EEN VERSLAG

VAN DE 

BEHANDELING, TOEGEPAST

OP EEN

HEER,

TIJDENS EEN TOESTAND VAN

EEN GEESTELIJKE STOORNIS;

MET HET DOEL

OM DE OORZAKEN EN AARD UITEEN TE ZETTEN

VAN

KRANKZINNIGHEID,

EN HET AANTONEN VAN HET ONOORDEELKUNDIG GEDRAG JEGENS VELE ONGELUKKIGE SLACHTOFFERS VAN DIE RAMPSPOED 

DOOR DE WELDELGEBOREN HEER JOHN PERCEVAL
 

Infandum regina jubes renovare dolorem
—quaeque Ipse miserrima vidi
Et quorum pars magna fui.—

Vergilius, Aeneïs, lib. II. 3.

Koningin, gij beveelt me dit onuitsprekelijke leed op te rakelen,

—en de grote ellende die ik zelf heb gezien

En waarvan ik een groot deel heb beleefd. —

 

Londen:

EFFINGHAM WILSON,


ROYAL EXCHANGE.

1840


 


VOORWOORD


They can be meek that have no other cause:
A wretched soul, bruited with adversity,
We bid be quiet, when we hear it cry.
But were we burdened with like weight of pain,
As much or more, we should ourselves complain.

SHAKESPEARE, De Klucht der Vergissingen

De wens van de schrijver van onderhavig werk is drievoudig: —Door te laten zien hoe ontoereikend en gebrekkig de middelen zijn, die door de wet worden verschaft om opgesloten krankzinnige patiënten te beschermen, en personen die wellicht onterecht zijn opgesloten te bevrijden—hoopt hij een hervorming van de wet te bewerkstelligen, zodat personen die per abuis of anderszins door psychiaters of door hun familieleden worden onderdrukt, spoedig bescherming zullen kunnen verkrijgen en van hun beschadigingen kunnen herstellen, door maatregelen volgens de gewone of geschreven wetten. Door het beschrijven van de brute en perverse behandeling waaraan hij zag hoe anderen werden onderworpen en zelf door verschillende psychiaters aan onderworpen werd—hoopt hij een hervorming te bewerkstelligen in het beleid van krankzinnigengestichten. Door het nader aanduiden en verduidelijken van zijn eigen lijden, klachten en problemen—hoopt hij de beklagenswaardige en liefhebbende familieleden van een krankzinnige te leren wat zijn behoeften zijn en hoe zij zich ten opzichte van hem moeten gedragen, zodat ze de fouten kunnen vermijden die helaas door schrijvers eigen familie zijn begaan. Zijn uitgave zal waarschijnlijk door drie soorten mensen worden veroordeeld. Op de eerste plaats door mensen die de verklaring van de schrijver in twijfel trekken; hen verwaardigd hij zich niet te antwoorden. Hij zou hen echter kunnen wijzen op andere mensen, die in een gelijksoortige ellende, schanddaden hebben ondergaan, die vergelijkbaar zijn met die hij beschrijft, maar die het toch verbijsterd en verontwaardigd tegen hen opnemen; bovendien kan hij wijzen op een heer met de naam Paternoster, die ongetwijfeld gezond van geest was, maar werd opgesloten in het gekkenhuis van Dr. Finch, nu van Dr. Philp, waar hij gedurende zes weken vernederingen moest ondergaan en getuige was van wreedheden, die even ernstig en nog ernstiger waren dan die in dit verslag zijn beschreven. De tweede categorie wordt gevormd door mensen, die twijfelaars zijn en wel kunnen geloven dat wat de schrijver vertelt waar is, maar niet toestaan dat het enige indruk op hen maakt; zij zullen wel geloof hechten aan zijn verslag, maar weigeren om het, in heel zijn afgrijselijke werkelijkheid, van invloed te laten zijn op hun verbeelding. De derde soort zijn mensen die de feiten die op deze bladzijden zijn vermeld wel aanvaarden en het belang ervan inzien, maar toch zullen denken dat ze niet algemeen geldend zijn en dat het in ieder geval niet de juiste manier is om het verhaal te halen.

Daarop antwoordt hij dat Dr. Fox, en de Hr. C. Newington, allebei de hemel in zijn geprezen, als twee van de meest humane, knappe en meest beminnelijke psychiaters ter wereld; en dat over hun gestichten en hun systemen is de loftrompet gestoken, als een voorbeeld van de meest volmaakte behandeling van psychiatrische patiënten in Engeland. De schrijver kan het niet laten om uit te roepen—Ex optimis discite pessimos. Daarnaast heeft hij sinds zijn opsluiting met verschillende personen een briefwisseling gevoerd, heeft daarnaast berichten uit verschillenden bronnen in de kranten onder ogen gehad, en kennis genomen van een verslag van een onderzoek door een commissie van het Lagerhuis. Daardoor is hij er volstrekt van overtuigd dat hij op grond van de kennis, die hij had gekregen door ervaring en de geschiedenis van de menselijke natuur, terecht (hoewel hij die rechtvaardiging zelf niet nodig heeft) tot de conclusie is gekomen, dat deze gruwelijkheden algemeen verbreid moeten zijn.
Het is een macht die een ongecontroleerde heerschappij uitoefent over personen die zwak en arm zijn, en geen recht van beroep hebben, of die alleen na lange tijd en onduidelijke tussenpozen, een beroep op autoriteiten kunnen doen en tot die tijd onderworpen zijn aan diezelfde heerzuchtige macht. Het is een macht die heerschappij uitoefent over individuen die, als zij voor het gerecht verschijnen, merken dat hun rechters bevooroordeeld zijn tegenover hen, en dat hun verklaring in twijfel wordt getrokken, en dat ook nog door de verklaring van de heerszuchtige persoon zelf, tegen wie zij protesteren—een macht die huist in de gedaante van kwaadwillende omhooggevallen avonturiers—een macht die belang heeft in het winst maken op haar kerkers, en die als uitgangspunt heeft dat een slechte behandeling nodig is,—een macht waarvan de daden uit het zicht en gehoor worden gehouden, en die de uitvoering van haar wettelijke macht—het toezicht houden op de gedelegeerden voor de psychiatrie—overlaat aan de rechters. Maar er diende zich een probleem aan. Hoe zou iemand, die toegaf dat hijzelf krankzinnig was geweest en ongetwijfeld in zekere zin zelfs was gewantrouwd door de mensen die hem het beste kenden, geloofd kunnen worden door ministers, autoriteiten en vreemden, van wie het eigen gezonde verstand aanvechtbaar was en wier oren net zo bevooroordeeld waren als die van de hele wereld—door de uiterst onjuiste maar algemeen aanvaarde veronderstelling, dat krankzinnigheid een onpeilbaar mysterie is—een onderwerp dat te gevoelig ligt om te behandelen en dat niemand, behalve psychiaters weten hoe ze daarmee om moeten gaan; de veronderstelling dat er aan de woorden van een krankzinnige geen geloof moet worden gehecht; dat een krankzinnige alleen klaagt over een behandeling diehoewel wreedtoch noodzakelijk was! Hoe moest hij de oren en ogen openen van de mensen die juist door zijn tegenstanders waren vergiftigd en verblind? Bij iedereen zou hij om gehoor hebben moeten bedelen—waar hij te trots voor was; nee, dat was vrijwel onmogelijk te krijgen. In alle andere gevallen van onderdrukking wordt gehoord worden tenminste gewoon toegestaan. Hij moest zijn zaak eerst bewijzen voordat hij werd gehoord. Iedereen moest hij zijn lange en pijnlijke geschiedenis vertellen—met iedereen moest hij het steeds weer over hetzelfde hebben—moest hij ingaan op dezelfde ongeloofwaardige en ingewikkelde verklaringen—en moest hij in de openbaarheid treden, waar, hoewel misschien wel het geweten werd overtuigd, de wil onveranderd bleef, omdat het oog van de maatschappij niet op de hoorder rustte.

Daarom besloot de schrijver een verslag te publiceren over wat hij had ondergaan en gezien—en omdat hij vertrouwen had in die publicatie, richtte hij zich naderhand tot de ministerpresident, van wie hij een “vriendelijk  antwoord” kreeg—en tot de president van de rechtbank, van wie hij geen antwoord kreeg; zijn boek werd ook doorgestuurd naar een andere rechter:—hij stuurde het naar twee geestelijken—er werd geen aandacht aan hem besteed. Hij richtte een petitie * tot beide parlementen—zijn petitie werd niet opgemerkt, zelfs niet gedrukt. Hij wendde zich tot verwanten en vrienden, leden van de beide wetgevende instanties—ze zaten vol goede wensen en vol verplichtingen. Zijn geest komt in opstand bij het idee om zich te richten tot de toezichthouders op de psychiatrie: twee van hen hebben hem groot onrecht aangedaan—hij kent ook anderen die hebben geleden onder hun manier van plichtsverzuim—hij weet dat zij zeer goed op de hoogte zijn van de ergste gruwelen van het huidige systeem, en met de wetenschap dat zich onder hen leden van het Lagerhuis bevinden, verafschuwt hij hen als on-Engels—en als misdadiger dan de psychiaters—omdat ze machtiger, beter op de hoogte en vrijzinniger zijn dan zij en toch bereid zijn om stilzwijgende toeschouwers te blijven van een systeem van de meest flagrante roof, verraad, wreedheid, onderdrukking en letterlijke—moord. Die mensen die hem naar de toezichthouders op de psychiatrie sturen, moeten eerst maar eens naar de paus gaan om de godsdienst van de kerk van Rome te hervormen.

 

* Earl Stanhope en Mr. B. Hawes hadden de morele moed om zijn petities aan te bieden.

Als zij nu ooit nog iets zullen doen, zal op een of andere manier het oog van het publiek op hen rusten. Het is zo dat, sinds het onderhavige werk in handen van de uitgevers is gegeven, de edelachtbare markies, die momenteel aan het hoofd staat van het ministerie van binnenlandse zaken, de voorstellen van de schrijver heeft ontvangen en daar even hoffelijk als welwillend aandacht aan heeft besteed. Maar omdat de schrijver het nauwelijks heeft aangedurfd om zich tot hem te richten, omdat zijn eerdere publicatie bij hem geen vertrouwen had gewekt, gaat hij er vanuit dat hij geen belang zal stellen in het aanvullende bewijsstuk van het onderhavige geschrift over dat minder zwaarwegende gebied, en geeft hij toe dat hij niet tevreden is als er zelfs ook maar een ogenschijnlijke laksheid bestaat over een dergelijk onderwerp—en als hij enig wantrouwen koestert, hoopt hij dat een dergelijk wantrouwen begrijpelijk is voor iemand die zo verraderlijk is bejegend door mensen die hem tegelijkertijd rekenden onder een groep, die zij lasterlijk als ziekelijk verdacht beschouwen—en dat hij gerechtvaardigd zou mogen worden door de woorden van de psalmdichter— 

 

“Vertrouw niet op edelen, of op een mensenkind.”

PSALM 146:3.

Daarom schijnt de schrijver opnieuw de aandacht van het publiek te vragen—zoals hij dat had bedacht en besloten. Zijn vorige werk publiceerde hij niet onder zijn eigen naam—maar niet met opzet. Maar omdat hij anderen aanvalt en ontmaskert, wil hij dat niet als een sluipmoordenaar doen, maar oog in oog; omdat hij het echter helemaal alleen heeft geschreven—tegen de protesten in van alle mensen die hem het meest na staan en hem het meest dierbaar zijn—zijn familieleden en vrienden—is hij op zijn eigen mening afgegaan, uit angst dat hij misschien misleid zou worden—en in het besef dat zijn verstand, zo kort tevoren nog helemaal in de war was—en dat zijn mening daarom terecht zou worden gewantrouwd. Later heeft hij dat werk achtergehouden, met de bedoeling om het opnieuw te publiceren of er verder mee te gaan. Maar daarover aarzelde hij, vanwege zijn geliefde en liefhebbende moeder. Hij had zich namelijk genoodzaakt gevoeld om tegen haar zeer betreurenswaardige gedrag zo bitter stelling te nemen. Die aarzeling is weggenomen door het gedrag van de uitgever van een Edinburgs tijdschrift—die de grenzen van wellevendheid heeft geschonden, die hij verschuldigd was aan een schrijver die de wens had om een zeker incognito te bewaren en die zijn naam onthulde, toen hij zijn publicatie recenseerde. Daarom verschijnt dit tweede deel wel met de naam van de schrijver. Aanvankelijk dacht hij dat het verbergen daarvan wellicht op een enigszins onterechte fijngevoeligheid wees. Maar hij begrijpt nu dat zijn naam en zijn levensomstandigheden nu zo algemeen bekend zijn, dat het inmiddels van zwakheid zou getuigen en oneervol zou zijn om zijn hand nog langer af te houden van een werk dat bedoeld is om zovele duizenden ellendige schepsels tot voordeel te strekken, en om rekening te houden met zijn familie en de familieleden die hij aanvecht, Het zou dus geen zin hebben om nog geheimzinnig te doen.

De schrijver wil niets verbloemen, en hoewel hij zich erg schaamt over zijn rampspoed van de afgelopen tijd, beschouwt hij dit werk, zelfs ondanks de pijnlijke onthullingen die hij moet doen, als een waardevolle en eervolle onderneming. Als het hem niet lukt—

 

“Magnis tamen excidit ausis.”

Niemand kan denken dat hij aan dit onderwerp voor zichzelf is begonnen—of voor zijn eigen vermaak of plezier. Hij heeft hellevuren getart en is afgedaald in het Gehenna, waar hij uitgeklommen is, nadat hij daar drie jaar lang levend in was begraven. Hij schrijft onder alle mogelijke ongunstige omstandigheden, behalve een, namelijk armoede. Het onderwerp is deprimerend—het schrijven is pijnlijk en moeizaam voor hem, en anders zorgt de aard van het werk daar wel voor. Zijn oudste vrienden en naaste familieleden zijn boos over zijn bedoeling—hij weet zeker dat hij daarbij gevaar loopt—en hij maakt zich er zorgen over of dat risico misschien wel terecht is. Ze verwijten hem de gevolgen voor zijn vooruitzichten voor de toekomst en die van zijn kinderen—van zijn familie en zijn neven en nichten—en zijn vanzelfsprekende genegenheid als vader, als zoon, en als broer, wordt ter discussie gesteld; maar hij offert die genegenheid en andere gevoelens op aan een plichtsbesef, omdat hij in God gelooft—ontzag voor Hem heeft en op Zijn macht vertrouwt.

Hij wordt misschien beschuldigd dat hij met een smakeloze precisie de details heeft beschreven van de beledigingen en de ontberingen die hij heeft ondergaan. Hij antwoordt daarop dat dit werk niet bedoeld is om dames te vermaken, maar voor mannen; als een agenda voor filosofen, als er al een verborgen agenda is, en voor wetenschappers. De maatschappij heeft laten zien dat zijzelf niet in staat is om aan de behoeften van de krankzinnigen te voldoen of in te voorzien, want anders zou hij niet in zulke minutieuze details zijn getreden. Hij wordt als het ware gedwongen “auribus et oculis subjicere fidelibus,” om het wrede gedrag, het onfatsoen en de grove taal waaraan hij was blootgesteld, voor het oog te schetsen en voor het oor te uiten. Door de “onschuld” en de “onnozelheid” van de maatschappij kan het namelijk niet op een andere manier worden gedaan. En zelfs nu zal er nauwelijks geloof aan worden gehecht. Maar genoeg over dat onderwerp. “Iemand, wiens ogen zijn geopend, heeft gesproken—wie oren heeft om te horen, hij hore.”

Wat betreft zijn familie, en in het bijzonder zijn moeder en zijn oudste broer, vraagt de schrijver toestemming om een paar woorden te zeggen ter verdediging van zichzelf—en van hen. Hij is van kinds af aan opgevoed met de stelregel dat hij de voorkeur moest geven aan zijn plicht om het zichzelf of anderen naar de zin te maken—om de waarheid te vertellen en de Duivel te beschamen. Op school werd hem geleerd om de toewijding te bewonderen en na te streven van de Decii—van Quintus Curtiusvan Mutius Scaevola—en van Brutus, de vader. Daarna kwam hij in een beroep terecht, waarin hij dacht dat het zijn plicht was om zijn leven te geven, wanneer ook hij geroepen zou worden om het op te offeren; en vervolgens wijdde hij zijn aandacht aan het bestuderen van een religie die haar volgelingen leert dat zij door veel te lijden het koninkrijk der hemelen zullen beërven. De stichter daarvan had het volgende gezegd—“tenzij gij om mijnswil uw vader en moeder haat, kunt gij mijn leerlingen niet zijn.” (Luc. 14:26) De consequente manier van denken die de schrijver zich daardoor eigen heeft gemaakt, heeft misschien zijn gevoelens verhard, omdat hij heeft gemerkt dat het klopt dat naastenliefde, hoe dan ook, thuis begint. Want hoe kan hij anderen met mededogen bejegenen, die geen mededogen ten opzichte van hem tonen? Maar hoewel zijn meningen over de goddienst van zijn landgenoten aan het wankelen zijn gebracht, hoort hij in de godsdienst nog steeds de stem van gezond verstand en redelijkheid, die iemand leert om de voorkeur te geven aan zijn plicht boven het applaus van anderen— en om zijn Schepper te dienen boven het geschapene. Toen hij nog was opgesloten, was de schrijver anders dan hij nu is. In het gesticht van Mr. C. Newington was hij nog beïnvloed door vurige religieuze denkbeelden, evenals door een religieus uitgangpunt, en omdat hij daardoor werd beïnvloed, wilde hij dat zijn familie voor het gerecht werd veroordeeld, niet alleen om een voorbeeld te stellen, maar zodat zij hun opvattingen zouden veranderen en om hen in staat te stellen om hun zonden voor God toe te geven en op te biechten zodat zij hun ziel zouden kunnen redden, voordat ze zouden sterven. Maar

 

Vele jaren probeerde het het huiverende lijf te dragen,
En de gekwetste ziel van iemand die nooit sterk was,
Vele jaren van geweld, laster en kwaad;
Toegedichte waanzin, opgesloten eenzaamheid,
En geestes’ kanker in haar woeste luim.

Wanneer de hunkering naar welwillende en oprechte manieren

Het hart verschroeid, en het gruwelijke traliewerk

Dat de zonnestralen verstoort met zijn afschuwelijke schaduw,

Zich door de bonzende oogbollen naar het brein toewerkt

Met een snerpend gevoel van zwaarte en pijn;

Hij moet daar ook de volgende twee regels aan toevoegen, die zo volstrekt juist zijn:

 

En smakeloos voedsel, dat ik eenzaam heb gegeten,
Tot de bitterheid der afzondering was verdwenen. (Uit: De Weeklacht van Tasso door Lord Byron)

Drie jaar opsluiting onder waanzinnige artsen is voldoende om elk gevoel te vernietigen, de invloed te verlammen van alle, zelfs van de zintuiglijke beginselen van de wil—en de werkzaamheid van elk geloof te vernietigen. Toch bleef er, toen hij zijn eerste boek schreef, een sprankje gloed over van diezelfde hartstochtelijke moed, die echter verdween voor het werk tot een einde was gebracht. Hij geeft nu toe dat het gevoel is verdwenen; en hoewel hij niet zonder geestdrift is of zonder religieuze hartstocht, komen die toch voort uit andere principes. De bewijzen voor een eeuwig rijk—de hoop op beloningen in de toekomst—de angst voor toekomstige straffen, drijft deze levende ziel niet langer—de schrijver luistert en gehoorzaamt, maar alsof hij geen gevoel heeft, en hij stemt in met een reeks bewijzen, die hij niet zomaar vertrouwt. Vroeger wilde hij handelen in overeenstemming met zijn geloof; nu handelt hij koel, en zonder hartstocht, omdat hij de consequentie van zijn ideeën beseft, maar hij verfoeit dat en heeft er een hekel aan dat zijn luiheid daardoor wordt verstoord.

De vergissing van zijn familie was wat, voor de wereld in het algemeen, heel gewoon is in dit soort gevallen, en wat de consequentie is van de waanzin of zondigheid van de wereld. Hoewel iedereen doet alsof hij krankzinnigheid en waanzin een mysterie vindt—terwijl zij volstrekt niet weten wat dat betekent—omdat zij het zijn die echt weten wat de juiste behandelingsmethode is—heeft de schrijver alleen maar met mensen over het onderwerp gesproken, die allemaal hetzelfde vooroordeel hadden. Je zou dus denken dat zij het allemaal wisten—en dat de schrijver de enige domme vragensteller was. Het laatste dat bij hen opkomt, is om te twijfelen, de schrijver vragen te stellen en profijt te trekken uit zijn ervaring. Gewoontegetrouw is de schrijver geneigd te spreken. Het is prachtig dat het zo zou zijn—maar in werkelijkheid is dit de normale gang van zaken bij het functioneren van het menselijke brein. Het is zinnig om na te denken over en onderzoek te doen naar de oorzaak van de gebruikelijke arrogantie van het mensdom om zo te veroordelen. Een aanwijzing daarvoor wordt op de volgende bladzijden gegeven. Het is een onderdeel van hun gebruikelijke ongodsdienstigheid, en van gebrek aan eerbied en respect in hun karakter, als zij echt iets willen begrijpen.

De familie van de schrijver handelde aanmatigend in een zaak waarvan zij duidelijk niet op de hoogte was, en waarvan de artsen zelf beweren dat zij daar alleen maar in de praktijk iets vanaf weten. Als de familie meer dan anderen iets te verwijten viel, was dat omdat hun middelen hen in staat stelden om het anders te doen—omdat zij, met hun vromere en religieuzere gesprekken, gehoorzaamd zouden kunnen hebben aan gevoelens en gewoonten, die in hen sterker leefden—en omdat zij zich later verzetten tegen de bewijzen en de argumenten die op zoveel manieren en zo vaak, in de brieven en bezwaarschriften van hun familielid, werden aangedragen. Hierbij heeft de schrijver soms het vermoeden, dat zij wellicht verwrongen waren door persoonlijke gevoelens en gekwetst en terechtgewezen waren door een familielid, dat zij als krankzinnig beschouwden. De schrijver zou misschien alles kunnen vergeven wat hem is overkomen tijdens zijn eerste negen maanden durende opsluiting in het gesticht van Dr. Fox.; hij kan er niet op hopen dat hij het zich kan permitteren om de tegenwerking te vergeten die zijn protesten ontmoetten, na het begin van zijn herstel. Het is niet of hij dat wil —hij vind dat hij dat niet doet en dat niet langer kan doen, zoals hij dat gewoonlijk deed, gezien de familiebanden of het ouderlijke gezag. Hij heeft vaak gedacht dat hij verheugd zou zijn geweest, als deze rampspoed, net als de pest bij de Atheners zoals door Thycydides wordt vermeld, was gevolgd door een geheel vergeten van alles wat hem zo dierbaar was geweest—met het verliezen van de herinnering aan hen, die hem zoveel leed hadden berokkend.

De vroomheid en eenvoud van leven van zijn familie, is in zijn ogen hun excuus; zij konden niets bedenken dat zó schandelijk was als de nalatigheid en behandeling van de psychiater, of dat het zó absurd zou zijn. Hoeveel mensen zullen dat zelfs nu geloven?—Toen zijn moeder echter besefte wat voor behandeling hij in het gesticht van Dr. Fox had ondergaan, terwijl zij dacht dat ze wel gebruik móest maken van de psychiaters, voelde ze dat zij haar in hun macht hadden en was ze bang om tegenover hem haar gevoelens net zo hartelijk te uiten als ze anders zou hebben gedaan, of hem deelgenoot te maken van de opgewekte stemming die haar karakter haar ingaf—uit angst dat zij hem bloot zou stellen aan hun wraakzucht. Zij bekende hem dat pas na zijn vrijlating. Zij wist niet hoe goed hij zichzelf kon verdedigen, en er zelf voor kon zorgen dat de artsen hem respecteerden.

Hij kan niet zeggen in hoeverre economische motieven haar ervan weerhouden zouden kunnen hebben om met zijn wensen in te stemmen, toen hij een privé-verblijf wilde hebben—of in haar aanvankelijke keuze voor een krankzinnigengesticht. En hoewel hij niet kan aanvaarden dat een krankzinnigengesticht ooit de plek kan zijn om een familielid in te laten opsluiten, terwijl de familie over de middelen beschikt om voor een verblijfplaats en bewakers in een privé-kliniek te zorgen—als zijzelf nauwgezet en zorgvuldig over hem willen waken; —en hoewel hij de oprechtheid wantrouwt van de opvatting van Engelse en Franse artsen, dat het isoleren van familie en vrienden en vroegere contacten het allerbelangrijkste voor hun genezing is (hij wantrouwt dat omdat alleen de psychiaters dat zeggen—en hij is er zeker van dat dat geen algemeen aanvaarde stelling is)—maar hij spreekt uit ervaring; en hoewel hij nu met zijn ervaring een patiënt juist zou kunnen behandelen—was zijn familie toch overrompeld—niet goed ingelicht en, wat het geval is met het merendeel van de wereld, door angst van het verstand beroofd. Hij durft hen daarom niet zomaar kwalijk te nemen dat zij hem aanvankelijk in een krankzinnigengesticht hebben laten opnemen—hij betreurt alleen hun keuze en maakt er beslist bezwaar tegen dat zijn onderkomen zover van hen vandaan was, en dat ze hem niet vaker zijn komen opzoeken, zodat ze zich beter op de hoogte hadden kunnen stellen van de aard van zijn aandoening.

De behandeling in dergelijke oorden is zo bedrieglijk en de bedienden en artsen passen hun gedrag zo onprincipieel aan aan de aard en mate van het herstel van de patiënten, dat hij daar niet gunstig over kan spreken. Toch denkt hij dat hij zou kunnen zeggen, dat als hij eerst bij Mr. C. Newington was opgenomen, volgens hemzelf binnen drie tot zes maanden was hersteld; maar hij betwijfelt of hij dan zijn vrijheid eerder had teruggekregen; want die meneer houdt er nogal verdachte gewetensbezwaren en een overtrokken gevoeligheid op na, wat betreft een te abrupte terugkeer van zijn patiënten naar de maatschappij. De schrijver hoopt echter dat hij zich niet vergist en anderen niet zal misleiden, als hij zegt dat zijn menselijke instelling en een angstvallig verlangen om te voorkomen dat zijn bedienden op een grove manier misbruik maken van hun macht Mr. Newington tot eer strekken; wat echter gepaard gaat met een nogal onjuiste voorstelling van zaken. Zijn gedrag ten opzichte van de schrijver was onbillijk—bij tijden onfatsoenlijk en moedwillig uitdagend en uiteindelijk uiterst grof—maar daarbij moet niet worden vergeten dat hij zich tegen de dokter verzette met veel van zijn favoriete en onfeilbare dogma’s, en hem eigenlijk de baas was, in plaats van dat hij hem gehoorzaamde; hij bedreigde hem en viel hem op zijn eigen terrein lastig.

Het bedrag dat werd betaald om hem in de boeien te laten slaan, geslagen, onderdrukt, beledigd en verzorgd te worden bij Dr. Fox, was driehonderd guineas. De schrijver weet niet veel van geldzaken, maar hij denkt dat hij misschien even goedkoop en veel beter in een privé-gezin of verblijf verzorgd had kunnen worden, het honorarium van de artsen incluis. In feite weet hij dat het zo is. Als heren namelijk het brein van ziekgeworden heren niet kunnen genezen, kunnen dokters dat ook niet; zij hebben niet het recht om ook maar iets meer te vragen dan hun honorarium als artsen, en de schrijver zal hen nooit toestaan dat zij zich met hem of het zijne bemoeien, buiten het voelen van de pols of het kijken naar zijn tong. Hij bedoeld echter niet te zeggen, dat misschien niet een van hen door God is gezegend, of dat hij hun recht op vertrouwdheid, vriendschap en welverdiend vertrouwen wil betwisten. Maar zijn familie kende niet wat hij kende—namelijk de last die door de psychiaters wordt opgelegd.

Hij geeft toe dat driehonderd guineas in zijn ogen een gering bedrag is voor een rijke familie om voor toezicht op een krankzinnig familielid te zorgen, hoewel dat een vorstelijke bijdrage is voor zijn onderhoud; en het bewijst misschien het tekortschieten van zijn familieleden om erover na te denken—maar niet een gebrek aan vrijgevigheid van zijn moeder—daar kan hij haar niet van beschuldigen. Driehonderd pond zouden in zijn gebruikelijke omstandigheden nauwelijks genoeg zijn geweest om hem te onderhouden, met fatsoenlijke bewakers voor hem, en hij denkt dat het van wezenlijk belang is dat de omstandigheden van een krankzinnige die aan waanvoorstellingen lijdt, zo geregeld zouden moet worden dat ze goed mogelijk lijken op wat ze vóór die tijd waren—niet meer en niet minder—want anders zouden ze aanleiding kunnen geven tot onjuiste ideeën. Tweehonderd guineas is vast niet een te grote vergoeding voor een arts of een geestelijke, die het toezicht op zich neemt op een wilde psychiatrische patiënt, en die trouw zijn belangrijke en vaak onaangename en ondankbare taak vervult. De aanblik van een, hoe dan ook, geestelijke puinhoop en totale verloedering van een menselijk wezen, laat staan bij iemand van een gerespecteerde familie—en dan ook nog een jongeman, en iemand die begiftigd was met alle mogelijke talenten en die daar het genot van had gehad en ze er gebruik van had gemaakt—moet heel moeilijk zijn voor de gevoelens van een menselijk iemand, afgezien van de angst waaronder hij heeft te lijden, als hij oprecht handelt, en van de verantwoordelijkheid, die hij vaak moet dragen. Om dezelfde reden denkt de schrijver dat het loon, dat door de psychiaters aan hun bewakers wordt gegeven, op geen enkele manier in verhouding staat met het doel waar zij voor zijn ingehuurd, en dat het evenmin een zowel eerlijk als een fatsoenlijk toezicht kan garanderen. Want een oprecht iemand zal niets op zich nemen, gezien zijn plichten, waar hij niet eerlijk voor wordt betaald. *

 

* De vorst en aristocratie van dit land beseffen niet hoe zij de vrede en het welzijn van de staat ondermijnen door hun Nieuwe Armen Wet, die zich bemoeit met de oprechtheid en onafhankelijkheid van de Engelse arbeiders. De schrijver kan het niet nalaten om die wet aan te halen. Hij heeft reden om de werkende klasse dankbaar te zijn—hoewel aan aantal van hen zichzelf ervoor leenden om instrumenten van hun bazen te zijn en zich net als hun bazen nogal gewetenloos tegenover hem gedroegen, waarbij zij ook nog misbruik maakten van zijn toestand om hem te verwaarlozen en te beledigen; —en de uitvoering van die wet betreurt hij, en ziet dat bijna als een herhaling van zijn eigen ellende. Het systeem van de Armen Wet Commissarissen is een systeem van dubbelhartigheid, bespotting en onderdrukking, net als dat van de psychiaters. Hetzelfde wereldje van goede bedoelingen; de zogenaamde handhaving van wrede regelingen onder het mom van goede bedoelingen—regels die hardvochtig zijn voor lichaam, geest en gevoelens; die ouder van kind scheiden—echtgenoot van echtgenote—man van vrouw, bij dag en nacht; datzelfde afschuiven van verantwoordelijkheid, van de een naar de ander—dezelfde geheimhouding—dezelfde willekeur voor rechtvaardigheid en duidelijkheid om eerlijk te worden behandeld in beroepszaken—eenzelfde nauwkeurigheid bij het dwingen van elke geestelijke en lichamelijke toestand om aan dezelfde wetten te gehoorzamen en te buigen voor hetzelfde dieet, zonder rekening te houden met de verschillen die de natuur tussen individuen maakt; dezelfde ontkenning van de geest van verkwikking en verbetering die wordt ontleend aan het ontmoeten van iemands medeschepsels bij het openbaar uitoefenen van de eredienst. Dezelfde blootstelling aan brute opsluiting en straf naar goeddunken van de armenhuisbeheerder—als de gevangene wordt getergd tot enig heftig taalgebruik of gedrag—hoe ernstig de uitlokking ook is. Zowel het ene als het andere systeem is uitgebroed door de duivel—het brein achter Sodom—de geest van kwaad en wreedheid—de ongelovige geest van de huidige “vrijzinnigheid.” De schrijver is er zeker van dat een of andere psychiater, of beschermheer of intieme bondgenoot van de psychiaters, de Nieuwe Armen Wet en het systeem daarvan heeft bedacht en bekokstoofd.

 

Bovendien is de schrijver van mening dat 500, of laten we zeggen 250 pond, niet teveel zou moeten zijn voor een familie die zich zou kunnen veroorloven om dat te besteden aan de zorg voor een ongelukkig familielid, zolang er een vooruitzicht op herstel bestaat; hij vindt driehonderd guineas volstrekt voldoende voor het onderhouden van iemand met zijn gewoonten, als de hoop op zijn genezing was opgegeven. Maar zoals hij al eerder heeft gezegd, kan iemand die zijn moeder kent, zich niet voorstellen dat oneigenlijke bezuinigingsmotieven haar mening hebben beïnvloed—integendeel, zij zou hem niets hebben geweigerd wat hem had kunnen vermaken of aan zijn genezing had kunnen bijdragen; zij bood hem leraren aanze verschafte hem middelen om met rijtuigen te kunnen oefenen. Waar ze echt voor terugdeinsde, was de moeite om na te denken en een onafhankelijk oordeel te vormen. Zij misgunt hem geen enkele uitgavemaar ze zag niet dat er oneerlijk gebruik werd gemaakt van wat ze uitgaf; en dat, omdat ze mensen vertrouwde, die dat vertrouwen niet waard waren. Ze zwichtte vrijwel onvoorwaardelijk voor de dogma’s van de psychiaterseen principe dat de schrijver zich op geen enkele manier kan voorstellen: maar zij deed dat echter niet helemaalgelukkig deed ze dat niet helemaal. Haar eigen verstandigheid zorgde ervoor dat zij hem aan Dr. Fox toevertrouwde, die hem in de tuin in Brisslington aan het werk zette—en haar eigen verstandigheid gaf haar genoeg kracht om de herhaaldelijke verzoeken af te wijzen, die door de artsen aan haar werden gericht om hem geen pen, inkt en papier toe te staan. Aan deze twee toegeeflijkheden dankt hij in grote mate zijn herstel en vrijlating. Hij denkt inderdaad dat hij, zonder het gebruik van pen, inkt en papier, nooit zijn gedachten opnieuw had kunnen ordenen en onder controle had kunnen krijgen—en dat hij, als hij was genezen, weer gek geworden zou zijn—en waarschijnlijk zou hij dan een dwaas geworden zijn. Aan het feit dat zijn moeder in deze twee gevallen haar eigen mening heeft gegeven, dankt hij in grote mate zijn herstel; maar hij wist niets van haar inmenging wat dat betreft, tot na zijn ontslag van zijn opsluiting.

Wat betreft zijn oudste broer, door wie hij zich meer gekwetst voelde—omdat hij een man is—(bij een vrouw, die nooit verraad pleegt uit behoefte aan fijngevoeligheid en genegenheid, of uit angst, is bijna elk onjuist oordeel vergeeflijk) denkt de schrijver dat hij zo kinderachtig was geworden door de leerstellingen van Christendom, waarin jonge mensen vanaf hun kindertijd worden ingezwachteld, of liever, door de eenzijdige visie van die leerstellingen, die zij zich eigen maken. De eerbied waaraan dacht dat hij was gehouden, en die in de familie van de schrijver, gewoonlijk en om vele redenen, zijn moeder wordt betoond, overdekte de gevoelens van medelijden en hartstochtelijke toewijding van de ene broer voor een andere geestelijk gestoorde broer. Hij vergat dat het gebod Eer uw vader en uw moeder tweeledig is—zoals alle wijsheid tweeledig is. Maar dat was niet alles. De landgenoten van de schrijver weten niet hoe vreselijk onrechtvaardig en wreed de wet is—of liever niet de wet, want dat kan geen wet zijn—de praktijk en het gebruikelijke handelen onder de wet, is echter dat personen, niet alleen de familieleden, maar personen die misschien nog dierbaarder voor de krankzinnige zijn dan familieleden, geen deel kunnen hebben aan zeggenschap over en zorg voor hem. Als bewijs daarvan: Lord de Blaquière en zijn broer Generaal de Blaquière, is jarenlang verhinderd om enige toegang tot hun zuster, Lady Kirkwall, te krijgen—door de mensen aan wie de zorg voor haar was toevertrouwd. Al had zijn oudste broer hem van dienst willen zijn—hij had geen macht. Als hij er moeite voor had gedaan, maar zijn moeder had geweigerd om zich voor hem in te zetten, had hij geen middelen gehad om door te gaan—met de bedoeling om ervoor te zorgen dat er aan zijn recht aandacht werd geschonken, door te dreigen de familie te ontmaskeren, of het voor hen onaangenaam te maken—en dat allemaal op goed geluk. Want zijn broer deed, zoals zijn moeder, niets aan zijn behoefte om te oordelen—uit gebrek echter aan een grondige overtuiging van de juistheid en het belang van zijn eigen oordeel. Hij wilde eerst de schrijver naar de stad brengen, terwijl hij het niet vervelend vond om hem in Brisslington achter te laten. Later vroeg de schrijver hem of hij ervoor wilde zorgen dat hij bij hem in de buurt kwam wonen, maar dat werd geweigerd—hij dacht namelijk dat hij voor zijn moeder moest zwichten. Toch deed hij geen navraag en koesterde hij geen belangstelling voor de aard en behandeling van de aandoening—wat volgens de schrijver een religieus, grootmoedig en zelfs filosofisch iemand zou hebben moeten doen.—Dat verbaast de schrijver, omdat de bestudering van een mysterie zoals dat van de krankzinnigheid—voor hem altijd een van de meest grootse en verschrikkelijke—meest belangrijke en meest leerzame onderneming leek. Ook kwam zijn broer hem niet zo vaak opzoeken als hij had behoren te doen. Maar daarin was hij voorgelogen, omdat het in strijd was met het doktersvak: (er bestaat geen kunst, handel of bezigheid, dat die titel zo terecht verdient, als de bezigheid om mensen gek te maken en te houden—of hen terug te plaatsen in de maatschappij—de dwazen). En dat niet alleen, want gedurende de tijd dat hij in Brisslington verbleef, was zijn broer bezig met het bestrijden van de principes van de Whig-regering, en het hoofd te bieden aan de overrompelende stroom van de volksopvatting ten gunste van hervorming, die, hoewel terecht, zonder enige tegenstand, misschien alle grenzen te buiten was gegaan. Er was ook nog een andere reden, die ervoor zorgde dat het bijzonder moeilijk was om zich met zijn oudste broer te bemoeien. Hij had zich aangesloten bij de merkwaardige opvattingen van de kerk van de heer Irving—die waren gebaseerd op de zogenaamde wonderbaarlijke openbaringen in Row—waaraan ongetwijfeld de ziekte van de schrijver moest worden toegeschreven. Met name daarom zou tegen zijn bemoeienis vast bezwaar worden gemaakt. Maar temidden van veel wat moet worden betreurd en veel wat verweten moet worden—maakt de schrijver voornamelijk bezwaar tegen het principe van een moeder of een broer, die een zoon of broer laten vallen, iemand in wiens aderen ook niet alleen edel maar koninklijk bloed vloeit; iemand met een verfijnde geest en van een ras van de hoogste ouderdom—ook iemand die eerder geen schande over zijn familie had gebracht—hij maakt bezwaar tegen het principe om wie dan ook uit te leveren, en zeker iemand zoals hij was, om geslagen, geketend, en bruut behandeld te worden, naar de grillen van een omhooggevallen psychiater en zijn minderwaardige knechten; hij kan dat niet vergeten en niet verdragen. Als het nodig zou zijn, is hij nog steeds een waanzinnige en haat hij gezond verstand; maar hij gruwt van die theorie en veracht de breinen die hun gevoel zo kunnen verlagen, dat ze denken dat er enige juistheid schuilt in een dergelijke dwang.

De revolutionaire en ongelovige vrijzinnige principes van tegenwoordig drijven de spot met een hoge afkomst en geven schaamteloos af op een eeuwenlange afstamming, als ware het slechts toevallig—een kwestie van toeval, waardoor mensen zonder onderscheid daarmee worden begiftigd. Laat een krankzinnige hen leren—want de schrijver heeft, toen hij krankzinnig was, geleerd om dat aan te voelen—dat er niet zoiets bestaat als toeval—niet zoiets als kans. Deze begrippen zijn begrippen die een teken dwaasheid zijn of duiden op beleefdheid. Bestaat er iets dat sneller is dan bliksem of gedachte? En toch is Hij die de bliksem schiep en de gedachte vormt, sneller dan dezen, en snel in het verijdelen van elke wil en elke onderneming. De God die de mens schiep, kiest ook onder hen zijn dienaren uit, en verwijlt bij hen; en de voortzetting van een aloude naam is een bewijs van de niet aflatende gunst van de Godheid. Dat is het wat de vijandschap en domme grove taal kweekt bij “vrijzinnige” mensen. Want genade heeft in kwaadwillende geesten altijd afgunst opgewekt—sinds Abel door Kaïn werd doodgeslagen. De schrijver pleegt het als een grotere eer te beschouwen, dan iemand hem ooit kan schenken, dat hij afstamt van een aloude familie.

 

Fortes creantur fortibus et bonis;
Est in juvencis, est in equis, patrum

virtus—nec imbellem feroces
Progenerant aquilae columbam.

De sterken worden geboren uit sterken en goeden

En in stieren en paarden zit de dapperheid

der vaderen—noch brengen wilde adelaars

Een vreedzame duif voort  

 

Horatius, Carmina Boek.4:4

 

Maar, “fuimus”—

The hope is gone of former days,
And glory’s thrill is o’er;
The heart that once beat high for praise,
Now feels that pulse no more.

                              

                               De hoop van voorbije dagen is vervlogen

                               De huivering van glorie is geweest

                               Het hart dat ooit hard sloeg voor eer

                               Voelt nu die pols niet meer

 

Thomas Moore, uit: Harp That Once Through Tara’s Halls

 



INLEIDING

 

Het verloop van mijn leven in mijn jonge jaren, de oorzaken van mijn krankzinnigheid, de melancholie en wrede gevolgen van die krankzinnigheid en de oorzaak van mijn tragische ruzies met mijn familie, heb ik uitgebreid in een vorig boek verhaald. Toch zal ik, omdat veel mensen misschien niet in de gelegenheid zijn geweest om dat boek te lezen, en vele anderen mogelijk gerede twijfels koesteren over de waarheid ervan—omdat ze mijn karakter en instelling niet kennen, in de eerste vier hoofdstukken van het onderhavige boek een gebrekkige samenvatting bij elkaar sprokkelen van wat ik al openbaar heb gemaakt. Ik stel voorop dat van deze vier hoofdstukken er drie pas in mei 1832 zijn geschreven. In 1833 zijn ze, door een jongeman uit Sevenoaks, voor overgeschreven en het dagboek en de daarop volgende brieven in 1831. Het andere hoofdstuk is in 1833 geschreven in Sevenoaks en de bladzijde die aan beiden voorafgaat in 1834, na mijn ontslag uit de inrichting. Terwijl ik het hele boek, dat al in handen van het publiek was, in het jaar 1835, uit mijn geheugen in Prijs heb opgeschreven—heb ik de artikelen, die daarin staan, onder de hoede van mijn notaris achtergelaten in een koffer in Engeland. Bij het verwijzen daarnaar hoefde ik maar een enkele verandering aan te brengen, zover ik mij kan herinneren, en dat is aangegeven.

Het was de wil van de Almachtige Schrijver van goed en kwaad, om mij, in het laatst van december van het jaar 1830, over te geven aan een algehele ontregeling van mijn verstand. Gedurende het begin en het verloop van die waanzin, was ik door bovennatuurlijke oorzaken het slachtoffer van veel geestelijke marteling en doodsangsten, en het voorwerp van onmenselijke en wrede behandeling, door de domheid of onachtzaamheid van de oplichters, die het op zich hadden genomen om mij te genezen. Na een periode van ongeveer veertien maanden werd ik overgeplaatst, van een van die onderkomens die spottend een gesticht worden genoemd, dat beheerd werd door ene Dr. Fox, in de gemeente Brisslington, bij Bristol, naar een ander soort inrichting, van ene Mr. C. Newington, in Ticehurst, Sussex. In de maand mei van het jaar 1832, bevond ik mij in dat gekkenhuis, waar ik het recht van anderen aanvocht om mij te behandelen op de manier zoals zij deden—en tekende ik tevergeefs beroep aan tegen mijn moeder en mijn arts, bij de magistraten Mr. Courthope uit Willigh, Micklethwaite en Moreland uit Lamberhurst. In de loop van die maand schreef ik de bladzijden die meteen hierna volgen en die de eerste drie hoofdstukken van dit boek vormen. Wat ik heb geschreven heb ik letterlijk gepubliceerd, met de bedoeling dat de lezer over dezelfde maatstaf kan beschikken, die ik hiermee verschaf—voor het feit, dat ik toen gezond van geest was; dat werd ontkend, en mij werd geen reden opgegeven voor die ontkenning—intussen was ik overgeleverd aan de meest onnatuurlijke, ongodsdienstige en vernederende omstandigheden, blootgesteld aan belediging, geweld en onderdrukking; mijn opsluiting duurde voort in verschillende gradaties en situaties tot het begin van dit jaar, 1834.

 



HOOFDSTUK I


Ticehurst, 1832.—Ik weet dus niet wat het effect zou kunnen zijn op mijn verstand van een verslechterde toestand van mijn lichamelijke gezondheid, van mijn aanhoudende besef van blootgesteld zijn aan een onbehoorlijke en kwetsende behandeling in dit krankzinnigengesticht, aan een vrijpostige observatie, het plotseling binnendringen in mijn kamer, het gebrek aan respect, en zelfs spot van de kant van de bedienden; van de verontwaardiging over het gecontroleerd worden, van de inperking en opsluiting, die volgens mij niet langer nodig zijn, en vooral van de aanhoudende buitensluiting uit de maatschappij, van mijn gelijken en in het bijzonder van vrouwen, wat al vanaf 15 december 1830 duurt.

Bovendien word ik hier gevangen gehouden, uitsluitend op grond van de mening van Mr. N., dat ik niet vertrouwd kan worden, omdat ik op de meest redelijke gronden heb gevraagd om verlost te worden van zijn gezag, en vooral om een regiem te krijgen dat beter is dan dat van hem; en omdat hij lijkt te denken dat het een bewijs van mijn wanen is, dat ik gevoelens van boosheid koester tegen mijn moeder, mijn oudste broer, mijn oom Lord A., en de rest van mijn familie, vanwege hun gedrag ten opzichte van mij.


Om die reden heb ik de volgende bladzijden geschreven, om zonodig verderop te bewijzen, dat ik terechte en redelijke gronden heb om verontwaardigd te zijn, sterker nog, haat te koesteren over het gedrag jegens mij, van de bovengenoemde personen, en van mijn artsen.

En gezien mijn ervaring acht ik het niet onwaarschijnlijk dat de herinnering aan alle beledigingen die ik heb ondergaan en waar ik nog dagelijks het slachtoffer van ben, aan het gevoel van ontstemdheid dat wordt veroorzaakt door een voortdurende ergernis over de regels binnen en buiten de deuren van dit gesticht, aan mijn gevoel van de wederrechtelijkheid en onrechtvaardigheid van mijn opsluiting, aan mijn verontwaardigde verbijstering, die elke beschrijving tart, om juist achter slot en grendel te zitten vanwege de opvattingen die ik als bewijzen beschouw van een gezonde geestestoestand, en dat ook nog door Mr. N., een van de personen, die zij het meeste aangaan, samen met mijn wanhopen aan het verkrijgen van enige hulp, (ik heb al vierenvijftig brieven geschreven aan verschillende vrienden, zonder antwoord te krijgen; ik heb me tevergeefs tot een magistraat gericht en Mr. Couthope geschreven, een van de magistraten die een bezoek bracht, zonder dat hij aandacht aan mij schonk; en ik heb meer dan veertien dagen gewacht op een antwoord op mijn klachten aan de magistraat Mr. Micklethwaite, en Dr. Mayo, M.D., die mij op 30 april opzocht, maar mijn bezwaar niet leek te begrijpen)…….

Omdat ik er dus bang voor ben dat de herinnering aan deze dingen in het verloop van de tijd mijn geest zouden breken en mij krankzinnig zouden maken, of mij zouden verleiden tot wraakacties, en uitingen van wrok, die verdraaid en beschouwd zouden kunnen worden als bijkomende redenen voor het handhaven van de gedragslijn die ze veroorzaakt, of dat deze en een aantal vergeefse pogingen om mijn ontsnapping te bewerkstelligen, gevolgd zouden kunnen worden, wat men al een keer heeft gedaan, door niet te verantwoorde en verzwarende beperkingen, die mij tot verdere geweldsacties zouden kunnen verleiden en uiteindelijk uit teleurstelling en ergernis zouden kunnen eindigen in waanzin en onbeheersbare woede……

Vanwege dat alles is mijn verzoek dat deze papieren, als ik weer krankzinnig wordt, niet in handen worden gegeven van mijn familie of Mr. Newington, omdat zij hebben al voortijdig een oordeel hebben geveld over mijn zaak, maar in handen van mijn broers Frederick en Ernest, en van mijn vrienden Kolonel Woodford, Kolonel Lambert en Kapitein J. R. Craufurd, van de 1e van de garden van grenadiers; dat ze door hen, ter lezing, ter hand worden gesteld van de commissarissen, die, voor zover ik weet, zijn aangewezen om voor de rechten op te komen van personen waarvan wordt verondersteld dat ze krankzinnig zijn; * —om aan te tonen hoe wreed de situatie van een krankzinnige is, en met name van een krankzinnige heer, zou kunnen zijn—wreed en verbijsterend, niet alleen door opzettelijke kwaadaardigheid, maar door de koppige vasthoudendheid van zijn vrienden aan een onjuist oordeel.

Ik dank God, omdat mijn aangeboren moed, vastberadenheid, standvastigheid, verdraagzaamheid, terughoudendheid bij het veroordelen uit angst om me te vergissen, en geduld, mij in staat hebben gesteld om me behoedzaam en voorzichtig te onderwerpen aan alle voorschriften die mij werden opgelegd;

 

* Mr. N. deelde mij mee dat er commissarissen waren aangesteld om de klachten van krankzinnigen te beoordelen, en om mensen te vervolgen die hen onrechtvaardig hadden behandeld.

 

en om ook boven de ontelbare teleurstellingen te staan die ik heb ervaren; maar het is een moeilijke opgave, en een die mij menige vervloeking heeft ontlokt zowel van de personen door wie ik schade heb opgelopen, als van de gevestigde gewoonten en domheid * van mijn landgenoten. Het is een beproeving, waaraan niemand die een geruïneerde toestand van verstand en lichaam te boven komt, onderworpen zou moeten worden; ik ben er vaak bijna aan onderdoor gegaan, en twijfel er niet aan dat velen, die niet gezegend zijn met eenzelfde geduld, berusting en onopvallende behoedzaamheid, onder gelijke omstandigheden, er helemaal aan onderdoor zouden zijn gegaan.

Op zondag 19 december 1830, werd ik, nadat ik hersteld was van mijn ziekte, door mijn vriend Kapitein H.—, met toestemming van Dr. Piel, mijn arts en chirurg aan het Royal Hospital, meegenomen om een luchtje te scheppen.

Ik bracht het grootste gedeelte van de dag door met Kapitein C. en zijn gezin. Het gesprek kwam hoofdzakelijk terecht, of werd door mij gestuurd, op de wonderen van Row;

 

* Een domheid die ik onvergeeflijk vind, en waarvan ik denk dat dat voornamelijk de magistratuur van het land kwalijk kan worden genomen! omdat ze niet te verontschuldigen zijn. Zij weten wat een gevoel is dat een heer betaamt, en wat de behoeften van heren zijn; en toch bezoeken zij jaar in jaar uit krankzinnigengestichten waarin zich patiënten bevinden, en zien de pijnlijke en onfatsoenlijke situatie waarin zij zijn geplaatst, en toch doen zij geen enkele keer moeite om zichzelf in de patiënt te verplaatsen en zichzelf af te vragen of zij een week of veertien dagen op dezelfde manier behandeld zouden willen worden; of als zij dat wel doen, vleien zij de arts, door hun eigen mening over de onmenselijkheid en onjuistheid van gedeelten van zijn systeem, of het geheel, op te geven voor zijn mening en de beweringen over de voordelen ervan!

 

Net als vroeger bleef ik erbij dat ik daarin geloofde en ik probeerde de anderen te overtuigen; ik vertelde de familie over vele zaken, die ik in Schotland en vanaf het moment dat ik in Ierland was, had meegemaakt en getuige van was geweest. Mij gesprekken en daarnaast mijn gedrag, verontrustten hen. Ik bracht de nacht door in het Royal Hospital, waar Mrs. H. zo vriendelijk was geweest om mij een bed te verschaffen. Het was een nacht vol gruwelen en angsten.

De volgende morgen ontbeet ik samen met Kapitein H.. Ik werd aangezet door een of andere spirituele kracht om te verzoeken mij een half uur in de salon alleen te laten, toen de familie zich in de zitkamer had teruggetrokken en kapitein H. voor zaken was afgereisd. Zij maakten bezwaar, maar ik drong aan, en zij stemden toe.


Ik werd, zoals ik al zei, aangezet door een geest om een kwartier lang een bepaalde houding aan te nemen, waarbij ik, als ik mij goed herinner, naar de klok keek. Vervolgens moest ik mijzelf op de grond werpen en met mijn mond vlakbij de grond gaan liggen.

Ik lag daar een kwartier of langer, waarbij ik aannam dat het op bevel was van mijn Verlosser; er gebeurde veel—maar tenslotte werd ik gestoord door het binnenkomen van Kapitein H., die mij aantrof toen ik opstond en mij van de grond omhoog hielp; ik had, in mijn doodsangst, uit mijn mond op de grond gekwijld. *

Voor hem was mijn gedrag ongewoon, want ik dacht dat ik hem en zijn gezin in een onbekende taal

 

* Het is opmerkelijk dat meteen daarvoor een stem de Heer hoorde smeken om mij rechtop te zetten, en alsof het een grap was, hielp mijn vriend mij overeind. 1840

 

toe moest spreken (en hem iets moest bekennen, wat ik niet wilde, als ik mij dat goed herinner) Maar ik stond op het punt om het te doen, toen ik aarzelde, omdat Kapitein H. ging zitten om een brief te schrijven en ik bang was dat ik hem zou storen; —we zouden samen met een rijtuig naar de stad gaan, als hij klaar was en hij zat in tijdnood. Daarom besloot ik om mijn mondelinge bekentenis of ontboezeming uiterlijk uit te stellen tot de avond; maar ik kwam tot de ontdekking dat Kapitein H. niet thuis zou zijn, noch Mrs. H., maar alleen zijn dochters, zodat ik met fatsoen niet op bezoek kon gaan. Ik denk dat ik van plan was om die avond terug te komen en hem op te zoeken en hen vaarwel te zeggen! maar hen tegelijkertijd te verrassen met de heuglijke tijding dat onze Verlosser op aarde was, tenminste geestelijk, als voorbereiding op zijn nabije en tweede komst; met een relaas van zijn zegeningen, omdat hij mij had vergeven en genezen, en mij weer helemaal gezond had gemaakt, in dezelfde tijd toen ik het bewijs leverde van mijn goddelijk gezag. Om te bewijzen dat ik niet krankzinnig was, had ik echter…………

Mijn situatie verhindert me om verder te gaan, omdat ik in een krankzinnigengesticht niet mijn gevoelens kan uiten zoals mijn karakter dat vraagt, uit angst voor misverstand of kwaadsprekerij, dat ik krankzinnig wordt genoemd, en dat de periode van mijn afgrijselijke opsluiting wordt verlengd. Want mensen denken niet, of geloven niet in het levende woord en noemen de uitspraken van een gelovige, in een wereld en lichaam vol zonde en dood, wanen of krankzinnigheid. Ik reed met Kapitein H. naar Dublin; ik had, of dacht dat ik dat had, iets gedaan om de Heer uit te dagen. Mij werd opgedragen om bepaalde bekentenissen voor Kapitein H. af te leggen, waar ik voor terugdeinsde. (Ik geloof echter dat ik het wel probeerde, maar niet op een manier waarmee de geest, * die mij dat opdroeg, tevreden was). Ik hoorde echte en duidelijk sprekende stemmen, maar niet altijd. Ik ontmoette Dr. Piel volgens afspraak in mijn herberg in de Frederickstraat, maar het kan ook zijn dat Kapitein H. mij vroeg om binnen te blijven terwijl hij hem ophaalde. Hij sprak tegen of met Kapitein H. Ik denk dat ik toen enige tijd alleen werd gelaten, een gelegenheid die ik benutte voor gebed en meditatie. Ik weet dat ik Kapitein H. nog een keer zag.

Daarna ging ik naar buiten en bedacht dat het goed zou zijn om een nieuwe hoed te kopen, dacht ik, of wat bestellingen te doen als voorbereiding voor mijn reis naar Engeland, de volgende morgen of over een paar dagen. Ik wilde graag, met of zonder toestemming van Dr. Piel, mijn moeder in Brighton opzoeken en de kerstdagen met haar doorbrengen, of verder doorgaan naar Oxford: in ieder geval naar Oxford. Maar bij het openen van de deur, of toen ik naar beneden liep, (als ik mij goed herinner), ontdekte ik een bediende, of kwam ik er een tegen, die door Dr. Piel was gestuurd om mij in de gaten te houden en te verhinderen dat ik naar buiten liep. **

 

* geest. Ik zeg niet Heilige Geest.
** De uitwerking van de aanwezigheid van de bediende was dat ik bij mijzelf dacht dat ik de opdracht had gekregen om een heleboel dingen te doen, waarover ik mij eerlijk zou moeten beraden en ze toen moest uitstellen, omdat ik dacht dat het niet juist zou zijn geweest om nu in zijn aanwezigheid zelfs maar een poging te wagen om ze te doen; afgezien daarvan beschouwde ik ze, door eerst een en vervolgens de andere te doen, als absoluut noodzakelijk voor de redding van mijn ziel.


Volgens mij kwam Kapitein H. samen met hem aan, of meteen daarna, en Kapitein H. verklaarde dat die man een trouwe bediende van Dr. Piel was. Hij had de dokter gevraagd iemand te sturen om mij in de gaten te houden.

Dat is de aanleiding voor mijn ellende. Ik denk niet dat ik krankzinnig zou zijn geworden als mijn vriend dat niet had gedaan. Ik denk niet dat hij dat terecht heeft gedaan, maar hij handelde snel en vastberaden, en misschien uit ervaring. Hij was namelijk zelf ook een keer waanzinnig geweest, door het gebruik van kwik. Het kan zijn dat ik de gewoonte had om duidelijk sprekende stemmen te horen en dat ik ze gehoorzaamde, maar ik had dat toch verstandig gedaan en na zorgvuldige overwegingen; ik had ook niet geprobeerd om mijzelf of iemand anders enige schade te berokkenenik had ook niets anders gedaan, behalve in het huis van mijn vriend met de bedoeling om belachelijk te lijken; ik moet een uitzondering maken voor het hardop bidden, waarvan ik weet dat anderen daar last van hebben. Het spijt me nu dat ik dat in een drukke stad heb gedaan, zonder rekening te houden met mijn huisbaas of mijn buren. Maar daar is niets echt belachelijk aan, behalve voor de ongelovigen, als het te rechter tijd en plaats gebeurt.

 

Maar juist zijn aanwezigheid bracht een zwak, ontwricht en bevlogen geweten in de war; want ik weet niet of ik terugdeinsde om dingen te doen omdat ik bang was voor zijn spot, uitgelachen te worden en veroordeling, of omdat het echt mijn plicht was uit voorzichtigheid en kiesheid. Ik werd daarom uiteindelijk in de verleiding gebracht om vooral door zijn aanwezigheid, dingen te doen waar ik zeer waarschijnlijk niet toe zou zijn uitgedaagd als hij afwezig was geweest. Ik deed ze niet uit bravoure, maar beschouwde ze als mijn plicht, en dacht dat mijn aarzeling voortkwam uit angst voor mensen.

Ik kon hem niet of maar gedeeltelijk mijn beweegredenen duidelijk maken. Ik was in die tijd bang en dacht dat het heiligschennend was om te vertellen dat ik stemmen hoorde die mij die dingen lieten doen.

 

Onze Heer bad met luide uitroepen * (zie Hebreeën v. 7), maar het is onwaarschijnlijk dat hij dat in de steden deed, want hij ging met zijn leerlingen naar het platteland of de wildernis, en zelfs daar zonderde hij zich van hen af.

Het is ook niet onwaarschijnlijk dat ik misschien vanuit een waanidee iets heb proberen te doen, waardoor het mogelijk zinnig zou zijn geweest, dat ik daarna in de gaten werd gehouden; maar volgens mij niet met het risico om mij totaal van mijn verstand te beroven.

Met enige moeite overreedde ik mijn bediende om mij een half uur alleen te laten om ’s avonds, bij het naar bed gaan, te bidden. Dat, en het feit dat hij zich niet terugtrok als ik mij uitkleedde, joeg mij angst aan. Ik was eerder al geschokt, uitgedaagd en verbijsterd.

Er gebeurde nog andere dingen, die later zullen worden vermeld; uiterlijk rond middernacht, of om een of twee uur ‘s ochtends, deed ik een poging om mijzelf op mijn achterhoofd te gooien en dan op de achterkant van mijn hoofd rond te draaien, totdat ik mijn hoofd op een bepaalde manier had verwrongen.

 

* Hij bad ook in tranen. In dit gesticht werd mij verteld dat ik mijn Bijbel niet aan een bepaalde meneer uit moest lenen, want het wond hem op; “Ik trof hem in tranen aan,” zei Mr. N. Ik zei dat dat naar mijn mening niet verkeerd kon zijn! Bij een krankzinnige is dat vast goed voor hem; “O nee! Het windt hem op, hij was opgewonden!”

De echte en afschuwelijke waarheid is dat het idee van de psychiater om een patiënt te genezen, ten koste van zijn geweten gaat.

 

Ik had niet de moed om het helemaal te doen. Ik was bang dat ik mijn nek zou breken, maar ik wist niet zeker of dat niet de bedoeling was; ik dacht dat als ik mijn nek één kant op brak, dat ik daar niet dood aan zou gaan, maar dat ik aan allerlei demonen uitgeleverd zou worden; maar dat ik, als het mij niet zou lukken, ik misschien wel mijn nek zou breken, maar dan alleen maar pijn zou lijden en misschien dood zou gaan; maar in beide gevallen verwachtte ik weer te herleven om de boodschapper te worden van de tweede komst van de Heer.

Mijn bediende probeerde om te verhinderen dat ik onder mijn dekens uit zou komen om dat te doen; maar ik rukte mijn hemd los en ging door. Ik vroeg hem in alle ernst om mij alleen te laten ter wille van mijn ziel en beweegredenen die ik echt had. Ik geloof dat hij enige tijd aarzelde en toen naar beneden ging om hulp te halen. Er kwam nog een bediende naar boven en meteen daarna werd ik door hen in dwangbuis gestopt, met mijn armen over mijn borst gebonden.

Vervolgens werden mijn voeten aan het voeteinde van het bed vastgemaakt. Ik werd nu erg opgewonden en dorstig. Ik bevond me in een situatie waarin mijn geest op de rand van krankzinnigheid verkeerde. Ik kon hen namelijk niet vertellen, omdat ik dacht dat het ondankbaar was om het aan hen te onthullen, dat mijn Verlosser, zoals ik mij inbeeldde, contact met mij had, of liever, mij toesprak. Ik begon allerlei waangedachten te krijgen, durfde mijn mond niet tegen de bedienden open te doen, deels uit bijgeloof, deels door begoocheling.

Deze bedlegerigheid, tijdens een ongeveer veertien dagen durend ziek zijn, veroorzaakte niet alleen krankzinnigheid en waanzin, maar traagheid van het bloed en verlies van morele moed en energie. Ik verloor later mijn verstand in een worsteling met mijn geweten, tijdens waangedachten: ik ben er zeker van dat ik dat niet zou hebben gedaan als Dr. Piel ten opzichte van mij zijn plichten was nagekomen, zelfs als ik een wild beest was, dat gezonde lucht en oefening nodig had. Elke dag voorzag ik mijn gruwelijke lot, zonder in staat te zijn om mijzelf tot de orde te roepen, omdat ik hen mijn gevoelens of mening niet duidelijk kon maken. Tenslotte ging ik eraan onderdoor. Het was als angst in een vreselijke droom, waar je niet aan kunt ontsnappen.

Ik herinner mij dat ik uitkeek naar het moment waarop mijn broer aan mijn bed zou verschijnen; hij wist van mijn merkwaardige geestelijke ommekeer. Hij en ik hadden tot op zekere hoogte dezelfde religieuze opvattingen. Dr. Piel was, * volgens mij een unitariër; en daarom dacht ik, dat hij niet geloofde in de Heilige geest. Mijn oudste broer had mij ook in een brief zijn geloof betuigd in de wonderen van Row, hoewel hij die bekentenis later in een andere brief terugtrok. Ik hoopte dat ik in staat zou zijn om hem over te halen om mij als een redelijk wezen te behandelen.

Ik weet niet hoe die hoop later verdween; ik geloof dat het een of ander antwoord was, waardoor hij mij liet zien dat hij armzalig, ijdel en arrogant was: hij werd het onderwerp van mijn haat en minachting, en zoals ik het zie, mijn verrader; want in mijn domheid vertrouwde ik hem.

Ik herinner me nu dat ik, na de aankomst van mijn broer, door mijn artsen werd gedwongen om, in

* Ik zou moeten zeggen—er is mij verteld, behalve van horen zeggen, had ik geen redenen om dat te geloven.

aanwezigheid van mijn broer en de bediende, een lavement te nemen. Ik had een bijzondere hekel aan deze walgelijke handeling, omdat die zo onfatsoenlijk en smakeloos is. Daarover werd mijn mening niet gevraagd, noch mijn wensen geraadpleegd, en daarbij werd mijn stomme, sprakeloze toestand van krankzinnigheid beschouwd als reden om zonder gewetensbezwaren mijn fijngevoeligheid te kwetsen, net zoals het wat betreft mijn andere leefregels was ontaard in een reden om mij te behandelen zonder enige rekening te houden met mijn behoeften, alsof ik een bruut was.

Ik denk dat mijn broer daarin ten opzichte van mij zijn plicht verzaakte, terwijl hij in elk opzicht mijn beschermer had moeten zijn; sterker nog, er waren niet meer redenen, waarom ik gedwongen zou moeten worden om enig regiem te ondergaan, dan voor wie dan ook in een gezonde geestelijke toestand. Ik vroeg niets anders dan een heilzaam dieet, gematigde en gezonde oefening en zuivere lucht; in plaats daarvan werd ik tegen mijn wil en geweten volgegoten met de meest misselijk makende medicijnen; ik werd vastgebonden in een dwangbuis of kreeg enorme, warme leren armkokers aan, en werd gedwongen om dag en nacht in hetzelfde bed te liggen, in dezelfde kamer en werd gevoed met waterig soep van brood in vleesnat.

En waarom dat alles? Omdat ik op een nacht, zoals zij dachten, had geprobeerd om mijzelf te verwonden; en dat ik dat een of twee keer opnieuw had gedaan. Ook omdat ik door mijn krankzinnigheid en mijn idee dat ik niet kon praten, omdat toch niemand van hen wat ik zei zou aannemen of geloven.

Daarom veroorloofden zij zich om op de brute manier, die hierboven is beschreven, tegen mij op te treden, zonder rekening te houden met mijn behoeften of gevoelens, niet gewoon als een menselijk wezen, maar zelfs alsof ik een beest was!!!

Ik heb het al gehad over mijn bijzondere klacht over en tegen mijn broer, in februari, toen hij me naar dit krankzinnigengesticht bracht. Hij antwoordde op een spottende en smalende manier, waarbij hij mijn aanklacht belachelijk maakte en zich er vanaf maakte alsof zijn mening onfeilbaar was en ik maar een armzalige krankzinnige, die niet wist waarover en over wie hij klaagde.

Daarom antwoordde ik mijn broer, dat als zijn gevoelens en meningen waren zoals hij beschreef, ik geen enkel contact meer met hem wilde hebben, totdat hij had geleerd om er anders over te denken: en dat ik geen enkel geestelijk contact meer met hem kon en wilde hebben—ik durf niet mijn verontwaardiging uit te spreken. Ook nu zie ik geen enkele reden om dat als onterecht te beschouwen. Hij moet met behulp van een of andere straf leren om op een andere manier te denken; —voordat ik hem mijn vriend kan noemen of hem langer met enige genegenheid als broer kan zien.

Toen ik met de stoomboot met mijn broer vanuit Dublin overstak dwong hij me bovendien om naar bed te gaan, zonder te vragen wat ik er zelf van vond, en ook in Bristol deed hij weer hetzelfde, hoewel hij wist dat ik het niet wilde, sterker nog, terwijl ik echt het tegenovergestelde wilde, want in bed liggen was een kwelling voor me. Mijn rampspoed heeft ervoor gezorgd dat ik dat zovaak heb meegemaakt van mijn bewakers of raadgevers! dat ik daar nu aan gewend ben geraakt, maar van mijn broer—iemand met een vrijzinnige opvoeding, een intellectueel en een heer, had ik meer toegeeflijkheid verwacht.

Mijn broer? die was het ook die me naar het krankzinnigengesticht van Dr. Fox bracht, en mij daar achterliet, waarbij hij amper afscheid nam of mij voor zijn vertrek waarschuwde; zonder waarschuwing en zonder mijn mening te vragen.


Naar boven