Het
Otto Preminger Instituut
versus
Oostenrijk
ARTIKELEN:
10 ; 26
Het
Europese Hof voor Rechten van de Mens,
zitting houdend, in overeenstemming met Artikel 43 van het Verdrag voor
de
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
(“het
Verdrag”) en de relevante bepalingen van de Regels van het Hof, als
Kamer
bestaande uit de volgende rechters: Mr. R. Ryssdal, President, Mr. F.
Gulklu, Mr.
F. Matscher, Mr. B. Walsh, Mr. R. Macdonald, Mrs. E. Palm, Mr. R.
Pekkanen, Mr.
J. Makarczyk, Mr. D. Gotchev, en tevens Mr. M.-A. Eissen, Griffier, en
Mr. H.
Petzold, Plaatsvervangend Griffier,
[...]
Wijst
het volgende vonnis, dat op 23 August
1994 werd aangenomen:
PROCEDURE
1. De
zaak werd bij het Hof aanhangig
gemaakt door de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens (“de
Commissie”)
op 7 april 1993 en door de regering van de Republiek Oostenrijk (“de
Regering”)
op 14 mei 1993, binnen de termijn van drie maanden, die is vastgelegd
in
Artikel 32 par. 1 en Artikel 47 van het Verdrag. De zaak kwam voort uit
een dagvaarding
(no. 13470/87) tegen Oostenrijk gedeponeerd bij de Commissie onder
Artikel 25
op 6 oktober 1987 door een particuliere vereniging als rechtspersoon
onder
Oostenrijkse wet, het Otto Preminger Instituut voor Audiovisuele
Mediaproductie
(OPI).
[...]
Het doel van het rekwest en de eis, was
het verkrijgen van een beslissing over de vraag of de feiten van de
zaak een
schending van de gedaagde Staat van haar verplichtingen onder Artikel
10 vertoonden.
2. -
8.
[paragrafen 2 - 8 beschrijven de
gedragslijn voor het Hof, en in het bijzonder de uitwisseling van
nota’s en
andere overgelegde stukken tussen de partijen, de samenstelling van de
Raadkamer
van het Hof, en de namen van de personen die de partijen
vertegenwoordigden.
OVER
DE
FEITEN
I.
De bijzondere omstandigheden van de
zaak
9. De
eiser, het Otto Preminger Instituut
voor audiovisuele Mediaproduktie (OPI) is een particuliere vereniging
onder de
Oostenrijkse wet gevestigd in Innsbruck. Volgens de verenigingsstatuten
is een het
een organisatie zonder winstoogmerk en haar algemene doel is het
bevorderen van
creativiteit, communicatie en amusement door middel van audiovisuele
media.
Haar activiteiten omvatten tevens het exploiteren van een bioscoop,
“Cinematograph”
genaamd, in Innsbruck.
10.
De
eisende vereniging heeft een reeks
van zes voorstellingen van de film Das Liebeskonzil (“Het
Liefdesconcilie”) van
Werner Schroeter aangekondigd, die voor het algemene publiek
toegankelijk
zouden zijn. (zie paragraaf 22, hieronder) De eerste van deze
voorstellingen
was gepland op 13 mei 1985. Ze zouden allemaal plaatsvinden om 22.00
uur,
behalve één matineevoorstelling op 19 mei om 16.00 uur.
De
aankondiging werd gedaan in een
informatiebulletin, dat door het OPI onder haar 2700 leden was
verspreid en door
middel van verscheidene affiches, dat van de Cinematograph zelf
inbegrepen. Het
bevatte de volgende tekst:
"Oskar
Panizza's satirische tragedie, die
zich in de hemel afspeelt, is een verfilming door Werner Schroeter van
een
voorstelling door het Teatro Belli in Rome en geplaatst in de context
van een
reconstructie van de rechtszaak en veroordeling in 1895 van de
schrijver voor
godslastering. Panizza gaat uit van de veronderstelling, dat syfilis de
straf
van God was voor de ontucht en zondigheid van de mens ten tijde van de
Renaissance, met name aan het hof van de Borgia-paus Alexander VI. In
Schroeters film lijken de vertegenwoordigers van God op aarde, die de
onderscheidingstekenen van het wereldse gezag dragen, zeer nauw op de
hemelse
hoofdpersonen.
Op
een
karikaturale manier worden triviale denkbeelden
en absurditeiten van het christelijk geloof tot mikpunt gemaakt en
wordt het
verband tussen godsdienstig geloof en wereldse mechanismen van
onderdrukking onderzocht.
“
Als
toevoeging bevatte het informatiebulletin
een verklaring om aan te geven dat het, in overeenstemming met de
Tiroler
Filmwet, personen onder de zeventien verboden is de film te zien.
Ook
een
regionale krant vermeldde de titel
van de film en datum en plaats, waarop de voorstelling zou plaats
vinden,
zonder wat betreft de inhoud enige bijzonderheden te verstrekken.
11.
Op
verzoek van het diocees van de Rooms
Katholieke kerk te Innsbruck, stelde de openbare aanklager een
strafrechtelijk
onderzoek in tegen de manager van het OPI, Mr. Dietmar Zingl, op 10 mei
1985.
De tenlastelegging was “het in diskrediet brengen van een godsdienstig
leerstelsel”,
een handeling verboden op grond van sectie 188 van het Wetboek van
Strafrecht
(zie paragraaf 25, hieronder).
12.
Op 12 mei 1985, nadat de film op een
besloten zitting in aanwezigheid van de dienstdoende rechter was
vertoond, diende
de openbare aanklager een verzoek tot inbeslagneming in, onder sectie
36 van de
Mediawet (Mediengesetz – zie paragraaf 29 beneden). Dit verzoek werd
dezelfde
dag door het Regionale Hof van Innsbruck toegewezen. Als gevolg daarvan
konden
de openbare voorstellingen, die door het OPI waren aangekondigd, en
waarvan de
eerste voor de volgende dag was vastgesteld, niet plaats vinden.
Degenen
die aanwezig waren op de tijd, dat de
eerste voorstelling was gepland, werden in plaats daarvan onthaald op
het
voorlezen van het script en een discussie.
Toen
Mr. Zingl de film naar de distributeur,
de firma “Czerny” in Wenen, had teruggestuurd, werd die op 11 juni 1985
in
bovengenoemd pand daadwerkelijk in beslag genomen.
13.
Een
beroep van mr. Zingl tegen het inbeslagnemingbevel,
gedeponeerd bij het Hof van Beroep in Innsbruck, werd op 30 juli 1985
afgewezen. Het Hof van Beroep was van oordeel dat de artistieke
vrijheid
noodzakelijkerwijs werd beperkt door het recht van anderen op vrijheid
van
godsdienst en door de plicht van de Staat om een maatschappij,
gebaseerd op
orde en verdraagzaamheid, te waarborgen. Het oordeelde verder dat
verontwaardiging alleen “gerechtvaardigd” was, volgens de strekking van
sectie
188 van het strafrecht, als het de bedoeling was om de godsdienstige
gevoelens
van een gemiddeld persoon met een normaal godsdienstig gevoel te
kwetsen. Aan
die voorwaarde werd in onderhavige zaak voldaan en verbeurdverklaring
van de film
kon in beginsel worden gelast, tenminste in een “objectief proces” (zie
paragraaf 28 hieronder). Het op grote schaal de spot drijven met
godsdienstige
gevoelens, woog zwaarder, dan welk belang het algemene publiek ook bij
informatie mocht hebben of dan het financiële belang van personen die
de film
wilden vertonen.
14.
Op
24 oktober 1985 werd de strafrechtelijke
vervolging tegen Mr. Zingl opgeschort en de zaak werd voortgezet in de
vorm van
een “objectief proces” onder sectie 33 par. 2 van de Mediawet, met de
bedoeling
de film te verbieden.
15.
Op
10 oktober 1986 vond een openbare
behandeling plaats voor het Regionale Hof van Innsbruck. De film werd
opnieuw
in een besloten zitting vertoond; de inhoud werd tot in detail in het
officiële
verslag van de zitting beschreven.
Mr.
Zingl verscheen in het officiële verslag
van de zitting als getuige. Hij beweerde dat hij na het
inbeslagnemingbevel de
film naar de distributeur had teruggestuurd, omdat hij met de hele zaak
niets
meer te maken wilde hebben.
Uit
het
vonnis – dat dezelfde dag werd
overhandigd – bleek dat men Mr. Zingl als een “ potentieel
aansprakelijke
belanghebbende partij” beschouwde
Het
Regionale Hof achtte bewezen dat de
distributeur van de film afstand had gedaan van zijn recht om te worden
gehoord
en dat hij had ingestemd met de vernietiging van zijn kopie van de film.
16.
In
zijn uitspraak gelastte het Regionale
Hof de verbeurdverklaring van de film. Het stelde:
"De
openbare voorstelling van Das
Liebeskonzil, die voor 13 mei 1985 was vastgesteld, waarin God de Vader
zowel
uiterlijk als in de tekst werd voorgesteld als een seniele, impotente
idioot,
Christus als een debiel en Maria, de Moeder van God als een wulpse
dame, met
een bijpassende manier van expressie en waarin de Eucharistie
belachelijk wordt
gemaakt, viel binnen de definitie van de strafrechtelijke overtreding
van het
in diskrediet brengen van godsdienstige leerstelsels, als vastgelegd in
sectie
188 van het Wetboek van Strafrecht.”
De
redenering van het Hof hield het volgende
in:
"Aan
de
voorwaarden van sectie 188 van
het Wetboek van Strafrecht is objectief voldaan door deze wijze van
afschilderen
van de goddelijke personen – God de Vader, Maria de Moeder van God en
Jezus
Christus zijn de centrale figuren in de Rooms Katholieke leer en
praktijk, en
zijn daardoor van het meest wezenlijke belang, ook wat het godsdienstig
besef
van de gelovigen betreft – en tevens door de bovenvermelde uitingen
betreffende
de Eucharistie, dat een van de meest belangrijke mysteries van de Rooms
Katholieke godsdienst is, met name dus met het oog op het algemene
karakter van
de film als een aanval op Christelijke godsdiensten…,
...
Artikel 17a van de Grondwet waarborgt de
vrijheid van artistieke expressie en van publicatie en onderricht van
kunst. De
omvang van de artistieke vrijheid werd (door de invoering van dat
artikel) in een
zodanige mate uitgebreid, dat elke vorm van artistieke expressie wordt
beschermd en dat beperkingen van artistieke vrijheid niet langer
mogelijk zijn
door middel van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, maar
uitsluitend een
gevolg mogen zijn van de, aan die vrijheid onafscheidelijk verbonden,
beperkingen….. Artistieke vrijheid kan niet onbeperkt zijn. De
beperkingen van
de artistieke vrijheid zijn op de eerste plaats te vinden in andere
basale
rechten en vrijheden, die door de Grondwet zijn gewaarborgd (zoals
vrijheid van
godsdienst en van geweten), ten tweede, uit de behoefte aan een
geordende vorm
van een, op verdraagzaamheid gebaseerde, menselijke coëxistentie, en
uiteindelijk
bij onloochenbare en buitengewone schendingen van andere door de wet
beschermde
belangen, waarbij in elke zaak de specifieke omstandigheden tegen
elkaar moeten
worden afgewogen, en waarbij met alle relevante overwegingen rekening
dient te
worden gehouden …..
[...]"
17.
Mr.
Zingl ging tegen het vonnis van het
Regionale Hof in beroep, waarbij hij een door ongeveer 350 personen
getekende
verklaring overlegde, waarin zij protesteerden tegen het feit dat hen
een vrije
toegang tot een kunstwerk was verhinderd, en waarin zij beweerden dat
sectie
188 van het Wetboek van Strafrecht niet was geïnterpreteerd in
overeenstemming
met de waarborg van vrijheid van kunsten, zoals vastgelegd in Artikel
17a van
de Grondwet.
Het
Hof
van Beroep van Innsbruck verklaarde
het beroep ontoegankelijk op 25 maart 1987. Het vond dat Mr. Zingl geen
recht
van spreken had, omdat hij niet de eigenaar van het copyright van de
film was. Het
vonnis werd op 7 april 1987 aan het OPI bekend gemaakt.
18.
Op
instigatie van de aan de vereniging
toegevoegde advocaat, schreef de toenmalige Minister van Onderwijs,
Kunst en
Sport, Dr. Hilde Hawlick, een persoonlijke brief aan de
Procureur-generaal,
waarin ze voorstelde een nietigverklaring van het vonnis in te dienen,
om de
wet voor het Hooggerechtshof te waarborgen. De brief was gedateerd op
18 mei
1987 en maakte, onder andere, vermelding van Artikel 10 van de Grondwet.
De
Procureur-generaal besliste op 26 juli
1988, dat er geen gronden waren voor een dergelijke nietigverklaring.
Het
besluit maakte, onder andere, melding van het feit, dat het departement
van de Procureur-generaal
lange tijd van mening was geweest dat artistieke vrijheid door andere
grondrechten wordt beperkt en verwees naar de rechterlijke beslissing
van het
Hooggerechtshof in de zaak betreffende de film Das Gespenst (”Het
Spook,” – zie
paragraaf 26, hieronder); naar de mening van de Procureur-generaal had
het
Hooggerechtshof die mening “in ieder geval niet afgekeurd.”
19.
Sindsdien hebben in Oostenrijk, van het
oorspronkelijke toneelstuk, twee toneelopvoeringen plaatsgevonden: in
Wenen in
november 1991, en in Innsbruck in oktober 1992. In Wenen ondernamen de
gerechtelijke autoriteiten geen actie. In Innsbruck werden door
particulieren
een aantal strafrechtelijke klachten ingediend; vooronderzoek werd
uitgevoerd,
waarna de gerechtelijke autoriteiten besloten van het proces af te zien.
II.
De
film "Das Liebeskonzil"
("Het Liefdesconcilie")
20.
Het
toneelstuk waarop de film is
gebaseerd werd geschreven door Oskar Panizza en uitgegeven in 1894. In
1985
werd Panizza door het Hof van Assisen van München schuldig bevonden aan
“misdaden tegen de godsdienst” en tot een gevangenisstraf veroordeeld.
Het stuk
werd in Duitsland verboden, hoewel het elders gedrukt bleef worden.
21.
Het
toneelstuk schildert God de Vader af
als oud, zwak en onbekwaam, Jezus Christus als een weinig intelligent
“moederskindje” en de Maagd Maria, die onmiskenbaar de leiding heeft,
als een gewetenloze
lichtekooi. Gezamenlijk besluiten ze dat het mensdom voor haar
zedeloosheid
moet worden gestraft. Ze verwerpen de mogelijkheid van een totale
vernietiging,
ten gunste van een straf die het mensdom “de behoefte tot verlossing”
en “in
staat tot verlossing” zal laten. Niet in staat om zelf een dergelijke
straf te
bedenken, besluiten ze de hulp van de Duivel in te roepen.
De
Duivel stelt het idee van een seksueel
overdraagbare besmetting voor, zodat mannen en vrouwen elkaar zullen
besmetten,
zonder dat ze dat beseffen; hij cohabiteert met Salomé om een dochter
te
verwekken, die de ziekte onder het mensdom zal verspreiden. De
symptomen, zoals
die door de Duivel worden beschreven, zijn de symptomen van syfilis.
Als
beloning eist de Duivel vrijheid van
gedachten; Maria zegt dat ze “erover na zal denken”. Vervolgens stuurt
de
Duivel zijn dochter erop uit, om haar werk te doen, eerst onder degenen
die het
wereldse gezag vertegenwoordigen, vervolgens aan het hof van de Paus,
bij de
bisschoppen, de nonnen- en monnikenkloosters en ten slotte bij het
gewone volk.
22.
De
film, geregisseerd door Werner Schroeter,
kwam uit in 1981 en begint en eindigt met scènes, die voorgeven, dat ze
ontleend zijn aan het strafproces tegen Panizza in 1895. Daar tussenin,
laat het
een uitvoering van het toneelstuk zien door het Teatro Belli in Rome.
De film
schildert de God af van de Joodse, de Christelijke en de Islamitische
godsdienst, als een kennelijk seniele grijsaard, die voor de Duivel in
het stof
buigt, waarmee hij een innige kus uitwisselt en waarbij hij de Duivel
zijn
vriend noemt. Hij wordt ook afgeschilderd als iemand die bij de Duivel
zweert.
Andere scènes laten de Maagd Maria zien die toestaat, dat haar een
obsceen
verhaal wordt voorgelezen en de uiting van een zekere erotische
spanning tussen
de Maagd Maria en de Duivel. De volwassen Jezus Christus wordt
afgeschilderd
als een zwakbegaafde zwakzinnige en in een scène wordt getoond hoe hij
wellustig probeert de borsten van zijn moeder te strelen en te kussen,
wat zij
lijkt toe te staan. In de film wordt getoond hoe God, de Maagd Maria en
Christus voor de Duivel applaudisseren.
III.
Relevante Oostenrijkse wetten en
gebruiken
23.
Godsdienstvrijheid wordt gewaarborgd
door Artikel 14 van de Grondwet, waarin staat:
"(1)
Voor iedereen wordt een volstrekte
vrijheid van geloof en geweten gewaarborgd.
(2)
Het genieten van burgerlijke en
politieke rechten zal onafhankelijk zijn van het belijden van
godsdiensten,
hoewel een belijden van godsdienst de burgerlijke plichten niet in de
weg mag
staan.
(3)
Niemand zal verplicht worden enige
kerkgerelateerde handeling te verrichten of deel te nemen aan enige
kerkgerelateerde viering, behalve in overeenstemming met een wettig
gezag van
een persoon aan wiens gezag hij is onderworpen.”
24.
Artistieke vrijheid wordt gewaarborgd
door Artikel 17a van de Grondwet, dat bepaalt:
"Er
zal
vrijheid van artistieke creatie
bestaan en van het publiceren en onderrichten van kunst.”
25.
Sectie 188 van het Wetboek van
Strafrecht luidt als volgt:
"Wie,
onder omstandigheden waarin zijn
gedrag waarschijnlijk aanleiding geeft tot terechte verontwaardiging,
iemand of
iets in diskrediet brengt of beledigt, die voorwerp van verering zijn
van een
in het land gevestigde kerk of een godsdienstige gemeenschap, of een
dogma, een
rechtmatig gebruik of een rechtmatige instelling van een dergelijke
kerk of
godsdienstige gemeenschap, zal onderworpen worden aan een
gevangenisstraf van
maximaal zes maanden of een geldboete van maximaal 360 dagen loon.”
26.
Het
hoofdvonnis van het Hooggerechtshof
over het verband tussen bovengenoemde twee bepalingen werd gewezen, na
een pleidooi
voor nietigverklaring om de wet te waarborgen, dat was ingediend door
de Procureur-generaal
in een zaak betreffende de verbeurdverklaring van de film Das Gespenst
(“Het
Spook”) van Herbert Achternbusch. Hoewel het pleidooi op zuiver formele
gronden
werd afgewezen, zonder enige uitspraak over de verdiensten, bleek
indirect uit
het vonnis dat, als een kunstwerk inbreuk maakt op de vrijheid van
godsdienstuitoefening, gewaarborgd door Artikel 14 van de Grondwet, het
een
misbruik van de vrijheid van artistieke expressie kan betekenen en
daarom
strijdig met de wet kan zijn (vonnis van 19 december 1985, Medien und
Recht
(Media en Wet) 1986, no. 2, p. 15)
27.
Een
mediaovertreding wordt gedefinieerd
als “een handeling die waarschijnlijk tot een gerechtelijke straf
leidt,
verricht door de inhoud van publicatiemedium, bestaande uit een
mededeling of
voorstelling, bedoeld voor een redelijk groot aantal personen” (sectie
1, par.
12 van de Mediawet). De strafrechtelijke waarschijnlijkheid voor
dergelijke
overtredingen wordt bepaald volgens de algemene Strafwet, voor zoverre
het geen
afbreuk doet of bijdraagt aan speciale bepalingen van de Mediawet
(sectie 28
van de Mediawet).
28.
Een
specifieke sanctie, die door de
Mediawet wordt verschaft, is verbeurdverklaring van de betreffende
publicatie
(sectie 33). Verbeurdverklaring mag worden gelast bovenop elke normale
sanctie
onder het Wetboek van Strafrecht (sectie 33, par. 1)
Als
vervolging of veroordeling van enige
persoon voor een strafrechtelijke overtreding niet mogelijk is, kan
verbeurdverklaring ook worden gelast in een afzonderlijk zogenaamde
“objectief”
proces voor het verbod op een publicatie, zoals voorzien wordt onder
sectie 33,
par. 2 van de Mediawet, […]
29.
De
inbeslagneming van een publicatie mag,
hangende de beslissing tot verbeurdverklaring, worden uitgevoerd
volgens sectie
36 van de Mediawet, die luidt:
"1.
Het
Hof mag gelasten tot inbeslagneming
van kopieën, die bestemd zijn om onder het publiek te worden verspreid,
van een
werk, dat door de media is gepubliceerd, als kan worden aangenomen dat
verbeurdverklaring, als gevolg van sectie 33, zal worden gelast en als
de
nadelige gevolgen van een dergelijke inbeslagneming in verhouding staan
tot de
daarmee gediende belangen. Tot inbeslagneming mag in geen enkel geval
worden
overgegaan, als dergelijke rechtmatige belangen ook kunnen worden
gediend, door
publicatie van een kennisgeving, aangaande de genomen strafrechtelijke
stappen.
2.
Inbeslagneming vooronderstelt het eerdere
of gelijktijdige nemen van strafrechtelijke of objectieve stappen
aangaande een
overtreding van de media en een uitdrukkelijke toepassing van dat
gevolg, door
de openbare aanklager of de klager, in afzonderlijke processen.
3.
Het
besluit tot het gelasten van inbeslagneming
moet de passage of het gedeelte van het gepubliceerde werk vermelden en
de vermoedelijke
overtreding, die tot inbeslagneming heeft geleid….
4-5.
..."
30.
De
algemene wet voor een
strafrechtelijke procedure geldt voor de vervolging van overtredingen
door de
media en voor een objectief proces. Hoewel in een objectief proces de
eigenaar
of uitgever van het gepubliceerde werk niet van enige strafrechtelijke
overtreding wordt beschuldigd, wordt hij als een volledige partij
behandeld, krachtens
sectie 41 par. 5, die luidt:
"[In
een strafrechtelijk proces of
objectief proces aangaande een overtreding van de media] zal de
eigenaar van
het medium (uitgever) voor de hoorzitting worden gedagvaard; Hij zal de
rechten
van de beklaagde hebben; hij zal in het bijzonder recht hebben op
dezelfde
verdediging als de beklaagde en om in beroep te gaan tegen het vonnis
op grond
van….”
PROCES
VOOR DE COMMISSIE
31.
De
eisende vereniging wendde zich tot de
Commissie op 6 oktober 1987. Zij voerde inbreuk op Artikel 10 van het
Verdrag
aan.
32.
Op
12 april 1991 verklaarde de Commissie
de klacht (no. 13470/87) ontvankelijk.
In
het
verslag, aanvaard op 14 januari 1993
(Artikel 31) gaf de Commissie uitdrukking aan de mening, dat er inbreuk
op
Artikel 10 had plaatsgevonden:
(a)
met betrekking tot de inbeslagneming
van de film (negen tegen vijf stemmen)
(b)
met betrekking tot de
verbeurdverklaring van de film (dertien tegen één stem)
[...]
SLOTOVERWEGINGEN
VOOR HET HOF
33.
De
Regering verzocht in haar
verzoekschrift, het Hof om de aanklacht op procedurele gronden te
verwerpen, of
anders te stellen, dat er geen inbreuk op Artikel 10. 34 was gemaakt.
Tijdens
de hoorzitting vroeg de klager het Hof om te verklaren dat de
inbeslagneming en
verbeurdverklaring van de film een schending van de verplichtingen van
Oostenrijk
van Artikel 10 waren en dat er een rechtmatige genoegdoening verschaft
diende
te worden.
MET
BETREKKING TOT DE WET
I.
DE INLEIDENDE BEZWAREN VAN DE
REGERING
35.
De
Regering hield staande dat de
aanklacht, die op 6 oktober 1987 werd ingediend (zie paragraaf 31,
hierboven)
bij de Commissie was gedeponeerd na het verstrijken van de zesmaands
limiet,
die is vastgelegd in Artikel 26 van het Verdrag, dat luidt:
[tekst
van Artikel 26 van het Verdrag]
[...]
A. Of
de Commissie is belemmerd, met het
zich verlaten op haar alternatieve overweging
36.
De
afgevaardigde van de Commissie opperde,
dat overwogen moest worden, dat de Regering was belemmerd met het
inroepen van
haar alternatieve pleidooi, dat niet binnen de toegestane periode voor
de
Commissie was gehouden. In haar ogen, moest het feit dat de Regering
een bezwaar
had ingediend, gebaseerd op de tijdlimiet van zes maanden, zoals
vastgelegd in
Artikel 26, als onvoldoende worden beschouwd, aangezien het toen
aangehaalde
bewijs op andere feiten was gebaseerd, dan waar nu op werd gesteund.
37.
Het
Hof neemt kennis van dergelijke
bezwaren, als en in zoverre de aansprakelijke Staat die bezwaren al
voldoende
helder heeft uiteengezet voor de Commissie, voor zover hun aard en
omstandigheden toestonden. Dit zou in het stadium van de aanvang van
het
onderzoek naar geoorloofdheid normaal gedaan moeten worden (zie, onder
vele
andere arresten, de zaak Bricmont versus België ….)
Hoewel
de Regering voor de Commissie een
beroep deed op de zes-maanden-regel, steunde zij alleen op het vonnis
van het
Hof van Beroep van Innsbruck van 30 juli 1985. Er was niets dat hen kon
verhinderen om tegelijkertijd hun alternatieve bewijs te voorschijn te
halen. Daaruit
blijkt dat zij voor het Hof met die manier van handelen zijn gehinderd
(zie, voor
het meest recente voorbeeld het arrest in de zaak Papamichalopoulos en
anderen
versus Griekenland).
B. Of
het hoofdpleidooi van de Regering
goedgefundeerd is
38.
Het
argument van de Regering is in feite
dat het OPI geen “slachtoffer” van de verbeurdverklaring van de film
is, in
tegenstelling tot van de inbeslagneming ervan.
39.
Iemand kan terecht beweren dat hij
“slachtoffer” is van een aantasting van de uitoefening van zijn rechten
onder
het Verdrag, als hij onmiddellijk wordt getroffen door de zaken die,
zoals
wordt beweerd, de aantasting vormen (zie, onder anderen en mutatis
mutandis het
arrest Norris versus Ierland…., en de Open Door en Dublin Well Woman
versus
Ierland…) Hoewel de eisende vereniging noch de eigenaar, van het
copyright,
noch van de verbeurdverklaarde kopie van de film, was, werd zij direct
getroffen door het besluit tot verbeurdverklaring, wat het gevolg had
dat zij
de film nooit in haar bioscoop in Innsbruck zou kunnen vertonen, en
trouwens
nergens in Oostenrijk. Bovendien was de inbeslagneming een voorlopige
maatregel, waar de rechtsgeldigheid van werd bevestigd door de
verbeurdverklaring; die twee kunnen niet van elkaar worden gescheiden.
Tenslotte is het niet zonder betekenis dat de manager van de eisende
vereniging
in het vonnis van het Regionale Hof van 10 oktober 1986, in het
verbeurdverklaringproces
wordt opgevoerd als een “potentieel aansprakelijke belanghebbende
partij” (zie
paragraaf 15, hierboven)
De
eisende vereniging kan daarom terecht
beweren, dat zij “slachtoffer” van de verbeurdverklaring van de film,
alsmede
van de inbeslagneming ervan is.
41.
Uit
het voorgaande volgt dat de “eindbeslissing”
ten dienste van Artikel 26 het vonnis was, dat door het Hof van Beroep
van
Innsbruck op 25 maart 1987 werd gewezen en aan het OPI op 7 april werd
bekend
gemaakt (zie paragraaf 17, hierboven). In overeenstemming met haar
gebruikelijke praktijk, besloot de Commissie, dat de uitvoering van het
vonnis,
dat binnen zes maanden na de laatste datum was gedeponeerd, binnen de
vereiste
tijd was ingediend. Het aanvankelijke bezwaar van de Regering moest
dientengevolge worden verworpen.
II.
VERMEENDE INBREUK OP ARTIKEL 10
42.
De
eisende vereniging merkte op, dat de inbeslagneming
en daaropvolgende verbeurdverklaring van de film Dat Liebeskonzil,
aanleiding
gaf tot inbreuk op haar recht op vrijheid van meningsuiting, zoals
gewaarborgd
door Artikel 10 van het Verdrag, dat bepaalt:
[tekst
van Artikel 10 van het Verdrag] A. Of
er “aantasting” is gepleegd op de vrijheid van meningsuiting van de
eisende
vereniging
43.
Ofschoon de Regering voor de Commissie
het bestaan van een aantasting van de uitoefening van de eisende
vereniging van
haar recht op vrije meningsuiting had toegegeven, slechts ten aanzien
van de inbeslagneming
van de film en ofschoon hetzelfde punt werd gesteld in hun inleidende
bezwaar
(zie paragraaf 35, hierboven), stond het voor het Hof buiten kijf dat,
als het
inleidend bezwaar werd verworpen, zowel de inbeslagneming als de
verbeurdverklaring een dergelijke aantasting vormden.
Dergelijke
aantastingen zullen leiden tot
een inbreuk op Artikel 10 als ze niet voldoen aan de vereisten van
paragraaf 2.
Het Hof moet daarom op haar beurt onderzoeken of de aantastingen “door
de wet
waren voorgeschreven”, of ze een doel beoogden dat rechtmatig was en of
ze “in
een democratische maatschappij noodzakelijk” waren voor het bereiken
van dat
doel.
B. Of
de aantastingen “door de wet waren
voorgeschreven”
44.
De
eisende vereniging ontkende dat de
aantastingen “door de wet waren voorgeschreven”, en beweerde dat sectie
188 van
het Oostenrijkse Wetboek van Strafrecht onjuist was toegepast. Op de
eerste
plaats was het volgens haar twijfelachtig of een kunstwerk, dat op een
satirische wijze afrekent met personen of voorwerpen van godsdienstige
verering,
ooit als “in diskrediet brengend of kwetsend” zou kunnen worden
beschouwd. Ten
tweede zou verontwaardiging niet “gerechtvaardigd” kunnen worden bij
personen
die, uit eigen vrije wil ermee hebben ingestemd, om de film te zien of
te
beslissen dat niet te doen. Ten derde was aan het recht op artistieke
vrijheid,
zoals gewaarborgd in Artikel 17a van de Grondwet, onvoldoende gewicht
toegekend.
45.
Het
Hof herhaalt dat het op de eerste
plaats aan de nationale autoriteiten is, met name aan de gerechtshoven,
om de nationale
wet te interpreteren en uit te voeren (zie als meest recente arrest, de
zaak
Chorherr versus Oostenrijk…)
De
Gerechtshoven van Innsbruck moesten een
evenwicht vinden tussen het recht op artistieke vrijheid en het recht
op
respect voor godsdienstige geloven, zoals gewaarborgd door Artikel 14
van de
Grondwet. Het Hof vond, net als de Commissie, dat er geen gronden waren
aangevoerd om vol te kunnen houden, dat de Oostenrijkse wet onjuist was
toegepast.
C. Of
de aantastingen een “rechtmatig doel”
hadden
46.
De
Regering hield staande dat de inbeslagneming
en verbeurdverklaring van de film het doel hadden om “de rechten van
anderen te
beschermen”, in het bijzonder het recht op respect voor de
godsdienstige
gevoelens van een ander, en voor “het voorkomen van ongeregeldheden”.
47.
Zoals het Hof in haar vonnis in de zaak
Kokkinakis versus Griekenland van 25 mei 1993 (...), erop wees dat de
vrijheid
van gedachten, geweten en godsdienst, die wordt gewaarborgd onder
Artikel 9 van
het Verdrag, een van de fundamenten van een “democratische
maatschappij” is,
binnen de betekenis van het Hof. Het is, binnen haar godsdienstige
dimensie,
een van de meest vitale elementen, die de identiteit van de gelovigen
en hun
levensopvatting vormen.
Degenen
die ervoor kiezen om van hun
vrijheid gebruik te maken om hun godsdienst aan de dag te leggen,
afgezien van
het feit of zij dat doen als leden van een godsdienstige meerderheid of
minderheid, kunnen redelijkerwijs niet verwachten dat zij van alle
kritiek zijn
ontheven. Zij moeten de weigering door anderen van hun godsdienstige
geloof
dulden en accepteren, zelfs de verspreiding door anderen van
leerstelsels die
vijandig ten opzichte van hun geloof staan.
De
manier echter waarop godsdienstige
geloven en leerstelsels worden bestreden of afgewezen, is een zaak
waarin de
verantwoordelijkheid van de Staat kan worden betrokken, met name zijn
verantwoordelijkheid om de aanhangers van die geloven en leerstelsels
van een
vreedzaam genieten van hun recht, gewaarborgd onder Artikel 9, te
verzekeren.
In extreme gevallen kan het gevolg van bijzondere manieren om
godsdienstige
geloven te bestrijden of af te wijzen inderdaad zodanig zijn, dat het
degenen
die dergelijke geloven aanhangen belemmerd worden om van hun vrijheid
gebruik
te maken, te behouden en tot uitdrukking te brengen.
Bij
het
vonnis in de zaak Kokkinakis hield
het Hof staande, in de context van Artikel 9, dat een Staat het
wettelijk
noodzakelijk kan beschouwen, om maarregelen te treffen met het doel om
bepaalde
vormen van gedrag te onderdrukken, het verspreiden van informatie en
ideeën
incluis, als die strijdig zijn met her respect voor de vrijheid van
gedachten,
geweten en godsdienst van anderen (ibid…) Men kan rechtmatig denken dat
het
respect voor de godsdienstige gevoelens van gelovigen, zoals
gewaarborgd in
Artikel 9, door provocerende beschrijvingen van voorwerpen van
godsdienstige
verering, kan worden geschonden; en dergelijke beschrijvingen kunnen
worden
beschouwd als een kwaadwillende schending van de geest van
verdraagzaamheid,
dat ook een kenmerk van een democratische maatschappij moet zijn. Het
Verdrag
moet als geheel worden gelezen en daarom moet de interpretatie en
toepassing
van Artikel 10 in de huidige zaak in overeenstemming zijn met de logica
van het
Verdrag (zie, mutatis mutandis, de Klass en Anderen versus
Duitsland...).
48.
De
maatregelen waar een beklag over werd
ingediend, waren gebaseerd op sectie 188 van het Oostenrijkse Wetboek
van Strafrecht,
dat bedoeld is om gedrag te onderdrukken, dat is gericht tegen
voorwerpen van
godsdienstige verering, en dat waarschijnlijk een “gerechtvaardigde
verontwaardiging” veroorzaakt”. Daaruit volgt dat hun doel was, om het
recht
van burgers te beschermen om niet in hun godsdienstige gevoelens te
worden
beledigd door de openbare uiting van meningen van anderen. Met tevens
inachtneming van de woorden waarmee de besluiten van de Oostenrijkse
Hoven werden
verwoord, aanvaardt het Hof dat de betwiste maatregelen een rechtmatig
doel
nastreefden onder Artikel 10 par. 2, namelijk “de bescherming van
rechten van
anderen”.
D. Of
de inbeslagneming en
verbeurdverklaring “in een democratische maatschappij noodzakelijk
waren”
1.
Algemene uitgangspunten
49.
Zoals het Hof consequent staande heeft
gehouden, vormt de vrijheid van meningsuiting een van de wezenlijke
fundamenten
van een democratische maatschappij, en is een van de basale voorwaarden
voor
haar vooruitgang en voor de ontwikkeling van iedereen. Onderhevig aan
paragraaf
2 van Artikel 10, is het niet alleen toepasbaar op “informatie” of
“ideeën” die
gunstig worden ontvangen, als onschadelijk, of als onbelangrijk worden
beschouwd, maar ook op degene die de Staat, of enig andere deel van de
bevolking, aanstoot geven, beledigen of in verwarring brengen. Dat zijn
de
behoeften van dat pluralisme, die verdraagzaamheid en ruimdenkendheid,
zonder
welke er geen “democratische maatschappij” mogelijk is. (zie, met name
de zaak
Handyside versus het Verenigd Koninkrijk…)
Zoals
door de bewoording zelf van Artikel 10
par. 2 wordt gestaafd, neemt echter ieder die de rechten en vrijheden
uitoefent, die in de eerste paragraaf van dat Artikel zijn vastgelegd,
“plichten en verantwoordelijkheden” op zich. Daaronder kan – in de
context van
godsdienstige overtuigingen en geloven – wettelijk een verplichting
worden meegerekend,
om zover als mogelijk, uitingen te vermijden, die nodeloos beledigend
zijn voor
anderen en dus een inbreuk op hun rechten maken, en die daarom niet
bijdragen
aan enige vorm van een openbaar debat, dat in staat is de vooruitgang
in human
affairs te bevorderen.
Nu
dat
zo is, kan het in bepaalde
democratische maatschappijen als een principiële zaak en noodzakelijk
worden
beschouwd om oneigenlijke aanvallen op voorwerpen van godsdienstige
verering te
wettigen of zelfs te voorkomen, mits altijd die gebruikte
“formaliteit”,
“voorwaarde”, “voorbehoud” of “straf” in verhouding staat tot het
gewettigde
nagestreefde doel (zie het Handyside-vonnis waar hierboven naar wordt
verwezen), ibid.)
50.
Wat
betreft de zaak van “zedelijkheid” is
het niet mogelijk om in heel Europa een uniforme opvatting van de
betekenis van
godsdienst in de maatschappij te onderscheiden (zie de zaak Muller en
Anderen
versus Zwitserland...); zelfs binnen een enkel land kunnen dergelijke
opvattingen verschillen. Daarom is het niet mogelijk om tot een ruime
definitie
te komen, van wat een aanvaardbare aantasting vormt, van de uitoefening
van het
recht op vrijheid van meningsuiting, waar een dergelijke uiting tegen
de
godsdienstige gevoelens van anderen is gericht. Een bepaalde marge van
beoordeling,
wordt daarom aan de nationale autoriteiten overgelaten, voor wat
betreft het
bestaan en de mate van noodzakelijkheid voor een dergelijke aantasting.
De
marge van beoordeling van de autoriteiten
is echter niet onbeperkt. Het gaat hand in hand met het toezicht van de
Commissie, waarvan de omvang zal wisselen met de omstandigheden. In
zaken zoals
onderhavige, waarbij er een aantasting heeft plaatsgevonden van de
uitoefening
van de vrijheden, zoals gewaarborgd in paragraaf 1 van Artikel 10, moet
het toezicht
nauwgezet zijn, vanwege de belangrijkheid van de vrijheden in kwestie.
De
noodzaak voor enige beperking moet overtuigend worden aangetoond (zie
voor het
meest recente arrest, de Informationsverein Lentia en Anderen versus
Oostenrijk...).
2.
Toepassing van bovengenoemde principes
51.
De
film die in beslag genomen en
verbeurd werd verklaard volgens het vonnis van de Oostenrijkse
Gerechtshoven,
was gebaseerd op een toneelstuk, maar het Hof had uitsluitend te maken
met het filmproduct
in kwestie.
(a)
De inbeslagneming
52.
De
Regering verdedigde de inbeslagneming
van de film met het oog op het karakter ervan, als een aanval op de
Christelijke godsdienst, met name het Rooms Katholicisme. Zij hield
staande dat
de situering van het originele toneelstuk, tegen de achtergrond van het
gerechtelijk onderzoek tegen de schrijver in 1895, in feite diende om
het antigodsdienstige
karakter van de film te versterken, die eindigde met een hevige en
grove aanklacht
tegen wat werd voorgesteld als de Katholieke moraal.
Bovendien
legden zij de nadruk op de rol van
de godsdienst in het dagelijks leven van de bevolking van Tirol. De
verhouding
van Rooms Katholieke gelovigen onder de Oostenrijkse bevolking als
geheel was
al aanzienlijk – 78% - maar onder de Tirolers was het meer dan 87%.
Derhalve,
tenminste wat de tijd betrof,
bestond er een dringende behoefte om de godsdienstvrede te bewaren; het
was
noodzakelijk geweest om de openbare orde tegen de film te beschermen en
in
gerechtshoven van Innsbruck hadden in dit opzicht hun beoordelingsgrens
niet
overschreden.
53.
De
eisende vereniging beweerde dat zij
op een verantwoordelijke wijze had gehandeld, met de bedoeling om een
onverantwoorde kwetsing te voorkomen. Zij merkte op dat ze de
voorstelling van
de film in haar eigen bioscoop had gepland, die alleen voor leden van
het
publiek toegankelijk was als zij een bepaald bedrag hadden betaald;
bovendien
bestond haar publiek in het geheel uit mensen met belangstelling voor
een vooruitstrevende
cultuur. Ten slotte, overeenkomstig de desbetreffende heersende Tiroler
wetgeving, mochten personen onder de zeventien jaar niet tot de film
worden
toegelaten. Daarom bestond er geen werkelijk gevaar dat iemand, tegen
zijn wens,
zou worden blootgesteld aan aanstootgevende zaken.
In
hoofdzaken was de Commissie het met dit
standpunt eens.
54.
Het
Hof merkte allereerst op dat, hoewel
de toegang tot de bioscoop om de film zelf te zien onderhevig was aan
een
toegangsprijs en een leeftijdsgrens, er voor de film uitgebreid was
geadverteerd. Er bestond voldoende kennis bij het publiek over het
onderwerp en
de eigenlijke inhoud van de film, om een duidelijk beeld te krijgen van
het
karakter ervan; om deze redenen moest de voorgenomen vertoning van de
film als
een voldoende “openbare” uiting worden beschouwd om aanstoot te kunnen
geven.
55.
De
kwestie ging voor het Hof om het
afwegen van strijdige belangen van de uitoefening van twee fundamentele
vrijheden, gewaarborgd onder het Verdrag, namelijk het recht van de
eisende
vereniging om het publiek controversiële ideeën deelachtig te maken en
stilzwijgend, het recht van belangstellende personen om kennis van
dergelijke ideeën
te nemen, aan de ene kant, en het recht van andere personen op een
rechtmatig
respect voor hun vrijheid van gedachten, geweten en godsdienst, aan de
andere
kant. Door zo te handelen, had men de beoordelingsgrens in aanmerking
moeten
nemen, die aan de nationale autoriteiten was overgelaten, wier plicht
het is in
een democratische maatschappij om ook, binnen de grenzen van hun
jurisdictie, de
belangen van de maatschappij als geheel in het oog te houden.
56.
De
Oostenrijkse gerechtshoven, die de
inbeslagneming en daarop volgende verbeurdverklaring van de film
gelastten,
beschouwden het als een beledigende aanval op de Rooms Katholieke
godsdienst,
naar de opvatting van het Tiroler publiek. Hun veroordelingen laten
zien dat
zij de vrijheid van artistieke expressie in acht hadden genomen, die
onder
Artikel 10 van het Verdrag (zie de zaak Muller en Anderen…) wordt
gewaarborgd
en waarvoor Artikel 17a van de Oostenrijkse Grondwet een specifieke
bescherming
biedt. Zij overwogen niet dat de verdienste van de film als kunstwerk
of als een
bijdrage tot het openbare debat in de Oostenrijkse maatschappij
zwaarder wogen
dan die kenmerken, die hem, binnen hun jurisdictie, wezenlijk kwetsend
voor het
algemene publiek maakten. Het gerechtelijk onderzoek van de Hoven,
merkte, na
het zien van de film, de provocerende afschildering van God de Vader,
de Maagd
Maria en Jezus Christus op (zie paragraaf 16 hierboven). Men kan niet
zeggen
dat de inhoud van de film (zie paragraaf 22 hierboven) de door de
Oostenrijkse
gerechtshoven gemaakte conclusies niet kan staven.
Het
Hof
kan niet voorbijgaan aan het feit
dat de Rooms Katholieke godsdienst de godsdienst van de overweldigende
meerderheid van de Tirolers is. Door de film in beslag te nemen,
handelden de
Oostenrijkse autoriteiten met het oogmerk om de godsdienstvrede in die
streek
veilig te stellen en om te voorkomen dat een aantal personen zich op
een
onverantwoorde en beledigende manier in hun godsdienstige geloof
aangevallen
zouden voelen. Het is in de eerste plaats aan de nationale
autoriteiten, die
beter op de hoogte zijn dan de internationale rechter, om de noodzaak
voor een
dergelijke maatregel in te schatten, in het licht van de plaatselijk
vigerende
toestand op een bepaald moment. Onder alle omstandigheden van de
huidige zaak,
vindt het Hof dat men niet kan oordelen, dat de Oostenrijkse
autoriteiten de
grens van hun inschatting, wat dat betreft, hebben overschreden.
Daarom
kan, voor zover de inbeslagneming
betreft, geen inbreuk op Artikel 10 worden vastgesteld.
(b)
De verbeurdverklaring
57.
Voorgaande redenering is ook toepasbaar
op de verbeurdverklaring, die de uiteindelijke wettigheid van de
inbeslagneming
bepaalt en onder de Oostenrijkse wet het normale gevolg daarop was.
Artikel
10 kan niet zodanig worden
geïnterpreteerd, dat het in het openbare belang de verbeurdverklaring
verhindert van zaken, wier gebruik wettelijk ongeoorloofd is verklaard
(het
vonnis in de Handyside-zaak…). Hoewel de verbeurdverklaring het
blijvend
onmogelijk maakte om de film ooit elders in Oostenrijk te vertonen, is
het Hof
van mening dat de aangewende middelen niet onevenredig met het beoogde
doel waren
en dat de nationale autoriteiten derhalve, wat dat betreft, hun grens
van
afkeuring niet hebben overschreden.
Bijgevolg
is er hoe dan ook geen inbreuk
gemaakt op Artikel 10 met betrekking tot de verbeurdverklaring.
HET
HOF, OM DIE REDENEN
1.
Houdt unaniem staande, dat de Regering is
verhinderd om zich te verlaten op haar alternatieve aanvankelijke
bezwaar.
2.
Verwerpt unaniem het oorspronkelijke
aanvankelijke bezwaar;
3.
Houdt staande, bij zes tegen drie
stemmen, dat er geen inbreuk is gemaakt op Artikel 10 van het Verdrag,
wat
betreft de inbeslagneming of verbeurdverklaring van de film.
Opgesteld
in het Engels en Frans, en gewezen
op een openbare zitting in het gebouw van de Rechten van de Mens, te
Straatsburg, op 20 september 1994.
Was
getekend: Rolv RYSSDAL President
Was
getekend: Herbert PETZOLD waarnemend
Griffier
[...]
GEZAMENLIJK
AFWIJKEND STANDPUNT VAN DE
RECHTERS PALM, PEKKANEN EN MAKARCZYK
1.
Wij
betreuren dat wij het niet eens zijn
met de meerderheid, dat er geen inbreuk is gemaakt op Artikel 10
2.
Het
Hof is hier geconfronteerd met de
noodzaak om twee ogenschijnlijk strijdige rechten van het Verdrag met
elkaar af
te wegen. Het is natuurlijk zo dat, in de onderhavige zaak, de rechten
die
tegen elkaar moeten worden afgewogen, het recht op vrijheid van
godsdienst
(Artikel 9) gesteund door de regering, en het recht op vrijheid van
meningsuiting
(Artikel 10), gesteund door de eisende vereniging, zijn. Aangezien de
zaak om
beperkingen voor het laatste recht gaat, zal onze discussie zich
concentreren over
de vraag of die beperkingen “in een democratische maatschappij
noodzakelijk”
waren en daardoor toegestaan door de tweede paragraaf van Artikel 10.
3.
Zoals de meerderheid juist stelt, en waarin
de beroemde passage uit het arrest Handyside versus het Verenigd
Koninkrijk weerklinkt
(…), is vrijheid van meningsuiting een fundamenteel kenmerk van een
“democratische maatschappij”; het geldt niet alleen voor “informatie”
of
“meningen” die gunstig worden ontvangen, als onschadelijk of als
onbelangrijk
worden beschouwd, maar in het bijzonder voor degene die de Staat of
enig
gedeelte van de bevolking aanstoot geven, kwetsen of in verwarring
brengen. Er
bestaat geen reden om deze vrijheid te waarborgen, zolang die wordt
gebruikt in
overeenstemming met de algemeen aanvaarde mening.
Daaruit
volgt dat voorwaarden van Artikel 10
par. 2, waarbinnen een inbreuk op het recht van vrijheid van
meningsuiting bij
uitzondering mag worden toegestaan, nauwkeurig moet worden
geïnterpreteerd; de
marge van goedkeuring op dit terrein door de Staat kan niet groot zijn.
Het
zou
in het bijzonder aan de autoriteiten
niet vrij moeten staan om te beslissen of een bepaalde bewering in
staat is om
“bij te dragen aan enige vorm van openbaar debat dat de vooruitgang in
human
affairs kan bevorderen; een dergelijke beslissing kan niet anders dan
door de
mening van de autoriteiten over wat “vooruitgang” betekent worden
gekleurd.
4. De
noodzaak voor een bijzondere inbreuk
om een rechtmatig doel te bereiken moet overtuigend worden gestaafd (
zie, als
het meest recente arrest, de Informationsverein Lentia en Anderen
versus
Oostenrijk…) Dit geldt des te meer waar in zaken zoals onderhavige,
waar de
inbreuk door de inbeslagneming de vorm aanneemt van beperking vooraf
(zie,
mutatis mutandis de zaak Observer en Guardian versus het Verenigd
Koninkrijk…).
Het gevaar bestaat dat als het wordt toegepast bij waarneembare
belangen van
een machtige groep in de maatschappij, een dergelijke beperking vooraf
schadelijk
zou kunnen zijn voor die verdraagzaamheid waarop een veelvormige
maatschappij
steunt.
5.
Het Hof heeft terecht gesteld dat
degenen die kunstwerken scheppen, uitvoeren, verspreiden of
tentoonstellen,
bijdragen aan de uitwisseling van ideeën en meningen en aan de
persoonlijke
ontplooiing van individuen, dat wezenlijk is voor een democratische
maatschappij, en dat de Staat daarom is verplicht is zich niet al
teveel in te
laten met de vrijheid van meningsuiting (zie de zaak Muller en Anderen
versus
Zwitserland…). Ook aanvaarden wij dat, of enig materiaal al dan niet
als
kunstwerk kan worden beschouwd, degenen die het toegankelijk maken voor
het
publiek, om die reden niet zijn ontheven van hun bijkomende “plichten
en
verantwoordelijkheden”; de draagwijdte en aard daarvan is afhankelijk
van de
situatie en de gebruikte middelen (zie het Muller en Anderen-vonnis…)
6.
Het
Verdrag waarborgt niet
onvoorwaardelijk een recht tot bescherming van godsdienstige gevoelens.
Sterker
nog, een dergelijk recht kan niet worden ontleend aan het recht op
vrijheid van
godsdienst, dat in feite een recht omvat om kritische opvattingen over
de
godsdienstige overtuigingen van anderen tot uitdrukking te brengen.
Desalniettemin
moet worden aanvaard dat het
“rechtmatig” kan zijn, ten behoeve van Artikel 10, op godsdienstige
gevoelens
van bepaalde leden van de maatschappij tegen kritiek en een zekere mate
van
misbruik te beschermen; verdraagzaamheid werkt naar twee kanten en het
democratische karakter van een maatschappij zal worden aangetast als
hevige en
beledigende aanvallen op de goede naam van een godsdienstige groep
worden
toegestaan. Derhalve moet tevens worden aanvaard, dat het “in een
democratische
maatschappij noodzakelijk is” om aan de openbare uiting van dergelijke
kritiek
of misbruik, grenzen te stellen. Tot hier, maar niet verder, kunnen wij
het met
de meerderheid eens zijn.
7. De
plicht en verantwoordelijkheid van
iemand om zelf gebruik te maken van zijn vrijheid van meningsuiting
zou, voor
zover het redelijkerwijs van hem verwacht kan worden, moeten bestaan
uit het zelf
grenzen stellen aan de kwetsing die zijn bewering bij andere zou kunnen
veroorzaken. Alleen als hij in gebreke blijft in het ondernemen van de
daarvoor
noodzakelijke handeling, of als blijkt dat een dergelijke handeling
onvoldoende
is, kan de Staat ingrijpen.
Zelfs
als de noodzaak voor een ingrijpen
wordt aangetoond, moeten de desbetreffende maatregelen “in verhouding
zijn met
het rechtmatig beoogde doel”; volgens de jurisprudentie van het Hof,
die wij
onderschrijven, zal daar over het algemeen geen sprake van zijn, als
een
andere, mindere beperking voorhanden is. (zie, als meest recente
arrest, het
Informationsverein Lentia en Anderen-vonnis…)
De
noodzaak voor ingrijpen, dat op een
volstrekt verhinderen van de vrijheid van meningsuiting uitkomt, kan
alleen
maar worden aanvaard, als het desbetreffende gedrag in een zodanig
hevige mate
kwetsend is, en zo dicht bij de ontkenning van de vrijheid van
godsdienst van
anderen komt, dat het voor zichzelf het recht verspeelt om door de
maatschappij
te worden getolereerd.
8.
Wat
betreft de noodzaak voor enige Staat
om hoe dan ook in deze zaak in te grijpen, zouden we de verschillen
willen
benadrukken tussen onderhavige zaak en die van Muller en Anderen,
waarin geen
inbreuk op Artikel 10 werd geconstateerd. De schilderijen van Mr.
Muller waren
zonder enige beperking voor het grote publiek toegankelijk, zodat ze
konden –
en in feite werden – gezien door personen, waarvoor ze niet geschikt
waren.
9.
Anders dan de schilderijen van Mr.
Mulder, zou de film aan betalende toeschouwers worden vertoond in een
“kunstbioscoop”, die was bestemd voor een betrekkelijk klein publiek
met interesse
voor experimentele films. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er onder
de toeschouwers
personen zouden zijn geweest, die niet speciaal in de film waren
geïnteresseerd.
Bovendien
hadden deze toeschouwers voldoende
mogelijkheden om van tevoren gewaarschuwd te worden voor de aard van de
film.
Anders dan de meerderheid, vinden wij dat de door de eisende vereniging
gepubliceerde aankondiging was bedoeld om informatie te verschaffen
over de kritische
manier, waarop de film de Rooms Katholieke godsdienst behandelde; in
feite deed
zij dat voldoende duidelijk om de godsdienstig gevoelige persoon in
staat te
stellen, om de goed geïnformeerde beslissing te nemen om weg te blijven.
Het
lijkt dus dat het vrij onwaarschijnlijk
was, dat in onderhavige zaak iemand onbewust met aanstootgevend
materiaal
geconfronteerd kon worden.
Wij
komen derhalve tot de conclusie, dat de eisende
vereniging verantwoordelijk heeft gehandeld door, voor zover
redelijkerwijs kon
worden verwacht, de mogelijk schadelijke gevolgen van het vertonen van
de film
te beperken.
10.
Ten
slotte werd door de eisende
vereniging gesteld en niet ontkend door de Regering, dat het onder de
Tiroler
wet onrechtmatig was dat de film door personen onder de zeventien kon
worden
gezien en de advertentie door de eisende vereniging was verspreid
bevatte een
desbetreffende notitie.
Onder
deze omstandigheden kan het gevaar dat
de film zou worden gezien door personen voor wie het, om reden van hun
leeftijd,
niet geschikt was, buiten beschouwing worden gelaten.
De
Oostenrijkse autoriteiten hadden derhalve
beschikking over, en maakten feitelijk gebruik van een minder
beperkende
mogelijkheid dan de inbeslagneming van de film om enige
ongerechtvaardigde
kwetsing te voorkomen.
11.
Wij
ontkennen niet dat het laten zien
van de film de godsdienstige gevoelens van bepaalde delen van de
bevolking in
Tirol heeft gekwetst. Echter, in aanmerking nemend dat de feitelijk
door de eisende
vereniging genomen maatregelen met het doel degenen die beledigd zouden
kunnen
worden te beschermen en de door de Oostenrijkse wetgeving geboden
bescherming voor
degenen onder de zeventien, zijn wij per saldo van mening, dat de
inbeslagneming en verbeurdverklaring van de film in kwestie niet in
verhouding
stonden met het rechtmatig beoogde doel.
|