Pag.
271 - 297
Aanhangsel
Medisch rapport (Bron:
Staatsarchief München, processtukken van de zaak Seeliger, pag. 63
- 78.
Orthografie en interpunctie naar het origineel.)
Op verzoek van de
arrondissementsrechtbank München I, breng ik het volgende rapport
uit over de
geestelijke toestand van de schrijver
Ewald
Gerhard Seeliger
uit
Walchensee. Het rapport is
gebaseerd op
de processtukken van de arrondissementsrechtbank München I, van de
officier van
justitie en het hoofdcommissariaat van politie te München, alsmede
op mijn
eigen observatie van Seeliger in de psychiatrische inrichting Haar,
gedurende
de periode 19 – 1 tot 11 – 2 –1923.
Seeliger wordt
beschuldigd van twee overtredingen van de wet tot bescherming van de
republiek
(§7, en § 8,) alsmede van twee overtredingen aangaande
godslastering en
belediging van de christelijke kerken en hun instellingen en gebruiken.
Uit de inhoud van
de processtukken valt het volgende op te merken:
Eind
maart 1922 plakte
Seeliger in
Walchensee een affiche aan met de inhoud: „Het Lam zal spoedig in
München
verschijnen.“ Op 31-3-1922 werd hij bij een vreemdelingencontrole
aangetroffen
in een pension in München; tegenover de controlerende
politieambtenaar noemde
hij zich Christus, zei dat hij al 2000 jaar leefde en dat hij de wereld
van
aardse regeringen zou bevrijden. Op 28-4-1922 toonde hij in
München het affiche,
dat hij eerder al in Walchensee had aangeplakt, aan de politie; hij gaf
daarbij
aan, dat het ging om een binnenkort verschijnend periodiek tijdschrift;
daarbij
bediende hij zichzelf opnieuw van de naam Christus.
Op
3-5-1922 hield hij in
München een lezing.
Hij maakte daar – volgens een verslag van de Münchener
Zondagskrant – de indruk
van een nare, verwarde dweper. Hij betitelde zich als „de eeuwige
mensheid“ en
in de daaropvolgende discussie dwaalde de hulpeloze spreker oeverloos
af. In de
pers werd algemeen aangenomen, dat het een aan godsdienstwaanzinnigheid
lijdende patiënt betrof. In de periode daarop stuurde Seeliger aan
een groot
aantal personen, onder andere aan verscheidene hoge staatsambtenaren,
uittreksels uit het door hem geschreven „Handboek der Zwendel“, alsmede
exemplaren van het „Lam“. Bij zijn verhoor op het politiebureau op 28 -
7 -
1922, protesteerde Seeliger tegen de inbeslagneming; hij had in het
boek alleen
maar de waarheid verteld en geen enkele staatsinstelling belachelijk
gemaakt;
die maakten zichzelf wel belachelijk enz…..
Later werd de inbeslagneming van het „Lam“ opgeheven, die van het
„Handboek der
Zwendel“ werd aangehouden.
Bij
zijn verhoor door de
rechter-commissaris
op 9 - 10 - 1922 gaf Seeliger uitgebreid informatie over zijn
antecedenten en
zijn huidige opvattingen; ik verwijs met betrekking tot zijn
verklaringen, die
een treffende illustratie van zijn denken geven, — om latere
herhalingen te
vermijden — op de processtukken. De deskundige, Prof. Dr. Merkel, die
het
verhoor bijwoonde, viel het volgende op: het verhoogde bewustzijn van
Seeliger,
de ideeënvlucht in zijn betoog, het merkwaardige glimlachen, de
opvallende
woordvorming, het vaste geloof in zijn goddelijkheid en zijn roeping, —
overduidelijke uitingen van grootheidswaan. De deskundige beschouwde
Seeliger
geestesziek en uitte het vermoeden, dat het om een dementia praecox zou
kunnen
gaan; om die uitspraak te bevestigen zou echter een observatie in een
inrichting
nodig zijn. Op grond daarvan werd zijn observatie gelast in de
psychiatrische
inrichting Haar. In november 1922 stuurde Seeliger de ministerpresident
een
exemplaar van zijn drukschrift: „Ist der Staat ein Schiesskerl?“; een
aantal
proefpagina’s stuurde hij ook aan de rechtercommissaris. Op grond van
dit
geschrift werd een verdere aanklacht wegens godslastering etc,
ingediend. De
afdrukken van de handpers vervaardigde Seeliger zelf, buiten weten van
de
uitgever, enkel met hulp van twee zetters.
Uit
het
daaropvolgende
verhoor op 14 - 10 -
22 van de medebeklaagde Königer bleek, dat hij de uitgave van het
Handboek op
zich had genomen, omdat hij vertrouwde op de aantrekkingskracht van de
naam
Seeliger; er waren op de aankondiging van het boek, ook vrij veel
bestellingen
uit binnen- en buitenland gekomen, maar al gauw waren er klachten van
de
boekhandelaren gekomen, dat het werk niet beantwoordde aan wat men van
een
„Seeliger“ mocht verwachten. Pas toen las Königer het boek; hij
vond het een
snertboek en het lezen op den duur weerzinwekkend, met name vanwege het
aanhoudende humorloze en onbenullige gescheld. Over de persoonlijkheid
van
Seeliger gaf Königer te kennen, dat Seeliger hem gaandeweg lastig
begon te
vallen met zijn vele kletspraatjes, waarin hij zichzelf als Jezus, als
Lam, als
weldoener van de wereld en als volstrekt gewoon mens beschreef. Hij was
ook
zeer zelfbewust opgetreden en had zich daardoor eigengereid gedragen,
waarbij
hij, buiten weten van de verantwoordelijke leiding om, gewoon de
drukkerij
binnenging en er zelf voor zorgde dat de werknemers een geschrift
drukten.
Königer beschouwde Seeliger als een overspannen, maar verder
geestelijk normaal
persoon, die in ieder geval echt goed kon rekenen en op zijn eigen
voordeel uit
was.
De
medebeklaagde Eser gaf
aan, dat hij het
„Handboek“ nogal een rotzooi vond en hij had het vervelend gevonden om
het
helemaal uit te lezen. Van de boekhandelaren heeft een enkeling het
echt goed
gevonden, terwijl anderen het zeer afwijzend hebben beoordeeld, omdat
zij van
Seeliger iets anders hadden verwacht. Zakelijk was het boek een pure
mislukking
geweest, en het had de uitgeverij alleen maar verlies opgeleverd.
Seeliger
meldde
zich
in
zijn eentje op 19 -
1 - 23 bij de inrichting en werd daar tot 11 - 2 - 23 geobserveerd.
Het
lichamelijk onderzoek
gaf de volgende
bevindingen:
Een
man
van gemiddelde
grootte in een zeer
goede voedingstoestand. Schedel gb. —Inwendige organen gb. — Pupillen
gelijk en
gemiddeld van grootte, rond, vernauwen onmiddellijk en uitgebreid op
lichtinval
en bij adapteren. Oogbewegingen onbelemmerd. Ooglidreflex aanwezig.
Beide
gelaatshelften gelijk geënerveerd — Tong recht en zonder trillen
uitgestoken.
Alle huid- en peesreflexen beiderzijds op normale wijze opwekbaar. Geen
trillen
van de vingers. Geen wankelen bij sluiten van ogen. Geen ataxie. Geen
verlammingsverschijnselen. Huidgevoel intact. Lichte overprikkeling van
de
huidvatzenuwen. Spraak en schrift ongestoord. Bloedonderzoek op syfilis
volgens
Wassermann viel negatief uit. Wat zijn psychische toestand betreft,
viel tijdens
de opname meteen zijn ongegronde, opgewekte stemming op. Toen
hij zich
in de opnamekamer had voorgesteld en referent niet meteen wist,
waarover het
ging, merkte Seeliger meteen lachend op: „ U kent mij toch wel, ik ben
immers
de beroemdste schrijver van Duitsland, u hebt toch zeker mijn
Miljoenendief al
gelezen.“ Hij vertelde vervolgens vrijuit, waarom hij hier naartoe was
gekomen,
en informeerde of hij een 1e klasse kamer kon krijgen; toen
dat
ontkennend werd beantwoord, zei hij, dat hij dan wel naar Elfling zou
gaan of
een andere keer terug zou komen. Nadat referent hem de stand van zaken
had
uitgelegd, ging hij echter meteen akkoord met opname op de algemene
afdeling en
hij leverde verder niet het geringste probleem op. Ook tijdens de hele
observatieperiode gedroeg hij zich rustig en legde steeds een volstrekt
hoffelijk en correct gedrag aan de dag. Hij uitte nooit ook maar de
geringste
klacht, voegde zich zonder meer naar de regels van de inrichting, en
was ook
ten opzichte van het personeel steeds voorkomend. Alleen tijdens de
eerste twee
dagen lag hij volgens het voorschrift te bed, daarna was hij steeds op.
Hij
liep, tijdens het nadenken over zijn werk, de zaal op en neer en zat
dan
vervolgens aan zijn tafel te schrijven, soms tot laat in de avond. Hij
was
voornamelijk bezig met het opschrijven van een komedie: „Xenopompos, de
ruziënde
klaploper in onmin“, die in Byzantium speelt en waarin hij de advocaat
tot
mikpunt van zijn spot maakt, en tenslotte verzocht hij of hij het
referent zelf
voor mocht lezen. Met de andere patiënten bemoeide hij zich
nauwelijks, maar
observeerde hen stilletjes. `s Nachts sliep hij rustig en
ongestoord. In
zijn uiterlijk gedrag deden zich geen opvallende zaken voor. Tegenover
de arts
was hij op elke manier voorkomend, gaf zeer bereidwillig overal
informatie over
en was vanaf het begin behulpzaam bij het verzamelen van gegevens ten
behoeve
van zijn beoordeling. Wat bij de observatie van het begin af aan opviel
was de
opgewekte, vrolijke en humoristische stemming, waar hij zich
voortdurend in
bevond. Hij wist steeds alles in het grappige te trekken, toonde steeds
een
tevreden gezichtsuitdrukking, en vaak was zijn gezichtsuitdrukking echt
stralend; zijn uiteenzettingen besloot hij vaak met een zelfvoldaan en
zelfbewust
glimlachen. Hij deed ook erg zijn best om iedereen aan het lachen te
maken en dacht
daardoor alles te kunnen bereiken. Zo zei hij b.v., dat hij durfde te
wedden,
dat hij altijd zonder pas de grens over zou kunnen komen; hij hoefde de
douaniers slecht in het oor te fluisteren: „Jullie, door de staat
beschermde
struikrovers“— dan zou hij lachen en lieten ze hem passeren. Bij elke
gelegenheid verzekerde hij de anderen, dat hij echt de „meest keurige
man“ was,
en lachte daar overtuigend bij.
Een
veroordeling zou hem
niets uitmaken, dat
zou de beste reclame voor hem zijn; bovendien zouden dan in de
gevangenis, waar
hij nu in verbleef, de ruiten invliegen — maar niet van buitenaf, maar
van
binnenuit. Ook het vooruitzicht, dat hij in een krankzinnigengesticht
zou
kunnen worden opgenomen, maakte geen onaangename indruk op hem; wat hij
nodig
had om te werken, had hij toch in zijn hoofd zitten. Vermoedelijk nam
hij beide
mogelijkheden niet serieus. Met zijn opgewekte, optimistische stemming,
hing
een buitengewoon vergroot gevoel van eigenwaarde samen: er is reeds
vermeld,
dat hij zich meteen als de beroemdste schrijver voorstelde. Bij hem kan
eigenlijk niets mislukken. Hij brengt iedereen aan het lachen, en kan
vele uren
achterelkaar praten. Hij kan bij de zetmachine gaan staan, dicteren, en
wat hij
zegt, is drukrijp. Hij is de mens zonder tegenstrijdigheid; men kan hem
vragen
wat men wil, hij kan meteen op alles een antwoord geven. Hij denkt
juist; dat
gelooft hij niet, dat weet hij; en omdat hij juist denkt, kan hij ook
de
toekomst voorspellen. Tot nu toe is ook alles uitgekomen, wat hij heeft
voorspeld. Regelmatig haakte hij in op krantenberichten, die hij net
had
gelezen, om meteen met een apodictische zekerheid uiteen te zetten,
welk
verloop de gebeurtenissen verder zouden moeten nemen.
Onmiskenbaar
was
verder
een
zekere drang om
te praten, die echter minder spontaan merkbaar was, wanneer je een
gesprek met
hem aanknoopte. Begon hij eenmaal te praten, dan ging het eindeloos
door,
waarbij men eigenlijk de rol van toehoorder kreeg toegewezen, want hij
liet
zich nauwelijks onderbreken. Wilde je hem echter zelf wat uitleggen,
dan viel
hij zeer vaak in de rede, en soms kon je een vraag helemaal niet
uitspreken,
omdat één woord al aanleiding tot een antwoord gaf. Vroeg
je hem bijvoorbeeld:
bent u ervan overtuigd, dat….dan viel hij je al in de rede: „Ik heb
helemaal
geen overtuiging.“ Het was, alsof hij boordevol ideeën zat, die
dan bij elke
gelegenheid tevoorschijn kwamen. Daarbij verviel hij dan in paradoxale
uitdrukkingen en apodictische uitspraken, die echter, als je vaak met
hem
sprak, opvallend vaak terugkeerden en al in zijn laatste geschriften
zijn
vastgelegd. In een opvallende tegenspraak tot zijn zelfverzekerde
optreden
stond zijn gebrekkig vermogen om tijdens het gesprek een langere
gedachtegang
logisch te ontwikkelen. Het ging een tijdje goed, maar dan verloor hij
het
eigenlijke onderwerp uit het oog, en bleef bij iets bijkomstigs steken,
dat hem
juist interesseerde. Vaak vond hij zelf de weg weer terug, maar vaak
moest hij
steeds weer, door middel van tussenvragen, bij het onderwerp worden
gehouden.
Op deze manier waren de gesprekken vaak heel tijdrovend, hij sprak wel
voortdurend, maar niet over datgene, dat je juist wilde weten. Het
verloop van
het onderhoud bleek vrij vaak beïnvloed door plotselinge invallen
en
oppervlakkige verbanden, waarbij zijn plezier in allesbehalve geestige
woordgrappen eveneens een rol speelde (waarop later, bij de bespreking
van zijn
geschriften, nader zal worden ingegaan). Herhaaldelijk werd aan een
zinnige
uiteenzetting afbreuk gedaan, doordat hij aan woorden bleef hangen,
waarmee hij
zijn spitsvondigheid bewees en echt woordenziftte. Maakte je hem daarop
opmerkzaam, dan verklaarde hij dat wij eigenlijk uitsluitend in woorden
denken
en dat het woord almachtig is. In zijn manier van uitdrukken vertoonde
hij ook
weer een zekere grofheid, maar toch liet hij zich eigenlijk zelden
gaan, en
hield duidelijk rekening met zijn omgeving.
Over
zijn levensloop
verstrekte hij de
volgende gegevens:
Zijn
vader is gestorven op
zijn zeventigste
en was leraar. Hij interesseerde zich overal voor, gaf de boeren raad
in rechtszaken,
deed veel voor de bijenteelt en leidde een vaktijdschrift daarover. Hij
was de
intelligentste, beste en meest voorbeeldige mens die hij kent. „Hij had
— net
als ik — geen enkele vijand.“ Hij lachte niet veel, maar verkneukelde
zich
vaak. Hij was niet zenuwachtig, noch aan abnormale stemmingen
onderhevig. Zijn
moeder is heel vrolijk, schrander, geestig en onuitputtelijk in het
vertellen
van grappen. Van de vijf broers en zusters leven er nog drie, zijn
allemaal
gezond, vrolijk en goedgehumeurd. Ook in de verdere familie komen geen
geestelijk abnormale gevallen voor.
Zelf
heeft hij de
gebruikelijke
kinderziekten doorgemaakt en later is hij nooit ernstig ziek geweest.
Met vier
jaar kon hij al lezen, maar alleen met de ogen, het uitspreken kostte
hem moeite.
Hij werd aanvankelijk door zijn vader onderricht, en daarna kwam hij op
de
burgerschool; later bezocht hij de catechisatie en de pedagogische
academie.
Hij leerde goed, interesseerde zich vooral voor wiskunde,
natuurwetenschappen
en godsdienst, maar hij geloofde niets. In 1897 verliet hij de academie
en had
verschillende tijdelijke baantjes. In 1899 meldde hij zich, naar
aanleiding van
een advertentie in de krant, aan als leraar aan de Duitse school in
Genua. — en
kreeg uit veel sollicitanten de baan. In Genua begon hij zich voor
litteratuur
te interesseren; zijn eerste artikel schreef hij voor een pedagogisch
hervormingstijdschrift. Hij had destijds het plan om een tijdschrift
voor
leraren in het buitenland uit te geven; vier artikelen die hij schreef
en
waardoor hij in een polemiek met andere leraren in het buitenland werd
verwikkeld, baarden groot opzien. In 1900 vertrok hij, opnieuw vrij
plotseling,
samen met zijn directeur naar Hamburg, waar hij tot 1906 aan stedelijke
scholen
werkzaam was. Daar huwde hij in 1900, veertien dagen nadat hij zijn
vrouw had
leren kennen. Over zijn werk als leraar vertelde hij: „Wie mij op
school als
leraar heeft gehad, vergeet mij nooit meer, want ik maakte altijd
plezier met
de jongelui. Ze leerden wel — maar lachend.“ Collega’s bleven soms voor
de deur
van zijn schoollokaal staan luisteren en amuseerden zich daarover.
Naast
zijn werk als leraar
was hij destijds
ook al als schrijver bezig, hij schreef romans (Der Stürmer,
Über den Wassern,
Das Winkelberg’sche Herz), waarvoor hij de stof meestal aan zijn
geboortestreek
ontleende; bovendien ook novellen, b.v. „Hamburg“, een boek met
balladen. Om te
zien, hoe zijn productie zou uitpakken, als hij van de dwang van de
school zou
zijn bevrijd, nam hij verlof. In die tijd leerde hij ook de directeur
van de
Hamburg-Amerika-Lijn kennen, die hem verzocht om eens iets voor zijn
maatschappij te schrijven; met die bedoeling nodigde hij hem uit voor
een
wereldreis. Seeliger diende een verzoek tot verlenging van zijn verlof
in, maar
vertrok, voordat dat was verleend, wat een disciplinaire maatregel
tegen hem
tot gevolg had. Hij legde echter, wat hij voordien al van plan was,
zijn
leraarsbaan vrijwillig neer en wijdde zich vanaf die tijd volledig aan
het
schrijven. Hij woonde in de buurt van Hamburg en ontplooide nu een zeer
grote
productiviteit; onder andere schreef hij in de periode van 1906 tot
1914 de
romans “Der Schrecken der Völker”, “Riffe der Liebe”, “Das
sterbende Dorf”,
“Peter Voss“, „Zwei richtige Menschen”, en “Das Paradies der
Verbrecher”,
waarvan met name het bij Ullstein verschenen „Peter Voss“ een zeer
groot succes
had. Daarnaast verscheen een aantal novellen en toneelstukken en vooral
het
drie delen tellende “Schlesische Werk”, verhalen, grappige
gebeurtenissen en
balladen uit de Silezische geschiedenis (1908). Hij heeft niet actief
in het
leger gediend, maar in 1915 trad hij als oorlogsvrijwilliger bij de
marine toe
en ging naar Wilhelmshaven. Het rijksministerie van marine wilde, dat
hij zich
als oorlogscorrespondent bezig hield; maar hij schreef niets, omdat hij
dat
niet met zijn denken in overeenstemming kon brengen. Hij werkte bij de
administratie en van de oorlog merkte hij niets. Driemaal werd hij in
het leger
gestraft. Een keer had hij over een meerdere gezegd, dat die gek was;
toen dat
in de officiersmess ter sprake kwam, moest de desbetreffende officier
hem
aanwijzen en kreeg hij 8 dagen middelzware celstraf; men liet echter
zijn
celdeur open, zodat hij zich vrij kon bewegen. De tweede keer kreeg hij
een
paar dagen straf, omdat hij in aanwezigheid van een meerdere, wiens
gedrag hem
niet beviel, halfluid bij zichzelf „schaapskop“ zei. Toen hij ter
verantwoording werd geroepen, vertelde hij, dat hij de gewoonte had om
als hijzelf
iets doms deed, tegen zichzelf schaapskop te zeggen. De meerdere vond
dat een
rotsmoes; Seeliger antwoordde daarop, dat het hele leven uit rotsmoezen
bestond. Toen hem vervolgens werd gevraagd, of hij al eerder was
gestraft,
ontkende hij dat, omdat hij de straf niet echt had uitgezeten, maar
daarvoor
kreeg hij opnieuw straf, omdat hij tegen een meerdere had gelogen. Het
werd een
heel gedoe, iedereen in Kiel had het over hem. Ook tijdens de
diensttijd
schreef hij meerdere romans en novellen, waaronder “Der gelbe Seedieb”,
de
enige oorlogsroman, die men thans nog kan lezen. Bij het uitbreken van
de
revolutie, wilde men hem in de soldatenraad kiezen, maar dat wees hij
af, omdat
hij een tegenstander van elk geweld was, en ging terug naar huis.
In
het
jaar daarop schreef
hij het treurspel
„Feind im Land“ (beschrijft de opstand van de onderdrukte Sicilianen
tegen de
Fransen); verder de roman “Junker Schlörks tolle Liebesfahrt’ en
„Die
Zerstörung der Liebe” (daarin wordt op tamelijk krasse manier
beschreven, hoe
een poging wordt ondernomen om de Fransen in hun eigen land door een
vreselijk,
op de geslachtsdrift en het zenuwstelsel, werkend vergift te
vernietigen, maar door
een vergissing mislukte de poging op het laatste moment). Het uitbreken
van de
revolutie beschrijft Seeliger in “Umsturz oder die rote Rotte”; in 1920
kocht
hij een landgoed aan de Walchensee en vanaf die tijd woont hij daar.
Over
zijn geestelijke en
gemoedstoestand
vertelde hij, dat hij een „hele gewone jongen“ was geweest, was op zijn
tijd
vrolijk maar dan weer stil; als jongen had hij al heel veel gelezen. De
anderen
zeiden, dat hij het ‚vuistdik achter de oren’ had zitten. Zijn hele
leven lang
was hij altijd opgewekt geweest, maar nooit uitgelaten, en daarbij
altijd
weldoordacht. Zijn motto was: als je wil leven, moet je datgene, wat je
voor
het leven nodig hebt, zelf maken. Hij ondernam niets zonder solide
maatschappelijke basis, maakte nooit schulden; reikte nooit naar
dingen, die
voor hem onbereikbaar waren. Perioden, waarin hij depressief was, had
hij
nooit, maar ook geen perioden met een toegenomen opwinding, had nooit
last van
stemmingswisselingen. Hij ging zich op geen enkele manier te buiten,
dronk niet
veel, en gaf later het roken ook op. Hij was altijd heel creatief, had
steeds
10 boeken in zijn hoofd. Hij gaat pas schrijven, als hij in zijn hoofd
alles af
heeft; als een kip, die haar ei legt. Het scheppen is voor hem geen
werk, geen
inspanning, maar een bevrijding. Ook in zijn werk als schrijver traden
geen
schommelingen of perioden van verminderde of vergrote prestatie op, hij
werkte
gelijkmatig, was nooit „geblokkeerd“.
Wat
nu
de ontwikkeling en
vorming van zijn
sociologische ideeën betreft, die immers thans in het middelpunt
van de
belangstelling staan, was uit de gesprekken met Seeliger het volgende
op te
maken:
Tijdens
de oorlog merkte
hij, dat er iets
niet klopte. Hij begon zich met economische vragen bezig te houden; het
resultaat was de roman: „Die Diva und der Diamant“ (1921). In de herfst
van
1921 liet hij eens een hele kist sociologische boeken komen, die hij
doorlas;
twee daarvan interesseerden hem vooral: “Der Ausweg” van Prof.
Oppenheimer en
de “Rechtswissenschaft ohne Recht” van Nelson. Om die reden schreef hij
een
brief naar Oppenheimer en nodigde hem uit voor een bezoek; het bezoek
vond ook
plaats. Oppenheimer had hem gezegd, dat zij elkaar niets meer hadden te
vertellen, zozeer waren ze het met elkaar eens. S. vroeg toen aan O.,
hoe het
kwam, dat hij met zijn gedachten niet doortastender was; O. antwoordde,
dat hij
ten eerste jood was, en ten tweede slechts wetenschapper; hij miste het
vermogen om te populariseren. „Maar“, dacht hij, O., “u bent echt de
aangewezen
man om de zaak ter hand te nemen.“ Vervolgens schreef hij het „Handbuch
des
Schwindels“ en „Der richtig verrückte Kerl“ (ik verwijs naar de
later weergegeven
verklaringen van Prof. Oppenheimer over Seeliger).
Op
het
verzoek om een
samenhangend geheel
van zijn ideeën te geven, vertelde hij ongeveer, dat hij op grond
van zijn
denken, tot het inzicht was gekomen, dat het leven door geweld niet tot
opheffing van de tegenstrijdigheden in het denken kan worden gebracht,
omdat
elk geweld een tegengeweld uitlokt. De staat is ook een uitoefenaar van
geweld.
Elk uitoefenen van geweld, wettig of onwettig, moet er toe leiden, dat
er leven
moet worden vernietigd. Het geweld is het negatieve, het positieve is
de
economie. De staat is niet langer te handhaven, omdat de economie geen
waarden
meer aanreikt. Dat gaat niet alleen meer op voor een staat,
want alle
staten ter wereld hangen met elkaar samen. Dat vatte hij in het kort
samen in
de uitspraak: de staat is de wortel van alle kwaad. Er kan alleen
redding komen
van het oplossen van de basisvraag. Staat is synoniem met ambtenarij,
maar het
terrein van de staat is ook het terrein van de ambtenarij.
Als
de
ambtenaren nog dit
voorjaar, voordat
de aardappels rijpen, niet het terrein van de staat innemen, moeten ze
verhongeren. Dat kan zich allemaal heel rustig vanuit München
voltrekken. Het
aantal ambtenaren wordt geleidelijk afgebouwd en zij krijgen land om te
bebouwen. Ook de grondbezitters moeten ook iets ter beschikking
stellen, maar
allemaal in der minne. Het hele staatsbedrijf moet eensgezind worden
afgebouwd.
Tegelijkertijd moet er een hervorming van het muntstelsel komen; wij
hoeven alleen
maar met anarchisme te dreigen, dan krijgen wij genoeg geld uit het
buitenland.
Wij hoeven b.v. alleen maar te dreigen, dat wij uit de monetaire
conventie
stappen; voor ons levert dat geen schade op, want in het buitenland kan
toch
niemand ons geld namaken, maar dan komt de dollar in gevaar; dat heeft
tot
gevolg, dat wij van Amerika geld in overvloed zullen krijgen. Als wij
genoeg
geld hebben, dan betekent dat het eind van elk socialisme en
communisme, en
elke misdaad. De toekomst ziet Seeliger dan zo, dat de grenzen tussen
de staten
worden opgeheven, en de belastingen en accijnzen verdwijnen. De grote
coöperaties dragen de kosten voor de benodigde uitgaven van de
mensheid. De
vrije mensheid is de staatsloze economische orde. In de vrije mensheid
verdwijnt dan langzamerhand alle kwaad, zoals misdaad, ziekte enz.
De
reden waarom hij voor
de uiteenzetting
van zijn ideeën in zijn boeken de grappige en grove vorm heeft
gekozen, is
volgens Seeliger, dat Oppenheimer dat al 20 jaar lang op een
wetenschappelijke
manier maar tevergeefs heeft geprobeerd, en daarom heeft hij zich ten
doel
gesteld om de staat te bestrijden, door die belachelijk te maken, of
volgens
hem juister, de belachelijkheid van de staat te laten zien. Dat hij daarbij vaak echt grof is
geweest, geeft hij
toe, maar hij komt nu eenmaal van het platteland en de stadse
uitdrukkingen
bevielen hem niet, omdat hij daar het bedrog achter ziet.
Zo
zakelijk en adequaat
geordend, zoals
hierboven is beschreven, bracht Seeliger zijn ideeën nauwelijks
tot
uitdrukking; bovenstaande beschrijving, die overigens niet woordelijk
zijn
uiteenzettingen weergeeft, was slechts door voortdurende interrupties
en
aansporingen te verkrijgen. Gewoonlijk drukte Seeliger zich in het
gesprek
precies zo uit als in zijn, deels bij de processtukken bijgevoegde,
gedrukte
teksten. Daarom zal in het volgende gedeelte een reeks uitspraken
worden
weergegeven, die hij tijdens de dagelijkse mondelinge gesprekken deed.
Vaak had
hij het over het gevaar, dat voor de Beierse staat dreigde door de
Hitlerbeweging: dat zou nog op een nationale opstand uitdraaien, het
zou een
bloedbad worden. Als men hem roept, is hij bereid om te komen;
men weet
immers nu, dat het „Lam“ is gekomen. Hij zou b.v. een trucagefilm laten
tekenen: een hakenkruis met het Lam ervoor, dat het kruis geleidelijk
opvreet
en het aan de achterkant weer uitschijt. Daarmee zou het symbool
belachelijk
zijn gemaakt en de hele beweging onmogelijk. Een andere keer dacht hij:
„Ik
hoef hier in München alleen maar een voordracht te houden, en
binnen 8 dagen is
de hele Hitlerbeweging uitgeschakeld.“ Men moet ze belachelijk maken.
Hij is
gekomen om te helpen, maar hij dringt zich niet op. Het wapenschild dat
hij
heeft uitgehangen, is het „Handboek der Zwendel“; nu wacht hij alleen
nog maar
af. De Beierse regering kan naar hem toekomen en hem vragen. Vervolgens
benadrukt hij weer, dat hij zich aan niemand opdringt, maar dat de
staat echt zelf
is begonnen, omdat die zijn boek in beslag heeft genomen. „Als iemand
mij iets
afneemt, roep ik: „houdt de dief!“ De staat heeft mij mijn boeken
afgepakt. Als
hij ze niet teruggeeft, moet hij zelf weten wat ervan komt.“ Gevraagd,
waarom
hij in zijn geschriften steeds zo‘n schunnige uitdrukkingen gebruikt,
zei hij:
„Ik zal u vertellen, waarom in de boeken, die ik voor de bevrijding van
de mensheid
schrijf, die stofwisselingswoorden voorkomen. Dat heeft een bepaalde
reden. Stofwisselingswoorden
zijn economische woorden. B.v. God staat voor stront. „Schijtvent!“
staat voor
„stofwisselend wezen”, dus mensenbroeder. Het woord zou niet zoveel
worden
gebruikt, als er niets zoiets als een ethische waarde in zou zitten.
Als
iedereen tegen de ander zou zeggen: „Schijtvent“, dan zou er geen
standsverschil meer bestaan.“ Vaak sprak hij over zichzelf als over de
eeuwige
mensheid, maar hij wees er met nadruk op, dat hij niet alleen zelf
aanspraak
maakte op dit recht, maar dat ieder mens de eeuwige mensheid kon zijn,
als hij
maar juist zou denken. Dat de
mensheid een
wezen van eeuwigheid tot eeuwigheid was. Hij betitelde zichzelf
hoogstens een
enkele keer als Lam en als Christus, bij wijze van publiek vermaak. Hoe
hij tot
die benaming kwam, verduidelijkte hij als volgt: „Toen ik de
gedachtegang van
de verschillende godsdiensten naging, merkte ik dat zij zich allemaal
naar de
eeuwigheid toe bewogen; het meest helder uitgesproken in de Openbaring
van
Johannes. Het Lam is de juiste manier van denken, in feite alleen maar
het
geweldloze stofwisselende wezen.“ Hoe men dat Lam moet opvatten blijkt
duidelijk uit een hoofdstuk van de nog te verschijnen roman “Die
Entjungferung
der Welt”, met als opschrift: „Das Lamm und der Leu”. Daarin wordt
verteld hoe
een journalist, Herakles, het Lam in zijn woning opzoekt en het vraagt:
„Waarom
noem jij jezelf het Lam?“– „Ik ben het Lam uit de Openbaring van
Johannes,
waarover staat geschreven, dat het de zeven zegels van het gesloten
boek zal
verbreken.“ – „Dat Lam is echter slechts een dichterlijke figuur“, gaf
Herakles
ter overweging. „Elke dichterlijke figuur is een bedacht schepsel,”
verduidelijkte het Lam hem. „Is het maar juist bedacht, dan kan het ook
beleefd
en geleefd, dus worden uitgebeeld.“ Ik beeld het uit, ik speel, ik leef
het, en
daarom ben ik het.“ Herhaaldelijk uitte Seeliger in zijn gesprekken,
dat hij
alleen maar de rol van Lam speelt. Zo zei hij bijvoorbeeld: „ Als ik
ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard, zal ik de rechtbank verstandig
toespreken;
als ik toerekeningsvatbaar wordt verklaard, dan zal ik mijn versmelting
verraden: ik ben het Lam, ik ben Christus.
Tekenend
voor
zijn
zelfkennis
is, dat hij
herhaaldelijk beweerde, dat hij verwachtte dat hij de volgende
Nobelprijs zou
krijgen en wel voor litteratuur en ten tweede de vredesprijs voor zijn
Handboek
der Zwendel. Dat het laatste in meerdere talen werd vertaald en dat hij
goede
contacten had met toonaangevende kringen in het buitenland. Toen ik
mijn
twijfel uitte, zei hij tegen me: wacht maar af. Eerder al, zo beweerde
hij, was
hem voor zijn „Schlesisches Werk” door de Universiteit van Breslau de
titel van
doctor honoris causa aangeboden, maar dat had hij geweigerd – „Goethe
was de
mens met de tegenstrijdigheid, ik ben de mens zonder
tegenstrijdigheid.“ „Ik
ben de schrijver, die de meeste fantasie heeft. Alle collega‘s grijpen
naar
mijn werk, om iets nieuws te ervaren.“ „Ik maak de Duitse taal tot
wereldtaal,
tot denktaal.“ Dat hij voor zijn idee vocht, naar een doel streefde,
bestreed
hij, zodra men hem daarnaar vroeg. Hij hoorde bij geen enkele partij;
als hij
een partij zou willen oprichten, zou hij meteen zoveel aanhangers
hebben, dat
hij een partij bijeen zou kunnen brengen, die alle andere in grootte
zou
overtreffen; hij maakte ook toespelingen op zijn invloed op de pers in
het
buitenland. In Wenen liet hij al dollarbiljetten ontwerpen, die, als de
staat
ten onder zou gaan, gedrukt en op de markt zouden kunnen worden
gegooid. Hij is
er van overtuigd dat zijn Handboek een grote uitwerking zal hebben, -
over de
ongunstige uitspraken van de uitgever glimlacht hij alleen maar.
Houdt
men hem de
afzonderlijke punten van de
aanklacht voor, dan is het zo goed als onmogelijk, om van hem een
zakelijk antwoord
of stellingname te krijgen; zijn antwoorden bewegen zich veeleer
helemaal op de
toon van zijn geschriften. Hij bestrijdt, dat hij Erzberger heeft
uitgescholden: - „Alleen iemand die serieus wordt, zal schelden: ik
lach,
iemand die lacht scheldt niet.“ Bovendien had hij alleen maar de
waarheid
gesproken; hij had voldoende mensen aan zijn kant, die dat konden
bevestigen.
Erzberger was een volksverrader. Hij had ook niets beledigends gezegd,
maar hem
belachelijk gemaakt, en dat is niet strafbaar. „Ik maak het ook
niet
belachelijk, maar ik zeg alleen maar, dat het belachelijk is.“
Hij had
geen godslastering bedreven, maar afgodslastering. God, de almachtige
en
alwetende, de bron van alle waarheid, kan helemaal niet door iemand
worden
belasterd. De leer van Jezus is de waarheid, maar die is door Rome in
het
tegenovergestelde veranderd; maar „ de waarheid is de grootste
belediging voor
elk onjuist denken.“ Een nadere uitleg van zijn uiteenzettingen achtte
hij
overbodig, omdat immers onder de trefwoorden in het „Handbuch des
Schwindels“
alles is te vinden. Enig gevoel voor het feit, dat inderdaad grote
gedeelten
van het volk, nog helemaal afgezien van de ambtenaren de geestelijken,
zich
door zijn uitspraken tot op het bot gekrenkt moeten voelen, lijkt hij
helemaal
niet te hebben. Hij legt zijn verklaringen zonder een opvallende emotie
af, met
een lach om zijn mond; hij vindt dat iedereen tegen zijn grappen moet
kunnen.
Het
is
opmerkelijk hoe hij
zich de
rechtszitting voorstelt. „Door het jatten van het boek, heb ik de staat
in de
hand. Hij moet procederen. We zullen wel eens zien, wie procedeert, ik
of de
baas van de arrondissementsrechtbank zus en zo. Het komt voor de
juryrechtbank,
daar zitten de economen enzovoorts. Die denken net als ik.“ Niet hij
wordt
aangeklaagd, maar de Beierse staat. Het is een belangrijke zaak, de
beroemdste
deskundigen moeten komen, Prof. Oppenheimer, Nelson enz.
Vervolgens
denkt
hij
weer,
dat hij geen
trammelant zal maken; maar als de officier van justitie met hem wil
stoeien,
dan zal hij spreken; hij zou wel 8 dagen lang kunnen spreken, maar zo,
dat men
van het begin tot het einde naar hem zou luisteren; als aangeklaagde
zou men
hem in de vrijheid van het woord niet kunnen beknotten. Het verslag van
de
rechtzitting is al vooraf gedrukt en zal tijdens de zitting gratis
worden uitgedeeld.
„Ik ben sterker dan de Beierse regering. Als ik ontoerekeningsvatbaar
wordt
verklaard, dan heeft de wereld weer wat te lachen over de Beierse
justitie. In
de 2e druk van het Handboek staat u (ref.) ook al vermeld.
Als u het
ermee eens kunt worden, dat ik ontoerekeningsvatbaar wordt verklaard,
dan zet u
zichzelf juist voor schut, omdat ik als Onze-Lieve-Heer voor u te ver
ben
gegaan.“ Voor de rest verklaarde hij, dat hij ervan overtuigd was, dat
ref.
zijn rapport naar beste weten zou opstellen; hij bejegende ref. met een
soort
doordachte welwillendheid, dacht, dat als ref. hem zou vragen, wat hij
zou
moeten doen, dat hij hem zou aanraden: wacht u maar af, binnen een paar
weken
moet het zijn beslist. Seeliger ziet de loop der dingen volstrekt
onbekommerd
tegemoet. Noch het vooruitzicht op de gevangenis, noch op het
krankzinnigengesticht, maakt hem onrustig, hij neemt dat kennelijk niet
serieus. Over zijn toekomstplannen uit hij zich wisselend. De ene keer
denkt
hij, dat zijn taak voor hem duidelijk is; hij schrijft alleen nog maar
een paar
komedies, en vervolgens hoogstens nog zijn biografie, daarna heeft hij
geen
tijd meer; hij moet dan de vrije mensheid op de been brengen. De andere
keer
denkt hij weer, dat hij juist romans en novellen zal schrijven. Hij
noemt ook
enkele geschriften, die hij zal publiceren, hij zal b.v. de vier
evangeliën
opnieuw uitgeven; maar niet volgens de oertekst, maar volgens andere
vertalingen;
het zal een grappig boek worden. De aankondiging van het boek staat als
volgt aan
het slot van „Ist der Staat ein Schiesskerl?“: ‚De heilige schrift van
de vier
evangeliën ontheiligd, dat is volgens de waarheid juist, dus van
alle kerkenkul
en staatsrotzooi gereinigd door de enige nog levende oog-, oor- en
bloedgetuige, de door het Lam ontkruisigde en dientengevolge eindelijk
wedergekeerde Jezus van Nazareth.’ Verder schrijft hij dan nog 7
proefschriften, vanuit het standpunt van verschillende faculteiten,
over het
thema: is Seeliger werkelijk Onze-Lieve-Heer? Hij heeft ook twee nieuwe
trucagefilms
gepland „Is elke universiteit een kakademie?“ en „Christendom –
twistendom?“.
Het Handboek der Zwendel verschijnt in de tweede druk als „Handboek der
Waarheid“. De tweede druk van “Ist der Staat ein Schiesskerl?” wordt
niet aan
Knilling opgedragen, maar aan de „grootste schijtvent,
Poincaré.“ Hij heeft ook
al een komedie bedacht, waarvoor hij de stof aan zijn observaties in
het
krankzinnigengesticht ontleent (een keer zei hij: niet ik wordt
hier
geobserveerd, maar jullie, ik verneuk jullie allemaal. Het
rapport, dat
over hem wordt uitgebracht, zal hij eveneens publiceren. Of het bij dat
alles
om werkelijke plannen of deels om spontane invallen en opzettelijke
voordegekhouderij
gaat, blijft de vraag. Hij sprak er nooit over, dat hij met een, op een
of
andere manier serieus te nemen, zaak bezig was.
Het
is
ook opvallend, hoe
hij thans over
zijn eerdere werken denkt. Hij zegt namelijk, dat ook in een gedeelte
van zijn
vroegere werk het probleem van de staat wordt behandeld, zij het nog
niet in
zo‘n duidelijke vorm. Zo zou zijn balladenboek „Hamburg“ de
geschiedenis van
een vrije staat zijn, die niet aan het staatsbestel was gebonden; de
vrije stad
zou een coöperatieve gemeenschap zijn in de vorm van een staat.
Over zijn roman
“Der Schrecken der Völker” zegt hij: de staat is de schrik der
volkeren, in dit
geval het gewelddadige anarchistische individu, dat zijn aanval
tegelijkertijd
tegen alle staten richt, om ze te vernietigen: de roman is het bewijs,
dat het
op die manier niet gaat. Over de “Zerstörung der Liebe” zegt hij:
zij willen
het ook met geweld doen, door vernietiging van de grote stad; dat lukt
niet,
zij gaan zelf te gronde. In het „Paradies der Verbrecher” wil hij laten
zien,
dat de misdadiger een product van de staat is (in werkelijkheid wordt
in de
laatste roman echter beschreven, hoe een vrije misdadigerskolonie te
gronde
gaat, waardoor de idee dus een utopie blijkt!). Over zijn Silezische
werk, dat
in de vorm van balladen en prozabeschrijvingen perioden uit de
geschiedenis van
Silezië weergeeft, beweert S. nu, dat hij hierin, voor een
bepaalde landstreek
(Silezië), de logische keten van gevolgtrekkingen in de
wereldgeschiedenis had
geprobeerd aan te tonen, zoals later in de “Deutschen Dekamerone”,
hetzelfde
voor de hele wereld. Als een door hem als bijzonder overtuigend
beschouwd
bewijs van het feit, dat hij zijn sociologische denkbeelden al lang
nastreeft,
reciteert hij op een keer een vele jaren geleden geschreven ballade,
waarvan de
inhoud, voor zover ik mij herinner, de volgende is: de profeet wordt
door God
naar de wereldheerser gezonden, om zijn onderwerping te eisen; de
wereldheerser
hoont God, tovert voor de profeet een prachtige stad in de woestijn, en
stelt
hem op de proef met de volgende woorden: dit alles zal ik je schenken,
als je
neervalt en mij aanbidt. De profeet verkeert in grote nood, maar dan
stuurt God
zijn engelen en laat de stad vernietigen: de mensen zoeken tevergeefs
naar de
stad, alleen in dromen bestaat zij nog. Over deze ballade beweert
Seeliger nu,
dat die al de gedachte uitspreekt, dat de grote stad het grootste kwaad
van de
mensheid is! Toen hij daarop werd gewezen, gaf hij vervolgens echter
toe, dat
hij thans uit zijn eigen werk inderdaad meer haalt, dan hij erin heeft
gelegd;
toen hij het opschreef had hij de ideeën al in zich gehad, maar ze
moesten
eerst nog uitkristalliseren.
Het
boek, waarin Seeliger
voor het eerst
zijn sociologische denkbeelden uitvoerig behandelt, is het vanaf april
tot
september 1921 geschreven “Die Diva und der Diamant”. Seeliger zelf
zegt, dat
hij met die roman bij de uitgeverij Ullstein een koekoeksei heeft
gelegd; de
titel was voor het publiek bedoeld; de eerste hoofdstukken zouden
onschuldig
zijn, en pas later duiken de ideeën op, omwille waarvan het boek
was
geschreven. In deze roman bevinden zich alle gedachten al, die thans
door S.
worden verdedigd; ze worden door verschillende personen naar voren
gebracht,
deels serieus, deels ook op zijn thans geliefde schertsende manier. Zo
wordt in
het hoofdstuk „Molochstaat“ het ontstaan en het wezen van de staat
(duidelijk
aan de inzichten van Prof. Oppenheimer ontleend) uiteengezet; in het
hoofdstuk “Der
chinesische Garten” wordt beschreven, en wel op een volstrekt serieuze
manier,
hoe China het ideaal van de vrije mensheid al het dichtst benadert. Het
hoofdstuk over de menswording brengt vervolgens de denkbeelden van
Seeliger al
helemaal op zijn huidige eigen manier. Hier staan zinnen als: de
mensheid is
niet alleen eeuwig, maar ook almachtig en alwetend. Kortom: „De
mensheid is Onze-Lieve-Heer“.
„Ik mensheid, ben Onze-Lieve-Heer“. „Waarom zou ik niet Onze-Lieve-Heer
kunnen
zijn? De voorstelling van Onze-Lieve-Heer is immers volstrekt
menselijk. Hij is
het toppunt van alle menselijke eigenschappen. Wat ik denk, ben ik. En
ik denk,
dat ik Onze-Lieve-Heer ben.“ „De
echte Onze-Lieve-Heer
kan dus niets anders zijn dan een ontkenner van de staat, dus een
doodgewone
mensenvijand.“ In een van de volgende hoofdstukken komt Upton Useful
voor, de
„echte gekke figuur“, die „om waarheid brult“; als zijn vrouw hem
lachend
dreigt, dat men hem in het krankzinnigengesticht zal opsluiten, denkt
hij, dat
binnen 3 dagen alle bewakers en artsen in die inrichting net zo gek
zullen zijn,
echt doorgedraaid en grootheidswaanzinnig, net als ik: iemand die de
toverstaf
van de waarheid in de hand heeft, moet wel gek worden. Ik breng zelfs
alle
onmensen zover. Ik laat ze door de vrije mensheid gek worden.“ Voor het
Duitse
volk betekent dat, dat het als eerste „ al zijn geweldszwendelaars,
staatsmisdadigers en wettelijke beschermde mensenbeschermers zal
ontmaskeren,
de waarheids- en landsgrenzen in de hele wereld zal slechten en daarmee
voor
alle volkeren de poort van het paradijs…. zal ontsluiten.“ Aan het eind
hebben
de voorvechters van de vrije mensheid zich verzameld; er is nog een
stoel leeg,
- dan verschijnt plotseling een ‘heel gewoon mens‘ onder hen, Seeliger
zelf.
Hij wordt door de anderen begroet met „Onze Vader, eeuwige zalige
mens.“ Seeliger
spreekt tot hen: „ Gaat allen uit in de wereld en onderwijs alle
volkeren de
waarheid.“ Vervolgens: „Ben ik de enige mens op mijn aarde? Komt
niemand mij
helpen, om deze kostelijke last te dragen?“ En hij wacht nog steeds op
antwoord,
deze hoopvolle, ongeneeslijke dwaas der liefde, - zo besluit het boek.
Het
“Handbuch des
Schwindels” schreef
Seeliger in de periode van oktober tot december 1921. Hij schat het
zelf zeer
hoog in en hoopt, zoals vermeld, dat hij daarvoor de vredesprijs zal
krijgen,
want het bevat het eenmakingprogramma van het Duitse volk en de hele
wereld. De
hele wereld zoekt de waarheid en die staat in het “Handbuch des
Schwindels” Hij
verzocht ref. regelmatig het zorgvuldig te bestuderen; zijn kennissen
hadden
het aanvankelijk in de hoek gegooid, maar er toch steeds weer naar
gegrepen,
omdat het hen pas na zorgvuldige bestudering volkomen duidelijk was.
Het bevat
een grote hoeveelheid trefwoorden in een encyclopedische volgorde, waar
hij dan
kortere of langere opmerkingen en verduidelijkingen aan toevoegt.
Seeliger
maakt zich in dit boek vrolijk over zo‘n beetje alle bestaande
instellingen,
over iedereen, die anders dan hij – voor hem dus onjuist – denkt,
vooral over
de staat, kerk, maatschappij enz. en verkondigt zijn idee over de vrije
mensheid, waarbij zijn eigen persoon buitengewoon op de voorgrond
treedt, b.v.
onder de trefwoorden: ik, Lam en zalige.
Op
details van het boek
ingaan, is
door de
opzet ervan nauwelijks mogelijk en ook niet nodig, omdat het immers
steeds weer
om dezelfde zaken heen draait, die al meerdere malen zijn besproken. Er
is al
op een aantal vormelijke details gewezen, die een psychiatrische
aandacht
verdienen, b.v. op de vermoeiende herhalingen van dezelfde gedachten en
woordvorming onder de meest uiteenlopende trefwoorden. Opvallend is
verder de
sterke neiging tot woordgrappen en woordspelingen, dus Eisner wordt
aangeduid
als „het Münchener onkind met de geweldsmaatbeker“, als de eerste
„met
de
adellijke boog (arco) afgeslotene“; de bureaucraat als „misdrukkeling“;
de
groothertog omschreven als „eronderkoning“ als „erbovenhertog“ en veel
soortgelijks. Onder bijna alle trefwoorden staan gezochte neologismen
en
woordenormiteiten, waar hij een bijzondere voorliefde voor heeft. Vaak
worden
aan een trefwoord een enorm aantal omschrijvende woorden geregen, die
helemaal
niets nieuws brengen, maar uitsluitend een teken van babbelzucht
lijken, b.v.
onder „toekomstmuziek“: vooruitgeklets, - geratel, - gebeuk enz. in
18-voudige
vorm. Vrij vaak heeft men ook de indruk, dat de afzonderlijk
toegevoegde
woorden met het trefwoord helemaal niet meer in een begrijpelijk
verband staan,
maar onderling meer door de band van taalkundige betrekkingen zijn
verbonden;
zie b.v. het artikel „verhevenheid“. Het eind van het boek luidt: het
Lam
spreekt: wie dit boek serieus neemt, wil, dat ik mij over hem vrolijk
maak.
Als aanhangsel bevindt zich ook een oproep, - bij de volgende
rijksdagverkiezing de kieszetel: „vrije mensheid, Duitse onpartijdige
partij.
Seeliger Ewald Gerhard, de juistdichter, te kiezen. Dat is door
Seeliger, zoals
hij verzekert, als grap bedoeld, dat blijkt al uit het feit, dat een
onpartijdige partij immers een innerlijke tegenspraak inhoudt. Als
Seeliger zich
op titelpagina als Eeuwige Zalige Mensheid (Ewger Seeliger Menschheit)
betiteld, dan is dat ook maar een woordspel – (Ewger – Ew(ald)
Ger(hard)).
Seeliger
schreef
in
1921
nog „Der richtig
verrückte Kerl“, een rustiek toneelstuk in 4 delen, dat mij niet
ter
beschikking stond; verder schreef hij van oktober tot december 1922 de
momenteel in druk verschijnende roman “Die Entjungferung der Welt. Ein
göttlicher Roman von Ewger Seeliger Menschheit”. De inhoud van de
roman is niet
in het kort te beschrijven, omdat het in wezen niet een doorlopende
handeling
betreft, maar afzonderlijke scènes. De eeuwige mensheid
openbaart zich in drie
gebroeders: in Manito, de echte Onze-Lieve-Heer; in het Lam, en in de
wederopgestane Christus. Hen legt Seeliger op de zijn bekende
spreektrant zijn ideeën
in de mond. Verder is een groot gedeelte van de roman een satirische
beschrijving van de politieke verhoudingen in Beieren – opgedragen aan
München,
waarbij ook de toekomst wordt voorspeld. Bloedige gevechten van de
partijen onderling,
ondergang van de ambtenarenstaat, de grote stad en de redding door
vrije
nederzettingen. De hele beschrijving stelt Seeliger in de gelegenheid
om zich
over alle staatsinstellingen vrolijk te maken, waarbij hij zich van een
eigen
woordenschat bedient. Wat op diverse plaats in de roman opvalt, in
tegenstelling
tot zijn andere boeken, is de neiging tot schuine moppen en grofheid.
Het
laatste boek van
Seeliger is het in
november 1922 verschenen: “lst der Staat ein Schiesskerl?” Het bevindt
zich bij
de processtukken; nader ingaan op de inhoud lijkt overbodig. Het is
kennelijk
ontstaan onder invloed van het proces en brengt in wezen dezelfde
ideeën te
berde, als in de zojuist besproken boeken, alleen in een nog grovere en
meer gore
vorm. Seeliger beweert, dat de bijbehorende films al waren getekend, en
beschouwt het geheel als uitvoerbaar en veelbelovend.
Omdat
de processtukken
over de
persoonlijkheid en het verleden van Seeliger bijna niets bevatten, heb
ik
verschillende personen, die hem kennen, verhoord, resp. inlichtingen
van hen
verkregen.
De
vrouw van de
aangeklaagde geeft, door mij
ondervraagd op 30 – 1 – 1923 de volgende inlichtingen:
Zij
kent haar man sinds
hun huwelijk in
1901. Hij was toen een goede, geliefde leraar; dat beroep heeft hij
opgegeven,
om zich geheel aan het schrijven te wijden. In het begin heeft hij het
vrij
zwaar gehad, en pas sinds enkele jaren heeft hij het financieel goed.
Tot
februari 1920 hebben ze in Hamburg gewoond, vervolgens zijn ze naar het
zuiden
getrokken om daar een geschikt landgoed te kopen, deels met het oog op
hun
gezondheid, deels omdat haar man zelf de grond wilde bebouwen. Haar man
was
altijd rustig en ijverig geweest, zeer bescheiden en pretentieloos, had
niet
gedronken, niet gespeeld, nooit wat voor uitspatting dan ook begaan,
had nooit schulden
gemaakt, en was zeer oppassend geweest. Hij was weinig sociabel geweest
en had
nooit misbruik van iemand gemaakt. Een goed humeur en optimisme had hij
van
oudsher gehad. Zijn stemming was altijd gelijkmatig geweest,
opwindings- of ontstemmingtoestanden
had hij nooit gehad. Hij had ook altijd gelijkmatig gewerkt; hij was
een enorme
werker geweest, had van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat gewerkt,
had veel
gestudeerd. Een zekere vrijheidsdrang had hij van oudsher gehad, ook
een wat
vergroot gevoel van eigenwaarde, zoals bij kunstenaars de regel is. Bij
het
uitbreken van de oorlog was hij enthousiast geweest, had het liefst
meteen naar
het front gewild. Politiek had hij zich vroeger nooit bezig gehouden,
had nooit
tot een partij behoord. Wanneer hij psychisch was veranderd, kon zij
door haar
slechte geheugen niet precies aangeven, maar ongeveer ½ jaar
voor het
verschijnen van het Handboek (herfst 21?), zeker weet zij het niet,
kwam hij
van een zakenreis van meerdere weken volledig veranderd thuis.
Het
was
alsof hij dronken
was van zijn ideeën;
was veel opgewondener geweest dan ooit. Hij had veel meer gepraat dan
anders,
had toespraken gehouden, als het ware op een preektoon. Zijn gevoel van
eigenwaarde was sterk toegenomen; hij vond dat iedereen zijn mening
moest
delen. Hij had geprofeteerd en zich ook thuis, tegenover zijn vrouw,
het Lam, Onze-Lieve-Heer
genoemd; dat had zij wel 1000 keer moeten horen. Terwijl hij vroeger
een
keurige burger was geweest, die nooit een onfatsoenlijk woord had
gesproken, de
meest pure man was geweest, die men zich kon indenken, had hij vanaf
dat moment
bij elke gelegenheid gezegd: „wij zijn immers allemaal schijtkerels.“
Tegenover
een jong meisje, dat in een restaurant voor het eerst aan hem werd
voorgesteld,
had hij gezegd: „als je nog geen kinderen op de wereld hebt gezet, heb
je
helemaal geen recht om te leven.“ Zoiets zou hij vroeger nooit hebben
gezegd. Het
was zijn vrouw bij het schrijven van zijn huidige werk ook opgevallen,
dat het
onfatsoenlijke, erotische passages bevatte, terwijl hij vroeger een zo
gevoelig
thema zoals „ De Falsette“ zo decent had behandeld. Zij was ervan
overtuigd,
dat er bij haar man sprake was van een voorbijgaande geestelijke
stoornis.
Tijdens
een tweede gesprek
op 2 – 2 zwakte
mevr. Seeliger haar bovenstaande verklaring wat af, wilde eigenlijk
geen woord
meer loslaten, en verklaarde dat haar man volkomen gezond was, maar dat
hij
kunstenaar was en dat hij daarom met andere maten gemeten moest worden.
Tegelijkertijd
was zij ten opzichte van ref. wantrouwig en verzocht om een spoedig
ontslag van
haar man. Zij maakte een zeer nerveuze indruk; haar veranderde
standpunt was
kennelijk terug te voeren op de wens, om haar man spoedig weer vrij te
krijgen.
Een
neef van Seeliger, de
heer Konrad
Heiden, vertelde mij op 6 – 11 – 1923, dat hij Seeliger sinds 3 jaar
persoonlijk kende. Hij was altijd al een geweldig geestig figuur
geweest, dacht
zorgeloos, direct, geloofde van oudsher zeer in zichzelf, en was zeer
zelfbewust geweest. Een maand of 15 geleden, had hij voor het eerst
verklaard,
dat hij Christus was, het Lam. Aanvankelijk waren het anarchistische
uitspraken, maar later waren zijn ideeën van een meer religieus
karakter
geweest. Het leek ref., alsof Seeliger spraakzamer was geworden, hij
kon
urenlang doorpraten; een keer had hij in een gezelschap acht uur lang
vrijwel
onafgebroken gesproken en voorgelezen. Een zekere grofheid in stijl
heeft hij
echter altijd gehad, maar toch niet zo als nu.
De
schrijver en voormalige
leraar, de heer
Schulze-Berghof deelde mij op 8 –2 het volgende mede: hij kende
Seeliger sinds
ongeveer 1906. Hij had aanvankelijk het pad van schrijver van
streeklitteratuur
bewandeld, maar ontwikkelde zich al gauw in de richting van schrijver
van
populaire litteratuur voor het grote publiek. Zijn productiviteit
was zeer groot geweest, hij was meestal tegelijkertijd met meerdere
onderwerpen
bezig geweest. In 1909 had hij een keer een onaangename affaire met een
collega
gehad, hij zou hem belasterd hebben: iedereen had daar zijn hoofd over
geschud;
men had hem ten stelligste aangeraden om uit de journalisten- en
schrijversvereniging te treden. Seeliger was een realistisch mens
geweest, had
zich overal voor geïnteresseerd en intensief gestudeerd. Hij was
niet erg
sociabel geweest, maar in kleine kring was hij levendig geweest,
meestal de
woordvoerder. Ietwat grof, boers van uitdrukking was hij altijd
geweest, had
alles van de barokke, lachwekkende kant opgevat; was oorspronkelijk
geweest –
maar geen diepzinnige denker. Zij gevoel voor eigenwaarde had zich in
de loop
der tijd steeds meer ontwikkeld; als hij iets schreef, dacht hij, dat
het als
een bom in moest slaan. In het voorjaar van 1922 was Seeliger een keer
onverwachts bij ref. gekomen en had hem voor een lezing uitgenodigd.
Voor die
tijd had hij erover opgeschept, dat hij al veel aanhangers had. Toen
hij het
podium betrad, had hij een ietwat onzekere indruk gemaakt; hij had uit
het
Handboek voorgelezen, hij werd saai gevonden, en het was wat onrustig
in de zaal
geworden. De toehoorders waren ontevreden. Voor zijn vrienden was het
pijnlijk,
ze vonden dat hij een grote domheid beging. Zelf geloofde Seeliger, dat
zijn
boek de wereldrevolutie zou inleiden en dat hij de grote man was. Als
verandering ten opzichte van vroeger viel ref. op, dat Seeliger
ononderbroken
kon praten, niet kon ophouden, steeds in kringetjes ronddraaide, en
steeds
opnieuw over zichzelf en zijn zaak sprak, vier uur lang.
Aangezien
bij
Seeliger
de
sociologische ideeën
de hoofdrol speelden, en hij zich daarbij steeds op Prof. Oppenheimer
beriep,
waar hij volledig mee overeenstemde, wendde ik mij schriftelijk tot
hem. Prof.
Oppenheimer schreef mij daarop, dat hij hem pas vanaf de zomer van 1921
kende;
destijds had hij Seeliger naar aanleiding van een boek in Walchensee
opgezocht.
Seeliger had wel een groot, maar niet ziekelijk zelfvertrouwen aan de
dag
gelegd, aan Seeligers geestelijke gezondheid had hij nooit getwijfeld.
Seeliger
dacht alleen dat hij een nieuwe weg had gevonden, om de ellende van
onze tijd
te lijf te kunnen gaan, - namelijk om die dood te lachen. “Met dat doel
kwam
hij op een zo overdreven manier op voor mijn inzichten, dat ik hem
ernstig
moest vragen, om mij buiten het spel te houden. Zijn laatste geschrift
berust
voornamelijk op mijn stelling, dat de staat zijn ontstaan dankt aan de schepping van een
onderwerpend geweld met het doel om de onderworpenen economisch uit te
buiten. De staat had dan natuurlijk meteen de zorg voor het algemeen
welzijn in
zijn werkterrein moeten betrekken, zoals de bescherming van recht en
grenzen, maar er bleef nog steeds
een vrij groot gedeelte
van die oorsprong aan kleven, en dat is volgens mijn opvatting de
verklaring
van sociale verwikkelingen, waar wij onder lijden. Deze uitbreiding van
het
oorspronkelijke doel van de staat, laat Seeliger buiten beschouwing, en
daardoor komt zijn opvatting heel dicht bij het theoretische
anarchisme, dat ik
afwijs.“ Professor Oppenheimer zet dan nog uiteen, waarom er bij
Seeliger geen
sprake kan zijn van een religieuze grootheidswaan en besluit:
“Ik
zie,
als
psychiatrische
leek, de
sleutel tot zijn karakter in het feit, dat hij zich in het pantser van
de grap
onkwetsbaar waant. Hij wil de „geweldsstaat“ en het „geweldseigendom“
doodlachen en – bespotten. Het is in ieder geval een nieuwe manier.“
Rapport
De
eerste vraag, waarover
vanuit
psychiatrisch standpunt een oordeel moet worden geveld, is de vraag, of
bij
Seeliger op dit ogenblik een echte geestesziekte aanwijsbaar is, of dat
zijn
huidige toestand nog steeds de uiting is van een op menige wijze
opvallende,
maar toch nog binnen het gebied van het normale liggende,
persoonlijkheid. Wat
meteen tot het laatste inzicht zou kunnen verleiden is, dat bij
Seeliger hoe
dan ook geen ernstige stoornissen van het intellectuele functioneren
aanwezig
zijn, dat S. in ieder geval zelfs een grote geestelijke activiteit,
slagvaardigheid en een vlot en zeker gedrag vertoont. Opvallend daarbij
is
echter zijn opgewekte, al te optimistische stemming, en zijn zeer
vergroot
zelfbewustzijn. Maar ook bij deze twee eigenschappen kan men in de
verleiding
komen, ze als eigenaardigheden van zijn persoonlijkheid te beschouwen.
Een goed
humeur en een optimistische levensopvatting heeft hij ongetwijfeld van
huis uit
meegekregen; het zijn eigenschappen, die tot op zekere hoogte erfelijk
zijn.
Een levendig fantasieleven en de neiging tot een grove, oorspronkelijke
manier
van uitdrukken, gaat daarmee samen, allemaal karaktertrekken, die in
veel van
zijn vroegere werken tot uitdrukking komen. Dat bij de scheppende
kunstenaar
het gevoel van eigenwaarde vaak zeer groot is, en in de loop van de
tijd, met
name als ook een uiterlijk resultaat zich voordoet, zeer pleegt te toe
te
nemen, is geenszins ongewoon en psychologisch volstrekt begrijpelijk.
Seeligers
laatste
boeken
zijn
weliswaar in
meerdere opzichten opvallend, maar nog meer zijn optreden als „Lam“,
met name
als men het serieus neemt. Maar nou zegt Seeliger zelf, dat wie zijn
boek
serieus neemt, wil, dat ik mij over hem vrolijk maak, - en dat hij de
rol van
gek speelt, om de mensen aan het lachen te maken en op die manier
hetgeen waar
zij over lachen, onmogelijk te maken. Bovendien zou men dan verder
rekening
moeten houden met het feit, dat Seeliger vast doordrongen is van de
uitzonderlijke betekenis van zijn sociologische denkbeelden en in de
verwerkelijking daarvan de enige redding vanuit de
noden van deze tijd ziet, en waar hij zich toe voelt geroepen om die
uit te
dragen. Zijn huidige geestelijke en gemoedstoestand zou dus alleen maar
een
toename van zijn van oudsher bestaande aanleg van zijn karakter zijn,
als
reactie op de tijdsomstandigheden.
Deze
normale
psychologische opvatting van
het geval wordt echter tegengesproken door echt belangrijke
bedenkingen. Deze
opgewekte, eeuwig en altijd lachende, door niets te schokken, en
daarbij ook
nog met de werkelijke situatie in krasse tegenspraak staande, stemming,
die ook
nog eens in het zelfgenoegzame en zelfvoldane, optimistische gedrag tot
uiting
komt, wekt alleen al de gedachte op, dat hier sprake is van een
pathologische affecttoestand.
Verder is zijn zelfoverschatting echt reusachtig en het opvallende
daaraan is,
dat die niet zozeer betrekking heeft op zijn vroegere werken, maar
vooral op
zijn laatste geschriften, met name het „Handboek der Zwendel“, dat
echter,
helemaal van de strekking afgezien, zeker voor zijn vroegere
geschriften zeer
onderdoet en echt als een tamelijk smakeloos en geestloos, vermoeiend
boek is
te bestempelen. Juist daarvan verwacht Seeliger echter een reuzesucces,
ook de
vredesprijs.
Dat
de
boekhandel
grotendeels door deze
„Seeliger“ was teleurgesteld, verandert niets aan zijn inzicht.
Misschien nog
duidelijker blijkt zijn ziekelijke zelfoverschatting uit hetgeen hij
van zijn
persoonlijke aandeel verwacht. Dat is het geval, als hij beweert, door
een
voordracht van een uur de hele Hitlerbeweging in München
onmogelijk te kunnen
maken, of uit de zekerheid, waarmee hij alle politieke gebeurtenissen
voorspelt. Hij denkt juist, hij weet alles, hij kan alles. Uit al die
dingen
blijkt een buitensporig gebrek aan kritiek en oordeelsvermogen, voor
zover zijn
persoonlijkheid in aanmerking komt. Deze beide factoren, de abnormale
stemmingstoestand en de daarmee samenhangende toename van zijn gevoel
van
eigenwaarde, doen toch het vermoeden rijzen, dat Seeliger zich in een
ziekelijke gevoelsemotie, die men als manisch aanduidt, bevindt. Er
zijn nog
andere observaties, die daarop wijzen. Dat is op de eerste plaats de
drang om
te praten, de babbelzucht. Niet alleen Seeliger zelf gaat er prat op,
dat hij
uren- en dagenlang kan praten; de personen die ik heb ondervraagd,
hebben ook
bevestigd, dat hij daadwerkelijk eindeloos praat, spontane toespraken
houdt;
dat kwam ook bij de huidige observatie aan de dag. Daarbij kan men nog
een
stoornis opmerken; Seeliger dwaalt herhaaldelijk van het onderwerp af,
komt bij
bijkomstigheden terecht, verliest zich daarin, brengt dingen naar
voren, die
hem op dat moment invallen, ook als die met het aanvankelijke onderwerp
nauwelijks meer in verband staan, - louter verschijnselen, die als een
lichte
vorm van ideeënvlucht zijn te duiden. Verder dient te worden
gewezen op de
sterke neiging tot gezochte grappen, tot woordenspel, tot vorming van
zonderlinge woorden, waarbij eveneens vaak eerder de taalvorm dan de
betekenis
bepalend is; bovendien op de opvallende voorliefde voor grove en gore
uitdrukkingen, eigenlijk voor het obscene, zoals dat in zijn
geschriften veel
meer op de voorgrond treedt, dan in het gesprek. Tot slot is het
opvallend, dat
Seeliger zich steeds merkwaardige namen toeeigent; hij noemt zich het
Lam,
Christus, Onze-Lieve-Heer enz. Op het eerste moment is men geneigd om
dat als religieuze
grootheidswanen te duiden, zoals ook de deskundige op grond van de
indruk bij
het verhoor van Seeliger deed. Feitelijk kan echter van waanideeën
geen sprake
zijn; Seeliger bedient zich slechts symbolisch van deze namen, in een
dichterlijke vrijheid, hij speelt als het ware de rol van het Lam enz.
De
belangrijkste symptomen, die bij Seeliger zijn vast te stellen, zijn
dus de ziekelijk
opgewekte stemming en het toegenomen gevoel van eigenwaarde, het
wegvallen van
allerlei remmingen en het opgewonden spreken, met een aanduiding van
ideeënvlucht.
Dat zijn echter ook de belangrijkste symptomen van de als manie bekende
geestesziekte. Wat aan het beeld van de klassieke manie bij Seeliger
ontbreekt,
is alleen de psychomotore opwinding, of liever gezegd, die uit zich bij
Seeliger alleen in zijn toegenomen spraaklust, terwijl die bij de
volledig
uitgerijpte manie in alle uitdrukkingsvormen aanwezig is en op razernij
kan
uitlopen. Bij dit ziektebeeld bestaan echter allerlei gradaties, en bij
Seeliger is dus een lichte, onvolledig ontwikkelde vorm aanwezig, een
hypomanie.
Van
doorslaggevende
betekenis voor de vraag,
of het werkelijk om een psychose gaat, is het bewijs, dat vanaf een bij
benadering vast te stellen tijdstip, een werkelijke verandering van de
persoonlijkheid
is opgetreden. Dat bewijs is volgens mij door de verklaringen van de
door mij
gehoorde personen geleverd. Zij gaven aan, dat Seeliger ongeveer sinds
de
herfst van 1921 was veranderd; met name mevrouw Seeliger vertelde mij
bij haar
eerste verhoor op een volstrekt onbevangen manier, dat haar man heel
anders was
geweest dan vroeger; het was alsof hij dronken was geweest van het
idee, had
veel meer gepraat, onfatsoenlijke uitdrukkingen gebruikt, zich ook bij
haar als
het Lam, als Onze-Lieve-Heer betiteld. Een zekere conclusie wordt ook
mogelijk
gemaakt door het lezen van zijn boeken. In zijn vroegere werken valt
ook al
hier en daar de neiging van de schrijver op tot een grove en
oorspronkelijke
manier van uitdrukken, de staatsinstellingen krijgen er nogal van
langs, in
“Zwei richtige Menschen” (1909) komt ook al „de echte Onze-Lieve-Heer“
op een
lollige manier voor, maar het is nog maar op een paar plaatsen, die
ongedwongen
in het verhaal passen. Pas in de roman “Die Diva und der Diamant”
treden de ideeën
over de staat en de vrije mensheid, aan het slot ook het opdringerige
benadrukken van de eigen persoon, opvallend aan het licht, in de
volgende
boeken nemen de eigenaardigheden nog toe, terwijl, volgens mij, de
kunstzinnige
kwaliteiten afnemen. Ik merk op, dat ik het ongeoorloofd vond, om uit
zijn
boeken de psychose te diagnosticeren, daarentegen is de aanwijzing,
zoals ook uit
de, op een andere manier vastgestelde psychose, uit zijn boeken blijkt,
niet
alleen toelaatbaar – maar met het oog op de forensische beoordeling –
zelfs
noodzakelijk. Omdat „Die Diva u. der Diamant” in september 1921 werd
voltooid
en volgens de verklaring van de vrouw van Seeliger, de verandering in
zijn
karakter ongeveer in de herfst van 1921 plaats vond, blijkt dit zeer
goed met
elkaar overeen te stemmen.
Men
kan
het dus als
bewezen beschouwen, dat
de huidige toestand van Seeliger overeenkomt met het beeld van een –
zij het
ook onvolledig ontwikkelde – manie en dat het ziekteproces ongeveer in
de
herfst van 1921 aan het licht is getreden.
Nu
volgt daar als tweede
vraag uit, of
daardoor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid wordt opgeheven. Bij
een
volledig ontwikkelde manie is dat vanzelfsprekend, bij een licht geval
– zoals
het onderhavige – is een nader onderzoek noodzakelijk. De ziekelijke
stoornissen mogen dan wel bij een oppervlakkige beschouwing slechts
onbeduidend
lijken, maar zij zijn wel van grote invloed op het handelen. De eufore
stemming, de zelfoverschatting, en de psychische opwinding bepalen een
verhoogde activiteit en drijven de manische persoon tot daden, die de
gezonde
zou nalaten, omdat de tegenstrevende remmingen (het rekening houden met
het
gevoel van anderen, met zeden en gewoonten, met eventuele onaangename
gevolgen
enz.) grotendeels wegvallen. Daarbij komt het natuurlijk ook op de
soort van
handeling aan. Iemand als Seeliger, zou ondanks de hypomane toestand,
een lage
daad, die bij het prepsychotische karakter niet voor de hand ligt, niet
begaan,
omdat er wat dat betreft zeker toereikende remmingen aanwezig zijn.
Anders
echter ligt het bij het hem ten laste gelegde strafbare feit. Dat hij
zich b.v.
over bestaande instellingen vrolijk maakt, ook op een ietwat grove
manier, ligt
helemaal in zijn aard, maar hij heeft dat vóór het
optreden van de psychose
nooit op een aanstootgevende manier gedaan. De psychose vergroot de
neiging tot
in het pathologische, hij maakt zich overal vrolijk over,
blijft nergens
voor staan, de grappen zijn eerder slecht dan goed, de grofheid neemt
tot
goorheid en onsmakelijkheid toe. Daarbij is het fijnere gevoel daarvoor
erbij
ingeschoten, hij kan zijn positie niet meer objectief beoordelen, en
gelooft
zelfs de mensheid een dienst te bewijzen, terwijl hij eigenlijk alleen
zichzelf
en zijn reputatie schaadt. Ik ben dus van mening, dat het schrijven en
publiceren van de drukwerken in kwestie, in overwegende mate een
uitvloeisel
zijn van de door de psychose bepaalde ziekelijke verandering van zijn
persoonlijkheid zijn en dat Seeliger daarvoor niet strafrechtelijk
verantwoordelijk kan worden gehouden.
Ik
vat
mijn rapport als
volgt samen:
SeeIiger bevond zich ten tijde van het begaan van
het hem ten
laste gelegde strafbaar feit, (en bevindt zich daar thans nog steeds)
in een
toestand van een lichte manische opwindingstoestand (hypomanie),
waardoor zijn
wilsvrijheid was uitgesloten.
Haar, 2
maart
1923