Oskar Panizza
1853-1921
Autobiografie
Oskar Panizza, schrijver,
geboren 12. XI. 1853 in Bad Kissingen, stamt uit
een belaste familie. Een oom leed aan
partiële godsdienstwaanzin en stierf, na een 15-jarig verblijf in
een
krankzinnigengesticht, op de krankzinnigenafdeling van het
Juliusziekenhuis in
Würzburg. Een andere oom pleegde op jeugdige leeftijd zelfmoord.
Een tante
stierf aan een beroerte en een andere tante, nog in leven, is psychisch
zonderling, deels gemaakt geestig, deels zwakzinnig. Al deze graden van
verwantschap hebben betrekking op de kant van de moeder. De moeder, nog
in
leven, opvliegend, energiek, iemand met een sterke wil, bijna
mannelijke
intelligentie. Vader stierf aan de tyfus, was van Italiaanse afkomst,
hartstochtelijk, excentriek, driftig en vlotte man van de wereld,
slecht
gezinshoofd. Van de zusters van de patiënt zijn de twee jongste,
net als
patiënt zelf, tijdens hun jeugd aan melancholische toevallen
onderhevig
geweest. Jongere zuster deed tweemaal een zelfmoordpoging (wellicht
gecompliceerd door hysterie). In de hele familie bestaat overwegende
geestelijke activiteit met neiging tot discussie over godsdienstige
vragen. Moeder
en patiënt schrijvers. Patiënt zelf lijdt aan de
gebruikelijke kinderziekten,
mazelen, kinkhoest, leerde zeer moeizaam lezen, toonde geen talent, had
bij
zijn broers en zusters de bijnaam “de domme”, kwam op het gymnasium
moeizaam
vooruit, was met vruchteloze, overdadige fantasie en onafgebroken
in-zichzelf-gekeerdheid
niet in staat om de noodzaak van een geregelde, systematische
voorbereiding op
een beroep voor het leven te begrijpen, keerde zich overwegend naar de
muziek
toe en voltooide eindelijk op de gevorderde leeftijd van 24 jaar, het
humanistische gymnasium. Toen hij rond zijn twaalfde de mazelen had,
maakte hij
een lichte aanval van slaapwandelen door: midden op de dag verliet hij
in een
onbewuste toestand het bed, liep in de ziekenkamer rond en werd
uiteindelijk,
biddend voor zijn bed op zijn knieën, aangetroffen en uit zijn
trance gered.
Richtte zich na voltooide gymnasiumstudie met grote liefde en ijver op
de
medicijnenstudie, werd co-assistent bij von Ziemßen, werkte onder
leiding van
deze op het klinisch instituut, promoveerde in 1889 summa cum laude en
kreeg
nog in hetzelfde jaar de officiële toelating. Als student
infecteerde hij
zichzelf met lues, die hoewel jarenlang lege artis behandeld, tot op de
dag van
vandaag in de vorm van een enorme gumma op de rechter tibia aanwezig is
en met
iedere ook nog zo krachtdadige behandeling met joodkali spot. Na het
beëindigen
van zijn militaire dienstplicht als aankomend arts in een veldhospitaal
en
benoeming tot assistentarts klasse II bij de reservisten vertrok
patiënt, door
Ziemßen van talrijke aanbevelingen voorzien, naar Parijs, bezocht
daar echter
weinig ziekenhuizen, maar legde zich toe op de studie van de Franse
litteratuur, met name de dramatische, waarvoor de kennis van de Franse
taal,
die in zijn ouderlijk huis ten gevolge van de Hugenootse afkomst van
zijn
moeder altijd werd beoefend, hem bijzonder geschikt maakte. In 1882
naar
München teruggekeerd, begon hij als IVe assistent-arts onder
Gudden in het
districtskrankzinnigengesticht van Oberbayern en verbleef daar,
inmiddels tot
IVe (?) assistentarts bevorderd, gedurende twee jaar. Schade aan zijn
gezondheid en wetenschappelijke en andere meningsverschillen met zijn
sjef
lieten hem in 1884 deze betrekking opgeven, en hij richtte zich nu,
afgezien
van geringe voorbijgaande medische diensten als praktiserend arts,
definitief
op de litteratuur, die sinds Parijs niet meer uit het oog was verloren.
Deels
als gevolg van een in het krankzinnigengesticht opgetreden
gevoelsdepressie,
die bijna een jaar aanhield, ontstond de lyrische gedichtenbundel
„Düstre
Lieder” (Leipzig 1885), die onder invloed van Heine staat. Door deze
litteraire
ontlasting wezenlijk gebeterd en opgefrist, bezocht hij nog datzelfde
jaar
Engeland, aan welk bezoek een intensieve bemoeienis met de Engelse taal
en litteratuur
onder leiding van Mrs. Callway vooraf was gegaan en waar hij zichzelf
een heel
jaar lang litterair bezighield in het Brits museum. Als vrucht van dit
oponthoud ontstonden de “Londoner Lieder” (Leipzig 1887). In de herfst
van 1886,
na een tijdelijk oponthoud in Berlijn en terugkeer naar München,
verscheen in
1888 „Legendäres und Fabelhaftes”, gedichten, deels de vrucht van
zijn
bemoeienis met oudengelse balladen. In de daaropvolgend jaren leren en
bestuderen van de Italjaanse taal en litteratuur onder Signora Luccioli
in München,
omdat intensieve bemoeienis met vreemde talen en litteraire productie
het beste
afleidingsmiddel voor allerlei psichopatiese buien bleek. Herhaaldelijk
reizen
naar Italië. Vanaf 1890 verschenen ten gevolge van kennismaken met
M.G. Conrad
een reeks van deels wetenschappelijk, deels litteraire en kunstzinnige
verhandelingen in het “Gesellschaft”, waarvan M.G. Conrad de oprichter
en
leider was. In 1899 waren al de „Dämmerungsstücke“
verschenen, een verzameling
fantastische novellen, die deels onder invloed van de Amerikaanse
novellist
Edgar Poe staan. Door M.G. Conrad geïntroduceerd bij het
„Gesellschaft für
modernes Leben“ in München, hield pasjent daar zelf een aantal
voordrachten,
onder andere „Schenie und Wahnsinn“ (München, Pößl
1891), die de opmerkzaamheid
van de autoriteiten, de vijandschap van de ultramontane pers:
„sociaaldemocraten in rok” en bezwaarschriften van de
landweer-districts-afdelingen tot gevolg hadden. Het door de
laatstgenoemde
afdeling gesommeerde uittreden uit het „Gesellschaft für modernes
Leben“ door
pasjent geweigerd en ten gevolge daarvan uit de militaire verbintenis,
waarin
hij intussen tot assistentarts 1e klasse was opgeklommen,
met een
“bescheiden afscheid” ontslagen.
Een opstel van pasjent,
„Das Verbrechen in Tavistock Square“ (een Engels
aandenken) in het „Sammelbuch der Münchner Moderne“ (München,
Plößl, 1891) leidde
tot het instellen van een onderzoek naar de gerechtelijke aanklacht
wegens een »vergrijp
tegen de zedelijkheid«, dat echter door de strafkamer van het
kantongerecht
München I werd ingesteld. In het jaar 1892 verscheen een
tragihumoristisch werk
»aus dem Tagebuch eines Hundes«, geïllustreerd door
Choberg in Leipzig. In het
jaar daarop »Visjonen«, een novellenbundel, opnieuw
gedeeltelijk in de
fantastische stijl en opvatting van Edgar Poe. In 1893 verscheen
»Die
unbefleckte Empfängnis der Päpste« (Zürich,
Schabelitz), een in een
ogenschijnlijk bloedserieuze stijl doorgevoerde teologische poging om
het door
Pius IX in het jaar 1894 uitgeroepen dogma over de onbevlekte
ontvangenis van
de maagd Maria tot de paus uit te breiden met alle embriologische,
antropologische en teologische consequenties, die pasjent volgens de
titelpagina uit het Spaans had vertaald. Dit geschrift werd ten gevolge
van
verklikking in Stuttgart gerechtelijk in beslag genomen en in een
zogenaamd
objectief rechtsgeding voor het hele Duitse Rijk verboden. Felle
kritieken en
van de kant van zowel de katolieke als de protestantse kerkelijke pers,
als
openlijke waarschuwingen voor het aanschaffen, sloten zich daarbij aan.
In het
jaar 1894 verscheen »Der teutsche Michel und der römische
Papst« met een
voorwoord van M.G. Conrad, waarin de bezwaren van Duitsland tegen Rome
in de
vorm van stellingen tendensieus, maar op grond van historisch nieuws en
onder
uitvoerige bronvermelding, waren samengevat. Dit werk werd in 1895
eveneens in
een objectief rechtsgeding, d.w.z. na afloop van de voor het onderzoek
van de
aanklacht en strafrechtelijke vervolging afgelopen tijd, in beslag
genomen. In 1894
verscheen bovendien »die Himmelstragödie das
Liebeskonzil« (Zürich, Schabeliz),
waarin, met gebruikmaking van een citaat van Ulrich von Hutten, het
verschijnen
van de syfilis in Italië aan het einde van de XVe eeuw, als gevolg
van het
verdorven gedoe aan het pauselijke hof onder Alexander VI, in de vorm
van een
middeleeuws mysterie in een hedendaags licht, werd doorgevoerd. Dit
leesdrama
bracht de pasjent in het voorjaar van 1895 voor het (!) Münchener
Asisengerechtshof, waar hij volgens § 166 R.-Str.-G.-B. tot 1 jaar
gevangenisstraf werd veroordeeld, een vonnis dat het Rijksgerechtshof
in
Leipzig kort daarop bevestigde. Patiënt zat zijn straf uit in de
gevangenis van
Amberg, alwaar door een achteraf ingediend bezwaar van de verdediger in
verband
met geestesziekte (zonder ondervraging van de gevangene) een summier
onderzoek
van deze quoad psychen intactam volgde – »Bent u geestesziek?” –
“Nee.” – wat
tot een negatief resultaat leidde. Na de uitgezeten straf nam pasjent
afscheid
van München met de kleine brosjure »Abschied von
München« (Zürich 1896), die
inbeslagname en vervolging gepaard met signalement en verzoek tot
opsporing van
de inmiddels naar Zürich verhuisde schrijver tot gevolg had. Nog
in dezelfde
herfst publiceerde pasjent de zedenkundige studie »Die bayrischen
Haberfeldtreiben« (Berlin, G. Fischer), waarin op verzoek van de
bang geworden
uitgever een aantal plaatsen in de tekst alsmede enige versregels van
de in het
origineel weergegeven »Haberer-Protokolle«, die een paar
jaar eerder door
pasjent in een artikel in de »Neuen Rundschau« (bij
dezelfde uitgever) zonder
bezwaar waren gepubliceerd, in de reeds persklare regels door punten
werden
vervangen.
Pasjent had intussen
afstand gedaan van het Beierse indiginaat
(onwaardigheid om te erven – vert.), met de bedoeling om na een
tweejarig
oponthoud in Zürich het Zwitserse burgerrecht te verwerven. In de
jaren daarop
begon pasjent, omdat nu ook Schabeliz in Zürich problemen maakte,
zijn eigen
uitgeverij onder de naam van het tegelijkertijd opgerichte tijdschrift
»Züricher
Diskussionen« en publiceerde de in de gevangenis van Amberg
ontstane »Dialoge
im Geiste Huttens«, waarin een poging werd gedaan om de openbare
toestanden te
bespreken in de frisse en ongegeneerde stijl van de strijdschriften van
het
begin van de XVIe eeuw. In het daarop volgende voorjaar schreef pasjent
de
politieke satire »Psichopatia criminalis« (Zürich,
Verlag Zür. Diskussionen) over
de vervolgingswoede van de Duitse officieren van justitie, die, onder
het
vaststellen van een eigen politieke geestesziekte, die het Duitse
publiek had
bevangen, werd gepersifleerd. (onjuiste zinsvolgorde! ) Daarop volgde
het op
zuiver historische studie gebaseerde drama »Nero«
(Zürich 1898). In hetzelfde
late najaar werd pasjent zogenaamd wegens omgang met een puella
publica, die
net 15 jaar was geworden – in Zwitserland is geslachtsverkeer met
meisjes
jonger dan 15 jaar strafbaar, bovendien was door een volksbesluit het
gedogen
van de prostitutie in het kanton Zürich opgeheven – door de
politie uitgewezen,
als “smerig sujet” in Zwitserse kranten gebrandmerkt, en hem werd op
het Züricher
hoofdbureau van politie op de aangevoerde bezwaren meegedeeld, dat deze
uitwijzing uit het kanton Zürich geheel identiek was met zijn
uitwijzing uit
heel Zwitserland. Pasjent antwoordde op deze geweldsdaad in het
volgende nummer
van de Züricher Diskussionen onder een open, onverbloemde
onthulling van de
toedracht, die de eigen persoon en zijn gepleegde vergrijp zonder meer
blootgaf, maar tegelijkertijd op de hoogste instantie in Berlijn wees,
waarvan
pasjent de beïnvloeding bij de hele gang van zaken dacht te hebben
opgemerkt. In
Parijs, waar pasjent inmiddels naartoe verhuisd was, werd de
Züricher
Diskussionen ondanks haar nu tegenstrijdige plaatselijke titel op een
aangescherpte toon, met name op politiek gebied, voortgezet, en rond de
kerst
van het jaar daarop volgde als resultaat van een uiterst teruggetrokken
leven
en met gebruik van de meest frisse, beste en direkte indrukken van de
Franse
hoofdstad, de gedichtenverzameling »Parisjana«, waarin de
persoonlijke
tegenstander van de schrijver, Wilhelm II, tot openlijke vijand van de
mensheid
en haar cultuur werd uitgeroepen, en waarbij gedachtegang en
uitdrukkingsvorm
in scherpte, tot een uiterst esthetisch achteloze grens, ten volle werd
benut.
Het geschrift werd, zoals voorzien, in Duitsland in beslag genomen,
tegen schrijver
een nieuw verzoek tot opsporing uitgevaardigd, maar tegelijkertijd, wat
niet
was te voorzien, het in Duitsland hypothecair vastgelegde vermogen van
deze
onder de meest opgeschroefde motivering – schrijver was op de vlucht
geslagen –
geconfisqueerd. Pasjent zag zich, na het een jaar in de meest pijnlijke
toestand te hebben uitgehouden, gedwongen zichzelf aan de rechtbank,
die de
opsporing had uitgevaardigd, München, uit te leveren – april 1901
– werd daar
in hechtenis genomen, na 4 maanden ten gevolge van een besluit van de
strafkamer
voor 6 weken naar het Oberbayerse districtskrankzinnigengesticht
overgebracht,
ten behoeve van het onderzoek naar zijn geestelijke toestand, en
vervolgens na
een aantal weken, nadat hij naar de gevangenis was teruggebracht,
zonder enige
kennisgeving van een gerechtelijke uitspraak in vrijheid gesteld.
Volgens
berichten in de krant en een mondelinge, niet verder controleerbare
uitspraak
van de 1e officier van justitie van het kantongerecht
München I,
Freiherr von Sartor, tegenover een privé-persoon, was het proces
tegen pasjent
tengevolge van een rapport van de chef-arts van het Münchener
districtskrankzinnigengesticht Dr. Ungemach, wegens geestesziekte
ingesteld.
Pasjent publiceerde, teruggekeerd in Parijs, nog een aantal nummers van
de
Züricher Diskussionen (tot Nr. 32) en staakte, vanaf november
1901, weliswaar
niet zijn schrijversbezigheid, maar, bij gebrek aan een drukker, zijn
publicitaire bezigheden. – In november 1903 begon tegen pasjent, die in
de
meest absolute afzondering leefde, een reeks chicanes, die door de
omvang van
de ondervragingen (quere-la?) kennelijk op de samenwerking van een
groot aantal
detectives wees. En omdat de Franse regering, zij het niet uit een
zedelijke
welwillendheid, in geen geval hoe dan ook een vijandige houding had
getoond, kon
dus alleen aan buitenlandse detectives worden gedacht, respectievelijk
aan een
in het buitenland gegeven opdracht, door ter plaatse gerekruteerde
Franse
privé-detectives, om het leven van pasjent in Parijs zuur te
maken. Aangezien deze,
zoals reeds vermeld, al twee jaar niets meer had gepubliceerd, moest
dus met de
mogelijkheid rekening worden gehouden, dat door de andere kant, die
minder (!)
vriendelijk tegenover de opvattingen van pasjent stond, zijn
manuscripten
stiekem bewaakt, wellicht gekopieerd en voor zover ze in
overeenstemming waren
met de opvattingen van de nieuwe partij, tenslotte werden gepubliceerd,
uiteindelijk zelfs met gebruikmaking van titel, firma, druk en papier
van de gestaakte
Züricher Diskussionen. Alleen zo waren de nieuwe vijandelijkheden
tegen pasjent,
die men op een zekere plaats voor de schrijver en verantwoordelijke
uitgever
van de veronderstelde publicaties hield, te verklaren. Want dat de 2
jaar
daarvoor in München gevolgde krankzinnigheids-verklaring serieus
zou moeten
worden genomen – zodat welke, hem vriendelijk of vijandig bejegende
politieke
partij dan ook, zich zou hebben gehoed om zich met zijn manuscript te
bemoeien
- daaraan dacht pasjent des te minder, aangezien ook in zijn omgeving
noch de
fransen, noch de buitenlanders in de verste verte eraan dachten, hem
niet als
volledig geestelijk gezond te beschouwen. De chicanes echter bestonden
kort
samengevat, afgezien van kleinigheden, zoals het uitdoven van het
haardvuur,
verstoppen van de schoorsteen, afsluiten van het water, beschadiging
van de
deursloten (!!), uit een geraffineerde, op een meest pijnlijke
beschadiging van
het zenuwstelsel gericht aanhoudend gefluit, molesteringen met alle
mogelijke,
de gehoorzenuwen meest gevoelig rakende, instrumenten, die deels vanuit
een
huis vis-à-vis in de Rue des Abbesses, deels op straat, ja zelfs
hier en daar
in het bos van Montmorency, waarheen pasjent zich regelmatig iedere
zondag
begaf, op hem inwerkten. Dat het hier geen akoestische illusie betrof,
bewees
de eenvoudige omstandigheid, dat het fluiten ogenblikkelijk verstomde
als
pasjent de oren dichthield, wat zeker niet het geval zou zijn geweest,
als het
van cerebrale oorsprong was geweest. Ook werd dit gefluit, dat pasjent
als
tegen hem gericht beschouwde, later in München, waar het
voortduurde, door
onbevooroordeelde getuigen, Ludwig Scharf en Comtesse zu Reventlow,
bevestigd
en slechts betreffende zijn betekenis meerdere malen in twijfel
getrokken. Maar
wat betreft dat laatste viel aan een onjuiste uitleg na ¾-jaar
verduren en
volhouden nauwelijks nog te denken. – Naast deze volstrekt trefzekere
uitgevoerde aanvallen scheen een geringere, minder gevaarlijke, zich
een zeker,
slechts in de meest directe omgeving en door ondergeschikte handen van
concierges of femmes de chambre afspelend proces, af te spelen
(zinsbouw!) –
een proces, waar vast geen enkele ouderwordende vrijgezel aan ontkomt –
het trouwen
van pasjent. Zodra deze de beweging onderkende, scheepte hij de lokale
kletstantes kortstondig af en schreef vervolgens bij gelegenheid zijn
in
München wonende moeder, wier connectie met bepaalde Parijse
kringen in elk
geval niet helemaal onmogelijk was, dat bij de toenmalige
financiële toestand
van haar zoon een echtverbintenis geheel ondenkbaar was, dat deze
bovendien zin
noch tijd voor een huwelijk had, en als het ondervonden aanhoudende
gefluit en
dergelijke chicanes uiteindelijk met dit project in verbinding zouden
staan,
wat hem vrijwel onmogelijk leek, deze zich allerminst door dergelijke
schandelijke middelen tot het kiezen van een echtgenote zou laten
dwingen. Daarop
verdwenen de huwelijksintriges, terwijl de andere molesteringen
doorgingen.
Aangezien de eersten later in München, weliswaar in de meest
groteske en
potsierlijke vorm weer aan het daglicht traden, mag toch niet over het
hoofd
worden gezien, dat pasjent de meest zwaarwegende redenen tegen het
aangaan van
een huwelijk op grond van behoedzaamheid en welvoeglijkheid in de brief
aan
zijn moeder had verzwegen. Gezien de op zijn minst niet als gering te
beschouwen
belasting van moeders kant en de nog steeds manifeste lues in de vorm
van een gumma
aan de tibia dextra, zou het tegenwoordig, nu men wettelijk heeft
voorgesteld
om de geesteszieken, tuberculose- en syfilispatiënten het aangaan
van een
huwelijk te verbieden, zeker op een misdrijf lijken om, zeker door een
arts, op
een frivole manier een gedegenereerde nakomeling te verwekken. Het komt
erop
neer dat pasjent voor de uitoefening van zijn litteraire bezigheden
verreweg het
grootste gedeelte van de dag in de meest absolute eenzaamheid en
geïsoleerdheid, bij een goede weersgesteldheid met uitgebreide
eenzame
wandelingen, moest doorbrengen, gewoonten, die hoe dan ook niet
samengaan met
een huwelijk. En al zouden de producten van dit litteraire scheppen
zelf, bij
het publiek en de kritiek ook het geringst zijn aangeslagen, voor
pasjent zijn
zij niet de uitdrukking van een gril of willekeur, maar een absolute
noodzaak
ten behoeve van het ontlasten van zijn hersenen. Hij moet dus de zekere
weg
bewandelen, ten behoeve van de instandhouding van het psychische
evenwicht op
de oude, beproefde manier verder schrijden en geen spookbeelden
najagen, die
voor anderen wellicht hoogst doelmatig, maar voor degene die het
aangaat, een
bedreiging van zijn gezondheid lijken.
Na de duur van meer dan
een half jaar van bovengeschetste molesteringen,
die ervoor zorgden dat pasjent zich uiteindelijk op zijn woning
concentreerde
en midden in de zomer moest afzien van de zo noodzakelijke beweging in
de open
lucht, besloot deze, aangezien de intensieve bemoeienis met
wetenschappelijk
werk niet de vereiste afleiding bracht, plotseling tot vertrek, verliet
op 23
juni Parijs met de nachtsneltrein vanaf het station van Lyon en kwam
via Dijon
de middag daarop in Lausanne (Zwitserland) aan. Tot zijn grote
verbazing was
ook in Lausanne het aanhoudende gefluit, al was`hij niet ver van de
menigte af,
te vernemen. Daaruit ontstond de dwingende constatering, dat Parijs
niet de
enige haard van vijandigheid tegen pasjent was. Wat nu de eigenlijke
basis van
deze manifestatie was, bleef voor hem verborgen. Deze kwam op verhaal
aan het
meer van Genève en in de omliggende bossen, waar hij, in
tegenstelling tot
Parijs, zelf nooit echt werd lastig gevallen, vertrok echter na 8
dagen, omdat
de poging om een bescheiden woning op het platteland te vinden
mislukte, over
Bern, Zürich en Lindau naar München. Omdat daar eveneens de
molesteringen
begonnen, presenteerde deze zichzelf bij het
districtskrankzinnigengesticht
München met een verzoek tot opname, om zichzelf en anderen het
bewijs te
leveren, dat hij zich in zijn opvatting, dat het om buitenlandse,
planmatige
vijandelijkheden gericht tegen zijn persoon ging, niet had vergist;
werd echter
kennelijk wegens overbezetting afgewezen. Hij liet zich door directeur
Vokke
overhalen zich in het privé-krankzinnigengesticht
Neu-Friedenheim op te laten nemen.
Maar het besef, dat hij hier op een niet mis te verstane manier werd
gechicaneerd, leidde tot een felle woordenwisseling met de directeur
Dr. Rehm,
in het verloop waarvan de laatste pasjent dringend verzocht om de
inrichting te
verlaten. Pasjent huurde vervolgens in de Feilitzschstraße 59/II,
aan de
rechterkant, een kamer, in afwachting wat er ging gebeuren. Tijdens het
nu
volgende ¼ jaar, van juli tot oktober, meed pasjent de stad
volkomen, ging
naarstig in de Engelse tuin en de omliggende gebieden wandelen, bezocht
bij het
begin van het ongunstige jaargetijde ’s morgens de staatsbibliotheek,
maar
hield zich voor de rest volkomen terughoudend en passief, in het besef
dat een
verandering van zijn uiterlijke situatie alleen door zijn
tegenstanders, net
als door hemzelf (?), teweeggebracht zou kunnen worden. Zijn, tijdens
de reis
en in München, ontstane litteraire werk zowel in proza als
gebonden vorm, dat
niet weinig omvangrijk was, zou, als pasjent zich niet zeer vergist,
bij geen
enkele litteraire of psychiatrische deskundige de mening van ziekelijke
ontboezemingen oproepen. Een verergering van de toestand was in zoverre
opgetreden, dat nu, in tegenstelling tot Lausanne en zelfs Parijs, ook
‘s
nachts ernstige overlast, door vérdragend fluiten en piepen met
een
metaalachtig karakter en een uiterst belediging van het gehoororgaan,
volgde. Nadat
al in Parijs eenmaal, eenmaal in Lausanne en eenmaal in Neufriedenheim
een
neiging tot zelfmoord was opgetreden, (!) volgde op 9 oktober in een
bevlieging
van vertwijfeling en wanhoop (!) na een haastig neerschrijven van een
testament
het begin van de uitvoering van een zelfmoordplan door ophanging op een
eenzaam
gelegen plek van de Engelse tuin. Maar gebrek aan moed liet op het
laatste
moment de beslissende sprong van de reeds beklommen boom mislukken en
met de
diepste schaamte keerde pasjent, die 24 uur geen voedsel tot zich had
genomen,
in zijn woning terug. Op 19 oktober greep pasjent naar een, in
verhouding tot
het reeds voorafgegane, lachwekkend dom, maar misschien in zijn
consequentie
toch werkzaam middel. Nadat hij op die dag al zesmaal onderweg naar de
staatsbibliotheek en vervolgens tijdens zijn eenzame wandeling door
Oberföhring
en omgeving, op een onmiskenbare manier was toegefloten, ging hij naar
huis,
kleedde zich tot op zijn hemd uit, maakte gebruik van de milde
weersgesteldheid
en liep ‘s middags om 5 uur in zijn hemd door de
Sterneck-Maria-Josefa-Straße
naar de Leopoldstraße, met de bedoeling om opgepakt en op
verdenking van een
geestesziekte in een openbare inrichting opgenomen en daar door
deskundigen
onderzocht te worden en zo te bereiken, waarnaar hij 3 maanden tevoren
in het
Oberbayerse districtskrankzinnigen-gesticht tevergeefs had gestreefd.
De coup
lukte. Opgepakt en het dichtstbijzijnde huis binnengebracht, gaf hij de
toesnellende sjendarme een valse naam op, Ludwig Fromman, stenograaf
uit
Würzburg. Er werd een ziekenauto gevorderd en pasjent naar het
politiebureau
gebracht, waar deze na een kort examen door mijnheer de districtsarts,
naar het
gekkenverblijf van het stedelijk ziekenhuis I/J werd overgebracht.
(17 nov. 1904)
|