De vorm van de
psichopatia
criminalis.
Het
begin van deze weinig onderzochte en sluipend verlopende ziekte, die op
dezelfde wijze, zowel het uiterlijk van de mens, als zijn innerlijk,
zijn leven
zowel als zijn ziel, zijn gevoel en zijn karakter, vernietigt en
ondergraaft,
verloopt stilletjes en onheilspellend.
In
de meeste gevallen is erfelijkheid, die volgens de nieuwere
psichologiese opvattingen gemakkelijk waarneembaar is, duidelijk
aanwijsbaar. Óf
de vader heeft al wegens politieke vergrijpen vastgezeten, of de
grootvader, de
oom, óf de moeder stamt uit een ingewortelde democratische familie; het
laatste
geval is het ergste. Ook afstammelingen van die “Salzburger emigranten”, de “Zillerthalers”,
de “Hugenoten”, de “Boheemse-” en “Moravische broeders”, en van al die
sekten
en Wederdoperse groepen, dwepers etc., die tot zelfvernietiging toe,
verzet
tegen de rechtzinnige staat bieden, zijn zeer gevaarlijk. Deze mensen
zouden
niet meer moeten trouwen, omdat de ziektekiem nauwelijks meer
uitroeibaar is.
Men heeft waargenomen dat, zelfs bij herhaalde vermenging met lakeien,
de
ziektekiem van een dergelijk oud, godsdienstig of staatsvijandig verzet
steeds
weer tevoorschijn kwam en grote ellende aanrichtte.
Bij
anderen ontbreekt echter elke erfelijke factor. Dergelijke mensen
kunnen het
vaak eenvoudigweg niet meer aanzien, hoe honderdduizenden mensen zich
voor één
enkele persoon op straat neerwerpen en zich door de hoeven van zijn ros
laten
bewerken. Hier is dan meestal sprake van hersenschorsdwang [1]. Deze
mensen
zijn natuurlijk een gevaar voor de openbare orde en moeten onder
blijvend
toezicht staan. Ook vraagt het gebod van het zelfbehoud van de staat,
dat
dergelijke mensen van het voortplantingsgedoe worden uitgesloten.
Verreweg
de meest gevaarlijke factor, die dergelijke zieken vormen voor de
zekerheid van
de staat en voor de eeuwige zedelijkheidsprincipes, door hen in
volledige
vrijheid aan zichzelf over te laten, is hun grote besmettelijkheid, hun
infectiegevaar voor de massa. In de geschiedenis heeft men
altijd
gezien, dat het slechts enkele, abnormaal aangelegde, van huis uit op
dwaalwegen verzeilde mensen, waren, met een explosieve gedachtegang, — hun aanhangers noemen hen „verlicht“ —
die de
springstof voor grote volksbewegingen hebben geleverd. Terwijl de grote
massa,
het grote plebs — dat men in ieder geval niet altijd misera hoeft
te
noemen,
en
dat
men in ieder geval niet altijd het predikaat contribuens hoeft
te
geven
— over het algemeen in een gelukkige rust en apathie
vegeteert, zonder
de regeerders bij hun zware arbeid te storen, of aan de steunpilaren
van de
staatsorde te rammelen, zijn het steeds dergelijke eenlingen, die met
een
ongelooflijke lichtzinnigheid met de gedachte over de ineenstorting
spelen, die
voor zichzelf, zogezegd, met speelse verbeelding de toekomst van een
nieuw
maatschappijsisteem afschilderen, en op die manier de zwakken en
verzetlozen,
de „kinderen“ van het volk, de vrouwen, de dommen, de kunstenaars en de
dichters, voor zich winnen. Een toekomstige maatschappij, die nog
helemaal niet
bestaat en die helemaal niet kán bestaan, en waarvoor in de werkelijke
wereld
helemaal geen aanknopingspunt bestaat, zuiver uit het idee, zogezegd
uit het
niets, poneren, en daarmee hele bevolkingsgroepen, die dagelijks en op
zondag
de zekerheid en het nut van de bestaande regeringsvorm voor ogen wordt
gehouden
en wordt gepredikt, te verleiden en naar hun kant te laten overlopen.
Dat heeft
te maken met die betreurenswaardige vatbaarheid van de massa voor al
het nieuwe
en ideële. Wat heeft in het verre verleden Caesar daar al niet
onder
moeten lijden! En Hij was uiteindelijk toch de, door Gods genade,
uitverkoren
en bij voorbaat aangewezen heerser van zijn volk — Caesar, kaizar,
dat
komt
op
hetzelfde
neer: keizer. Zozeer belemmerend werkten de
vernieuwingszucht
en de ontvankelijkheid voor ideeën van de door hem overheerste volkeren
in op
zijn daadkracht en besluitvaardigheid, dat het voor hem vrijwel
onmogelijk
werd, om de, hem door God voorbestemde, heersersplannen door te voeren
en zijn
volk naar de, door hem voorziene, heerlijke tijden te voeren.
Men
voert uit de Romeinse geschiedenis meestal het voorbeeld van de beide Gracchen
aan, om de verderfelijke uitwerking van
geëxalteerde breinen op
gezonde en vreedzame volksmenigten te illustreren. Maar men hoeft niet
zover
terug te gaan, en er, ter vergelijking, tijdperken bij te halen,
waarbij het
bovendien de vraag is, of de almachtige God, die thans zo zichtbaar het
Duitse
volk leidt, destijds werkelijk de lotsbestemming van dergelijke
volkeren in de
hand had. Maar het is juist, dat het voorbeeld van de Gracchen buitengewoon
leerzaam
is,
en
het was een geluk, dat de ene van deze broeders, die
steeds
maar „het volk brood wilde geven“, op tijd met een stoelpoot werd
doodgeslagen,
en dat de andere, bewust van zijn vreselijke schuld, zichzelf op tijd
van het
leven beroofde. Maar hoeveel nodeloos bloed werd er desondanks door
toedoen van
deze geëxalteerde breinen vergoten, en hoe werd de door God ingestelde
regering
in een doorlopende zorg voor haar eigen bestaan gedompeld! Hadden de
Romeinen
maar over een van onze hedendaagse formeel werkzame forensische artsen
beschikt, of hadden zij maar een van onze voortreffelijke psichjatriese
leerboeken gehad, dan was voor de oudere Gracchus vast een
formulier tot
inhechtenisneming ingevuld, en was met behulp van een tweede formulier,
dat het
„gevaar voor de openbare orde, ten gevolge van een ongeneeslijke
geestesziekte“
constateert, zijn overbrenging naar een door de staat geleid
gekkenhuis, tot
stand gebracht. Maar met het „zich-in-het-zwaard-storten“ of met het
„door-een-voornaam-senaatslid-met-de-stoelpoot-doodgeslagen-worden“
verkrijgen
deze lieden iets idealistisch, de martelaarskroon en vervolgens een
plaats in
de „Romeinse geschiedenis“. En daar is het hen om te doen. Nergens
anders om — „honger“ —,
belachelijk! — „het volk brood geven“ —
wat moet dat nou betekenen? — Dat er geen enkele Romein destijds echt
van de
honger is gestorven (zij het, dat hij direct door voedselweigering ziek
was
geworden), is meerdere malen via bewijsstukken, door Mommsen bijvoorbeeld,
aangetoond [2]. Waarom dan die kouwe drukte?! —
Maar, zoals gezegd, is een teruggrijpen naar die oude tijden helemaal
niet
nodig. De tijd van de Reformatie en van de Duitse boerenoorlog levert
een groot
aantal voorbeelden, om aan te tonen, hoe door het vermetele denken van
eenlingen en de ziekelijke verbeelding van bepaalde niets ontziende
breinen, de
rustige, vreedzame, en bezadigde volksmenigten in opstand worden
gebracht en
tot de omverwerping van het bestaande worden aangezet. Als wij een van
hen, de
eigenlijk op de eerste plaats in aanmerking komende hallucineerder, Martin
Luther
uit Eisleben, buiten beschouwing laten, dan doen wij dat,
omdat hij
als omvangrijk liederendichter en verdienstelijke vertaler uit het
Latijn, nog
steeds graag in de litteratuurgeschiedenis wordt vermeld, en omdat op
hem, ook
als „man Gods“, of hoe die epitheta ornantia ook mogen luiden,
door de
Duitse vorsten en hun verheven regeringen, zogezegd nog steeds een
beroep wordt
gedaan. (Hij had ongetwijfeld in het gekkenhuis thuisgehoord.) Maar
destijds
was het aantal oproerkraaiers buitengewoon groot. Men hoeft maar aan
een figuur
als die Nikolaus Storch te denken en zijn lotgevallen te
vervolgen, om
het gevaar van een dergelijke vermetele landloper, buiten het
gekkenhuis, te
begrijpen; hoe hij van plaats naar plaats trok en overal werd
uitgewezen,
vandaag in Zwickau, morgen in Bohemen, overmorgen in Thüringen, en hoe
hij overal
sporen van zijn misdadigheid tegen de geest achterliet, en overal het
zaad van
een oproerig, brutaal, bevrijdend denken uitstrooide; sporen, die niet
meer
goedgemaakt, niet meer uitgewist kunnen worden, die via de protestantse
orthodoxie, in het piëtisme, in de opwekkingsperiode, en in het
Herrnhutterdom
weer tevoorschijn komen, omslaan in het theosofische, in het mystieke,
in het
Jacob-Böhm-se, in het Zinsendorfse, in het Berlenburgse, in het
Wetterause, en
ten slotte bij Baader, bij Hegel, bij Schelling, bij
Bruno
Bauer, bij Strauss en bij Stirner weer
opduiken.
Dat
is namelijk het eigenaardige van het psichiese, dat het — daar, waar
het zich
buiten de gekkenhuizen vertoont — waar het zichzelf manifesteert, waar
het in
de openbaarheid tot uiting komt, waar het zijn besmettelijkheid met het
oog op
de massa heeft beproeft, als een verslindend vuur om zich heen grijpt,
als een
feitelijke grootheid volgens de wet van de traagheid vanzelf verder
werkt, dat
het zelfs niet meer ongedaan kan worden gemaakt, zelfs niet meer in
zichzelf
terug kan keren, dat het — en andere — aan de nieuwe draad verder moet
spinnen,
— en dat het en andere het gistingsproces moet voortzetten,
totdat het
schuimend overloopt —
“dat
het
doorlopend
kwaad
moet voortbrengen”
het kwaad, dat is hier het psichiese. —
Tegenwoordig
zit in ons allen nog steeds Storch,
zit Carlstadt,
zit Luther, zitten de Wederdopers, zit Thomas
Münzer,
zit Hutten en zitten
al die anderen. Deze psichiese reeks van voorouders draagt met
een vrijwel zekere
onherroepelijkheid en
noodlottigheid haar lugubere ferment over, zoals het edele blauwe bloed
onder
de adel, het verheven vorstelijke, godgenadige bloed onder de
monarchen, of het
gewone rode bloed onder de burgers en arbeiders, naar gelang de fysieke
kant
zich voortplant. Deze grote fenomenologie van de geest, dit
onherroepelijke Karma van de wereldgeschiedenis, dat
geestelijke daad op
geestelijke daad optelt,
is onuitwisbaar, is een verterend vuur en loopt van Jesaja tot
aan Nietzsche.
Hier
moet de politie dus ingrijpen.—
In
het
verleden
is
iets niet-meer-goed-te-makens gebeurd. — Maar tegenwoordig,
nu de
zieke toestand van dergelijke misdadige breinen met behulp van de
wetenschap
duidelijk kan worden aangetoond, moet de overheid, moet het openbaar
ministerie, moeten de vorsten, moet de staat, en moet de regering met
sterke
hand ingrijpen, moet deze zieke kiemen — in badkuipen of hoe dan ook —
elimineren,
om de grote menigte intacte, monarchistische breinen, voor het
ontwrichtingproces
te behoeden. —
De psichopatia criminalis loopt als een rode draad door alle
revolutionaire
bewegingen heen, zowel door die van de oudheid als door de
tegenwoordige. Zij bevond
zich in Harmodius en Aristogeiton, ze bevond zich in Kleon de
leerlooier, ze woelde in de iedere
zedelijke basis missende Aristophanes, en zij kwam in de door
een
fabuleuze eerzucht gedreven Socrates tot uiting. Al die valse
idealisten, die alleen maar aan zichzelf denken en daarbij het volk
naar voren
schuiven, zijn criminele psychopaten. Het was de psichopatia
criminalis, die
de plebejers de mons sacer opdreef, zij bezielde de Gracchen,
en
zij ontstak de vermetele moed van een Catilina en Brutus. Het was de psichopatia criminalis, die
de
vermetele
Arnold van Brescia tegen de goddelijke majesteit van
de
onbevlekt ontvangen paus in opstand liet komen, die Wycliff en
Hus
liet rebelleren, die Savonarola van zijn verstand beroofde,
die in Luther woedde, en die de gezamenlijke sektarische
geesten in de
zestiende eeuw uit
hun dak liet gaan. Het voortreffelijke Duitse volk was, dankzij het
grote
weerstandsvermogen van zijn monarchistisch gebouwde zenuwvezels, lange
tijd van
die verschrikkelijke ziekte verschoond, totdat Frans-Zwitserse
invloeden,
vooral uit Frankrijk, hier ook bressen sloegen, en het meest argeloze
gemoed
ter wereld, eindelijk eveneens over zichzelf begon na te denken. Denken
is
altijd een ernstige zaak. De bedroevende verwoestingen, die intussen op
het
gebied van het Duitse gemoed merkbaar zijn geworden, hoeven hier toch
echt niet
nóg een keer uitvoerig uiteengezet te worden.
Moet
dat dan zo verder worden toegestaan? Moeten wij toestaan, dat iedereen
met zijn
respectievelijke grootheid, iedereen met zijn beetje, zich in zijn
brein
bevindende, geestelijke ferment, met zijn beetje hersenen optreedt en
de massa
vergiftigt en tot ongehoorzaamheid aan de staat opvoedt? Tegenwoordig,
nu wij
in de regeringsmaatregelen, in het door God geleide vorstelijke
intellect,
hulpmiddelen en adviezen bezitten, om heel dat kleine kabaal, dit dii
minorum
gentium, deze
bekrompen
geesten op hun kakstoeltje, die ook wat willen produceren, in één klap,
met één
paragraaf kunnen vernietigen? Tegenwoordig, nu wij in de prachtige, met
parket
belegde gekkenhuizen, in de behaaglijke badkuipen, middelen bezitten om
deze
turbulente, Germaanse breintjes hun zoete gedachteroes uit te laten
slapen? Moeten
wij tegenwoordig nog rebellie dulden, onbeschaamde ideeën van Schillers
en
Stirners, terwijl wij weten, dat deze ideeën, ook als ze alleen
maar worden
uitgesproken, tijdens een bijeenkomst worden verkondigd, of op papier
worden
gedrukt, verder vreten, verder vreten dan een worm, die dit papier
opknaagt, en
de volgende eeuwen beïnvloeden?
Beïnvloeden,
zoals wij tegenwoordig de Storchen, de Carlstadts, de Luthers,
de Wederdopers, de sektariërs, de Sanden,
de democraten, de Wartburgers in onze
botten — o zo pijnlijk! —
voelen? Wat zullen
de volgende eeuwen over ons zeggen? Dat wij het bureaucratische
apparaat niet
als citroenpers, niet voor de vernietiging van alle niet
vorstelijk-ortodox-denkenden hebben gebruikt? Zullen zij ons „de
groten“
noemen? Dat nooit!
Wat de afloop van de psichopatia criminalis betreft, is het,
zoals bij
alle politieke hersenaandoeningen, een zeer droeve. Heeft de aanval een
bepaalde hevigheid bereikt, dan is het de verzengende hitte van de,
buiten elke
staatsorde geraakte, ganglioncellen zelf, die het, door God tot
monarchistische
gehoorzaamheid bestemde brein, de zwaarste schade toebrengt, en spoedig
tot een
dodelijke aftakeling of uitputtingstoestand leidt. Huwelijk, deugd,
familiebanden, piëteit, militaire gehoorzaamheid, vlaggennijd en de
meest
belangrijke denkbeelden in de monarchistische staat vallen nu als kaf
uit elkaar,
waardoor de, van zijn God vervreemde, de uit het verbond van trouw aan
zijn
vorst losgemaakte, de met zijn eigen monarchistische geweten oneens
geworden,
mens, de als een riethalm heen en weer bewegende, beklagenswaardige
onderdanen,
weldra nog slechts aan zijn borrel of een nachtelijke patrouille ten
prooi vallen.
Brengt dus een vroegtijdige tuchthuisstraf, ten gevolge van een
overduidelijk
misdrijf, niet het benodigde herstel met een opnieuw tot leven wekken
van de
monarchistische denkbeelden (wat echter zelden lukt), dan beëindigt
meestal een
acute aanval op het hoogtepunt van de crisis het leven van de ernstig
aangetaste (Masaniello in de vissersoproer in Napels), of hij
gaat rechtstreeks
in het conflict met de staatsorde te gronde (Titus Sempronius Gracchus,
Thomas
Müntzer). Maar ook bij een trager verloop en ten gevolge van een
onderbreking in
het tuchthuis, ingetreden remissie, is het nu eenmaal in zijn
monarchistisch
bestaan weifelend geworden brein, nauwelijks meer te overeind te
houden, en vervalt,
zij het vaak langzaam, maar uiteindelijk toch zeker, uiteindelijk in de
door
alle psichjatriese leerboeken voor dit geval voorspelde zogenaamde
„terminale
waanzin“, of de „difinitieve afstomping“, waarmee het doek over deze
treurige scène
van het leven van een „ontspoorde onderdaan“ definitief zakt.
Menig
opmerkzame lezer, met name degene, die van hun vak psichjater zijn,
zouden hier
wellicht de tegenwerping willen maken, dat hetgeen nu is uiteengezet,
verhalen
zijn, politieke verhalen, litteratuurgeschiedenis, geschiedenis van de
Reformatie, maar geen eigenlijke psichjatriese casuistiek, geen
beschrijving
van psichopatieën. Dat zou een ernstige miskenning betekenen. Het
psichjateren onttrekt
zich aan geen enkele verschijnsel met betrekking tot zijn mogelijkheid
tot ziek
worden. Een feit, dat wij ziek vinden, is onder alle omstandigheden
ziek, wat
het ook moge zijn, al is daaruit de Reformatie of de stoomontwikkeling,
de
zogenaamde „mensenrechten“, of het schapenscheren in Amerika,
voortgekomen, en
al hebben hun dragers Luther of Lafayette, Lincoln of
Lucianus geheten. — Heeft me daar toch die
voortreffelijke
onderzoeker Rudolf
Arndt in zijn „Leerboek der psichjatrie voor artsen en studenten“
de hele
cultuur en de geschiedenis van de menselijke geest in oxy- en
par-aesthesieën
ingedeeld, en op die manier de gehele ontwikkelingsgeschiedenis van het
avondland, alle revoluties en de „Rovers“ van Schiller, alle
politieke verdragen
en Metternich — met uitsluitend uitzondering van de vorst — in
zijn
voortreffelijke leerboek ondergebracht! [3]
Helemaal
niets ontrekt zich aan ons oog! —
Om echter de nieuweling niet te zeer te schokken, en de ontvangst van
de geheel
nieuwe, hier voor het eerst uiteengezette gezichtspunten te
vereenvoudigen, en
ook voor de artsen en studenten het gebruik van de oudere psichjatriese
leerboeken, met name die van Arndt, Krafft-Ebing, Schüle,
Griesinger,
Esquirol, Gudden, Kräpelin, Ganser en Bumm, nog steeds
mogelijk te
maken, hebben wij besloten — omdat men ieder feit van minstens twee
kanten kan
bekijken — het optreden van de psichopatia criminalis in
heden
en verleden nogmaals onder de oude dierbare termen:
melancholie, razernij,
krankzinnigheid, paralyse van de krankzinnigen, epilepsie en hysterie,
voor te
dragen, waarbij wij de hoop koesteren, door deze dubbele
beschouwingswijze een
nieuw en interessant licht op de diverse ziektecategorieën te kunnen
werpen en
zo — nu er steeds meer nieuwbouw van gekkenhuizen plaats vindt — voor
de steeds
meer toenemende gezondmaking en versterking van ons psichopaties
vaderland
onder bescherming van gezonde, kracht uitstralende vorsten, de weg te
effenen.
Paralysis cerebri, de
Hersenverweking,
als
meest
voorkomende
simptomenkomplex van de psichopatia criminalis.
Het
vroegste simptoom van deze ziekte is een verandering van het karakter.
Het
hoeft maar een licht simptoom te zijn, hetzelfde dat wij bij onze
categorie van
zieken vinden, aangezien mensen, die oppositie tegen de staat voeren,
steeds
een ander karakter aannemen, en meestal een slecht karakter hebben.
Want het
menselijke karakter, de menselijke ziel, wordt, zoals Thomasius [4],
Spener [5], Heinroth [6] e.v.a.
regeringsvriendelijke
teologen hebben
geleerd, altijd zonder fouten, zonder primaire zonden, zonder begeerte
naar het
kwaad en naar verzet, geboren. Pas de omgang met geïnfecteerden, met
nietsnutten, met opposanten, met links-liberalen, met de voorteelt van
het
gekkenhuis, brengt de kiem in het hart van deze jonge mensen, waarvan
misschien
meerderen vroeger, in de christelijke jongemannenvereniging, hun thee
der
onschuld hebben opgeslurpt. Pas nu ontwaakt de gedachte en neemt, zoals
Heinroth zo fraai zegt, „de vorm van de prikkelende
begeerte naar
het kwaad“ aan
[7]. Nu nog wat oratorisch talent, de vlammende blik van een onzekere
schone
naar een geslaagde redevoering, een Offenbachse operette, de
revolutionaire klanken van woeste Richard-Wagnerse muziek, het
veelvuldig bestuderen van politieke programma’s, het bezoek aan de
tribune van
de Rijksdag, waar men ziet hoe karakterloze en vaderlandloze kameraden
door de
oppositie worden omringd en gelukgewenst, misschien nog met het
resultaat van
een bezoek aan het bordeel — en de akelige vernietiging in de hoogste
levenscentra van de psichiese wording groeit en groeit — totdat de
betrokkene
of als roodgloeiende agitator, met de zweem van majesteitsschennis nog
op de
lippen, op het schavot eindigt, of de door de psichopatia
criminalis aangetaste
nog tijdig in een welwillend gekkenhuis wordt opgenomen.
Schüle [8] beklemtoont echter, dat, omdat het hier om
de vroegste en
subtielste veranderingen in de hersenschorssubstantie gaat, waar de
oppositie
zetelt, niet vroeg genoeg door de arts, door de verwanten — hier dus
van de
kant van de staat — kan worden ingegrepen. Het moet dus zaak voor de
politie
zijn, om haar aandacht op zo vroeg en subtiel mogelijke karakterveranderingen
bij de onderdanen, te richten — en waar komen geen
subtiele
en vroege
karakterveranderingen voor bij jonge mensen, die zich politiek
ontwikkelen of
die zonen uit tot de oppositie behorende families zijn? — zodat het
niet te
laat is en de staat pas ingrijpt, als de houtstapel al brandt.
Zijn
jonge mensen op grond van een betrekkelijk onbeduidend simptoom
psichjatries
opgenomen, dan is in ieder geval het grootste gevaar geweken, en zelfs
bij een
later ontslag zal de doorgemaakte opname altijd nog een zekere
krachtige,
staatsbevestigende indruk achterlaten. Natuurlijk moet, gedurende de
opname de
studie van ontwikkelde jonge mensen, op grond van door het ministerie
van
cultuur voorgeschreven boeken, worden voortgezet. Treedt er een
opvallende
verbetering op, zodat in de hersenganglia een overduidelijke en sterke
trek
naar rechts merkbaar wordt, kan altijd nog een poging worden gewaagd om
een
voorwaardelijk ontslag, tot de volgende verkiezingsperiode uit te
stellen. Maar
zelfs op het gevaar af, dat een gedeelte van de gimnasia en
universiteiten in psichjatriese
internaten wordt veranderd, mag de staat niet van het voorrecht afzien,
om
aandacht te schenken aan vroegtijdige karakterveranderingen, en
door
deskundigen
de
voorwaarden
voor het optreden van deze vroege simptomen
van
hersenverweking zo nauwkeurig mogelijk te laten omschrijven.
Herhaaldelijke
stemmingsveranderingen en neiging tot huilen, al om onbeduidende redenen, worden door
alle
onderzoekers, met name door Baillarger [9], Magnan [10],
Griesinger [11] als
vroege
simptomen
van
de
cerebrale paralise onderkend…………………
Maar
waarom huilen jullie dan ook? — Waarom is jullie brein niet sterk? —
Als jullie
gedachten zich tot de hoogte van de individualiteit en het recht op
individualiteit verheffen, en jullie ziel samen met de adelaren vloog,
waarom
janken jullie dan, als jullie voor de staat terecht staan en moeten
bekennen?
— Hebben
deze mensen, jullie gesalarieerde pijnigers, misschien meer gegeten,
omdat zij
zo sterk zijn? Waarom kijken jullie hen niet recht in de ogen en zeggen
het
onvermijdelijke, dat moet worden gezegd, al zou het bloed zijn? Eet en
maak je
sterk, en wees „sterk in de geest.“ Denken jullie, dat Bourgonje en
Rijnwijn
alleen maar voor staatssecretarissen zijn verbouwd? —Drink tenminste Eimbecker-bier,
zoals
Luther, toen hij voor de Rijksdag verscheen, en zijn
ziel wilde
loochenen. —
Wie
zal er huilen? — Denken jullie, dat Brutus heeft
gehuild? — Of
heeft Mirabeau soms tranen vergoten? — Heeft het verhaal van Danton
tranen
overgeleverd?.............
Ja,
als jullie janken, dan heeft de staat het gemakkelijk, en zal
de
deskundige jullie altijd als rijp voor het gesticht kunnen beschouwen.
Recent
onderzoek heeft vastgesteld, dat sifilis zeer vaak de
voorloper van
hersenverweking is. Men moet deze factor niet helemaal buiten
beschouwing
laten. Maar verwachten dat deze mensen dus aan sifilis moeten hebben
geleden en
hun verleden daarop nagaan, achten wij niet nodig. Juist het
tegenovergestelde. Die andere Franse ziekte, waar de Fransen
zelf in de
jaren 1789-95 aan
hebben geleden, en gedurende welke zij de „cultus van de Godin van de
Rede“
hebben gesticht, leidt veel zekerder tot verwarring van de geest en tot
verweking van de hersenen, dan die erotische besmetting, die haar
ontstaan
meestal heeft te danken aan de omarmingen van een echt onverstandige
Godin. Met
name moet de deskundige dus ook naar deze Franse ziekte, het
revolutionaire streven, zoeken, om de etiologische factor voor de
treurige
gezondheidstoestand, waarmee de aangeklaagde voor de balie van de
rechtbank
verschijnt, te vinden. En pas als dit onderzoek hem in de steek laat,
mag hij
naar lichamelijke littekens zoeken. In ieder geval zal het met behulp
van beide Franse ziekten lukken, om bij de voorgeleide een
noodzakelijk onderkende
geestesziekte etiologische te verklaren.
Schüle heeft het over de “Doorbraak
van
de zedelijke grond” [12], en wil deze volledig morele
zwakzinnigheid
als een van de meest waardevolle signalen voor het bestaan of toch
dichterbij
komen van hersenverweking laten gelden. Terecht. Velen hebben nu
gedacht, dat
bij politiek aangeklaagden deze factor in die gevallen, waarbij het
bewijs van
hersenverweking van de kant van de rechtbank werd verlangd, moeilijk
aantoonbaar was, omdat juist bij idealisten —wat politiek aangeklaagden meestal zijn —
deze zedelijke grond intact
is. — Helemaal fout! Bij deze mensen breekt juist de zedelijke grond
heel
gemakkelijk door. En dat is iets wat de deskundige van tevoren moet
bedenken:
als al bij staatsambtenaren, bureaucraten, rechters, hoge
bestuursambtenaren,
ministers etc., die niet op grond van zedelijke kracht of individuele
verantwoordelijkheid, maar op de grond van de staat staan, dus
helemaal
geen „doorbraak van de zedelijke grond“ kan volgen, omdat zo’n grond er
niet
is, — omdat de staat deze grond hen voor een bepaald salaris heeft
afgekocht,
omdat zij meestal uit families stammen, waarin al eeuwen geen
dergelijke
zedelijke grond meer aanwezig was, omdat zij gewoonweg geen zedelijke
grond
kennen, en daarom bij de aangeklaagde een dergelijke grond niet
veronderstellen
— als er, moet de deskundige bij zichzelf zeggen, al bij dergelijke
waardigheidsbekleders geen sprake meer kan zijn van een zedelijke
grond, is het
dan verwonderlijk, als bij aangeklaagden, waar hier sprake van is, die
door de
wol zijn geverfd, en die vaak uit maatschappelijke kringen stammen,
waarin het
weerstandsvermogen ten gevolge van een algehele misère niet meer zo
groot is,
de zedelijke grond hier en daar nu eenmaal doorbreekt“ — Nee, zegt de
deskundige,
dat is niet verwonderlijk. Dus de „zedelijke grond“ kan ook
bij
dergelijke mensen ooit „doorbreken“. Kan dat, dan zal
het voor de
deskundige gemakkelijk zijn, om ook voor het betreffende geval de
feitelijke
„doorbraak van de zedelijke grond“ wetenschappelijk te bewijzen, en zo
de onvermijdelijke
voorwaarden te verschaffen voor de opname van de aangeklaagde, net als
voor de
eigen bevordering naar de eerstvolgende salarisschaal.
Wij
vestigen bijzondere aandacht op wat hier is gezegd, omdat, als alle
psichosen falen,
en de aangeklaagde, zij het ten gevolge van een niet tijdige
voorbereiding van
kroongetuigen, of hoe dan ook, alle pogingen van de beëdigde
deskundige, om bij
hem een door de rechtbank noodzakelijk geachte psichose te
diagnosticeren, door
zijn rust, koudbloedigheid en beresterke gezondheid te schande maakt,
is de hersenverweking nog altijd die vorm, waarbij het bewijs
van de door de
rechtbank verlangde
geestesziekte, het beste lukt. Want het begin van deze organische
hersenziekte
is zoals bekend, zó subtiel, zó onopvallend en ragfijn, de eerste
simptomen zijn
nog zó moeilijk van de eigenlijke gezondheid te onderscheiden, dat het
met enige
handigheid lukt, om duidelijk te maken, dat elke gezondheid van de mens
aan het begin van de hersenverweking staat, zodat het voor de
deskundige — wiens
eigen zedelijke grond hier niet in aanmerking wordt genomen — eenvoudig
is, om
de aangeklaagde, zelfs als hij beduusd is, of een beetje stottert, of
gemakkelijk opvliegt, in de rechtszaal van het bewijs te overtuigen en
psichjatries
ten val te brengen.
Ook
de natuur zelf komt in deze richting aan de wens van de staat
ruimhartig
tegemoet. „De consistentie van de hersenen is week, is deegachtig“ —
zegt Hyrtl in zijn „Anatomie van de mens“ [13]. — Is het dan
een
wonder, als de
hersenen gewoon week worden, als ze tot de consistentie
vervloeit, die
de staat nodig heeft, om ongewenste breinen uit de strijd om het
bestaan af te
zonderen en ze in zekerheid te brengen?
En
ook het humeur, dat de natuur bij de gevoels-Duitser in het
hart heeft
gelegd, is niet zo ver verwijderd van dat ontdooien van het hart, dat
reeds een
beginsimptoom van de hier behandelde zielsziekte is. „De mensen huilen
gemakkelijk“
— zegt Mendel in zijn studie over de paralise van de hersenen
— [14].
Ja, verdomd! waarom huilen de mensen? — Omdat ze belasting moeten
betalen.
Omdat zij hun laatste bloeddruppels voor militaire vorderingen moeten
geven. Omdat
hun familie aan de willekeur van een bruut soldatenvolk bloot staat.
Omdat zij
aan een bevorderings-hongerige justitie zijn overgeleverd.
Omdat zij hun
pijnen en hulpkreten niet meer uitspreken, niet meer durven laten
drukken.
Omdat men hen tot het aanbidden van het „grote dier“ wil
dwingen…………….
Ja,
wat willen jullie, huilerige mensen, dan? — Waarom zijn jullie dan ook
week
geworden? God, die ijzer laat groeien, wil geen weke hersenen! — Waarom
wachten
jullie, totdat jullie hersenen week worden? — Toen ze nog hard en
elastisch
waren, en daden — geen gedachten — konden voortbrengen, moesten jullie
handelen
en je man staan. De staat heeft jullie eerst ontroerd en vervolgens
gesmolten. Jullie
armzaligen, jullie drijvende kracht onder zijn ijzeren handen, en nu
leuteren
jullie, hersenverweekten, in jullie koortsfantasie over koningsmoord en
burgerdeugd!....................Toen jullie nog rustig waren, toen
hadden
jullie het onvermijdelijke, de reddende daad moeten verrichten……………
Jullie
roepen steeds: alleen een Angiolillo kan ons helpen!
en herhalen
deze kreet, totdat jullie hersenen week worden; en nu moet de staat
jullie
gevangennemen. In plaats van eens een proeve van die Angiolilio
te
maken, om jullie hersenen van de vreselijke druk te verlossen; en de
staat een
keer te laten bloeden, in plaats van zelf te bloeden, en met een sterk
en
rustig brein uit deze ontzettende crisis tevoorschijn te
komen!................
Mania — de razernij,
als
tweede
simptomenkomplex
van
de psichopatia
criminalis.
De
meest voorkomende vorm van de geestesziekte is de manie. Men hoeft daar
nou
echt niet bij te denken, dat de mensen, zoals de leek vaak denkt,
daarbij tegen
de muur op moeten lopen. In tegendeel! Het is de stille woede, het
geheime,
rustige samenzweren, het innerlijke onbeschaamde denken, wat die mensen
onderscheidt; het is de mania anti-gouvernementalis.
Probeer maar een de levens- of ontwikkelingsloop van
dergelijke mensen iets
nauwkeuriger na te gaan. Het begint meestal al met Schiller, die
ze
op
school
onder
de bank lezen. Het zijn „De Rovers“, die onbeschaamde
woordenkraam
van dit onrijpe half-genie — de regerings-Goethe verafschuwde
het stuk —
dat bij de jonge mensen de kop op hol brengt. En al doet de leraar alle
moeite
om het onderwerp, met het oog op de zedelijke wereldorde — God hebbe
erbarmen
met deze dappere — een zedelijke draai te geven, dan blijft nog genoeg
over van
de geest van verzet, van het „in tirannos!“, dat de brutale
heelmeester
met een leeuw op de titelpagina tekende [15], om bij de gevoelige jonge
mensen,
die deze geestelijke kost naast Thomasius’ „Eerste
godsdienstonderwijs“
[16] in zich opnemen, het ombeschaamde loochenen, dat dan later in
razernij
uitbreekt, in de ziel te leggen. De „Rovers“ zouden altijd en onder
alle
omstandigheden en overal moeten worden verboden, en alleen maar in
bibliotheken
en dan nog alleen voor litteratuurhistorici, waarbij voldoende
zekerheid
bestaat dat zij niet imiteren, kunnen worden gelezen.
Vervolgens, op de middelbare school, is het met name Kant en
zijn
sisteem van het terugtrekken van de buitenwereld in het hoofd, in
het
denken, dat de jonge mensen ertoe brengt om de hele staat op
te vreten, en
daar met het hoogste en heiligste, met het gouvernement en de
hoogste
waardigheidbekleders — ja met de onaantastbare persoon van zijne
majesteit van
die betreffende landverraders — te manipuleren, zoals men met
denkvormen
speelt, en innerlijk flauwekul uithaalt. Nee, dat kan zo niet
verder worden
geduld! Deze mensen vervallen later allemaal tot razernij. Dit
kritische sisteem
vormt een ernstig gevaar voor het verstand van de
onderdanen. Deze
mensen worden later allemaal maniakaal. Kant zelf stond op het
punt om
zijn verstand te verliezen. De Pruisische minister, excellentie von
Wöllner, liet hem zeggen, dat hij op het uiterste voorbereid
moest
zijn,
als
hij
het verhaal niet zou laten rusten (hij bedoelde gevangenis of
gekkenhuis,
indien nodig). Nee! — liever het gekkenhuis, want dat frist deze mensen
echt en
in eigen persoon op, dan dat ze psichies, door middel van hun
kritische
denken de staat opvreten en daar innerlijk anarchisme en
kritisch
landverraad bedrijven. —
Moet
men dus een dergelijke verdachte in foro (voor de rechtbank)
onderzoeken,
en de manie, mania simplex uit hem krijgen — ik bedoel: die
via de
aanklacht aanbieden — dan komt het er vooral op aan, dat men
een beetje
op de wijze van de aangeklaagde reageert, zich maatschappelijk
gedraagt, of
iets van de gevoelskant laat zien, kortom, dat men in zijn hele
vroegere
ziektegeschiedenis is ingevoerd. Meestal zijn het temperamentvolle,
vurige en
idealistisch geaarde mensen, die het bedenkelijke pad van de oppositie
tegen de
regering bewandelen. En nu komt het erop aan, ze uit te vragen en uit
de tent
te lokken. Daarbij gaat men tegenover gesloten, zwijgzame mensen net zo
te werk
als de Jezuïeten bij jonge meisjes, als zij die wegens onanie
uitvragen. Geven
de laatsten op de vraag: „hoe vaak heb je het gedaan?“ helemaal geen
antwoord,
dan vraagt de Jezuïetenpater: „heb je het honderd of tweehonderd keer
gedaan?“
Dan schrikken die arme kleintjes en zeggen: „ach nee! hoogstens acht of
tienmaal.“ — Zo ook hier. Lukt het de voorgeleide, waarbij men een
manie moet
aantonen, zo te prikkelen en door inquisitieachtige vragen naar zuiver
denkbeeldige dingen, verkrachting, verduistering, pederastie etc. in
een
uiterste woede te doen ontbranden, en op die manier een maniakale
aanval bij de
wellicht licht prikkelbare aanwezigen in de gerechtszaal zelf te
provoceren,
dan neemt men meteen deze mania, deze tweede, experimenteel
opgewekte mania, als bewijsmiddel, en laat de eerste, de
wetenschappelijke
manie, de mania
simplex, lopen. Want het is helemaal niet nodig, dat iemand die
verdacht
wordt van samenzwering tegen de staat, aan mania duplex leidt.
Men
accepteert zijn manie, waar men hem aantreft. En om een dergelijke
flagrante
prikkelbaarheid, zoals de voorgeleide, die misschien de hele zaal heeft
volgespuugd, heeft getoond, te kalmeren, zijn meerdere jaren
internering,
minstens tot na de volgende kabinetsperiode, beslist niet teveel. — Wij
gaan nu
over tot de casuïstiek, en bespreken uit het rijke pasjentenmateriaal,
dat de
geschiedenis van alle landen biedt, een aantal bijzonder opmerkelijke
gevallen.
[17]
Observatie 1. Maniakale opwinding
ten gevolge van enorme politieke
propaganda. Demagogisch optreden als ambtenaar. Ophitsen tot opstand.
Dood
onder de knuppels van de zich verzettende aristocratenpartij. —Tiberius Sempronius
Gracchus, 30 jaar oud, uit een gegoede familie,
maar ziekelijk, ziet de aan zijn aristocratische afstamming
beantwoordende
loopbaan afgesloten, laat zich tot volkstribuun kiezen en introduceert,
om bij
de massa steun te verkrijgen, een communistische, de patognomonische
kenmerken
van een krankzinnige utopie op het voorhoofd dragende Akerwet, die
de
eetlust
van
de
massa tot het uiterste prikkelt. Ten gevolge van de
begrijpelijke
tegenstand, die dit optreden bij de ordelievende aristocratenpartij
opwekt,
neemt de eigenlijk labiele en tot uitputting neigende hersentoestand
van de
agitator toe tot geestvervoering en maniakale opwinding (mania
simplex). Ideeënvluchtige
redevoeringen van megalomaan karakter: het volk wil hem tot koning
kronen. En
net als het volk, in zijn hoop naar een volle maag bedrogen, een
dreigende
houding wil aannemen, komt de goedgeorganiseerde en gedisciplineerde
senaatspartij tevoorschijn. Er breekt een opstand uit, en Tiberius
Gracchus
wordt in een straatgevecht samen met 300 van zijn aanhangers met
aristocratische stoelpoten doodgeslagen (133 v. Chr.)
“Zo’n
dag heeft Rome nog niet eerder meegemaakt!“ roept Mommsen [18]
uit.
Begrijpelijk! Als men het gekkenhuis naar de straat verplaatst, kan men
elke
dag wel wat nieuws beleven. De vraag is alleen, wat er op deze
manier van
de staat terechtkomt en wat er met de eeuwige wet van de zedelijkheid
gebeurt.
Het
is duidelijk dat tegenwoordig in een georganiseerd staatsbestel,
dergelijke
gebeurtenissen onmogelijk zouden zijn. Om ze echter helemaal en voor
altijd
onmogelijk te maken, is het de plicht van de deskundige, om zich het
meest
subtiele begin van de psichopatia criminalis als observatie
eigen te
maken, en, zolang een eigen leerstoel voor politieke hersenprocessen
nog niet
is ingesteld, en onze wetenschapstak onder de vleugels van de gewone
psichjatrie
moet schuilen, geen gelegenheid verzuimen, om zich met behulp van de
politieke geschiedenissen
van de volksoproeren psichologisch en psichjatries te ontwikkelen. Het
eerste
begin van de criminele psichopatie is subtiel en vluchtig. Onder het
lerarenkorps, onder de jonge assessoren, bij ongeorganiseerde, niet
tijdig beroepen
en getrouwde teologie-kandidaten (met name in Würtemberg), bij
advocaten, jonge
doktoren, en privaatdocenten treft men vaak de meest wonderlijke
geestestoestanden aan. En mensen, die van het lezen van Nietzsche,
Feuerbach,
Stirner, Bruno Bauer, en David Strauss, dus meestal
volledig
geëxalteerde mensen, op hol geslagen hoofden krijgen, zijn gedurende
een zekere
tijd, waarin heldendom en idealistische opofferingszin en alle
suggesties een
welkome ingang vinden, uiterst gevaarlijk. Hier schiet de bacil van een
geestelijke lepra, met zijn knobbels en uitwassen van een afzichtelijk
demagogendom, maar al te gemakkelijk wortel. Een preventieve
onderbreking
gedurende een half jaar in een goedgeleid psichjatries internaat, is
rond deze
tijd meestal uiterst nuttig. — Het is duidelijk dat, als Tiberius
Sempronius
Gracchus tijdig was gearresteerd en gevangen was gezet — wat natuurlijk
een
tijdige wetenschappelijke kennis van de ziekte en het beschikbaar zijn
van bekwaamgeleide
provinciale gekkenhuizen veronderstelt —niet alleen de hevige opwinding
en
beschadiging van de Romeinse volksziel zou zijn voorkomen, maar dan had
ook
zijn broer Gajus, datzelfde lichtzinnige en vuige spel niet twaalf
jaar
later met een nog grotere hartstocht, kunnen herhalen. Want zodra deze
mensen
merken, dat men geen martelaarskransen meer kan verwerven, en door de
stoelpoten van de tegenstanders niet meer doodgeslagen wordt, maar met
zijn
beetje hersenen in het gekkenhuis kan verrotten, trekken zij hun handen
ervan
terug en hoeden zij zich ervoor om tegen de door God — door wie? — door
God, of
Jupiter, dat is in dit geval helemaal hetzelfde! — ingestelde
staatsorde in
opstand te komen.
Observatie 2. Koliekachtige
woedeaanvallen op alcoholische basis.
Ernstige majesteitsschennis door middel van de pers. Veroordeling. Na
een opsluiting
gedurende tien jaar een beduidende verbetering. Terugkeer naar de
mensenmaatschappij en naar een ordelijke bezigheid bij de pers. Sterft,
door
zijn vorst gedecoreerd. —Chr.F.D. Schubart, 38 jaar, koorleider en
schoolmeester, naar het schijnt niet erfelijk belast, behalve met een
onweerstaanbare neiging om verzen te maken, muzikaal begaafd, geeft
zich
vroegtijdig over aan drank en losbandigheid, houdt het op de
universiteit niet
uit, wordt wegens schulden gearresteerd; na de vrijlating rustiger
geworden,
brengt hij meerdere jaren in een rustige plaats als schoolmeester door;
zijn
beste tijd; maar de rusteloze, die inmiddels is getrouwd, houdt het
daar niet
uit, hij verhuist naar de hoofdstad, waar hij de vorst en de hofdames
met zijn
prachtige orgelspel boeit; overmoedig, gaat hij zich aan de meest dwaze
uitspattingen te buiten, besmet zich seksueel aan het hof, besmet de
familie,
maakt hekeldichten op de heiligste litanie en de allerheiligste
goddelijke
drie-eenheid, die hij op muziek zet en met krullerige versiering in de
eredienst op het slot uitvoert. Hij moet vluchten, hangt weldra nu eens
hier,
dan weer daar rond, gaat zich steeds te buiten aan Baccho et
Venere, verwaarloost
vrouw en kinderen. Eindelijk belandt hij een zuid-Duitse stad en richt
daar een
dagblad op. Ook hier vertoont hij meteen een zeer buitensporig gedrag,
hij
stoot revolutionaire kreten uit, zoals: „O Engeland, slechts deze hoed
vol van
jouw vrijheid!....“, wordt wegens deze uitspraak uitgewezen — vlucht
naar
de
dichtstbijzijnde
stad, waar hij zijn dagblad voortzet en door
de
onbeschaamde toon daarvan een beduidende oplage bereikt; hij scheldt
alle 48 Duitse
potentaten op de meest mateloze wijze uit, waarbij hij hun maîtresses
opsomt en
hen wil verbieden, dat zij voor het onderhoud van hun privé-bordelen en
balletzalen, de zonen van het land als soldaten aan het buitenland
verkopen.
Uiteindelijk wordt de schurk, waarvan het zenuwsisteem volledig is
aangetast,
en dat onder de toxische inwerking van bier en tabaksrook de meest
mateloze
politieke veronderstellingen over de eenheid van Duitsland en het
zelfbestemmingrecht
van de Duitse burgerklasse had geproduceerd, gearresteerd en opgesloten
in de
gevangenis. De toestand verbeterde onmiddellijk. Hij wil aan
het
avondmaal deelnemen, bidt vurig tot God, onthoudt zich van het aardse
verzenmaken, valt dertig pond af; de „koliek“achtige plannen en
temperamentvolle invallen blijven geheel achterwege; een diepe
zielevrede neemt
bezit van zijn innerlijk. Als hij na een tien jaar durende opsluiting
door een
toeval wordt vrijgelaten, is hij een volledig ander mens geworden. Als
hoforganist slaagt hij erin om op een meesterlijke manier voor de
maîtresse van
de allerhoogste het orgel te bespelen. Hij wint de volledige gunst van
zijn
vorst. Op zijn verzoek zet hij de krant ten gunste van de hofkas voort,
maar
geheel in de geest en opvatting van het regeren bij Gods genade van de
monarch
en de door God voor de volkeren aangestelde leiders en groten. Geacht
door alle
oprechte mensen van het land, sterft hij spoedig daarop, gedecoreerd
door zijn
vorst.
Dit
is een van de weinige gevallen in de geschiedenis van de menselijke
geest en de
menselijke ontaarding, waarin de samenhang van oorzaak en gevolg zo
overduidelijk aan het licht komt. Dergelijke gevallen komen echter
dagelijks
voor. Niet alleen in de tijd, waarin het zojuist aangeroerde geval zich
afspeelde, in de 18e eeuw, maar ook tegenwoordig oefenen bier en
tabaksrook hun
verderfelijke werking op de hersenen van onderdanen uit. En als ook
niet steeds
een zo oplaaiende geest, een zo dichterlijke aanleg, een zo’n
buitensporige
fantasie het misdrijf te hulp schiet, zoals in het geval van de
rubrikaten, is
het toch voor de deskundige belangrijk, om op de hoogte te
zijn van het
tijdstip, waarop de ideeën van onderdanen, ook zonder de versterkende
invloed
van het temperament van een zekere zelfstandigheid, of neiging tot een
maniakale redenering, hebben aangenomen, dat een langer uitblijven van
de
vrijheid gevaarlijk zou kunnen worden, en de grenzen van de, buiten de
muren
van het gekkenhuis mogelijke, geestelijke vrijheid zijn overschreden.
Het enige bedroevende aan het geval in kwestie, Schubart, is
de
omstandigheid, dat in de toenmalige tijd de grenzen, waarbinnen het
verstand
van de onderdanen zich kon bewegen, veel ruimer waren gesteld, dan
tegenwoordig, en dat bij openlijke uitbraak van een geestesziekte, zij
het in
de pers, zij het door geuite beledigingen van de majesteit, het
oppakken van de
zieke, ten gevolge van gebrekkige uitleveringsverdragen met de
buurstaten, zo
wordt bemoeilijkt.
In
ieder geval zal de deskundige uit deze beide getuigenissen, die tot de
openbare
geschiedenis behoren, hebben geleerd, dat het er nauwkeurig op aankomt,
om het
moment op te merken, waarop de ideeën bij bepaalde onderdanen te
levendig, te
overvloedig, te vrijpostig, te zeer op het hof gericht worden, om te
beslissen
voorzorgsmaatregelen te treffen, zodat bij de eerste uitbraak van
maniakale
opwinding of politieke razernij, die beide deel uitmaken van de psichopatia
criminalis,
de arrestatie van de zieke plaats vindt, zowel om het
hof en de
mensenmaatschappij tegen hem te beschermen, als om hemzelf te kunnen
genezen.
Melancholia — Melancholie
als
derde
vorm
van
de psichopatia criminalis.
De
melancholie, is nou echt een Duitse ziekte! Vergeet-mij-niet-ziekte —
„Roosje-roosje-rood-ziekte“
— Helblauwe-oogskens-ziekte. —
Tot
in de meest zoete geheimen van het hart, dringt deze psichose door en
openbaart
heel jullie hartstochtelijke verlangen, heel jullie liefde, heel jullie
gejammer over het verloren geluk, dat altijd is, waar jullie niet zijn.
En
jullie liederen, jullie zingen en zeggen, jullie smachten naar de
allerliefste
schat, naar „Beppielief“ en naar „Miesjemijn“, jullie gezangen over “heldenlauwerkransen”
(„helden lobebaeren”, uit: het Nibelungenlied), en
jullie
diepe
verlangen
naar
de „blauwe bloemen“ en de andere wereld, ligt in
deze melancholica
germanica. Jullie zijn het meest diepzinnige en melancholieke volk
ter
wereld. En men hoeft slechts in jullie ogen te kijken, om de diepgang
van
jullie ervaren, jullie hunkerpijn te zien.
En
omdat jullie dan dat smachten niet kunnen laten, smachten jullie naar
andere
politieke
toestanden.
Ja, verdomme, wat hebben jullie met de
politieke
toestand te maken? Maak je maar zorgen over de politieke toestanden van
andere landen. Schrijf over de Engelse geschiedenis
van
de
grondwet [19] of over
de Franse revolutie [20], of over de Romeinse geschiedenis [21], zoals
jullie
dat tot nu toe tot tevredenheid van die landen hebben gedaan, maar wat
gaan
jullie jullie eigen politieke toestanden aan? Weten jullie niet, dat
die, eens
en voor altijd, door de door God boven jullie gestelde vorsten zijn
geregeld?
En dat deze vorsten al 800 jaar over jullie regeren? En dat deze
vorsten zich
op die lange regeringsperiode beroepen?: zodat men dus na een zo
lange tijd
geen verandering kan invoeren?
Degenen
die al 800 jaar regeren, beroepen zich op die 800 jaar. En degenen die
al 600
jaar regeren, beroepen zich op die 600 jaar. En degenen die al 50 jaar
regeren,
beroepen zich op die 50 jaar. En degenen die al 10 jaar regeren,
beroepen zich
op die 10 jaar. — Na zo lange tijd! —
En
jullie, met jullie gedachten, die misschien pas van eergisteren
dateren, willen
daartegen in opstand komen! — Juist op het punt, waarop er niets te
smachten
valt, bijten jullie je vast op het „smachten“! — Waarom zou dan een
„vererfd
vorstenhuis“, dat al 800 jaar regeert, niet nog een keer 800 jaar
regeren, en juist
dan nog een keer 800 jaar — en dan opnieuw andermaal 800 jaar — en dan
steeds
weer 800 jaar?...................
Ja,
hoe lang dan?
Altijd, altijd, altijd, altijd! — Zullen jullie, pas als een
vorstenhuis
viermaal 800 jaar, 3200 jaar over jullie heeft geregeerd, eindelijk
jullie
„smachten“niet opgeven? —
Smacht maar naar viooltjes, naar leuke meisjes, naar turnfeesten, naar
zangverenigingen, voor mijn part ook naar God, hemel en aarde, maar hou
op met
jullie smachten naar nieuwe regeringsvormen, op welk terrein jullie elk
oordeel
ontbreekt, en jullie nooit het recht hebben om daar iets over te vinden
[22].
Maar
jullie maken er een schandaal van en schreeuwen van die onnozele holle
woorden,
zoals: „het bezit van een gestikte paardendeken is niet voldoende om
over de Duitser
te mogen heersen!“ — Ik zeg jullie: het bezit van een gestikte
paardendeken is voldoende,
om over de Duitsers te kunnen heersen! En wie dat niet inziet, en op
zijn
psychies basisfenomeen van het „smachten“ vertrouwt, zijn ogen laat
overlopen, zucht
en doet en melancholiek wordt, die leidt aan psichopatia
criminalis; want
melancholie en vals smachten, het tegen de regering smachten, zijn
onderdelen
en simptomen van de psichopatia criminalis. Jullie hoeven geen
revolutionaire daden te begaan, jullie hoeven niemand van de „gestikte
paardendeken“ af te treken, jullie hoeven niet zeter-mordjoh (oud-Duitse hulpkreet) te schreeuwen, ik heb genoeg van jullie
verdomde
smachten, van jullie zingen van al te patriottistische liederen, waarin
de naam
„Duits“ een merkwaardige klemtoon krijgt, zonder dat eerst een toast op
de
majesteit is uitgebracht, van jullie pimpelen en zingen van
vrijheidsliederen —
wat is dat, vrijheid? — van jullie vermaak en bruiloftsfeesten, zonder
dat
jullie aan de allerhoogste denken en op hem het eerste glas heffen —
dat alles
is mij een gruwel, dat alles is een simptoom van een ontspoorde
geestelijke
gezondheid — o, jullie hoeven in dit hoofdstuk geen kabaal te maken
(wij zijn
nu bij de melancholie), het is voldoende dat jullie stompzinnig bij een
glas
bier zitten en denken — waaraan denken? — en tussen de tanden door
mompelen
“De
vrijheid die ik bedoel,
zoete engelenfiguur…. .”,
ja,
wat bedoelen jullie, zieken, met die vrijheid?
Laten
wij het maar wat over het gekkenhuis hebben!
Er
is vast geen periode in de hele Duitse geschiedenis, waarin het
verlangen naar gekkenhuizen
zo hevig was, als in de tijd vanaf de oprichting van de Duitse bond tot
het
jaar 1848. Alles wat de mensen destijds op hun schutters- en
turnfeesten, de
studenten en professoren op hun Wartburgfeesten (1817), de
liberalen en
democraten op hun Hambacher-verbroedering (1832)
samen“smachten“,
-zongen, -turnden en -schreeuwden, was melancholiek geleuter, deels als
maniakaal vertoon, dat zich veel beter, beter voor zowel de deelnemers
als voor
de toeschouwers, in de koele wandelgangen en de behaaglijke badkamers
van
rationeel geleide detentie-inrichtingen, had kunnen afspelen. Deze
lieden
wilden allemaal de eenheid van Duitsland, de vrijheid, de
verbroedering, en
omarmden en omhelsden elkaar in het „vergeet-mij-niet-smachten“ en
versmolten
met hun zielen onder het mystieke simbool van de „blauwe bloemen“ —
maar zij
wilden dat allemaal zonder de Duitse vorsten; zonder de Duitse
vorsten,
die echter door God, ter controle van de Duitse patriottistische
lusten, waren
aangesteld.
“Vorsten,
het land uit,
Nu
komt
het feestmaal van het volk….”
dergelijke
onbeschaamde, godslasterlijke versjes (want wie de vorsten beschimpt,
lastert
God, die de vorsten heeft aangesteld), of:
“Vorsten
geef de grote
purperen mantel hier,
daaruit maakt men broeken
voor het vrijheidleger…..”!!
dat
is gekkenhuis-poëzie, zoals die voor het eerst door Lombroso en
du
Prel, in hun studie over de mystiek van het gekkenhuis,
voortreffelijk werd
gekarakteriseerd. [23] Zoals reeds in de inleiding is gezegd: een vrij
groot gekkenhuis
tussen Frankfurt en Karlsruhe zou deze volstrekt
jammerlijke
beweging, waarvoor de beschermgeest van de Duitse vorsten treurig de
fakkel laat
zakken, in de kiem hebben gesmoord, en haar, in plaats van in de Duitse
geschiedenis, in de patiëntendossiers van een humaan geleid provinciaal
gekkenhuis
hebben opgetekend. Helaas waren enerzijds de simptomen van de psichopatia
criminalis
destijds nog niet zo bestudeerd, anderzijds was de
zekerheid en
het zelfbewustzijn van de Duitse vorsten met het oog op hun
onmisbaarheid en
hun regeren bij Gods genade, nog niet op de gelukkige hoogte aangeland,
als
tegenwoordig.
Uit
de overvloed van het uit die jaren stammende pasjentenmateriaal, geven
wij hier
slechts een aantal van de meest markante gevallen, zodat de jonge arts
en de
jonge bestuurambtenaar, die vast gemakkelijk moeten kunnen onthouden.
Observatie 3. Paranoïde
aanleg. Gemaakte autodidact ter ondersteuning van een illusoir verheven
persoonlijkheid.
Godsdienstwaanzin. Godslastering. Wederdoperse allure. Gevangenis.
Later, snelle
geestelijke uitputting en dood. — Wilhelm Weitling, kleermaker,
zoals
alle
Duitse
schoenmakers
en kleermakers door een beschouwelijk-mystieke drang
beheerst, die
onbegrijpelijkerwijze zelfs voor de troon van de allerhoogste geen halt
maakt.
38 Jaar oud, het hoofd volgepropt met waardeloze kennis, begint hij,
nadat hij
tijdens zijn rondtrekkend doorgebrachte leertijd veel heeft
rondgezworven, in
Genève een goeddoorwrocht paranoïde gelukzaligheidssisteem te
verkondigen, dat,
zoals zovaak gebeurt — zie het succes van Christus bij tollenaars,
vissers, prostituees
— bij onwetende, bloedeloze en suggestibele proletariërs gehoor vindt.
— In
zijn boeken luidt het b.v.:
“Broederschap
door herinvoering van het jij-woord, door oefening in vergeven van om
het even
welke belediging, door de gewoonte om ieder vergrijp als een ziekte te
beschouwen [24]……
“In
alle lasten en geneugten matigheid betrachten, voor zover dat thans
maar
mogelijk is, omdat men daardoor een schat verkrijgt, die gezondheid
heet en die
belangrijker is dan rijkdom en eer……
“Alle
kwaadsprekerij tot schande van de kwaadspreker afwijzen, zelfs als die
waarheid
bevat. Iedere onvrede met het gedrag van een broeder met hemzelf onder
vier
ogen uitspreken, en niet voordien met iemand anders, en daarom ook
iedereen,
die ons openlijk beledigt en uitscheldt, als een zieke te beschouwen,
die op
dat ogenblik zichzelf niet de baas is, en eveneens iedere misdadiger,
en daarom
ook niemand, die tot gevangenisstraf en dergelijke wordt veroordeeld,
verachten……
Zoveel woorden, zoveel
onzin. Bijna iedere gedachte
regeringsvijandig. Weldra begon de zieke op een psalmodierende manier
te
spreken en zich in Christusachtige bochten te wringen:
“Komt
allen tot mij, gij die zwoegt, ploetert, belast, arm, veracht, bespot
en
onderdrukt zijt; als gij vrijheid en gerechtigheid voor alle mensen
wilt, dan
zal dit evangelie uw moed opnieuw stalen en uw hoop tot bloei laten
komen…..[26]
“Het zal
de bleke wangen der zorgen weer kleuren en in het oog des verdriets een
schone
straal der hoop werpen.
„Het
zal de moedeloze, zwakke harten sterken, en in het brein van de
twijfelaar de
macht der overtuiging gieten.
“Op het
voorhoofd van de misdadiger zal het de kus der verzoening drukken, en
het zal
de duistere muren van hun kerkers met het schijnsel der hoop
verlichten“. [27]
Tegen dit goedpraten van
de misdaad en deze Schiller-achtige
woordenbombast, trad de regering uiteindelijk op. Weitling werd
wegens
godslastering
en
aanval
op het eigendom in de gevangenis geworpen. Veel
te
laat! want tijdens de jarenlange opruiing had de zelfbewuste kleermaker
duizenden mensen aangestoken. Het is tekenend, dat Weitling zich
op
Luther,
Karlstadt en Thomas Münzer beriep, mensen, die de
intussen nijver
voortschrijdende wetenschap zelf al lang als geestesziek had erkend.
Het
resultaat van zijn verblijf in de gevangenis? een hoop zonderlinge,
larmoyante
fantasieën — waarom janken deze mensen dan? — werd door de bekende,
zelf
revolutionaire Heine-uitgever Hoffman en Campe in Hamburg, die
zonder
een enkele Pruisische ridderorde is gestorven, in druk uitgegeven. [28]
Weitling vluchtte spoedig daarop naar Amerika, waar
hem
later een
geestelijke dood
heeft overvallen. — Het is merkwaardig dat Weitling nog steeds
in
encyclopedieën wordt vermeld. Daar hoort hij echter niet thuis, maar in
de
vaklitteratuur. [29]
Gaat
het bij Weitling om een flinterdunne kleermakersgezel met een
ontoegankelijk gevoel en een waterblauwe vaderlandsliefde, in de
volgende
figuur staat een meer dronken, volbloedige, schouderbrede en trotse
mens voor
ons, die zich met een snoevend hart en wilde passie „naar het
vaderland, naar
het dierbare, wilde voegen“, in plaats van naar de verordeningen van
het kantongerecht
van zijn grondgebied. Deze soort melancholia atra en attonita,
met
hun wilde gebaren, hun rollende ogen, met een toon van
zelfverzekerdheid en de
pracht en praal van een kolossaal gevoel, is niet minder gevaarlijk,
dan die
waterblauwe, flinterdunne melancholia subtilis en sentimentalis.
Sluipt
die met fluisterende twijfel en Herrnhutter-achtige lammetjes-woorden
de harten
van regeringsgezinde onderdanen binnen, dan werpen ze met de bloedige
aanval
van een Schiller-achtige pathos en een als een mortier
donderende welsprekendheid,
hun toehoorders in een ogenblik neer en drukken hen hun erbarmelijke
stembriefje in de hand. In beide gevallen is het gekkenhuis de enige
redding
voor dergelijke estheten. Hier de kleermaker, op de rustige afdeling,
daar, de
leerlooier, de slager, de koperslager, of wat hij ook moge zijn, op de
onrustige afdeling. Geen wonder, dat ook de held in het onderhavige
geval,
omdat hij in vrijheid moest worden behandeld, zich binnen korte tijd
voor het
pelotonsvuur van Oostenrijkse gardisten in zijn bloed moest wentelen.
Observatie 4. Dweperige
vaderlandsliefde (patriotismus exaltans). Grootheidswaanachtige
uitwassen en patriottische stichtingen (megalomania patriotica).
Uitputting en
dood door de regering. — Robert Blum, 41
jaar, met van huis uit een ordelijke en
goedige aanleg, komt door zijn werk met het theater en de schijnwereld
tot het
inzicht van de speelse nonchalance van het veroorzaken van politieke
gebeurtenissen
en acties tegen de staat. Gebrekkige zelfkritiek. Overwoekering van het
ervaringsleven. Als hij, verhuisd van Keulen naar Leipzig, in
litteraire
kringen verzeild raakt, ziet hij, gesteund door een onloochenbaar
oratorisch-
en schrijversvermogen hoe gemakkelijk het is, om ideeën in
werkelijkheid om te
zetten. Hij vervalt nu geheel tot grootheidswaan, richt
„vaderlands-tijdschriften“,
„vaderlands-verenigingen“, „vaderlands-handboeken“ op, geheel volgens
zijn
overborrelende patriottische bezieling. De autoriteiten beginnen de
geëxalteerde in het oog te houden. Omdat er geen degelijke
psichjatriese
handboeken zijn, wordt hij onder de politieke loep gehouden, en wordt
er een
paragraaf aangepast, waaronder hij vroeg of laat kan worden opgepakt.
In
Frankfurt, waar hij door een meningsloos, zelf ziek geworden
electoraat, naar
toe wordt gestuurd, maakt hij de in belangrijke
zedelijkheidsvraagstukken
adviserende leden van de Bondsdag geestdriftig voor ondoordachte
beslissingen,
en brengt daardoor het schip der staat gevaarlijk aan het wankelen.
Naar Wenen
afgevaardigd, stort hij zich met een mateloze geestdrift op de missie,
om de
goedmoedige Oostenrijkse burgers van hun edele vorstenhuis los te
scheuren en
zich aan het kostbare vaderland aan te sluiten. Het geval wordt
daardoor tot
een grensgeval van melancholia atra en mania
complicans. Het
lukt de edele vorst Windischgrätz nog net om de belegerde stad in te
nemen,
voordat onder de zo gemakkelijk beïnvloedbare Weners een algemene manie
van
vaderlandsverbroedering plaats vindt. De zieke wordt in een toestand
van hevige
uitputting in een logement opgepakt, onder een van de snel in elkaar
getimmerde
vorstelijke paragrafen ingesloten en tot de dood door wurging
veroordeeld. Ook hier
gaf de edele vorst blijk van mildheid en verleende de zieke, waarvan de
edele
vorst wellicht de toestand onderkende, gratie en veroordeelde hem tot
de
regeringsdood door de kogel. Gedood door de regering op 9 november
1848. Wegens
de voortvarendheid van de begrafenis kon sectie van het lijk niet
plaatsvinden,
die ongetwijfeld een volledige verbindweefseling van de hersenen en de
daarbij
behorende vergroeiing van het hersenvlies met het schedelkapsel zou
hebben
opgeleverd.
Wij
volstaan met deze beide ziektegeschiedenissen met betrekking tot de melancholia
subtilis
en atra in hun regeringsvijandelijke vorm. Het
zal de
begrijpende lezer duidelijk zijn geworden, dat het er hier juist om
gaat, om zo
vroeg mogelijk de eerste simptomen van deze ernstige staats-psichose te
onderkennen, voordat de daardoor aangetasten hun melancholieke en
sentimentele
geschriften en drukwerken, over de zwakheid van de oude regeringsvormen
en de
overbodigheid van de door God aangestelde vorsten, hebben gepubliceerd.
Het
jaar 1848 en de daaraan voorafgaande tijden, bieden te pas en te onpas
een overvloed
aan casuïstisch materiaal voor de staatsvijandige hersenaandoeningen,
dat
helaas in de universiteitsklinieken en de psichjatriese gehoorzalen nog
steeds
niet ten volle zijn benut, zodat het voor de studenten vaak moeilijk,
en mogelijk
slechts incidenteel uit de hoedanigheid van de knoopsgaten van hun
professoren,
is te weten te komen, hoe die zelf over deze politieke ziektebeelden
denken. Met
name de lyrische psichosen van de dertiger en veertiger jaren met hun
staatsvijandige oogopslagen en hun anti-vorsten-gejammer, met hun
illegale
gevoelens en erotische gestamel van koopliedendochters (die men nooit
ofte
nimmer mee naar huis kan nemen), deze en soortgelijke, met
ontoelaatbare
weltschmerz en verscheurdheid van de ziel gepaard gaande
verschijnselen, zijn
nog lang niet voldoende in hun patogene, tronenschokkende en
vorstenmaîtressen-verontrustende
waarde onderkend en beoordeeld. En juist hier zou een indringende en
degelijke
instructie van de jonge artsen en toekomstige streek-fisici van enorm
belang
zijn; vooral in onze tegenwoordig zo treurige, vorstenverachtende
tijden,
waarin gemakkelijk opnieuw een mania, zoals in de dertiger en
veertiger
jaren van deze eeuw zou kunnen plaatsgrijpen, en de verziekte geesten
dan het
trouwe, vol vertrouwen naar zijn vorst — of vorsten — opkijkende volk
sneller
aansteekt, dan men zou denken, en waarbij de hulp dan te laat komt.
Paranoia — Krankzinnigheid
als
Iaatste
uitingsvorm
van
de psichopatia criminalis.
Men
heeft herhaaldelijk beweerd, dat de geschiedenis van de Duitse ziel
slechts een
paragraaf uit het grotere hoofdstuk Paranoia van een
psichjatrie-leerboek
is, — en dat klopt: de Duitse, onsterfelijke ziel is een zieke,
krankzinnige
ziel. Maar daar gaat het hier niet om. Het gaat er hier om, om de
afzonderlijke
leden van dit ongelukkige volk in foro, voor de rechtbank,
volgens de
beginselen van de door God en Duitsland ingestelde vorstendommen — at
her
majesty’s
pleasure,
zoals het in Engeland luidt, — nog een
bijzondere, uiterst
beroerde, onvergeeflijke, diep in het hart schuilende en daarom
ongeneeslijke,
krankzinnigheid te laten zien, en die adequaat op te bergen en onder te
brengen.
Deze
krankzinnigheid, deze verharding van het hart, deze paranoia van
het
karakter, is een deel van de psichopatia criminalis, waar wij
het in dit
boek over hebben.
“De meest wezenlijke kern van deze grote ziektencategorie, is een
primaire
stoornis in het gedachteleven in de vorm van een remming of stimulering
van de
Ik-groep, met allegorische waarneming“, zegt Schüle [30]. —
Voortreffelijk!
Wat
willen
de
mensen met hun Ik? Op staten- en volksvergaderingen, op
schuttersfeesten en gesprekken aan de toog, worden maar steeds die
ikken
uitgedaagd, opgepompt, tot in het oneindige opgefokt, en zelfs diëten
voor hen
verlangd — en op het laatst kunnen deze mensen niet meer juist
waarnemen — om
over begrijpen nog maar te zwijgen — construeren volmaakt foute
allegorieën van
het „soevereine Ik“, van het „soevereine volk“, van „moeder Germania“,
„Duitsland
boven
alles“
etc., en de zich slechts bij een onberispelijk
waarnemen vormende hoogste ideeëngroepen „God“, „vorst“, „koninklijk
recht om
gratie te verlenen“, „staatssoevereiniteit“, „regeren bij Gods genade“,
„zalvingsvoorschrift van de adel“, „post- en pakketvrijheid voor het
hof“ etc.
gaan verloren. Dergelijke mensen voelen zich natuurlijk in de
monarchistische
buitenwereld niet meer thuis, en wat blijft er dan nog over, dan de
ernstig
ontspoorde zo vroeg mogelijk naar een asiel over te brengen? — „De
pasjent
blijft niet bij deze innerlijke verwijding van het persoonlijke Ik,
maar maakt
daar bovenuit de sprong naar het objectieve. Daarmee trekt hij echter
een zeer
verkeerde conclusie, voor zover hij een innerlijke oorzaak in
de buitenwereld zoekt.“[31] —Opnieuw zeer voortreffelijk! Wat
heeft de
zieke Duitser in de buitenwereld te zoeken? Laat hij in de
buitenwereld maar zijn belasting
betalen, en dan
vrolijk slenterend van het belastingkantoor weer naar huis gaan. Hij
heeft niks
te objectiveren in zijn innerlijk. Zijn innerlijk, de zetel
van de ziel,
is die erbarmelijke toestand, waar de Duitser al vanaf de tijd van het
heilige
Romeinse rijk nooit mee in het reine is gekomen. Wat ons betreft blijft
hij
thuis met die jammerlijke hulpeloosheid. Als hij dan toch zijn zieke
innerlijk wil
verzorgen, en snikkend zijn ziel wil onderzoeken, dan kan hij in de
vroegte,
als de dauw nog op de velden ligt, naar buiten gaan en zijn „zag een
knaap een
roosje staan“ zingen, zijn vergeetmijnietbloempjes plukken, de
leeuweriken
horen kwinkeleren en de beekjes horen ruisen. Maar zodra de zon van de
majesteit
aan de hemel staat, heeft hij in de buitenwereld niets te zoeken en
moet hij
zich rustig houden en zich met zijn eigen zaken bezighouden. Hij moet
zijn
innerlijk, die Duitse ziel, afsluiten. Deze Duitse ziel is gek, een
hulpeloos,
jammerlijk geheel, een treurig spook, dat zichzelf smachtend verteert,
en schuw
de daad uit de weg gaat. Rijst hij uit zijn mystieke omhulsel omhoog
naar de
openbaarheid, en wil hij zich vertonen, zich manifesteren, zich
objectiveren,
zich in buitenwereld veranderen, dan is dat spook, die ziel, meteen als
„bedrog“,
als „waan“ te pakken en vast te grijpen, op te sluiten en af te
straffen. Want
het wezen van de Duitse ziel is — ziel te blijven en nooit daad te
worden.
Het
is dus voor de jonge arts, voor de jurist en voor de politieambtenaar
belangrijk, om zowel de uiterlijke habitus, als de hele psichologische
structuur van dergelijke individualisten, zulke „vergrote Ikken“,
dergelijke
zielenmensen, die voor de monarchistische staat van het grootste gevaar
zijn,
te leren kennen. Denk maar aan de beschrijvingen van de „verbeten
democraten“
uit 1848, met hun energieke baarden, hun koopliedenhoeden, hun
onbeschaamde
wambuizen, soms met hun lokken als een „Duitse jongeling“ e. derg.,
daar is
over het geheel genomen niet veel in veranderd. Daar zijn alleen
tegenwoordig
van twee kanten toevoegsels bijgekomen: die ieder op zich weer hun
aparte voorkomen
hebben: aan de ene kant proletarische kameraden, met de trotse blik van
de
smid, de listige smoel van de meubelmaker, het superintelligente
gezicht van de
kleermaker etc., mensen die verhoudingsgewijs verdomd veel hebben
gelezen en zich
het hele materialisme van de zestiger jaren hebben eigen gemaakt.
Vervolgens,
aan de andere kant, die vertwijfelde doktoren, professoren,
sjoernalisten,
redacteuren en ambteloze geleerden, die denken dat ze een compleet,
nieuw
filosofisch sisteem, of een economische wereldorde, in hun inktpot
hebben. — Voor de rechtbank
is het met hen allemaal steeds
hetzelfde verhaal. Ze verschijnen in een zo onberispelijk mogelijk pak,
zoals
bij een begrafenis, en nemen zo het air aan van rechtschapen
mannen,
beroepen zich op een of ander idealistisch sisteem — Kant, Luther,
Hegel
— dat vast opgesloten in hun geweldige borst, zoals Xa-Xa
in
de hel, sluimert, — ademen verkeerd, spreken verkeerd — verprutsen de
Duitse
sintaxis — huiveren als mijnheer de president hen aanspreekt — en merken
niet
dat
ze
ziek zijn. Een enkel woord van de zijde van de
koninklijke
president — „Dolus!“ — en hun hele idealistische bouwwerk,
waar ze
decennialang op spreekgestoelten en bierbanken aan gevijld hebben en
wat ze van
buiten hebben geleerd, stort onder het spottende medelijden van de als
bijzitters aanwezige koninklijke heren adviseurs, jammerlijk ineen.
— Men ziet
gewoon, hoe deze aangeklaagden aanvankelijk voor hun verdediging met
hele
treinwagons idealisme aan komen rijden — steeds nieuwe hoeveelheden — ,
verhalen, litteratuur, reformatie, nationale economie — omdat ze
helemaal niet
kunnen geloven, dat zij ongelijke zouden kunnen hebben — en
voor het
lippenkrullen van de koninklijke mijnheer de president, voor een enkele
straal
van zijn, door de keizerlijke gunst verlichte gelaat, en het daarmee
verlichte
intellect, smelten al die bezwaren en geconstrueerde ijsklompen weg,
als de lentesneeuw
voor de majesteit van de zon.
Het
gaat er alleen maar om — en
daarmee
staan we op de top van de menselijkheid — om niet het misdrijf, maar
de
ziekte
van deze mensen — we hebben het over de aangeklaagde! —te
bewijzen. Wie
op grond van en met een beroep op een of ander idee — van Plato tot
Smith — van List of Lasalle — van Campanella
of Marx —
tot de conclusie van een beperking, vermindering, degradatie, of zelfs
overbodig zijn, van de door God voor eeuwig besloten, en door HEM ZELF
ingestelde Duitse monarchieën (Luxemburg incluis), komt, is a
priori
ziek,
hij heeft de dolus criminis laesae majestatis als een doorn in
het vlees
zitten, zonder dat hij het merkt, hij is door de conclusie eigenlijk al
—
zonder dat de koninklijke mijnheer de president ook maar één woord
hoeft te
spreken — misdadiger geworden. De huidige staat wil echter tegen de
eeuwwisseling, en rekening houdend met de idee — waar men nog
niet
precies van weet, of het van God komt (waar ook het regeren bij Gods
genade van
afstamt), deze lieden in asielen, in ziekenhuizen, in
ideeën-inrichtingen,
onderbrengen. En voor de jonge arts en voor de politieambtenaar, gaat
het er nu
natuurlijk om, om zo vroeg mogelijk de eerste simptomen van deze
onzichtbare, dodelijke,
misdadige, — meestal door middel van boeken voortsluipende —
geestestoestanden
te onderkennen, om niet langdurig met vrijstelling van functie, ontslag
of
koudwaterkuren te werk te hoeven gaan, maar om de zieke geest zo snel
mogelijk
in de rust van de gesloten provinciale inrichting onder te brengen.
Het
is niet altijd eenvoudig, om deze mensen rechtstreeks in foro over
te
brengen.
Met
een
hoop verderfelijke kennis volgepropt, overspoelen zij
vaak de
president met citaten uit Plato’s „Gastmaal“, of de Upanishads,
zodat
die het er benauwd van kan krijgen. Deze mensen geloven echt dat zij,
omdat er
ene Mucius Scaevola of Willem Tell is geweest, of
omdat Schiller de „Rovers“ heeft geschreven, alles mogen
denken. [32] In
een dergelijke
geval zal de voorzitter alle overbodige docentengezwets, dat niet onder
een
paragraaf van het Wetboek van Strafrecht onder kan worden gebracht,
eenvoudig
afwijzen, en de monarchistische harts- of karakterproef bij de
aangeklaagde
uitvoeren. Bij bekende oudstrijdersverenigingloosheid, bij bekende
reserveofficiersloosheid,
bij gebrekkig hoera-geroep-enthousiasme, dat met behulp van de
plaatselijke-politie-instantie uit het verleden van de beschuldigde
eenvoudig
valt vast te stellen, zal men weldra de stand van zaken grondig
doorzien. Heeft
men bij de voorgeleide eenmaal duidelijkheid over de gebrekkige
monarchistische
structuur van de hersenganglia, als het daarvoor bestaande
gedachtesubstraat,
dan gaat men rechtstreeks op het doel af. Bij deze mensen zit er altijd
iets
scheef — al kunnen zij zich ook in het kruisverhoor anders dapper
gedragen. Ze
zijn of slecht gekamd, of de schedel zit scheef, of het jasje is
gerafeld, of
de knopen van het jasje zijn afgesleten — of er zelfs helemaal
afgedraaid (bij
Duitse professoren zeer geliefd) — de brillenglazen zijn ongelijk
geslepen en
de blik heeft die schandelijke convergentiestand, die op bepaalde Machiavellismen
als sterk water werkt, — een oorlel zit vastgegroeid, of
de Schiller-neus
staat, zoals zijn hoogsteigene, scheef in het gezicht — voor dergelijke
gevallen heeft Lombroso een grote hoeveelheid simptomen
beschreven — en
bij de grote hoeveelheid van mogelijkheden, zal men altijd een of ander
degeneratiekenmerk
vinden. En gaat het niet e re ipsa, dan gaat het ex
adjuvantibus. Bij
de oorspronkelijke, nu eenmaal waanzinnige, aanleg van de Duitse
onsterfelijke
ziel, waarover wij het hierboven uitgebreid hebben gehad, moet het wel
heel
raar lopen, als men bij een professor, bij een docent, bij een denkende
proletariër, bij een verbeten en halsstarrige democraat, bij een
nagelbijtende
sjoernalist en schrijver, of bij een vrijzinnige teoloog niet de
benodigde
portie zou vinden, om de voorwaarden voor het tot stand komen van de psichopatia
criminalis
juridisch als gegeven te kunnen beschouwen, en daarmee
de
overbrenging naar de reddende staatsinrichting mogelijk te maken.
Observatie 5. Pessimistische
aanvallen op teologische basis. Zich
richten op de filosofie. Megalomane oververzadiging van het „Ik“ op
Hegels
grondbeginsel. Grenzenloze grootheidswaan. Vroegtijdige uitputting, en
uiteindelijk overleden (zonder ingrijpen van de regering) in
een
toestand van volstrekte perversie. Max Stirner, 39 jaar oud, met
een vrij
behoorlijke vooropleiding, zoon van achtenswaardige, monarchistisch
gezinde
mensen, uit Bayreuth, werd, wellicht ten gevolge van de plotselinge
overgang
van het land, van de kroon van Pruisen, naar Beieren, en de daardoor
opgeroepen
snelle wisseling in de richting van zijn monarchistische gezindheid,
ernstig in
zijn innerlijk geschokt; vanaf dat tijdstip dateert tenminste de eerste
twijfel
van de jonge teoloog aan het “dogma van het regeren uit Gods genade” en
aan het
“bloed van het lam”. — Hij richt zich op de filosofie, waar de nu
onevenwichtig
gewordene in de meest radicale stroming van de zogenaamde Hegelse
Linksen
verzeild raakt. Hij publiceert een filosofisch opus, dat thans volledig
is
vergeten en waarvan de titel ons momenteel is ontvallen. Stirner biedt
het
meest
flagrante
voorbeeld van die voorstellingsziekten, die Schüle zo
exact
als “Vergroting van de Ik-groep”, “Uitbreiding van het
persoonlijke Ik” betitelt. Daar vindt men uitdrukkingen als:
“Ik
leid alle recht en alle bevoegdheid uit mijzelf af: ik ben tot
alles bevoegd,
waar ik de macht toe heb. Ik heb het recht, Zeus, Jehova, God enz. ten
val te
brengen, als ik het kan….
”Ik
geef of neem mijzelf echter het recht uit eigen machtsvolmaaktheid, en
tegenover elke overmacht, ben ik de meest onboetvaardige overtreder.
Als
eigenaar en schepper van mijn recht, — erken ik geen andere rechtsbron
dan — mijzelf,
noch God, noch staat, noch de natuur, noch ook de mens zelf met zijn
“eeuwige
mensenrechten”……
”Het
Goddelijke is Gods zaak, het menselijke is de zaak “van de mensen.”
Mijn zaak
is noch het Goddelijke, noch het menselijke, is niet het ware, goede,
rechtvaardige,
vrije („et cetera”!! —), maar alleen het mijne, en het is geen algemene
zaak,
maar is — uniek, zoals ik uniek ben. — Voor mijzelf gaat niets
boven
mijzelf.“ [33] —
Deze waanzinnige schreef
ZICHZELF groot en dacht zelfs, dat
de gedachten, „die zomaar in het rond vlogen, niet vogelvrij waren,
maar dat
het zijn gedachten waren“. — Het is duidelijk, dat bij een
dergelijke
opgeblazenheid van het onderdanen-Ik, de monarch en zijn heilige
rechten tekort
moeten komen. — Gekkenhuizen bestonden er destijds voor dergelijke
mensen niet,
en het psichjatriese onderzoek was destijds bij lange na nog niet
voldoende gevorderd,
om te begrijpen, dat deze hele zogenaamde linkervleugel van de Hegelse
school,
veel beter meteen vanaf het begin, dan later tot een degelijk geleid
provinciaal gekkenhuis uitgebouwd had moeten worden. Men liet die
mensen, zoals
Bruno en Edgar Bauer, Arnold Ruge, David Friedrich Strauss e.
a. uit
een louter vals respect voor de zogenaamde filosofie of „vrijheid van
denken“,
zoals dat heet, hun radicale gedichten en majesteitsschennende
gevoelens
openlijk aan het volk tonen. Ja, Stirner, was zelfs een
tijdlang leraar
aan een meisjesschool en waagde het bij die later voor het hof bestemde
zoete
schepseltjes, het zaad van oneerbiedige gevoelens in het hart te
zaaien. Maar
uiteindelijk doofde de vulkaan van zelf uit. En de dood trof een
treurige poel
van perverse opgeblazen Ikken en verkilde
majesteitsschennis-in-gedachten, toen
hij het, door geen orde van de Adelaar gesierde, lijk van de
onbeschaamde
denker op 26 juni in Berlijn beroerde.
Het
aantal zieke denkers uit de dertiger en veertiger jaren, waar wij net
een paar
van hebben opgenoemd, en waardoor de staat, bij gebrek aan geschikte
gekkenhuizen, het met vestingstraffen en onder de galg moest redden, is
uitzonderlijk groot. Men vindt daar de „meest schitterende“ namen
onder. Dat wil
zeggen: de namen en de dragers daarvan werden in het oog van het
publiek
„schitterend“, en verschenen als lichten van de gedachte, omdat de
staat hun
misdadige denken niet op tijd afkapte. Want een, eenmaal door infectie
het volk
binnengedrongen en daar na-gedachte, denkfunctie en manifest geworden
idee, is
daar niet meer uit te roeien — behalve door massa-onthoofdingen — maar
bestaat
daar als zodanig, met het hele vanzelfsprekendheidrecht van de idee,
als
autochtone functie van het brein. Het is daarom nodig, dat eerst
degenen, die
met een dergelijke gedachtemisdadiger het eerst in aanraking komen,
artsen,
juristen, psichjaters, voogden, bestuursambtenaren, ministers, de
mening
opgeven, dat het denken iets bijzonders zou zijn, waar men respect voor
zou
moeten hebben, waarvoor men halt zou moeten maken, of dat men het
misschien op
zijn belangenloosheid of zijn ideale karakter zou moeten onderzoeken.
Niets van
dat alles! Gedachten zijn als rupsenhelmen, of uniformstukken; men
schaft ze
af, verbiedt ze, of schildert ze over. Men deelt de gedachten in, in
onderdanengedachten en heersersgedachten, en geeft iedereen de
gedachten, die
bij zijn stand passen. Blijkt, dat iemand afzonderlijk, die zich
speciaal met
denken afgeeft, zich met heersersgedachten voedt (terwijl hij onderdaan
is), en
die onder het volk bij mensen van zijn eigen soort wil
verbreiden, dan lijdt
hij onmiskenbaar aan een „opgeblazen Ik“ (Schüle). Hij moet dan in
ieder geval
eerst worden geobserveerd. Blijkt dan, dat zijn ziekte tot de „sprong
in het
objectieve“, tot de „objectivering van zijn innerlijk in de
buitenwereld“ is
voortgeschreden, en heeft diezelfde een antimonarchistisch, op de
omverwerping
van het bestaande „dogma van het regeren bij Gods genade, van de Duitse
vorsten
(inclusief Liechtenstein)’ gericht karakter, dan is de psichopatia
criminalis
manifest. Er mag dan onder geen enkele voorwaarde
verder worden
toegestaan, — zodat het volk niet nog een grotere zedelijke schade
lijdt — dat
de betreffende rustig zijn boeken verder schrijft en publiceert. Hij
moet — of
hij nou Kant, Lassalle of Bruno Bauer heet — naar een
badkuip met
de juiste temperatuur in een liefdevol geleid staatsgekkenhuis worden
overgebracht,
en daar voor de duur van de bestaande regeringsvorm worden vastgehouden.
Slotwoord.
Men
kan nauwelijks verwachten, dat de hier uiteengezette, volledig nieuwe
gezichtspunten al te snel bij de voortreffelijke regeringen en bij de
geachte
vakgenoten ingang zullen vinden. Het echte nieuwe moet immers altijd op
bepaalde weerstanden rekenen. En wat hebben wij niet in de laatste tien
jaar
aan nieuwe ziekten, nieuwe bacillen en nieuwe serumtherapieën moeten
geloven!
Dus zal ook ik met de mogelijkheid rekening moeten houden, dat mijn
fundamentele ideeën veelvuldig twijfel, en wellicht een spottend
schouderophalen zullen ontmoeten. Met name nationaal-liberale
psichjaters zullen
mij wellicht tegenwerpen, dat voor bepaalde ideeën en groepen van
ideeën toch
ook de mogelijkheid van een initiatief uit het volk, uit de overheerste
massa, als
gegeven kan worden beschouwd. Ik wil op dit moment op dat bezwaar geen
antwoord
geven. Ik ben niet in staat om in die bevoegdheid te geloven. In ieder
geval
kan het mij niet verhinderen, om de aandacht te vestigen op een ziekte,
die in
een speciale vorm, al minstens 100 jaar bij ons in het avondland
bestaat en die
steeds grotere afmetingen dreigt aan te nemen.
Dat
deze nieuwe vorm van psichiese ontaarding nu eindelijk uit het
allegaartje van
politieke problemen en revolutionaire manieren, als type moet worden
uitgepeld,
is voor mij het postulaat van een wetenschappelijke overtuiging en het
resultaat van een jarenlange, ijverige studie en nauwgezette observatie
van de
loop der dingen. Het komt immers zovaak voor, dat men de meest
veelsoortige
simptomen gedurende lange tijd, gedurende eeuwen, op een hoop gooit en
door
elkaar heen haalt, terwijl men nog de scherpte der zintuigen, het
benodigde
onderscheidingsvermogen mist, vooral, omdat de ziekte nog niet zo vaak
is
opgetreden. Denk maar aan de overal verspreide paralyse van de
krankzinnigen,
aan de tabes dorsalis, de spastische spinaalparalyse, de
neurasthenie,
de multiple sclerose en bepaalde oogziekten, die allemaal pas in de
loop van
deze eeuw als zodanig zijn onderkend; totdat een ziekte vaker voorkomt
en
bepaalde simptomen steeds weer samenvallen, en nu het type plotseling
helder
tevoorschijn komt en aan het daglicht treedt.
Zo
is het met de psichopatia
criminalis. Het is een
misdadige uiting van het verstand,
een soort griep van het denken, die vroeger alleen maar in
afzonderlijke
hoofden huisde, zich in afzonderlijke verschijningen, zoals bij Arnold
von
Brescia,
abt Joachim, Savonarola, de Pijper
van Nicklashausen e. a.
manifesteerde,
of in kleine sektarische epidemieën, zoals bij de Waldensers, de Begharden, de Taborieten e. a. tot
uitdrukking kwam. De
mensen dachten, dat hun denken, het denken, het leven
was en dat
het voor iedereen gold. — Maar omdat de ziekte niet ver om zich heen
greep, en
de patogene kiemen in de hoofden van de opgehangenen — of, nog
voorzichtiger:
de verbranden — uitstierven, zullen de simptomen nog steeds veelvuldig
over het
hoofd worden gezien. Pas in de zestiende eeuw kwam in Duitsland een
nieuwe bevoorrading,
vervolgens in Engeland in de achttiende, en tot slot aan het eind van
de vorige
eeuw in Frankrijk, en breidde de epidemie zich dermate uit, dat de
artsen nu
genoodzaakt waren, zich nauwgezetter met de verschijnselen bezig te
houden, hun
etiologie te bestuderen en het type ervan vast te stellen.
In
de middeleeuwen zou het b.v. bij geen mens in het hoofd zijn opgekomen,
om aan
het vrije beschikkingsrecht van de door God aangestelde vorst, over
lijf, leven
en gedachten van zijn onderdanen, te twijfelen. [35]
Sporadische
verdwaalde geesten, werden, als ze voorkwamen, snel terechtgesteld en
verwijderd. Maar toen 200 jaar geleden de Engelse free-thinkers, de
vrijdenkers
in
Engeland
— „vrijdenkers“ —
wat
een woord!! — met hun vijandige geestelijke
activiteit begonnen,
nauwkeuriger gezegd: toen men in het avondland begreep, dat vorsten met
het oog
op hun denkbeelden werkelijk afgeschaft, namelijk onthoofd konden
worden, dus
sedert de terechtstelling van Karel I van Engeland, intensiveerden deze
ongebreidelde, oproerige meningen zich tot de stelling: alsof er
„mensenrechten“ — moeten zijn: alsof er, naast de rechten van de vorst,
onderdanenrechten
zouden bestaan. Een volledig waanzinnig en lichtzinnig denkbeeld; het
resultaat
van die Engelse en Franse denkers en hun ontspoorde kameraden, die niet
op tijd
naar een lunatic asylum, of naar de Bastille, werden
gebracht,
of als ze daar wel kwamen, daar niet werden vastgehouden.
Het
is de verdienste van de huidige psichjatrie en het wetenschappelijke
onderzoek
over suggestie en psichiese besmetting, dat zij heeft onderkend, op
welke
voorwaarden het verder vreten en om zich heen grijpen van zieke,
antimonarchistische
denkbeelden berust; en dat alleen het tijdige ingrijpen van de arts en
de
autoriteiten nodig is, om de gevaren die de Duitse vorstenhuizen
bedreigen en
de ongunstige gedachteconglomeraten de wereld uit te krijgen.
Hiermee
staat dus het type van de psichopatia
criminalis
tegenwoordig
helder en
onwrikbaar vast.
Zij verschijnt onder de meest veelvuldige symptomen, die wij hier onder
de gangbare,
en daardoor eenvoudiger begrijpelijk, ziektecategorieën: mania,
melancholia, hersenverweking, gekte, hebben beschreven. En met
name
onder het beeld van
de paranoia, komen de ziektesimptomen van deze criminele
psichose
veelvuldig tot ontwikkeling.
Men
moet zich niet door het luchtige, wazige karakter, dat toch al met de
uitingen
van de psiche gepaard gaat, over de grote virulentie van de kiemen in
kwestie
laten misleiden. Het gevaar ligt op de loer. Het dreigt. En bij het
steeds
voortschrijdende proces van de politieke hersenziekten in het
avondland, zal
spoedig duidelijk blijken, dat wij hier met een van de meest
gevaarlijke en
meest succesvolle massa-epidemieën staan, en dat het hoog tijd is, om
de
monarchen toe te roepen: „Vorsten van Europa, pas op uw heilige
bezittingen!“
NOTEN
[1] Onder
hersenschorsdwang verstaat de moderne psichjatrie
de van de hersenschors, als de zetel van de belangrijkste
gedachtereeksen,
uitgaande weerstand tegen influisteringen en suggesties, zodat zelfs de
beste
bedoelingen van de regeringen tevergeefs tegen dergelijke
individualistische
stijfkoppen afstuiten.
[2] Mommsen Th., Römische
Geschichte. Deel. A. 5e Editie. Berlijn 1869. Pag. 87—94.
Daar is
wel sprake van „boerenproletariaat“ en de „ondergang van de Italiaanse
boerenstand; maar nergens een woord over dat er een Romein of Italiaan
rechtstreeks is verhongerd.
[3] Arndt, R, Lehrbuch der
Psichjatrie für Ärzte und Studirende. 637 bldz. Gross-8°. Wenen
en Leipzig
1883. — het bewonderenswaardige leerboek is lang niet genoeg
gewaardeerd en nog
steeds in de eerste uitgave te verkrijgen.
[4] Thomasius,
G., Darstellung der evang.
Luth. Dogmatik vom Mittelpunkt der Christologie aus. Erlangen 1852.
Pag. 175.
[5] Spener, Ph. J., Pia
desideria oder Verlangen nach gottgefälliger
Besserung. Frankfurt 1673.
[6] Heinroth,
F.
C.
A.,
Störungen des Seelenlebens. Leipzig
1818. Pag.127
[7] Heinroth, F. C.
A., Die Lüge. Beitrage zur
Seelenkrankheitskunde. Leipzig 1834. Pag. 38.
[8] Schule,
H., Klinische Psychiatrie. 3e Editie.
Leipzig
1886. Pag. 376.
[9] Baillarger, J.,
Recherches sur le système
nerveux. Parijs 1847.
[10] Magnan, V,
Maladies mentales. 2ème édit. Parijs 1893.
[11] Griesinger, W, Pathologie und
Therapie der psychischen Krankheiten. 2e
Editie. Stuttgart 1861.
[12] Schüle,
H.,
Handbuch der Geisteskrankheiten.
2e Editie.. Leipzig
1880. Pag. 513.
[13] Hyrtl,
Jos., Lehrbuch der Anatomie des
Menschen.
20e Editie. Wenen 1889. Pag. 236.
[14] Mendel, C., Die progressive
Paralyse der Irren. Berlijn 1880. Pag. 97.
[15] De uitgave uit 1782
heeft een „van rechtsspringende“
leeuw op de titelpagina, de uitgave van het jaar daarop een „van
linksspringende“ leeuw, zodat iedereen de hem passende manier van
springen kan
vinden; alsof een leeuw niet genoeg zou zijn!
[16] Thomasius, Gottfried, Erste Religionsstufe.
Erlangen 1853 ff. Het vaak uitgegeven
voortreffelijke geschriftje van de zo vroegtijdig gestorvene, wiens
borst met
de hoogste staatsonderscheidingen was versierd, vormt een uitstekende
kleuterschool
voor de latere ambtenaren.
[17] Bij
de casuistiek van de psichopatia criminalis moeten
wij soms op de
lang vervlogen oudheid teruggrijpen, omdat juist in die oude tijden,
toen een psichjatriese
kennis van politieke hersenaandoeningen nog niet mogelijk was, zich
afzonderlijk gevallen volkomen duidelijk, buiten het gekkenhuis, in de
grootst
mogelijke openheid, afspeelden, en op een huiveringwekkend fraaie
manier lieten
zien, hoe de zieke ideeën van een enkeling het gehele politieke leven
van een
volk allerernstigs konden beïnvloeden.
[18] Mommsen, Th., Römische
Geschichte. Berlijn 1869. 5e Editie, Deel. A. Pag.
92
[19] Gneist,
Rud.,
Englische
Verfassungs-Geschichte. Berlijn.
2e Editie. 1889, een voortreffelijk werk.
[20] Sybel,
H. von, Geschichte der
französischen Revoluzions-Zeit 1789—1800. 5 Delen Stuttgart
1858—1879. Het beste wat men in zijn soort
kan lezen!
[21] Mommsen,
Theodor, Römische Geschichte. Deel. I, II, III und V. Berlijn
1854. 8e
Editie.
Aldaar, 1888. Bekend meesterwerk! Als de geachte schrijver had vermeden
om zich
in de politieke toestanden van zijn land te mengen, waarvoor hij, zoals
gepast, —
aangezien men voor
een zo kortdurende ziekte de mensen niet kan opsluiten — door de
strafrechter
wird veroordeeld, zou hij een gevoelige les armer, maar een
onderscheiding
rijker zijn geweets en zou het zo vurig verwachte vierde deel
van de
„Romeinse geschiedenis“ zijn verschenen.
[22] Het moet als een
gelukkige zet worden beschouwd, dat de
Duitse regeringen de, onder de ontwikkelde menigte zo levendig
opgetreden
behoefte naar ansichtkaarten naar vermogen zijn
tegemoetgekomen, zodat —
afgezien van de gestegen inkomsten van de staat — het publiek op deze
manier
zijn misdadige neiging om een aanzicht op de politiek van zijn
land te
verkrijgen, tenminste in de vorm van ansichtkaarten kan bevredigen;
in
plaats
van
inzicht in de politiek te verlangen, waar hem naar
gelang de
omstandigheden thans tenminste ieder inzicht noodgedwongen
moet worden
ontzegd. —
[23] Lombroso, C., Il genio
nei pazzi: L’uomo di genio. 5e ediz.
Torino 1888.
p. 150 ff. — Carl du Prel Mystik in Irrsinn. Psychische
Studien,
Zeitschrift der Untersuchung der Phänomene des Seelenlebens gewidmet. Leipzig. 16e Jaarg. 1889.
[24] Het zal de
onderzoekers en patologen interesseren, hoe
de moderne, bijbelstrijdige en door de regering niet erkende leer van
de
opvatting van de misdaad als een ziekte, als een dwanghandeling, zo ver
en op
zo’n ziek spoor als hier, teruggaat.
[25] Uit de gerechtelijk
in beslag genomen manuscripten van Weitling.
[26] Het is dezelfde
opruiende taal, die ook thans, onlangs
nog ter gelegenheid van de grote havenarbeidersstaking in Hamburg, van
verscheidene kanten kon horen, en die altijd en onder alle
omstandigheden
pervers, en nooit bij de vorst instemming kan vinden.
[27] Weitling,
W., Das Evangelium des armen
Sünders. Bern
1845.
— Zo gaat het, als men deze mensen de bijbel ter hand stelt. De
katholieke kerk
heeft hier een juiste kijk op, door de leken de bijbel in zijn geheel
te ontzeggen.
Zij onderwijzen alleen de poëtische taal en tonen iemand uiteindelijk
de onevenwichtigheid
van het bijbelse christendom, dat dus niet in het belang van de vorst
kan zijn.
[28] Weitling. W.,
Kerkerpoesieen.
Hamburg
1844.
[29] Ook het geesteszieke
knoeiwerk van Weitling wordt
nog steeds gekocht en uigegeven. Van „Het Evangelie van de arme
zondaar“, Bern
1845 verscheen al in 1848 de derde editie. In 1843 verscheen een
Franse, in
1846 44n Noorse vertaling. Tegen het eind van de tachtiger jaren
verscheen een
anastatische nadruk van de bernse editie. In 1894 verscheen in München
een
nieuwe uitgave, uitgegeven door Eduard Fuchs, en van deze
uitgave in
1897 al de tweede editie. — Van “Die Garantieen der
Harmonie und Freiheit” (dat in geen enkele psichjatriese
bibliotheek mag ontbreken), Vivis 1842, verscheen in 1845 de tweede, in
1849 de
derde editie. In 1846 een Noorse en in 1849 4n Franse vertaling. Dr.
C.
Hugo
in Stuttgart zou zelfs een aanvang hebben gemaakt met een
kritische uitgave
van de verzamelde werken van Weitling. Waar moet dat heen? De
Duitse
vorsten moeten dat niet toestaan. Van dergelijke poëzie hebben wij echt
aan Schiller al genoeg.
[30] Schüle,
H, Klinische Psichjatrie.
3e Editie. Leipzig
1586.
Pag. 131.
[31]
Schüle a. a. O. S. 131.
[32] Het is terloops
opgemerkt onzin, om jongemensen op
gimnasia en humanistische onderwijsinstellingen, in een tijd, waarin de
jeugdelijke psiche nog zo bevattelijk en beïnvloedbaar blijkt, verhalen
als die
over Mucius Scaevola e.dergl. zonder enig commentaar —
zonder
de
verduidelijking:
dat
men slechts ten gunste van de door God ingestelde
regerend
vorst de vingers mag branden — niet voor de republiek! — te laten
lezen. Bij
deze mensen moet later, als ze ambtenaar zijn geworden, vast een zekere
verwarring optreden. Het zou voor deze jongemensen toch echt beter
zijn, als
zij in dergelijke gevallen een of ander degelijk, voorbeeldig
geschiedenisboek,
zoiets als „Geschiedenis van de grote heldhaftige keizer“ van professor
Oncken
zouden lezen. Van het proza van Schiller moet
principiëel
uit
de
tijd
vóór zijn ommekeer naar het eeuwigzedelijke — dus ongeveer vóór
1790 —
niets op school komen. Een natie, waarin de „Rovers“ van Schiller voor
20
pfennig
kan
worden gekocht, moet zijn ondergang wel tegemoet gaan.
[33] Zie het een
halve eeuw geleden veel gelezen en aangegaapte
boek van Stirner —
de titel schiet mij op dit moment niet te binnen — ; ook dat is voor 20
pfennig
in de Reklam-Bibliotheek te verkrijgen!!! —
[34] Zie, wat wij
daarover in het eerste deel hebben gezegd.
[35] Zie het bekende
principe met betrekking tot de
godsdienstige opvatting: “cuius regio,
ejus religio.” —