a. –
In het algemeen moet men
echter zeggen, dat de uitspraak: genie is waanzin, eenvoudig en zonder
beperking gesteld, onhoudbaar is, en aanleiding geeft tot vergissingen.
Daarentegen
heeft Lamb, de Engelse
psycholoog, gelijk,
als hij tegenwerpt, dat hij zich bepaalde mensen, zoals Shakespeare en
Goethe,
helemaal niet krankzinnig kan voorstellen. Het is ook tekenend, dat
juist een
uitmuntende psychiater als Hagen,
zich
fel
tegen
de
gelijkstelling
van
beide
toestanden
heeft
geweerd.
En
het
is
duidelijk, dat een psychiater, als Arndt,
die de zwakzinnigheid als basis voor alle geestesziekten beschouwt,
nooit zal
instemmen met de gelijkstelling van deze belemmeringstoestand met de
geestelijke bloei van de mensheid. Ook ligt in bovengenoemde
uitdrukking: genie
is waanzin, de volgende conclusie: waanzin is genie, te zeer voor
de hand. En
al heeft Lombroso een heel
derde deel
van zijn boek met de opsomming van hoogst opmerkelijke en originele
talenten
bij geesteszieken gevuld, dan nog mag deze omkering: waanzin is genie,
nooit en
te nimmer in de praktijk optreden. Iedere zeepzieder kan geestelijk
ziek
worden, zonder daardoor zijn intellect ook maar een greintje te
vergroten. Ook
hebben wij nog geen zekere statistische opgaven, over hoeveel procent
van de
mensheid eigenlijk geestelijk ziek wordt, om daaraan de frequentie van
geestelijke anomalieën bij het genie te kunnen afmeten. –
Maar het zijn twee typen van
geesteszieken, twee soorten psychosen, die met die toestanden, die wij
geheel
argeloos in de biografieën van geniale mensen vinden beschreven,
de meest
onmiskenbare overeenkomst hebben, namelijk, 1) de verse hallucineerders, dus de
voor het eerst, of opnieuw aan
zinsbegoocheling lijdenden; en 2) de kenmerkende toestand van
persoonlijkheidswisseling
met bewustzijnstoornis en optreden van visionaire delieren, zoals die
bij
epilepsie voorkomt en die men derhalve psychische,
of geestelijke epilepsie heeft genoemd (in tegenstelling tot
lichamelijke epilepsie, de toevallen). De analogie van deze beide
psychosen met
incidentele, maar doorslaggevende toestanden bij geniale mensen zal in
het
volgende worden onderzocht.
Men heeft ietwat platvloers,
maar zeer illustratief, de menselijke geest met een fles spuitwater
vergeleken.
De helderheid van de vloeistof komt overeen met de normale toestand.
Bij een
normale geestesgesteldheid voelen wij onze gedachten niet als zodanig.
Onze
geest is helder. Zodra de kurk lucht doorlaat, beginnen belletjes op te
treden
en de vloeistof troebel te worden. De kurk staat voor de controlerende
druk van
ons bewuste opletten, van ons verstand. De opstijgende belletjes zijn
het
vrijkomen van de verbeelding, de beelden van de fantasie. Tijdens onze
slaap
bevinden wij ons allemaal in die toestand. Onze opmerkzaamheid
verdwijnt, en de
fantasie, die steeds klaar staat, begint, net zoals het koolzuur
opstijgt,
zodra de druk vermindert, zijn activiteit als droom. Wij beschouwen de
dromen
niet als ons geestelijke eigendom. In de droom zelf zijn wij
kritiekloos,
onbevangen toeschouwend. Zodra wij ontwaken, nemen wij de wanorde waar
en
verwonderen wij ons over onze eigen toestand. En met het weer in
werking
stellen van het bewuste opletten, met het vastduwen van de kurk, houdt
het hele
spook op; de belletjes blijven weg en de vloeistof wordt weer helder.
Bij mensen
afzonderlijk glipt er weliswaar ook overdag een of ander belletje door;
dat
zijn dan die voor ons onbegrijpelijk lijkende beelden, woorden,
getallen en
dergl., die wij plotseling in ons ik aantreffen. En soms herinneren wij
ons dan
zo’n enkel belletje uit de hele periode, die wij ’s nachts hebben
gedroomd. De
genialiteit is dus een slecht sluitende fles, waarbij ook overdag
belletjes in
meer of mindere mate omhoogschieten. Deze belletjes, deze beelden, deze
motieven,
afgescheurd, zomaar, plotseling aanwezig, onbekend waarvandaan, wekken,
net als
bij ons de dromen op het moment van ontwaken, gespannen oplettendheid,
zelfs
angst en onrust op, omdat men deze geestelijke kracht niet als zijn
eigendom
beschouwt; en nu begint een opgewonden, koortsachtige bedrijvigheid;
het
verstand wordt gedwongen zich te schikken naar de vreemde elementen, ze
te
verwerken; en het resultaat is, als het goed gaat, een geniaal werk,
een
ongehoorde vondst, een barok idee, maar steeds een unicum. De
beginnende
geesteszieke, de beginnende hallucineerder, is dus eveneens een fles
met een loszittende
kurk, waarbij de belletjes steeds stormachtiger optreden. Daarmee komt
overeen,
dat beginnende geesteszieken s’ nachts door een vloed van dromen wordt
geteisterd, omdat immers het vrijkomen van de verbeelding, of het nou
overdag
of s’ nachts is, steeds hetzelfde proces is, en de druk van de bewuste
oplettendheid daar alleen over beslist. Ook de beginnende
hallucineerder
beroept zich in het begin, precies zoals het genie, op de vreemde
indringer,
twijfelt, wordt onrustig, en dat duurt weken- en maandenlang; maar
meestal
hopen de zintuiglijke beelden zich dan zo stormachtig op, dat het
verstand de
controle en de kritiek verliest, en de wilde zee van de verbeelding de
hele
mens als een stuurloos schip heen en weer werpt. Bij de geniale mens is
het
over het algemeen zelden, dat de plotselinge beelden van zijn fantasie
werkelijk tot de sterkte van zinsbegoochelingen aangroeien, dat die als
figuren, woorden, en geuren in de buitenwereld worden geprojecteerd, en
van
daar ter verantwoording worden geroepen, zoals het bij Luther (in zijn hardopgevoerde
gesprekken met de duivel), bij Schumann,
Tasso, Byron, Cromwell, Socrates, en
vele anderen het geval was. Vaker bestaat die toestand, waarbij de
opstijgende
beelden weliswaar als vreemd, maar zich toch als in het eigen hoofd
afspelend
worden onderkend; zoals Walter Scott
het
uitdrukte, dat hij een “slachtoffer van de verbeelding” was. Omgekeerd
is het
bij de hallucineerder, zoals het woord al zegt, regel, dat de onbewust
ontstane
fantasiebeelden tot hallucinatie, tot zinsbegoocheling leiden. Maar
beide komen
bij beiden voor. De overgang van de normale gezondheid naar dit stadium
van het
geestelijk leven, kennen alle mensen, die stevige rokers zijn, of
sterke
onverdunde koffie drinken. Wat zijn die zo graag opgezochte toestanden
van een behaaglijke
zorgeloosheid en westers Nirvana, zoals met name de roker en de
koffiedrinker
kent, anders, dan het bedriegen van ons ik door de verbeelding ten
koste van
ons verstand. Lenau
richtte
zichzelf
door het genot van zwarte koffie bijna te gronde. Nog indringender
werken
opium, chloroform en ether; ook alcohol en absint kunnen alle
toestanden van
aangename prikkeling van onze fantasie tot aan een stormachtige
uitbraak van
hallucinaties opwekken toe; het hevigst echter hasjiesj. Men kan met
hasjiesj
binnen een half uur een gezond mens tot de meest turbulente illusies en
gezinsbegoochelingen brengen, hem experimenteel geestesziek maken. Hij
antwoordt dan op elke vraag, correct en bedachtzaam; zijn verstand is
niet
vertroebeld; intussen is hij tijdens elke fractie van een seconde
onderhevig
aan de grenzeloos op hem inwerkende drogbeelden van zijn
verbeeldingskracht. En
wat hier experimenteel wordt opgewekt, treedt bij genialiteit, zij het
gradueel
verschillend, spontaan op. En het is de gelijksoortigheid van al deze
geestelijke processen, die ons het recht geeft om over de overeenkomst
van
bepaalde toestanden bij het genie met hallucinatoire waanzin, dus met
geestesziekte, te spreken.
Een dergelijk voortdurend
door zijn verbeelding in beslag genomen genie was Mozart. Wat hij ook
deed en
waar hij ook was, tijdens het rijden, bij het kegelen, bij het eten,
bij het
biljart spelen, tijdens het gesprek, was hij, naar eigen zeggen,
innerlijk
steeds muzikaal bezig, en neuriënd en mompelend volgde hij deze
innerlijke
impulsen; ja, hij zocht uiterlijke, mechanische bezigheden, zoals
kegelen en
rijden graag op, omdat dit innerlijk produceren dan gemakkelijker
plaats vond.
Zelfs bij het eten moest zijn vrouw op het laatst het vlees snijden,
omdat hij
zich bij gebrek aan oplettendheid herhaaldelijk met het mes had
verwond. Hier
hebben wij dus, reeds volledig in de kiem ontwikkeld, het optreden van
de
gespleten persoonlijkheid. Nog sterker was dit alles bij Beethoven, bij wie zich het
innerlijke
leven tot echte aanvallen van geestelijke afwezigheid intensiveerde. In
dergelijke perioden begon de grote componist met uitgebreide wassingen
– ook
hier weer een uiterlijk mechanisch handelen als equivalent voor het
innerlijk
proces. Half ontkleed haalde Beethoven
– net zoals de tovenaarsleerling bij Goethe
– waterkruik na waterkruik, goot de een na de ander leeg in het bekken,
en
terwijl hij bijna doornat mechanische wasbewegingen maakte of in de
kamer heen
en weer liep, volgde hij met neuriënde of jammerende stem, rollend
ogen en
afwezige gezichtsuitdrukking zijn innerlijke opwellingen, die hij ook
bij tijd
en wijle door enkele notities aan de schrijftafel vastlegde. Dit
wassen,
jammeren en zich uitkleden ging urenlang door, totdat Beethoven op het
laatst,
zonder het te merken, tot aan de enkels in het water stond. Niemand
waagde het
hem in zulke scènes te storen, omdat zijn omgeving wist, dat het
uren van de meest
diepe meditatie waren, en hij door een onderbreking ten zeerste zou
worden
geprikkeld. Dus liet men hem zijn gang gaan. Wat men echter niet kon
verhinderen was, dat Beethoven elk moment de huur kon worden opgezegd,
omdat
het natuurlijk voor de eronder wonende partij niet prettig kon zijn,
dat bij
hen het water door het plafond kwam. Wie deze beschrijving leest
(Schindler,
Biographie von L. v. Beethoven. Münster 1840) en ooit in de
gelegenheid is
geweest om een verse hallucineerder te zien, kan er niet aan twijfelen,
dat het
hier om soortgelijke toestanden gaat. – Bij vele geniale mensen worden,
zoals
al eerder is vermeld, deze innerlijke opwellingen tot werkelijke,
zintuiglijke
beelden, die naar buiten worden verplaatst, dus een werkelijke
zinsbegoocheling
worden. Schuman hoorde
gedurende vele
jaren van zijn leven, ook nog in zijn goede tijden, één
enkele hoge toon, die
hem zeer stoorde, en waarvan hij wist, dat die subjectief was, maar die
hij
desondanks als van buitenaf komend moest beschouwen. Zo´n enkel
feit, oog in
oog te staan met een indringer, die men niet als het resultaat van zijn
eigen
geestelijke productie kan en mag zien, kan al iemands gemoed op de
meest
vreselijke manier verduisteren, en elk artistiek scheppen lam leggen.
Bij
Schumann kwamen daar later nog ander gehoors-, reuk- en
smaakhallucinaties bij,
waaraan hij te gronde ging; hij geloofde dat hij werd vergiftigd, deed
een zelfmoordpoging
door in de Rijn te springen, werd gered, en bracht de rest van zijn
leven in
een krankzinnigengesticht door. – Bij anderen kunnen
hallucinaties in een
zekere omvang, zonder beschadiging van de handelingsbekwaamheid,
volharden. Aan
de gesprekken van Luther
met
de
duivel (waaraan hij onder andere vroeg „wat hij met de kloosters aan
moest“) is
al aandacht geschonken. Socrates
had
niet alleen gehoorshallucinaties, maar hij personifieerde die door een
bovenaardse persoon te veronderstellen, die hij daimon, Godheid, noemde
en
waarvan hij beweerde dat hij daarvan de beginselen van zijn
filosofische leer
had ontvangen. Tot het veronderstellen van een dergelijke
„beschermgeest“ of
„genius“ kwamen ook Keppler,
die
beweerde
dat
zijn
ontdekkingen
hem
door
een
dergelijk
iets
waren
ingefluisterd,
Cromwell,
en
zelfs Napoleon I, die
beweerde, dat hij
herhaaldelijk vóór zijn veldslagen een stralende
vrouwenfiguur had gezien, die
hem steeds geluk had gebracht. “Dergelijke hallucinaties, – zei Moreau
– die
allesbehalve de geringste verstoring op de geestkracht van
desbetreffende
mensen uitoefende, waren veeleer geschikt, om hen tot het uiterste aan
te
sporen om een eenmaal opgevat plan te bereiken.” Jeanne d’Arc bracht wat zij deed
alleen maar tot stand door de
krachtige impuls, van de aan haar verleende “goddelijke stemmen en
bevelen”. En
dat de geëxalteerde toestanden en visioenen van alle heiligen,
vanaf de heilige Antonius
in
Egypte
tot aan de Spaanse Maria
d’Agreda,
op
zinsbegoochelingen
zijn terug te voeren, kan vanuit een wetenschappelijk standpunt aan
geen enkele
twijfel onderhevig zijn. – Verder is een symptoom van niet te
onderschatten
betekenis, dat zowel geniale mensen als hallucineerders gemeen hebben,
de
hardop gevoerde gesprekken met
zichzelf.
Volledig gezonde mensen praten niet met zichzelf, behalve wellicht op
momenten
van hevige fysieke opwinding, waarbij een korte uitroep van vreugde of
ontzetting aan hun lippen kan ontsnappen. Wat is de reden om zichzelf
te
antwoorden anders, dan het uitgroeien van een imaginair voorval in
onszelf tot
de belichaming van een uitwendige kracht, die wij vervolgens als een
alter ego
tegemoet treden. Bierre de Boismont
zegt
dat mensen die met zichzelf gesprekken voeren, neigen naar
hallucineren.
Inderdaad is het enige verschil tussen iemand die met zichzelf praat en
een
hallucineerder, dat de eerste tenminste nog beseft, dat het onzichtbare
woord,
waarop hij antwoord geeft, zich in hemzelf afspeelt, terwijl de laatste
dat al
niet meer weet, maar de bron daarvan buiten zichzelf zoekt. De Schotse
dichter
Robert Burns liep
tijdens
het
componeren van zijn “Tam o’Shanter” hevig gebarend, zoals zijn vrouw
vertelt,
en terwijl hij herhaaldelijk hardop zijn held aanriep met O Tam! O Tam!
langs
de oever van de rivier in de nabijheid van zijn huis op en neer; dat
nam
een
tijdsduur in beslag „between breakfast and dinner“; diezelfde avond,
toen de
„storm of composition“ voorbij was, schreef hij het meer dan
tweeduizend regels
bevattende gedicht in een adem neer, en verklaarde, tot aan het eind
van zijn
leven, dat het het beste was, dat hij ooit had gemaakt. – Hierbij hoort
ook,
dat veel schrijvers en dichters hun scheppingen zozeer buiten zichzelf
leggen,
dat zij niet alleen hun helden toespreken, maar hun pijnen delen, samen
met hen
lijden, en zich zorgen om hen maken. Balzac
was vaak ontroostbaar, als hij bedacht hoe het deze of gene persoon uit
zijn
verhaal, dat nog niet klaar was, zou vergaan, en besprak alle
eventualiteiten
met zijn vrienden, met een onrust en bezorgdheid, alsof hijzelf niet de
geringste invloed op de afloop had. Richard Wagner
stortte ooit tijdens een repetitie van de door hem gecomponeerde
„Lohengrin“
snikkend in zijn loge in elkaar.
Wij willen het nog even over
die tweede groep van geniale mensen hebben, waarvan de leden op
psychiatrisch
gebied aan “psychische epilepsie” lijden. Bij epileptici kan in plaats
van de
echte toeval, dus in plaats van de krampen, volgens een al lang bekende
psychiatrische ervaring, een psychische toestand optreden, die zich uit
door
een grenzeloos delier met opheffing van het bewustzijn. Dat noemt
men psychische epilepsie.
Beide
toestanden
kunnen
afwisselend,
of
alleen
de
ene
of
de
andere,
bij
een en hetzelfde
individu voorkomen. En datzelfde vinden wij bij veel geniaal begaafde
mensen.
Rechtstreeks aan epilepsie leden Julius
Caesar, Mohammed,
Narses, Napoleon I, Pascal, Dostojewski, Petrarca, Molière, Peter de Grote
en vele anderen. Caesar was volledig op de hoogte van zijn toestand, en
zocht
die zelf op door een streng dieet te houden, waarbij hij een strenge
onthouding
beoefende, en gymnastische oefeningen deed. Plutarchus
vermeldt twee hevige toevallen bij hem, waarvan de een zich
aankondigde, toen
hij net zijn leger bij Tarsus
in
slagorde had opgesteld; wetend wat er zou gaan gebeuren, liet hij zich
naar een
nabijzijnde toren dragen, en wachtte daar het voorbijgaan van die
convulsies
af, die de Romeinen de morbus comitialis noemden, omdat zij
veelzeggend, meteen
een eind aan het overleg bij de volksvergadering (comitia =
volksvergadering)
maakten. Ook Napoleon
maakte
tijdens
de slag bij Austerlitz in zijn tent een epileptische slaaptoestand van
ongeveer
een half uur lang door, waaruit zijn omgeving hem met het oog op de al
begonnen
veldslag tevergeefs probeerde wakker te schudden. Pascal stierf tijdens
een
hevige epileptische aanval. Alleen aan convulsies, zonder stoornis van
het
bewustzijn, en de onwillekeurige gedeeltelijke trekkingen in het
gezicht,
schouders en dergl. leden bovendien Crebillon, Händel, Schiller, Moreau, Paganini, en Alfieri. Aan die toestand die men
epileptische duizeligheid
noemt, en die men als een niet tot uitbraak komende toeval kan duiden,
leden Swift en Newton.
Allemaal epileptici, en al was het de meest eenvoudige boerenknecht,
het
gemeenschappelijke symptoom is een buitengewoon toegenomen,
gemakkelijke prikkelbaarheid.
En
het
hoeft
eigenlijk
nauwelijks
bijzonder
worden
beklemtoond,
hoe
dat
ook
weer bij
kunstenaars,
schrijvers, dichters en eminente hoofdwerkers een in het oog springend
psychische factor vormt. – Voor de zuivere epilepsie, die visionaire
toestand
zonder convulsies, die echter geen herinnering achterlaat, is er
waarschijnlijk
geen beter modelvoorbeeld, dan het bekende geval, dat door bijna alle
psychiatrische leerboeken wordt aangehaald, van dat boerenmeisje, dat
op het
weiland aan het maaien was en opeens door een droomachtige toestand
werd
verrast, maar met open ogen verdermaaiend, geleidelijk bij een beek
aankwam,
maaiend de beek inging, in het water niet ontwaakte en langs de beek
maaide,
totdat uiteindelijk de andere mensen op het veld haar ontdekken en
eruit
trekken. Ze wordt naar huis gebracht, komt langzamerhand weer bij, en
heeft dan
geen enkele herinnering aan het voorgevallene. Zo maakte Ampère, de bekende Franse
wiskundige, op
een ochtend een ritje te paard, als hij door die visionaire toestand
wordt
overvallen; hij rijdt aanvankelijk rustig verder, stijgt vervolgens van
het
paard, voert het een tijd lang aan de toom mee, laat het dan los, en
raakt de
weg kwijt. Als hij na een paar uur terugkeert, en men hem het
opgevangen paard
toont, – weet hij van niets. Ook Beethoven
verdwaalde herhaaldelijk in de omgeving van Wenen, zonder hoed, stok of
jas,
werd als landloper opgepakt, naar het politiebureau gebracht, waar
niemand
wilde geloven dat hij beethoven was, en waar hij niet kon aangeven,
waar hij
die kledingstukken ongeveer had verloren. – Bekend is de gewoonte van
veel
geniale mensen om plotselinge invallen met een paar notities op papier
te
zetten, uit angst, dat zij ze zouden vergeten. En die angst is terecht.
Hebbel vertelt, dat
hij tot zijn grote
verbazing notities in zijn dagboek had gevonden, die hij niet alleen
had
vergeten, maar die hem volkomen vreemd voorkwamen; die hij als het ware
alleen
maar door het handschrift herkende. Hij troostte zich er echter mee,
dat wat in
de tussentijd uit het geheugen is verdwenen, bij de volgende
geïnspireerde toestand
weer in volle helderheid als herinnering naar de geest toestroomt, en
geeft
daarmee uitdrukking aan een van de basisverschijnselen van de hypnose
en
psychische epilepsie, dat wetenschappelijk experimenteel pas veel later
werd
vastgesteld, namelijk: de splijting van de psychische persoonlijkheid
in tweeën,
waarvan beiden slechts hun eigen toestand weer onderkennen, en over hun
tegendeel
volledig in het ongewisse blijven. – Mandsley,
de Engelse psycholoog, die opmerkte, dat epileptici in hun somnabule
toestanden
overwegend visioenen met een religieuze inhoud en bezield coloriet
hadden,
sprak het eerst het vermoeden uit, dat velen van de
godsdienststichters,
waarbij het om de subjectieve overtuiging van een goddelijke ingeving
gaat, aan
een geheime of openlijke epilepsie hebben geleden. Dat geldt in zijn
volle
omvang inderdaad voor Mohammed,
die
zoals
is
aangetoond
hevige
epileptische
toevallen
doormaakte,
en
de
meest
levendige
visioenen
had. Denkt u eens aan de toekomstmogelijkheden, als wij op
grond van
deze uiteenzetting, niet als de laatste, maar als een van de eerste
consequenties, moeten uitspreken, dat zonder de psycho-epileptische
toestanden
van dit lid van de Quraisch-stam het mohammedanisme niet zou bestaan. –
Met deze beide groepen, de hallucinatoire
en de psycho-epileptische
geniale mensen, zijn de
raakpunten tussen genie en waanzin, nog niet uitgeput. Een niet gering
aantal
genieën verviel later, en ogenschijnlijk zonder eigenlijke
samenhang met hun
geestelijk scheppen, definitief tot krankzinnigheid. Onder
anderen: Hölderlin,
Zimmermann, de
bekende
schrijver
van „Over de Eenzaamheid“; Lenau,
Lenz,
de tijdgenoot en metgezel van Goethe; Ben
Johnson, de tijdgenoot van Shakespeare; Schumann; Donizetti; Newton, die
zich in de laatste jaren van zijn leven van alle wiskundige onderzoek
afkeerde,
en een warrig mystiek werk over de Apocalyps schreef; Swift, die tussen twee haakjes,
decennia eerder zijn
geestesziekte had aangekondigd; Basedow,
de bekende pedagoog uit de vorige eeuw, die op het laatst al zijn
geschriften
vernietigde, in de mening, dat hij daarmee God had beledigd; Swedenborg; en zelfs Kant. –
Niet geringer is het aantal
van geestesziek geworden geniale mensen, die later weer gezond
werden: Tasso;
Georg Sand, Cromwell; Alfieri, die elk voorjaar een
melancholieke
periode doormaakte, waarop dan in de herfst gedurende een tijd een
scheppende
daadkracht volgde; Schiller,
die in
Bauerbach in zijn 22e levensjaar een volledig melancholisch stadium
doormaakte
en een andere naam aannam; (precies hetzelfde had Descartes zonder duidelijke
redenen gedurende een langere tijd in
Holland gedaan); Ampère, die een verhandeling “Over de toekomst
van de chemie”
verbrandde, in de overtuiging, dat de duivel hem dat in had
gegeven; Guzkow,
Comte,
de Franse filosoof, die twee jaar in een krankzinnigengesticht was
opgenomen,
en vervolgens, na zijn ontslag zijn beroemde werk over het positivisme
schreef.
– Andere geniale mannen zoals Beethoven,
Grabbe, Byron en Richard Wagner
werden zowel wetenschappelijk als door het volk voor gek verklaard,
zonder dat
zij het waren. –
Bij veel geniale mensen gaat,
net als bij Alfieri, aan de eigenlijke scheppende activiteit een
kortere of
langere periode van het meest hevige melancholiek
in-zichzelf-verzonken-zijn
vooraf; precies zoals ook bij de meest uiteenlopende vormen van
geestesziekten,
met name razernij, een melancholiek beginstadium valt te onderkennen.
Waarschijnlijk heeft niemand dat bitterder ervaren dan Luther. In de tijd tussen 1507 en
1508 was Luther in het
klooster in Erfuhrt in een
hevige apathie verzonken. Angsttoestanden werden afgewisseld met hevige
zelfbeschuldigingen en religieuze pijnigingen. Dat liep op tot het
weigeren van
voedsel, zodat zijn cel op een dag zijn moest worden opengebroken, en
de
kloosterbroeders hem in een toestand aantroffen, waarvan de woordelijke
beschrijving „dichter bij de krankzinnigheid dan bij welke andere
toestand dan
ook“ luidde. Ieder bemoedigend woord was volstrekt tevergeefs. Totdat
eindelijk
na ongeveer een half jaar dit verschrikkelijk lijden week, en Luther, naar hij geloofde, in zijn
godsdienstige twijfel door een goddelijke verlichting plotseling ziende
werd.
En nu treedt hij, met hernieuwde kracht, in de openbaarheid, en maakt
juist de
inhoud van zijn doorleefde ziekteproces en de oplossing, die hij heeft
gevonden, tot inhoud van een nieuwe geloofsleer. Dit moeten wij niet
vergeten,
als wij het optreden van Luther
willen begrijpen. De leer van Luther,
dat
wij
niet
door
goede
werken
of
boete
doen,
maar
alleen maar door de
genade van
God kunnen worden verlost – de grondslag en hoeksteen van de hele
Reformatie –
was de directe uitdrukking van zijn geestesziekte en uiteindelijk
gevonden
genezing. Hij, die zichzelf kastijdde, die gevast, gesmeekt en had
gewaakt, om
rust in zijn ziel te vinden, maar tevergeefs, omdat juist de
melancholie nog
niet voorbij was, vindt nu die zielenrust plotseling, als een door de
hemel
geschonken genade; en nu treedt hij naar buiten en roept dit resultaat
met een
stentorstem over de hele wereld uit. De leerstelling van de
zwaarwegende waarde
van Gods genade was destijds helemaal niet zo belangrijk, of had niet
zo in het
middelpunt van de belangstelling gestaan. Geen paus en theoloog, zelfs
de
bekende Tessel met
zijn
aflaten niet,
had bestreden, dat de genade van God belangrijker was, dan onze eigen
inspanningen
voor de zaligheid. Wat al deze mensen in het harnas joeg, was de
felheid,
waarmee Luther deze
ogenschijnlijk
nieuwe waarheid verkondigde, en de vreselijke scheldwoorden tegen Rome,
waarmee
hij zijn leerstellingen de wereld instuurde! Geen mens is zo hevig
tegen
zichzelf tekeer gegaan, als Luther
in
zijn ziekte. Maar ook geen mens is ooit zo tegen de buitenwereld tekeer
gegaan,
nadat hij in zijn innerlijk standvastig en zeker was geworden. Zonder
de woede
van Luther was de
Duitse
taal nooit
geworden wat zij nu is. Uit de geschriften van Luther kan men echt een
scheldwoordenboek samenstellen. Tegen
deze Cherusk in de taal, die daarbij nog de zekerheid had, dat alles
wat hij
naar Rome slingerde, hem door God was bevolen, waren de fijne
Italiaanse
kardinalen
niet opgewassen. Dat was niet meer een gelijkwaardig gevecht. Dat was
een
verhouding als tussen een dorsvlegel en tandenstokers. – Maar zoals
gezegd:
zonder de melancholie in de Erfurter kloostercel geen Reformatie! En nu
zit u
te denken aan alles wat van die geestelijke stoornis in de boezem van
een
eenvoudige mijnwerkerszoon heeft afgehangen! –
Ik kom tot een besluit. Als
wij alles, wat aan dubieuze geestestoestanden bij geniale mensen op ons
is
terechtgekomen, hier zou willen bespreken, zouden wij over drie uur nog
niet
klaar zijn. Carlyle
zegt:
als men de
biografieën van grote mannen doorneemt, staat men voor
één grote ziektegeschiedenis.
Hoezeer het genie ook door tijdgenoten en nog meer door het nageslacht
wordt
aangegaapt en bewonderd, het genie zelf is niet gelukkig. Het leeft
vereenzaamd
en in een doorlopend gevecht met zichzelf. En elk genie zou van
zichzelf kunnen
zeggen, wat Heine in
een
diep
zelfinzicht uitsprak:
„Ziek zijn is juist de echte
basis
Van de hele scheppingsdrang
geweest
Scheppend kon ik genezen,
Scheppend werd ik gezond.” –