Opmerking
van
de vertaler:
Schreber
schreef zijn Memoires in 1903, maar bovendien was
hij een intellectueel, een Duitse ambtenaar en uiteindelijk uitermate
gestoord.
Zijn proza vertoont dus alle kenmerken van die uitzonderlijke
combinatie. Hij
is uitermate wijdlopig, componeert zijn ellenlange zinnen als een
ambtenaar, maakt
gebruik van voegwoorden en bijzinnen in alle soorten, grossiert in
tegenwoordige deelwoorden, en maakt daardoor zijn zinnen vaak tot ware
cryptogrammen. Hij schrijft zoals hij is en daarom leek het mij niet
juist om
het karakter van het geschrift te veranderen.
De vertaler
Voorwoord
Open brief aan de heer
Geheimraad Prof. Dr. Flechsig.
Inleiding
Hoofdstuk 1. God en
Onsterfelijkheid
Hoofdstuk 2 – Crisis van
het godsrijk? Zielenmoord.
Hoofdstuk 3 – Niet
geschikt voor publicatie
Hoofdstuk 4 –
Persoonlijke belevenissen tijdens de eerste en het begin van de tweede
zenuwziekte.
Hoofdstuk 5 – Vervolg.
Zenuwtaal (innerlijke stemmen). Denkdwang. Eventuele ontmanning, eis
van de
wereldorde.
Hoofdstuk 6 –
Persoonlijke belevenissen, vervolg. Visioenen, „Geestenziener“
Hoofdstuk 7 –
Persoonlijke belevenissen, vervolg; merkwaardige ziekteverschijnselen.
Visioenen.
Hoofdstuk 8 –
Persoonlijke belevenissen tijdens het verblijf in Piersons kliniek.
„Beproefde
zielen“
Hoofdstuk 9 – Overplaatsing
naar Sonnenstein, Veranderingen in het stralencontact.
“Opschrijfsysteem”;
“vastbinden aan aarden”
Hoofdstuk 10 –-
Persoonlijke belevenissen op Sonnenstein. “Verstoringen” als
begeleidingsverschijnselen van stralencontact. “Stemmingmakerij”
_________________________________________________________________________________
Voorwoord
Toen
ik hiermee begon heb ik nog niet gedacht aan publicatie van dit werk.
Die
gedachte is pas in het verdere verloop bij mij opgekomen. Daarbij ben
ik niet
voorbijgegaan aan het bezwaar dat een publicatie in de weg lijkt te
staan: het
gaat namelijk om consideratie met een aantal nog levende personen.
Anderzijds
ben ik van mening dat het van waarde zou kunnen zijn voor de wetenschap
en voor
de erkenning van religieuze waarheden, als het nog tijdens mijn leven
mogelijk
zou worden gemaakt om op een of andere manier van beroepsmatige zijde
observaties
te verrichten aan mijn lichaam en over mijn persoonlijke lotgevallen.
Met het
oog op deze overwegingen moeten al mijn persoonlijke redenen er het
zwijgen toe
doen.
Van
heel het werk zijn opgeschreven:
* De memoires
zelf (hfdst. I – XXII) in de
periode van februari tot september 1900.
* De aanvullingen onder I – VII
in
de periode
van oktober 1900 tot juni 1901.
* Een tweede vervolg van de
aanvullingen, eind
1902.
In
de tijd, die vanaf het eerste begin van het werk is verstreken, zijn
mijn
uiterlijke levensomstandigheden wezenlijk veranderd. Terwijl ik
aanvankelijk
nog vrijwel in een gevankelijke afzondering leefde - ik was namelijk
uitgesloten van contact met ontwikkelde mensen, zelfs van de (voor de
zogenaamde pensiongasten van de kliniek toegankelijke) gezinstafel van
de gestichtdirectie,
- en nooit buiten de muren van de kliniek kwam enz., is voor mij
langzamerhand
een grotere bewegingsvrijheid en in toenemende mate contact met
ontwikkelde
mensen mogelijk gemaakt. Uiteindelijk heb ik in het in hfdst. XX
vermelde
proces van onder curatele stelling een volledig succes geboekt, omdat
de onder
curatele stelling, door een besluit van het koninklijke kantongerecht
van
Dresden, dat op 13 maart 1900 was ingegaan, werd opgeheven door een
rechtsgeldig geworden uitspraak van het koninklijke gerechtshof van
Dresden.
Daarmee is mijn handelingsbekwaamheid erkend en is mij het vrije
zelfbeschikkingrecht
teruggegeven. Wat betreft mijn verblijf in de kliniek heb ik al maanden
de
schriftelijke verklaring van het kliniekbestuur in handen, dat er geen
wezenlijk bezwaar tegen mijn ontslag bestaat; ik denk dus dat ik
ongeveer begin
volgend jaar naar mijn eigen huiselijke omgeving zal terugkeren.
Door
al deze veranderingen ben ik in de gelegenheid geweest om de kring van
mijn
eigen waarnemingen wezenlijk uit te breiden. Sommige van de meningen,
die ik
vroeger heb geuit, moesten daarna een correctie ondergaan; ik kan er
vooral
geen twijfel over koesteren, dat het zogenaamde “gespeel met mensen”
(de
wonderachtige invloed) zich beperkt tot mijzelf en mijn naaste omgeving
van dat
ogenblik. Misschien zou ik daarom sommige uitwerkingen van mijn
memoires nu
anders formuleren. Desalniettemin heb ik het hoofdzakelijk laten staan
in de
vorm, waarin ik het aanvankelijk heb opgeschreven. Veranderingen in de
details
zou de oorspronkelijke levendigheid van de weergave beïnvloeden. Verder
is het
naar mijn mening zonder noemenswaardige betekenis of, ten aanzien van
de toestand
die tegen de wereldorde indruist, die tussen God en mij is ontstaan, de
opvattingen die ik eerder had gevormd, met min of meer grote
vergissingen
doorspekt zijn geweest. In ieder geval kunnen alleen gebeurtenissen
aanspraak
maken op een meer algemene belangstelling, waartoe ik ben gekomen op
grond van
de indrukken en ervaringen die ik heb opgedaan, ten aanzien van de
desbetreffende
voortdurende toestanden, het wezen en de eigenschappen van God, de
onsterfelijkheid van de ziel enz, en in dit verband hoef ik ook,
volgens mijn
meer recente persoonlijke ervaringen niet het minste te veranderen aan
mijn
eerdere grondgedachten, die ik namelijk in hfdst. I, II, XVIII en XIX
van de
Memoires heb ontwikkeld.
Psychiatrische
Kliniek Sonnenstein bij Pirna, december 1902.
De
schrijver
_________________________________________________________________________________
Open brief aan de heer
Geheimraad Prof. Dr. Flechsig.
Hooggeëerde
heer Geheimraad!
Ik
ben zo vrij om u als bijlage een exemplaar van de door mij geschreven
„Memoires
van een Zenuwzieke“ te overhandigen met het verzoek het aan een
welwillend
onderzoek te onderwerpen.
U
zult merken dat in mijn werk, met name in de eerste hoofdstukken, uw
naam vrij
vaak wordt genoemd, deels in verbanden, die zich zouden kunnen lenen om
u te
kwetsen. Zelf betreur ik dat ten zeerste, maar ik kan daar helaas niets
aan
veranderen, als ik niet van meet af aan het begrijpen van mijn werk wil
uitsluiten. In ieder geval ligt de bedoeling om een aanval op uw eer te
doen
beslist verre van mij, omdat ik immers tegen helemaal niemand ook maar
enige
persoonlijke wrok koester, maar met mijn werk alleen de bedoeling heb
om
erkenning te vragen voor de waarheid op een buitengewoon belangrijk
terrein,
namelijk het religieuze.
Het
staat voor mij onwrikbaar vast dat ik, wat dat betreft, over ervaringen
beschik
die – als het lukt om uw algemene erkenning voor de juistheid daarvan
te
verkrijgen – voor de rest van de mensheid uiterst vruchtbaar zou kunnen
werken.
Het is voor mij eveneens zonder twijfel, dat uw naam bij de genetische
ontwikkeling van de desbetreffende toestanden in zo verre een
wezenlijke rol
speelt, dat bepaalde zenuwen, die aan uw zenuwstelsel zijn ontleend en
“beproefde zielen” zijn geworden, in de zin van de manier, die in
hfdst. I van
de „Memoires“ is aangeduid, in deze hoedanigheid een buitenzinnelijke
macht
hebben verkregen, ten gevolge waarvan u jarenlang een schadelijke
invloed op
mij hebt uitgeoefend en tot op de dag van vandaag nog steeds uitoefent.
U zult,
net als andere mensen, de neiging hebben deze veronderstelling
aanvankelijk
slechts te beschouwen als een pathologische, zeer veroordelende uitwas
van mijn
fantasie; voor mijzelf is voor de juistheid daarvan een welhaast
overstelpende
hoeveelheid bewijzen aanwezig, waarover u uit de gehele inhoud van mijn
memoires nadere bijzonderheden kunt halen. Nog steeds ondervind ik elke
dag en
elk uur de schadelijke invloed van die „beproefde zielen“, die op
wonderen
berusten; nog steeds wordt mij door de stemmen die met mij praten elke
dag, in
verbanden die steeds terugkeren, uw naam honderden keren als
aanstichter van
die beschadigingen toegeroepen, hoewel de persoonlijke betrekkingen,
die een
tijd lang tussen ons hebben bestaan, voor mijzelf al lang naar de
achtergrond
zijn geweken en ikzelf daarom nauwelijks enige reden zou hebben, om
steeds weer
opnieuw, met name met enig gevoel van wrok, aan u te denken.
Jarenlang
heb ik erover nagedacht, hoe ik deze feiten moet rijmen met het respect
voor u
als persoon, omdat ik niet het minste recht heb om te twijfelen aan de
eerbaarheid en zedelijke waarde daarvan. Bovendien ben ik, kort voor de
publicatie van mijn werk, zeer onlangs op een nieuwe gedachte gekomen,
die misschien
naar de juiste weg voor de oplossing van het raadsel zou kunnen leiden.
Zoals
aan het slot van hfdst. IV en het begin van hfdst. V van de „Memoires“
is
opgemerkt, bestaat er voor mij niet de minste twijfel over, dat de
eerste
aanzet voor datgene, wat door mijn artsen steeds als louter
„hallucinaties“ is
beschouwd, maar voor mijzelf een contact met buitenzinnelijke krachten
betekent, heeft bestaan uit een invloed op mijn zenuwstelsel, die van
uw
zenuwstelsel uitging. Waarin zou de verklaring van deze toestand dan
kunnen
worden gevonden? Het lijkt mij voor de hand liggen om aan de
mogelijkheid te
denken, dat u – naar ik gaarne wil aannemen, aanvankelijk alleen maar
voor
genezingsdoeleinden – een hypnotiserende, suggererende of, zoals
altijd, een op
een andere manier belangrijk contact met mijn zenuwen hebt onderhouden,
zelfs
ook op afstand. Bij dat contact zou u op zeker moment de waarneming
kunnen hebben
gedaan, dat ook van een andere kant op mij werd ingesproken in stemmen,
die op
een buitenzinnelijke oorsprong wijzen. U zou als gevolg van deze
verrassende
waarneming het contact met mij nog enige tijd, uit wetenschappelijke
belangstelling, kunnen hebben voortgezet, totdat de zaak voor u bij
wijze van
spreke onbehagelijk zou zijn geworden en u zich daarom genoodzaakt zag
om het
contact af te breken. Daarnaast zou dus verder kunnen zijn gebeurd, dat
een deel
van uw eigen zenuwen, – voor uzelf waarschijnlijk onbewust – op een
manier, die
louter buitenzinnelijke te verklaren is, aan uw lichaam zijn ontnomen,
als
„beproefde ziel“ ten hemel is opgestegen en een buitenzinnelijk
vermogen heeft
gekregen. Deze „beproefde ziel“ zou zich dan, net als alle ongereinigde
zielen
met menselijke gebreken behept – in overeenstemming met de zielenaard,
die mij
in zoverre bekend is - zonder enige beteugeling door ook maar iets dat
met de morele
wilskracht van de mens overeenkomt, uitsluitend laten leiden door het
streven
naar een nietsontziende zelfhandhaving en machtsontplooiing, geheel op
dezelfde
manier als waarop dat volgens de inhoud van mijn “Memoires” ook
langdurig is
gebeurd van de kant van een andere “beproefde ziel”, die van von W. Het
zou dus
misschien ook mogelijk zijn, dat alles wat ik in afgelopen jaren u ten
abusievelijk
laste heb gedacht te moeten leggen, - namelijk de onmiskenbaar
beschadigende
invloeden op mijn lichaam – louter op het conto van die “beproefde
ziel” zou
zijn te plaatsen. Er zou dan op uw persoon geen schaduw hoeven vallen
en
misschien hoogstens het milde verwijt resteren, dat u, net als zovele
artsen,
niet in staat zou zijn geweest om weerstand te bieden aan de verleiding
om een
patiënt, die aan uw behandeling is toevertrouwd, omdat zich bij toeval
een
aanleiding aanbood van een hoogst wetenschappelijk belang, naast de
eigenlijke
bedoeling om te genezen, tegelijkertijd tot onderzoeksobject voor
wetenschappelijke experimenten te maken. De vraag zou zelfs kunnen
worden
opgeworpen of al dat geklets van de stemmen, dat iemand een zielenmoord
heeft
begaan, teruggevoerd kan worden op het feit, dat iemand de wilskracht
van
iemand anders, om een bepaalde mate macht te krijgen op diens
zenuwstelsel –
zoals bij het hypnotiseren plaatsvindt – voor de ziel (stralen)
eigenlijk iets
ontoelaatbaars heeft geleken en dat men zich, voor een zo duidelijk
mogelijke karakterisering
van deze ontoelaatbaarheid, omdat men niet meteen beschikte over een
uitdrukking over de alleszins eigen neiging van de ziel tot een
hyperbolische
manier van uitdrukken, bediend heeft van de uitdrukking “zielenmoord,”
die op
een of andere manier eertijds gangbaar was.
Ik
hoef nauwelijks te benadrukken, van wat voor onschatbaar belang het zou
zijn,
als mijn vermoedens, die ik hierboven heb aangeduid, op een of andere
manier
worden bevestigd en met name ondersteuning kunnen vinden in
herinneringen, die
u zelf in uw geheugen bewaart. Mijn hele verdere uiteenzetting zou
daarmee, ten
aanschouwen van iedereen, aan geloofwaardigheid winnen en zondermeer al
een
serieus wetenschappelijk probleem blijken te zijn, dat met alle
denkbare
middelen verder uitgezocht moet worden.
Vandaar
richt ik aan u, hooggeëerde heer Geheimraad, het verzoek – ik zou bijna
willen
zeggen: ik bezweer u – zich over het volgende openhartig uit te spreken:
1)
Of door u, tijdens mijn verblijf in uw kliniek, een hypnotiserende of
daarop
lijkend contact met mij heeft onderhouden, op de manier dat u – met
name ook op
afstand – een invloed op mijn zenuwstelsel heeft uitgeoefend;
2)
of u daarbij op een of andere manier getuige bent geweest van een
contact met
stemmen dat van een andere kant kwam en op een buitenzinnelijke
oorsprong wijst;
tot slot
3)
of u ook niet zelf, tijdens mijn verblijf in uw kliniek – namelijk in
dromen –
visioenen of visioenachtige indrukken hebt ontvangen, die onder andere
zijn
gegaan over goddelijke almacht en de menselijke vrije wil, over
ontmanning,
over verlies van vreugden, over mijn familieleden en vrienden, evenals
over die
van uzelf, met name over de in hfdst. VI vermelde Daniel Fürchtegott
Flechsig
en vele andere in mijn „Memoires“ vermelde dingen, waaraan ik meteen
toe wil
voegen, dat ik door de talrijke mededelingen van de stemmen die
destijds tegen
mij praatten, over uiterst zwaarwegende aanknopingspunten beschik voor
het
feit, dat ook u dergelijke visoenen moet hebben gehad.
Omdat
ik een beroep doe op uw wetenschappelijke belangstelling, mag ik er
vast op vertrouwen,
dat u over de krachtige moed der waarheid zult beschikken, zelfs als u
daarbij
soms een kleinigheid zou moeten toegeven, dat aan uw reputatie en uw
aanzien
bij geen enkel verstandig mens ernstig afbreuk zou doen.
Als
u mij een schriftelijke mededeling zou willen doen toekomen, mag u
ervan
verzekerd zijn, dat ik die alleen zal publiceren met uw toestemming en
in de
vorm, die u naar eigen goeddunken kunt bepalen.
In
het algemeen belang, dat de inhoud van deze brief zou kunnen toekomen,
heb ik
het passend beschouwd om dit als een “open brief” aan mijn “Memoires”
vooraf te
laten gaan.
Dresden,
maart 1903.
Met
de meeste Hoogachting,
Dr.
Schreber, Senaatspresident, D.
Inleiding
Aangezien
ik het besluit heb genomen om in de afzienbare toekomst een verzoek in
te
dienen voor mijn ontslag uit de kliniek, zodat ik weer onder de
beschaafde
mensen en in een huiselijke omgeving met mijn vrouw kan leven, zal het
noodzakelijk zijn om de personen die dan mijn kennissenkring zullen
vormen,
althans bij benadering een idee te geven van mijn religieuze ideeën,
zodat zij,
de soms ogenschijnlijke eigenaardigheden van mijn gedrag, misschien
niet
volledig kunnen begrijpen, maar op zijn minst een vermoeden kunnen
krijgen van
de noodzaak, die mij tot deze eigenaardigheden dwingt.
Wat
ik nu op zal schrijven moet dat doel dienen, waarmee ik zal proberen
andere
mensen een althans enigszins begrijpelijke uiteenzetting te geven van
de
buitenzinnelijke dingen, waarvan het inzicht voor mij sinds ongeveer
zes jaar
duidelijk is. Op een volledig begrip kan ik van meet af aan niet
rekenen, omdat
ze het menselijke bevattingsvermogen te boven gaan. Ik kan ook zelfs
niet eens
van mijzelf beweren, dat daarbij alles voor mijzelf onomstotelijk vast
staat;
sommige dingen blijven ook voor mijzelf een vermoeden en
waarschijnlijkheid. Ik
ben ook maar een mens en daarom gebonden aan de grenzen van de
menselijke
kennis; het staat voor mij alleen buiten twijfel, dat ik de waarheid
oneindig
veel dichter ben genaderd dan alle andere mensen, die geen goddelijke
openbaringen
ten deel zijn gevallen.
Om
enigermate begrijpelijk te zijn, zal ik veel moeten vertellen in de
vorm van
beelden en gelijkenissen, die misschien slechts af en toe doeltreffend
zijn;
want het vergelijken met bekende menselijke ervaringsfeiten is de enige
manier
waarop iemand althans tot op zekere hoogte de buitenzinnelijke dingen
begrijpelijk
kan maken, die voor hemzelf toch in diepste wezen altijd onbegrijpelijk
blijven.
Waar het verstandelijke begrijpen ophoudt, begint juist het terrein van
het
geloven; de mens moet zich eraan wennen, dat er dingen bestaan, die
waar zijn,
hoewel hij ze niet kan begrijpen.
Zo
is bijvoorbeeld meteen het begrip van de eeuwigheid iets wat voor de
mens
ongrijpbaar is. De mens kan zich eigenlijk niet voorstellen, dat er
iets kan
bestaan, dat geen begin en geen einde heeft, een oorzaak, die niet
opnieuw tot
een eerdere oorzaak is terug te voeren. En toch denk ik te moeten
aannemen en alle
religieus gezinde mensen met mij, dat de eeuwigheid tot de
eigenschappen van
God behoort. De mens zal steeds geneigd zijn om te vragen: „Als God de
wereld
heeft geschapen, hoe is God dan zelf ontstaan?” Deze vraag zal eeuwig
onbeantwoord blijven. Voor het begrijpen van het goddelijke scheppen
geldt
hetzelfde. De mens kan zich altijd alleen maar voorstellen, dat uit al
aanwezige stoffen, door invloed van omvormende krachten, een nieuwe
stof
ontstaat, en toch geloof ik – zoals ik ook in het volgende met
afzonderlijke voorbeelden
hoop te kunnen aantonen – dat het goddelijke scheppen een scheppen uit
het
niets is. Ook de geloofsartikelen van onze positieve religie bevatten
heel wat,
dat zich onttrekt aan een volledig begrijpen door het menselijke
verstand. Als
de christelijke kerk leert dat Jezus Christus Gods zoon is geweest, kan
dat
steeds slechts worden begrepen op een geheimzinnige manier, die met de
eigenlijke betekenis van menselijke woorden alleen maar bij benadering
kan
worden gedekt, omdat niemand zal beweren, dat God als een wezen dat van
menselijke geslachtsapparaten is voorzien, omgang heeft gehad met een
vrouw,
uit wier schoot Jezus Christus tevoorschijn is gekomen. – Iets
dergelijks geldt
voor de leer van de Drie-eenheid, de opstanding van het vlees en andere
christelijke geloofsartikelen. Daarmee wil ik op geen enkele manier
zeggen dat
ik alle christelijke geloofsartikelen, in de zin van onze orthodoxe
theologie,
als waar beschouw. Ik heb integendeel gegronde redenen om aan te nemen,
dat een
aantal daarvan omwaar of slechts zeer beperkt waar zijn. Dat geldt
bijvoorbeeld
voor de opstanding van het vlees, die misschien alleen maar in de vorm
van de
zielsverhuizing, op een betrekkelijke en tijdelijk beperkte (die niet
het
einddoel van de ontwikkeling voorstelt) waarheid aanspraak zou kunnen
maken en die
door de eeuwige verdoemenis, aan een bepaald iemand zou zijn
toegevallen. De
voorstelling van een eeuwige verdoemenis – die ook voor het menselijke
gevoel
altijd afschrikwekkend zal blijven, ongeacht de weerlegging, die mijns
inziens op
sofismen berust en waarmee bijvoorbeeld Luthardt dat in zijn
apologetische
voordrachten aannemelijk heeft proberen te maken, komt niet overeen met
de
waarheid, zoals toch trouwens de hele (menselijke) opvatting van straf
– als
een machtsmiddel dat dient om bepaalde doeleinden binnen de menselijke
gemeenschap te bereiken – valt af te leiden uit de ideeën over het
hiernamaals,
althans in hoofdzaak. Hierover kan pas verder in het stuk een nadere
uiteenzetting volgen.
Voordat
ik overga tot de uiteenzetting van de manier waarop ik tengevolge van
mijn
ziekte in een bijzonder en, zoals ik daar meteen aan toe wil voegen, in
een contact
met God ben gekomen dat tegen de wereldorde indruist, moet ik eerst een
aantal
opmerkingen vooropstellen, die voorlopig alleen zouden kunnen worden
geponeerd als
axioma’s – stellingen die voor het bewijs niet nodig zijn – waarna,
daarmee
rekening houdend, pas in het verdere verloop, voorzover het althans
mogelijk
is, een poging tot een motivatie kan worden gedaan.
Hoofdstuk
1. God en Onsterfelijkheid
De
menselijke ziel bevindt zich in de lichaamszenuwen en als leek kan ik
over de
fysische aard daarvan niet meer zeggen, dan dat het structuren zijn van
een
buitengewone fijnheid – vergelijkbaar met het dunste garen. Op de
prikkelbaarheid daarvan door uitwendige prikkels, berust het hele
geestelijke
leven van de mens. De zenuwen worden daardoor in een trilling gebracht,
die op
een niet nader verklaarbare manier het gevoel van lust en onlust
opwekken; ze
bezitten het vermogen om de herinnering aan ontvangen indrukken vast te
houden
(het menselijke geheugen) en tegelijkertijd de kracht om door
aanspanning van
hun wilskracht de lichaamsspieren, waarin zij huizen, aan te zetten tot
een of
andere willekeurige uiting van werkzaamheid. Zij ontwikkelen zich vanaf
het
meest broze begin (als menselijke vrucht, als kinderziel) tot een
veelomvattend
systeem, dat de meest uitgebreide gebieden van het menselijke weten
omvat (de
ziel van de gerijpte man). Een deel van de zenuwen is alleen geschikt
om zintuiglijke
indrukken op te nemen (gezichts-, tast-, wellustzenuwen enz.) die dus
alleen
geschikt zijn voor het waarnemen van licht, geluid, warmte en koude,
van
hongergevoel, wellust- en pijngevoel enz.; de andere zenuwen (de
verstandszenuwen) ontvangen en bewaren de geestelijke indrukken en
geven als
wilsorgaan het hele mensenorganisme de impuls tot de uitingen van zijn
kracht
die op de buitenwereld werkt. Daarbij schijnt het te gebeuren, dat
iedere
afzonderlijke verstandszenuw de gezamenlijke geestelijke
individualiteit van de
mens vertegenwoordigt, dat als het ware het geheel van herinneringen op
elke
afzonderlijke zenuw is geregistreerd en het grotere of kleinere aantal
van de
aanwezige verstandszenuwen alleen van invloed is op de tijdsduur,
waarin die
herinneringen kunnen worden vastgehouden. Zolang de mens leeft, is hij
lichaam
en ziel tegelijk; de zenuwen (de mensenziel) worden door het lichaam
gevoed en
in een actieve beweging gehouden, een functie waarin die van de hogere
dieren in
wezen overeenstemt. Verliest het lichaam zijn levenskracht, dan treedt
voor de
zenuw de toestand van bewusteloosheid in,die wij dood noemen en waaraan
tijdens
de slaap al een voorbereidende vorm wordt gegeven. Daarmee is echter
niet gezegd,
dat de ziel wezenlijk heeft opgehouden te bestaan; de ontvangen
indrukken
blijven veeleer aan de zenuwen vastzitten; de ziel maakt zogezegd een
winterslaap door, zoals sommige lagere diersoorten en kan op de manier,
die
hieronder verder zal worden aangeroerd, opnieuw tot leven worden
gewekt.
God
is van meet af aan alleen zenuw, geen lichaam, dus iets wat verwant is
aan de menselijke
ziel. De godszenuwen zijn echter niet, zoals in het menselijke lichaam,
slechts
in een beperkt aantal aanwezig, maar oneindig of eeuwig. Ze bezitten de
eigenschappen, die in de menselijke zenuwen huizen, in een potentie,
die elk
menselijk begrip te boven gaat. Ze hebben namelijk het vermogen om
zichzelf te
veranderen in alle mogelijke dingen van de geschapen wereld; in deze
functie
heten zij stralen; daarin ligt het wezen van het goddelijke scheppen.
Tussen
God en de met sterren bezaaide hemel bestaat een innige verhouding. Ik
durf
niet uit te maken, of men gewoonweg mag zeggen dat God en de
sterrenwereld een
en hetzelfde zijn, of dat men zich het geheel van Godzenuwen als iets
mag
voorstellen dat zich nog voorbij en achter de sterren bevindt en daarom
de
sterren zelf en met name onze zon alleen maar als halteplaats mag
voorstellen,
waarlangs de scheppende wonderende kracht van God de weg naar onze
aarde (en
eventuele andere planeten) aflegt. Evenmin durf ik te zeggen of ook de
hemellichamen zelf (vaste sterren, planeten enz.) door God zijn
geschapen, of
dat het goddelijke scheppen alleen betrekking heeft op de organische
wereld, en
dat daarom, naast het bestaan van een levende God, dat voor mij
rechtstreeks
zeker is geworden, toch ook nog ruimte blijft bestaan voor de
nevelhypothese
van Kant-Laplace. De volledige waarheid ligt misschien (op de manier
van de
vierde dimensie) in een diagonaal van beide voorstellingsrichtingen die
voor
mensen niet te is vatten. In ieder geval is de licht- en warmtegevende
kracht
van de zon, waardoor zij de oorzaak van al het organische leven op
aarde is,
alleen maar als een indirecte levensuiting van God te beschouwen, reden
waarom de
goddelijke verering van de zon, die ook van oudsher bij zoveel volkeren
werd betoond,
weliswaar niet de gehele waarheid bevat, maar wel een veelbetekenende
kern van
waarheid bezit, die niet al te veraf staat van de waarheid zelf.
De
theorieën van onze astronomie met betrekking tot de bewegingen, de
afstand en
de fysische aard van de hemellichamen enz. zouden over het algemeen
juist
kunnen zijn. Alleen staat voor mij, op grond van mijn innerlijke
ervaringen,
zoveel vast, dat ook onze astronomie wat betreft de licht- en
warmtegevende
kracht van de hemellichamen en met name van onze zon, de gehele
waarheid nog
niet heeft begrepen, maar dat men die direct of indirect alleen maar
moet
opvatten als het deel van de scheppende wonderende kracht van God dat
naar de
aarde is toegekeerd. Als bewijs voor deze bewering draag ik voorlopig
alleen
het feit aan, dat de zon al jaren met menselijke woorden tot mij
spreekt en
zich daarmee laat kennen als een levend wezen of als een orgaan van een
hoger
wezen dat nog boven hem staat. God maakt ook het weer; dat gebeurt
doorgaans
als het ware vanzelf, tengevolge van de sterkere of zwakkere
warmte-uitstraling
van de zon, maar kan in bijzondere gevallen door God, naar een eigen
daarmee
beoogd doel, in bepaalde richtingen worden gestuurd. Ik heb
bijvoorbeeld vrij
zekere aanwijzingen gekregen voor het feit dat de strenge winter van
het jaar
1870-1871 iets was dat door God was besloten, om bij bepaalde
gelegenheden de
oorlogskans naar de kant van de Duitsers te keren, en ook de fiere
uitspraak
over de vernietiging van de Spaanse Armada van Filips II in het jaar
1588
"Deus afflavit et dissipati sunt" (God wakkerde de wind aan en ze
verdwenen) bevat hoogstwaarschijnlijk een historische waarheid. Daarbij
noem ik
de zon alleen maar als werktuig van de uiting van de goddelijke
wilskracht, dat
zich het dichtst bij de aarde bevindt; in werkelijkheid komt voor de
vormgeving
van de weersgesteldheid ook het geheel van de overige gesternten in
aanmerking.
Wind en storm ontstaan met name door het feit dat God zich op een grote
afstand
van de aarde terugtrekt; onder de omstandigheden die zich tegenwoordig
voordoen
en die tegen de wereldorde indruisen, is de verhouding, om dat maar
meteen van
tevoren te vermelden, in zoverre verschoven, dat het weer in zekere
mate van
mijn doen en laten afhankelijk is; zogauw ik mij aan het niet-denken
overgeef,
of wat hetzelfde betekent, met een bezigheid die van activiteit van de
menselijke geest getuigt, mij bijvoorbeeld in de tuin met schaken
ophoud,
steekt meteen de wind op. Wie aan deze ongetwijfeld gewoon zonderling
klinkende
bewering zou willen twijfelen, kan ik bijna dagelijks de gelegenheid
bieden om
zich van de juistheid ervan te overtuigen, net zoals ik dat de laatste
tijd al
herhaaldelijk bij verschillende personen (de Geheimraad, mijn vrouw,
mijn zuster
enz.) met het zogenaamde brullen heb gedaan. De reden daarvan ligt
uitgerekend
in het feit, dat God gelooft dat hij zich, zogauw ik mij aan het
niet-denken
overgeef, van mij, als een vermeende idioot, zou kunnen terugtrekken.
Door
het licht dat van de zon en de overige hemellichamen uitgaat, is God in
staat
om alles waar te nemen wat op aarde (en eventuele andere bewoonde
planeten)
voorvalt; de mens zou zeggen: te zien; in zoverre kan men figuurlijk
over de
zon en het sterrenlicht als het oog van God praten. Hij schept genoegen
in
alles wat hij ziet, als voortbrengsels van zijn scheppende kracht, net
zoals de
mens zich verheugt over zijn eigen handwerk of over wat door zijn geest
wordt
voortgebracht. Daarbij was echter – tot aan de verder hieronder
vermelde crisis
– de toestand zo, dat God de wereld en de organische wezens, die zich
daarop
bevinden (planten, dieren mensen), die door hem waren geschapen, over
het
algemeen aan zichzelf overliet en hij alleen door het voortduren van de
zonnewarmte zorgde voor de mogelijkheid voor hun instandhouding,
voortplanting
enz. Een rechtstreeks ingrijpen van God in de lotgevallen van de
afzonderlijke
mensen en volkeren – ik bestempel dat als een toestand die met de
wereldorde
overeenstemt – vond doorgaans niet plaats. Bij wijze van uitzondering
kon dat
wel af en toe het geval zijn; maar al te vaak kon en mocht het echter
niet
gebeuren, omdat de toenadering van God tot de levende mensheid die
daarmee samenhing
– om redenen die hieronder verder uit moeten worden gewerkt – voor God
zelf met
bepaalde gevaren zou zijn verbonden. Zo kon bijgeval een bijzonder
vurig gebed
God misschien de aanleiding geven om in afzonderlijke gevallen met een
wonder
helpend in te grijpen of het lot van hele volkeren (in oorlogen enz.)
door
wonderen in bepaalde richtingen te sturen. Hij zou zich ook met
afzonderlijke
hoogbegaafde mensen (dichters enz.) in verbinding kunnen stellen
(„zenuwcontact
met hen opnemen,“ zoals de stemmen die met mij spreken dat proces
noemen) om
hem te zegenen met een of andere gedachte of voorstelling over het
hiernamaals
(namelijk in dromen). Alleen mocht een dergelijk „zenuwcontact“ geen
regel
worden, omdat op grond van een niet nader verklaarbare samenhang, de
zenuwen
van levende mensen, met name in een toestand van een hoge mate van
opwinding,
een dermate grote aantrekkingskracht op de godszenuwen bezitten, dat
God niet
meer van hen los zou hebben kunnen komen en dus in zijn eigen bestaan
bedreigd
zou zijn geweest.
Een
meer regelmatig contact van God met mensenzielen vond, in
overeenstemming met
de wereldorde, pas na de dood plaats. God kon het lijk zonder gevaar
naderen,
om de zenuwen ervan, waaruit het zelfbewustzijn niet was verdwenen maar
alleen
maar rustte, door middel van stralenkracht uit het lichaam naar buiten
en naar
zichzelf omhoog te trekken en het daardoor tot een nieuw hemels leven
op te
wekken; door de inwerking van de stralen keerde het zelfbewustzijn dan
weer terug.
Het nieuwe leven van het hiernamaals is de zaligheid, waartoe de
mensenziel kan
worden opgeheven. Maar dat kon niet geschieden zonder een voorafgaande
loutering en schifting van de mensenzenuwen, die naargelang de
verschillende
hoedanigheid van de mensenzielen, kortere of langere tijd en zonodig
als
voorbereiding nog bepaalde tussenstadia nodig hadden. God – of als men
de
voorkeur geeft aan deze uitdrukking: de hemel – kon alleen zuivere
mensenzenuwen gebruiken, omdat het hun bestemming was om aan God zelf
te worden
vastgehecht en uiteindelijk als “voorportaal van de hemel,” in zekere
zin
bestanddelen van God zelf te worden. Zenuwen van zedelijk verkommerde
mensen
zijn zwart geworden; zedelijk zuivere mensen hebben witte zenuwen; hoe
hoger
iemand zedelijk in zijn leven heeft gestaan, des te meer zal de
hoedanigheid
van zijn zenuwen de volmaakte witheid of zuiverheid naderen, die de
godszenuwen
van meet af aan eigen is. Bij zedelijk heel laagstaande mensen is
mogelijk een
vrij groot gedeelte van de zenuwen helemaal niet bruikbaar; zo worden
de
verschillende graden van zaligheid bepaald, waartoe een mens kan
opstijgen en
waarschijnlijk ook de tijdsduur, gedurende welk een zelfbewustzijn in
het leven
in het hiernamaals in stand kan worden gehouden. Helemaal zonder
voorafgaande
loutering zal het zelden verlopen, omdat er nauwelijks iemand zal zijn
te
vinden, die helemaal vrij van zonden is en wiens zenuwen dus nooit in
zijn
voorbije leven verontreinigd zijn door immoreel gedrag. Een heel
nauwkeurige
beschrijving van het louteringsgebeuren geven, is ook voor mij niet
mogelijk;
toch heb ik daarover verschillende waardevolle aanwijzingen gekregen.
Het
schijnt dat het louteringsproces samenhing met een of andere
arbeidsprestatie, die
bij de ziel het gevoel van tegenzin opwekte of was verbonden met een
wellicht
onderaards verblijf, dat met onbehagen gepaard ging, die de ziel nodig
had om
zichzelf steeds meer te reinigen.
Wie
hier dan de uitdrukking „straf’ wil gebruiken, kan dus in zekere zin
gelijk
hebben; alleen moet ter onderscheiding van het menselijke strafbegrip
eraan
worden vastgehouden, dat het doel niet lag in de toevoeging van een
kwaad, maar
alleen bestond in het verwerven van een noodzakelijke voorwaarde voor
de reiniging.
Hiermee kunnen de voorstellingen van hel, vagevuur enz. worden
verklaard, die bij
de meeste godsdiensten gangbaar zijn, maar moeten echter ook deels
worden
gecorrigeerd. De zielen die gereinigd moesten worden, leerden tijdens
de
reiniging de taal die door God zelf werd gesproken, de zogenaamde
“oertaal,”
een ietwat ouderwets, maar desondanks krachtig Duits, dat zich met name
onderscheidde door een grote rijkdom aan eufemismen (dus b.v. beloning
is juist
de omgekeerde betekenis voor straf, vergif voor etenswaar, sap voor
vergif,
onheilig voor heilig enz. God zelf heette „met inachtneming van hij die
is en
zal zijn” – een omschrijving van de eeuwigheid – en werd met “eeuwige
majesteit, trouwgehoorzame” toegesproken.) – waarin de loutering als
beproeving
werd aangeduid; zielen, die het louteringsproces nog niet hadden
doorgemaakt,
heetten niet, zoals men zou verwachten, “onbeproefde zielen”, maar
juist
omgekeerd, in overeenstemming met de neiging tot eufemisme, “beproefde
zielen”.
De zielen die nog met het louteren bezig waren werden in verschillende
gradaties
„satans“, „duivels“, „hulpduivels“, „opperduivels“, en „grondduivels“
genoemd;
met name de laatste uitdrukking lijkt op een onderaards verblijf te
wijzen. De
„duivels“ enz. hadden, als zij als vluchtig in elkaar geflanste mannen
werden
ingezet, een eigenaardige kleur (ongeveer het negerrood) en een
eigenaardige
weerzinwekkende geur, zoals ik zelf in een groot aantal gevallen heb
meegemaakt
in de zogenaamde kliniek van Pierson in Coswig (door mij als
duivelskeuken
aangeduid). Ik heb bijvoorbeeld de heer v. W. en een zekere heer von
O., die
wij in de Oostzeebadplaats Warnemunde hebben leren kennen, gezien als
duivels
met een eigenaardig rood gezicht en rode handen en de Geheimraad W. als
opperduivel.
Van
Judas Iskariot heb ik vernomen, dat hij vanwege zijn verraad van Jezus
grondduivel is geweest. Men mag zich echter deze duivels niet,
overeenkomstig de
christelijke godsdienstbegrippen, als zoiets als aan God vijandige
machten
voorstellen; zij waren integendeel doorgaans vrijwel maar al zeer
godvruchtig
en waren juist alleen nog maar bezig met het reinigingsproces. De
bovenvermelde
uitspraak dat God zich van de Duitse taal in de vorm van de zogenaamde
“oertaal” heeft bediend, mag natuurlijk niet worden begrepen, alsof de
zaligheid alleen voor de Duitsers bestemd zou zijn geweest. Toch waren
de
Duitsers de laatste tijd (waarschijnlijk sinds de reformatie, maar
misschien
ook al sinds de volksverhuizing) het uitverkoren volk van God, van wier
taal
God zich bij voorkeur bediende. Het uitverkoren volk van God, zijn in
die zin
in de loop van de geschiedenis achtereenvolgens – als de toenmalige
zedelijk
degelijke volkeren – de oude Joden, de oude Perzen (die in een heel
bijzondere en
uitmuntende mate, waarover hieronder nader), de „Greco-Romeinen“
(misschien ten
tijde van de Romeins-Griekse oudheid, maar mogelijkerwijs ook als
“Franken” ten
tijde van de kruistochten) en tot slot, onlangs, de Duitsers geweest.
Voor God
waren, door middel van het zenuwcontact, de talen van alle volkeren
zonder meer
verstaanbaar.
Het
doel van de loutering van onreine mensenzielen schijnt ook dienstig te
zijn
geweest voor de zielsverhuizing, die op uitgebreide schaal heeft
plaatsgevonden,
zoals ik na verschillende gebeurtenissen, redenen heb om aan te nemen.
De
desbetreffende mensenzielen werden daarbij op andere hemellichamen,
misschien
met een duistere herinnering aan hun vroegere bestaan, tot een nieuwe
menselijk
leven bestemd, uiterlijk vermoedelijk door middel van de geboorte,
zoals het
verder bij mensen het geval is. Meer uitgesproken beweringen durf ik
daarover
niet te maken, met name niet over de vraag of de zielsverhuizing alleen
het
doel van de loutering of ook nog andere doeleinden (bevolking van
andere
planeten?) heeft gediend. Er zijn mij een aantal gevallen bekend
geworden, die zijn
genoemd door de stemmen die tegen mij spreken of op een andere manier,
waarbij
de desbetreffende personen in het latere leven een wezenlijk lagere
levenspositie hebben ingenomen dan in hun eerdere leven, waarin dus
mogelijk
een soort bestraffing zou hebben kunnen gelegen.
Een
bijzonder opmerkelijk geval was dat van de heer v. W., wiens ziel een
tijd lang,
op dezelfde manier als waarop nog op dit moment de ziel van Flechsig
dat doet,
een zeer ingrijpende invloed heeft uitgeoefend op mijn verhouding tot
God en
daardoor op mijn persoonlijke lotgevallen. Von W. bekleedde in de
periode, dat
ik mij in Piersons kliniek (de „duivelskeuken“.) bevond, in die kliniek
de
positie van hoofdbewaker, volgens mijn toenmalige opvatting – die ik
ook nu nog
niet kan weerleggen – niet als echt mens, maar als een “vluchtig in
elkaar
geflanste man”, dat wil zeggen als een ziel die door een goddelijk
wonder
tijdelijk in een mensengedaante was geplaatst. Inmiddels zou hij door
middel
van een zielsverhuizing als „verzekeringsagent Marx“ al een tweede
leven op een
of ander ander hemellichaam hebben geleid.
De
zielen die door het louteringsproces volmaakt waren gezuiverd, stegen
ten hemel
op en bereikten daardoor de zaligheid. De zaligheid bestond uit een
toestand
van ononderbroken genieten, gepaard met het aanschouwen van God. Voor
de mens
zou de voorstelling van een eeuwig nietsdoen iets ondraaglijk
betekenen, omdat
de mens nu eenmaal aan werken is gewend en voor hem, zoals het
spreekwoord
zegt, pas het werk het leven zoet maakt. Men mag alleen niet vergeten,
dat de
ziel iets anders is dan de mens en dat het daarom ontoelaatbaar zou
zijn om de
menselijke maatstaf langs de ervaringen van de zielen te leggen. Voor
de zielen
betekent juist het voortdurend zwelgen in genot en tegelijkertijd in de
herinneringen aan hun menselijke verleden, het hoogste geluk. Daarbij
waren ze
in de gelegenheid om in het contact met elkaar hun herinneringen uit te
wisselen en door middel van goddelijke – als het ware voor dat doel
geleende –
stralen, kennis te nemen van de toestand van de mensen die nog op aarde
leefden
en waarvoor ze belangstelling hadden, hun naaste verwanten, vrienden
enz., en
waarschijnlijk ook na hun dood door hen omhoog te trekken, aan hun
zaligheid
mee te werken. Het idee, alsof het eigen geluk van de zielen
vertroebeld zou
hebben kunnen worden, doordat ze zagen dat hun verwanten die nog op
aarde leefden,
zich in een ongelukkige toestand bevonden, moet van de hand worden
gewezen. De
zielen bezaten immers wel het vermogen om de herinnering aan hun eigen
menselijke verleden te bewaren, maar niet om de nieuwe indrukken, die
zij als
zielen verkregen, voor geruime tijd vast te houden. Dat is de
natuurlijke
vergetelheid van de zielen, die nieuwe, ongunstige indrukken meteen bij
zichzelf
zouden hebben uitgewist. Binnen de zaligheid bestonden gradaties,
naargelang de
nawerkende kracht, die de desbetreffende zenuwen in hun mensenleven
hadden
bereikt en waarschijnlijk ook naar het aantal zenuwen, die waardig
waren
bevonden om in de hemel te worden opgenomen.
De
mannelijke zaligheid stond hoger dan de vrouwelijke zaligheid, waarbij
de
laatste bij voorkeur uit een ononderbroken wellustgevoel schijnt te
hebben
bestaan. Verder zouden mogelijk de zielen van mensen als Goethe,
Bismarck enz.
hun zelfbewustzijn (persoonlijke bewustzijn) misschien meer dan
eeuwenlang in
stand hebben gehouden, terwijl dat bij de ziel van een jonggestorven
kind
misschien maar evenveel jaar het geval kunnen zijn, als de levensduur
die het
in het menselijke leven had gehad. Een eeuwig voortbestaan van het
besef dat je
deze of gene mens was geweest, viel geen enkele mensenziel ten deel.
Het was uiteindelijk
eerder de bestemming van alle zielen om, versmolten met andere zielen,
in
hogere eenheden op te gaan en zich daarbij alleen nog bestanddelen van
God
(“voorportalen van de hemel”) te voelen. Dat betekent dus niet een
daadwerkelijke
ondergang – in zoverre was de ziel wel een eeuwig voortbestaan
toegevallen –
maar alleen een voortleven met een ander bewustzijn. Alleen een
beperkte
zienswijze zou daarin een onvolmaaktheid van de zaligheid kunnen zien –
in
tegenstelling tot de persoonlijke onsterfelijkheid in de betekenis die
bijvoorbeeld de christelijke godsdienstige voorstellingen hebben. Want
wat voor
belang zou het voor een ziel kunnen hebben om zich de naam nog te
herinneren,
die zij ooit onder de mensen had gedragen en haar toenmalige relaties,
als haar
kinderen en kleinkinderen niet ook al lang de eeuwige rust waren
ingegaan, maar
ook talrijke andere generaties het graf in waren gedaald en misschien
zelfs de
natie, waartoe zij ooit had behoord, uit de rij van de levende volkeren
was
geschrapt? Op die manier heb ik – nog tijdens mijn verblijf in de
kliniek van
Flechsig – kennis met stralen gemaakt, die voor mij werden geduid als
stralen –
d.w.z. hogere eenheden van verheven conglomeraten van zalige
mensenzielen – van
het oude Jodendom („Jehovastralen“), van het oude Perzendom
(„Zoroasterstralen“) en het oude Germanendom („Thor- en Odinstralen“)
en
waaronder zich vast geen enkele ziel meer bevond, die zich ervan bewust
zou
zijn geweest, onder welke naam zij duizenden jaren geleden bij het ene
of
andere van deze volkeren had gehoord.
Boven
de „voorportalen van de hemel“ zweefde God zelf, aan wie, in
tegenstelling tot
dit „voorste godsrijk“ ook de benaming van het „achterste godsrijk“
werd
gegeven. Het achterste godsrijk was onderhevig (en is daar nog steeds
aan
onderhevig) aan een merkwaardige tweedeling, omdat er een onderscheid
werd
gemaakt tussen een lagere God (Ariman) en een hogere God (Ormuzd). Over
de
nadere betekenis van deze tweedeling kan ik verder niets zeggen,
behalve dat de
lagere God (Ariman) zich bij voorkeur schijnt te hebben aangetrokken
gevoeld tot
de volkeren van het oorspronkelijke bruinharige ras (de Semieten) en de
hogere
God bij voorkeur tot de volkeren van het oorspronkelijke blondharige
ras (de
Arische volkeren). Het is veelzeggend, dat in de religieuze ideeën van
vele
volkeren een vermoeden van deze tweedeling bestaat. Balder van de
Germanen,
Bielebog (witte God) of Swantiwit van de Slaven, Poseidon van de
Grieken of
Neptunus van de Romeinen zijn identiek aan Ormuzd; Wodan (Odin) van de
Germanen, Czernebog (zwarte God) van de Slaven, Zeus van de Grieken en
Jupiter
van de Romeinen zijn identiek aan Ariman. De lagere en de hogere God,
werden
mij voor het eerst begin juli 1894 (ongeveer aan het einde van de
eerste week
van mijn verblijf in de huidige kliniek) genoemd door de stemmen die
met mij spreken;
sindsdien hoor ik deze namen dagelijks. Het aangegeven tijdstip valt
samen met
de ondermijning van het voorste godsrijk, waarmee ik voordien (sinds
ongeveer
medio maart 1894) in contact had gestaan.
Het
in het voorafgaande ontwikkelde beeld van de aard van God en het
voortbestaan
van de menselijke ziel na de dood, wijkt in sommige opzichten niet
onbelangrijk
af van de christelijke religieuze voorstellingen over deze onderwerpen.
Desondanks lijkt mij een vergelijking tussen beiden alleen ten gunste
van het
eerste te kunnen uitvallen. Een alwetendheid en alomtegenwoordigheid
van God in
de zin, dat God doorlopend het innerlijk van elk afzonderlijk levend
mens
binnenkeek, iedere gevoelsopwelling van zijn zenuwen waarnam, dus op
elk
gegeven moment “hart en nieren proefde”, bestond helemaal niet. Dat was
ook
helemaal niet nodig, omdat na de dood de zenuwen van de mensen met alle
indrukken, die zij tijdens hun leven hadden ontvangen, open en bloot
voor Gods
oog lagen en aan de hand daarvan het oordeel, over hun waardigheid voor
opname
in het hemelrijk, met een onfeilbare gerechtigheid kon volgen. Voor de
rest
volstond de mogelijkheid om zich, zodra er een of andere aanleiding
voor leek
te bestaan, door middel van het zenuwcontact kennis over het innerlijk
van
iemand te verschaffen. Anderzijds ontbreekt aan het beeld dat door mij
is ontworpen
elke zweem van hardheid of zinloze wreedheid, waarvan menige
voorstellingen van
de christelijke godsdienst en nog in meerdere mate die van andere
godsdiensten,
het stempel dragen. Het geheel van de wereldorde lijkt daardoor een
„prachtige
structuur“ en alle ideeën, die mensen en volkeren in de loop van de
geschiedenis over hun betrekkingen met God hebben gevormd, staan
volgens mijn
mening zeer in de schaduw bij deze luister.
Hoofdstuk
2 – Crisis van het godsrijk? Zielenmoord.
In
deze „prachtige structuur“ is dus de laatste tijd een scheur ontstaan,
die ten
nauwste is verweven met mijn persoonlijke lot. De diepere samenhang
weer te
geven, op een voor het menselijke verstand begrijpelijke manier, is ook
voor
mij onmogelijk. Het zijn duistere gebeurtenissen, waarvan ik de sluier,
op
grond van mijn persoonlijke belevenissen, slechts te dele kan
oplichten,
terwijl ik voor de rest slechts ben aangewezen op voorgevoelens en
vermoedens.
Als inleiding moet ik daarbij opmerken, dat bij het ontstaan van de
desbetreffende ontwikkeling, waarvan de eerste beginstadia ver,
misschien wel
tot de 18e eeuw terugreiken, enerzijds de namen Flechsig en Schreber
(waarschijnlijk niet beperkt tot een enkel individu van de
desbetreffende
families) en anderzijds het begrip “zielenmoord” een hoofdrol spelen.
Om
met het laatste te beginnen, is het idee, dat het mogelijk is om zich
op een of
andere manier van de ziel van iemand anders meester te maken, om zich
ten koste
van de desbetreffende ziel óf een langer leven óf een of ander ander
voordeel te
verschaffen, dat over de dood heen reikt, wijd verspreid in de sagen en
dichtkunst bij alle volkeren. Als voorbeeld herinner ik alleen maar aan
Goethe’s Faust, Lord Byron’s Manfred, Weber’s Freischütz enz.
Gewoonlijk wordt
echter daarbij een hoofdrol toegeschreven aan de duivel, die door
middel van
een druppeltje bloed in ruil voor welke aardse voordelen dan ook, de
ziel zich
aan hem laat verkopen enz., zonder dat men echter echt ziet, wat de
duivel
eigenlijk aan moest met de ziel die hij te pakken had gekregen, als men
niet wil
aannemen, dat alleen al het kwellen van een ziel, hem een bijzonder
genoegen
doet.
Al
moet ook deze laatste voorstelling, alleen al op grond van het feit,
dat een
duivel volgens het voorafgaande helemaal niet bestaat als een
godvijandige
macht, naar het rijk der fabelen worden verwezen, dan nog geeft in elk
geval de
wijde verbreiding van het sage-motief van de zielenmoord of de
zielenroof
aanleiding om te denken, dat het weinig waarschijnlijk is, dat
dergelijke
voorstellingen bij zoveel volkeren zouden zijn ontstaan zonder enige
daadwerkelijke achtergrond. Aangezien dus de stemmen die met mij
spreken, vanaf
het eerste begin van mijn contact met God (medio maart 1894) tot op dit
moment
dagelijks het feit, dat er van een of andere kant een „zielenmoord“ is
gepleegd, wat zij als de oorzaak aanduiden van de crisis die over het
godsrijk
is uitgebroken, waarbij eerder Flechsig als veroorzaker van de
zielenmoord werd
genoemd, terwijl men thans al enige tijd als een beoogde omkering van
de
toestand mijzelf wil afschilderen als degene, die een „zielenmoord“
heeft
gepleegd, is bij mij het vermoeden gerezen, dat er op zeker moment,
misschien
al in eerdere generaties, een als een zielenmoord te kenmerken voorval
heeft
plaats gevonden tussen de familie Flechsig en die van Schreber, zodat
ik dan op
grond van verdere voorvallen ervan overtuigd ben, dat er rond de tijd,
dat mijn
zenuwziekte een moeilijk geneeslijk karakter leek aan te nemen, van een
of
andere kant, zij het zonder resultaat, bij mij een poging tot
zielenmoord is
ondernomen.
Waarschijnlijk
zijn er op de eerste zielenmoord, volgens het principe: l’appetit
vient
en
mangeant, nog meer zielenmoorden op zielen van
andere mensen gevolgd. Of werkelijk iemand moreel verantwoordelijk is
voor het
eerste geval van zielenmoord, wil ik in het midden laten; in dit
verband blijft
immers veel duister. Mogelijk is het eerst om een gevecht gegaan tussen
zielen
die al uit het leven waren afgescheiden, en dat aan afgunst was
ontsproten. De Flechsigen
en Schrebers behoorden namelijk beiden, zoals de uitdrukking luidt, tot
„de
hoogste hemelse adel;“ de Schrebers voerden namelijk de titel
„Markgraven van
Toscane en Tasmanië”, naar een gewoonte van zielen om zich, uit een
soort eigen
ijdelheid, met nogal hoogdravende aardse titels te sieren. Uit beide
families
komen verschillende namen in aanmerking; uit de familie Flechsig met
name,
buiten professor Paul Theodor Flechsig, ook ene Abraham Fürchtegott
Flechsig en
ene Daniel Fürchtegott Flechsig; de laatste zou een het eind van de 18e
eeuw
hebben geleefd en zou wegens een zielenmoordachtig voorval “hulpduivel”
zijn
geweest. In ieder geval heb ik met professor Paul Theodor Flechsig en
met
Daniel Fürchtegott Flechsig (met de eerste ook in de hoedanigheid van
ziel?)
langdurig in zenuwcontact gestaan en van beiden zielendelen in het lijf
gehad.
De ziel van Daniel Fürchtegott Flechsig is al jaren verdwenen (is
vervluchtigd); van de ziel van Prof. Paul Theodor Flechsig staat op
zijn minst
voor een gedeelte ( d.w.z. een bepaald aantal zenuwen, die
oorspronkelijk
identiteitsbewustzijn van Prof. Paul Theodor Flechsig hadden, dat
intussen
inderdaad sterk was afgezwakt) als "beproefde ziel” nog op dit moment
aan
de hemel. Omdat ik van de stamboom van de familie Flechsig uit andere
bronnen,
dan de mededelingen van de stemmen die met mij spreken, niet de minste
kennis
bezit, zou het wellicht niet onbelangrijk zijn om vast te stellen of
onder de
voorvaderen van de huidige professor Flechsig zich werkelijk ene Daniel
Fürchtegott Flechsig en ene Abraham Fürchtegott Flechsig hebben
bevonden.
Ik
neem dus aan, dat het ooit een drager van de naam Flechsig – iemand die
deze
naam voerde – is gelukt om een, ten behoeve van goddelijke ingevingen
of ook andere
redenen voor zichzelf, toegestaan zenuwcontact te misbruiken voor het
vasthouden
van goddelijke stralen. Vanzelfsprekend gaat het daarbij alleen maar om
een
hypothese waaraan echter, zoals anders bij menselijk-wetenschappelijk
onderzoek, zolang moet worden vastgehouden, tot men een betere basis
vindt voor
verklaring van de gebeurtenissen. Dat er juist een goddelijk
zenuwcontact aan iemand
werd verleend, die zich met de uitoefening van de zenuwleer bezighield,
lijkt
zeer voor de hand liggend, omdat het daarbij enerzijds waarschijnlijk
om een
geestelijk hoogstaand iemand ging en anderzijds alles, wat het
menselijke
zenuwbestaan betreft, al in het instinctieve besef, dat uit een
nervositeit die
onder de mensen hand over hand toeneemt, op een of andere manier een
gevaar
voor het godsrijk zou kunnen ontstaan, voor God van bijzonder belang
moest
zijn. Psychiatrische klinieken heetten daarom in de oertaal “Gods
Zenuwklinieken.”
Als de bovenvermelde Daniel Fürchtegott Flechsig degene was geweest,
die als
eerste door misbruik van een goddelijk zenuwcontact tegen de wereldorde
had
gezondigd, dan zou de omstandigheid, dat hij anderzijds door de stemmen
die met
mij spreken als landsgeestelijke is aangeduid, daar juist niet
noodzakelijk in
tegenspraak mee zijn, omdat in de periode waarin Daniel Fürchtegott zou
hebben
geleefd – in de 18e eeuw, rond de tijd van Frederik de Grote
–
openbare psychiatrische klinieken voor geesteszieken nog niet
bestonden.
Men
zou zich dus moeten voorstellen, dat een dergelijk iemand die met de
uitoefening van de zenuwleer was belast – misschien naast een ander
beroep – geloofd
heeft, dat hij ooit in een droom wonderbaarlijke beelden heeft gezien
en
wonderbaarlijke dingen heeft meegemaakt, waarbij hij zich aangespoord
heeft
gevoeld om die verder te onderzoeken, deels door een algemeen
menselijke
weetgierigheid, deels door een juist bij hem aanwezige belangstelling.
De
desbetreffende persoon hoefde daarbij misschien eerst nog helemaal niet
het
besef te hebben, dat het om een direct of indirect contact met God
ging.
Misschien probeerde hij in een van de daarop volgende nachten om de
droombeelden weer in zijn geheugen terug te roepen en merkte daarbij,
dat in de
slaap die toen intrad de droombeelden terugkeerden in dezelfde of iets
veranderde gedaante met een verdere aanvulling van de eerdere
mededelingen.
Vanaf dat moment groeide natuurlijk zijn belangstelling, temeer omdat
de dromer
misschien kon merken, dat degenen, van wie de mededelingen uitgingen,
zijn
eigen voorvaderen waren, bij wie onlangs door leden van de familie
Schreber in
een of ander opzicht het aanzien was geschaad. Vervolgens deed hij
misschien
een poging om door inspannen van zijn wilskracht op de manier van
gedachtelezers
– iemand als Cumberland enz. – invloed uit te oefenen op de zenuwen van
mensen,
die met hem samenleefden en kwam daarbij te weten, dat dat tot op
zekere hoogte
mogelijk was. Hij verzette zich tegen het opheffen van het zenuwcontact
dat eenmaal
door goddelijke stralen direct of indirect met hem was gelegd, of
maakte dat
afhankelijk van voorwaarden, die men dacht hem niet te kunnen weigeren,
gezien
de natuurlijke zwakte van de aard van de ziel, in verhouding tot die
van de
levende mens en ten gevolge van de onmogelijkheid om in een voortdurend
zenuwcontact met een enkel iemand te blijven. Op die manier kan men
zich
voorstellen, dat iets gelijksoortigs tot stand is gekomen, zoals een
samenzwering tussen een dergelijk iemand en elementen uit het voorste
godsrijk,
ten nadele van het geslacht Schreber, ongeveer in de richting, dat hen
het
nageslacht of in ieder geval de keuze van beroepen zouden worden
ontzegd, die tot
nadere betrekkingen met God konden leiden, zoals dat van zenuwarts.
Zoals
hierboven over de toestand van de godsrijken en de (beperkte)
alomtegenwoordigheid van God is opgemerkt, hoefde een dergelijke
drijfveer bij
iemand nog niet meteen tot kennis van het achterste godsrijk te leiden.
Ook
lukte het misschien de samenzweerders – om het deze uitdrukking te
houden –
eventuele bezwaren te sussen, doordat men zenuwcontact liet maken bij
de
verwanten van de familie Schreber op onbewaakte ogenblikken, zoals
ieder mens
dat in zijn leven ooit heeft, om ook bij de in rang meteen hogere
instantie in
de hiërarchie van het godsrijk bij te brengen, dat het niet op één
Schreberziel
zou kunnen aankomen, als het erom ging om een of ander gevaar voor het
bestaan
van het godsrijk af te wenden. Zo kon men er misschien toe komen om een
streven
dat door eerzucht en heerszucht was ingegeven en dat in zijn
consequentie kon
leiden tot een zielenmoord – voor het geval dat er zoiets bestaat – dus
tot
uitlevering van een ziel aan iemand anders, misschien om een langer
aards leven
te kunnen bereiken of voor het verwerven van een soort persoonlijke
onsterfelijkheid, of voor wat voor andere voordelen dan ook, niet
meteen van
meet af aan met een grote besluitvaardigheid tegemoet te treden. Aan de
andere
kant kon het gevaar worden onderschat, dat daaruit voor het godsrijk
zelf kon
ontstaan. Men voelde zich in het bezit van een enorme kracht, waardoor
men
helemaal niet op de gedachte kwam, dat een enkel mens ooit voor God
zelf
gevaarlijk zou kunnen worden. Ik koester er inderdaad na alles niet de
minste
twijfel over, wat ik later van de wonderende kracht van God heb ervaren
en
meegemaakt, dat God – het voortbestaan vooropgesteld van verhoudingen
die met
de wereldorde overeenstemmen – elk moment in de gelegenheid is geweest
om een
voor hem lastig iemand te vernietigen, door het sturen van een
dodelijke ziekte
of een blikseminslag.
Men
geloofde echter misschien dat men de veronderstelde zielenmoordenaar
niet
meteen met deze uiterste middelen tegemoet zou moeten treden, als zijn
vergrijp
alleen maar uit het misbruiken van een goddelijk zenuwcontact bestond,
wat het
uitzicht op een zielenmoord die daaruit voortspruitte, slechts op een
afstand
leek te bieden en als uit zijn overige persoonlijke verdiensten en
morele
gedrag niet viel te verwachten, dat het tot een dergelijke climax zou
komen.
Waaruit het eigenlijke wezen van de zielenmoord en zogezegd de techniek
daarvan
bestaat, kan ik niet zeggen, afgezien van wat hierboven is aangeduid.
Er zou
alleen nog aan toe kunnen worden gevoegd…. (volgt een passage, die niet
geschikt is voor publicatie). Voor zover voor de rest de huidige
Geheimraad prof.
Flechsig of een van zijn voorvaderen daadwerkelijk het daderschap van
“zielenmoorden” ten last moet worden gelegd, is voor mij één ding in
ieder
geval zonder twijfel, namelijk dat de desbetreffende persoon van de
buitenzinnelijke
dingen die mij inmiddels bekend zijn geworden weliswaar een vermoeden
heeft
gekregen, maar zeker niet tot een dieper inzicht over God en de
wereldorde was
doorgedrongen. Iemand die immers op deze manier was verzekerd van een
vast
godsgeloof en de zekerheid, dat hem toch al een zaligheid naar gelang
de
zuiverheid van zijn zenuwen zou toekomen, kon onmogelijk op de gedachte
komen
om zich aan een ziel te vergrijpen. Evenmin zou dat het geval geweest
zijn bij
iemand, die ook slechts in de betekenis van onze positieve religie als
gelovig
aangemerkt had kunnen worden. Welke positie de huidige Geheimraad prof.
Flechsig in religieuze zaken heeft ingenomen en nog steeds inneemt, is
mij niet
bekend. Zou hij, zoals zovele hedendaagse mensen, tot de twijfelaars
hebben
behoord of behoren, dan zou op grond daarvan hem eigenlijk geen verwijt
zijn te
maken, laat staan door mij, omdat ik zelf moet toegeven, dat ik zolang
tot deze
categorie heb behoord, totdat ik door goddelijke openbaringen van iets
beters
op de hoogte ben gebracht.
Wie
de moeite heeft genomen om het voorgaande met enige aandacht te lezen,
zal
misschien onwillekeurig op de gedachte zijn gekomen, dat het echter met
God
zelf dan toch kwalijk gesteld was geweest of nog steeds is, als het
gedrag van
een enkel mens voor hem enig gevaar zou kunnen vormen en als zelfs God
zelf,
zij het ook slechts in tweede instantie, zich tot een soort
samenzwering had
laten verleiden tegen een in wezen onschuldig mens. Ik kan een
dergelijk
verwijt niet alle gerechtvaardigheid ontzeggen, maar zou toch niet
kunnen nalaten
daaraan tot te voegen, dat daardoor bij mij het geloof in de grootheid
en
verhevenheid van God en de wereldorde niet aan het wankelen is
gebracht. Een
wezen van een dergelijke absolute volmaaktheid, wat de meeste
godsdiensten hem
toekennen, was en is in ieder geval ook God zelf niet. De
aantrekkingskracht,
d.w.z. die ook voor mij, volgens zijn diepste wezen, ondoorgrondelijke
wet,
waardoor stralen en zenuwen elkaar wederzijds aantrekken, bergt in zich
een
kiem van gevaren voor het godsrijk, waaraan misschien al de
voorstelling van de
Germaanse sage over de Godenschemering ten grondslag ligt. Een
groeiende
nervositeit onder de mensen kon en kan deze gevaren aanzienlijk
opvoeren. Dat
God een levend mens alleen aan de buitenkant zag en dat een
alomtegenwoordigheid
en alwetendheid van God met betrekking tot het innerlijk van de levende
mensen
echter – als regel – niet bestond, is al hierboven vermeld. Ook de
eeuwige
goddelijke liefde bestond in wezen alleen ten opzichte van de schepping
als
geheel. Zodra een botsing van belangen ontstond met afzonderlijke
mensen of
mensengroepen, (men denke aan Sodom en Gomorra!) en soms zelf de hele
bevolking
van een planeet (door toename van de nervositeit en onzedelijkheid),
moest bij
God de drang tot zelfbehoud wakker worden, net als bij elk ander levend
wezen.
Zou dus het menselijke verbeeldingsvermogen in staat zijn om een of
andere nog
idealere toestand uit te beelden, dan is uiteindelijk toch alleen
datgene
volmaakt, dat aan zijn doel beantwoordt. En dat doel, voor God de
eeuwige
vreugde over zijn schepping en voor de mensen de levensvreugde tijdens
hun
aardse leven en na de dood het hoogste geluk in de vorm van zaligheid,
werd dan
toch bereikt. Het zou geheel ondenkbaar zijn geweest, dat God een of
andere
afzonderlijk mens de mate van zaligheid die hem toekwam, zou hebben
geweigerd,
omdat elke toename van de “voorportalen van de hemel” alleen kon dienen
om zijn
eigen macht te vergroten en de verschansingen te versterken, tegen de
gevaren die
uit toenadering tot de mensheid voortkomen. Een botsing van de belangen
van God
en afzonderlijke mensen kon helemaal niet optreden als het gedrag van
de
laatsten, met de wereldorde overeenstemt. Als het desondanks in mijn
eigen
geval, naar aanleiding van de veronderstelde zielenmoord, tot een
dergelijke
botsing van belangen is gekomen, dan is dat alleen maar gebeurd ten
gevolge van
een zo wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden, dat een dergelijk
geval in
de wereldgeschiedenis vast nog nooit is voorgekomen en, naar ik hoop,
ook nooit
meer voor zal komen. En ook in dit zo geheel eigenaardig geval, draagt
de
wereldorde, voor de wonden die haar zijn toegebracht, het geneesmiddel
in
zichzelf; de remedie ligt in de eeuwigheid. Terwijl ik vroeger
(ongeveer 2 jaar
lang) heb gedacht aan te moeten nemen en volgens mijn toenmalige
belevenissen
ook moest aannemen, dat de voortdurende verbondenheid van God aan mijn
persoon
de ondergang tot gevolg heeft gehad van de hele aardse schepping tot
wat
wonderspel in mijn onmiddellijke omgeving aan toe, heb ik deze
opvatting de
laatste tijd wezenlijk moeten inperken.
Er
zijn enkele mensen echt ongelukkig geworden; ikzelf heb, wat ik wel mag
zeggen,
een gruwelijke tijd ervaren en een bittere lijdensweg doorgemaakt.
Anderzijds
heeft het sinds zes jaar ononderbroken voortdurende toestromen van
godszenuwen
in mijn lichaam het verlies van de gehele tot dan toe verzamelde
zaligheid en
de voorlopige onmogelijkheid tot het opnieuw grondvesten van zaligheden
tot
gevolg gehad, zodat de zaligheid als het ware is opgeschort en alle
mensen, die
sindsdien zijn gestorven en nog zullen sterven, tot nader orde niet
zalig
kunnen worden. Voor de godszenuwen voltrekt zich de overgang in mijn
lichaam
met tegenzin en met een gevoel van onbehagen, dat waarneembaar is in
aanhoudend
hulpgeroep van de zenuwdelen, die van de gezamenlijke massa zijn
losgemaakt, en
die ik dag in dag uit aan de hemel hoor. Al deze verliezen kunnen
alleen weer
worden vereffend, voor zover er een eeuwigheid bestaat, al kunnen er
misschien
duizenden jaren nodig zijn om de vroegere toestand weer volledig te
herstellen.
Hoofdstuk
3
Wat
in hfdst. I en II is uiteengezet was nodig om het begrijpen van het
volgende
voor te bereiden. Wat tot nu toe gedeeltelijk alleen maar als axioma
kon worden
gekwalificeerd, zal daarbij tegelijkertijd de motivatie ontdekken, die
althans naar
de aard der zaak mogelijk is.
Ik
zal het nu eerst hebben over gebeurtenissen bij mijn andere
familieleden, die
mogelijk in verband zouden kunnen staan met de veronderstelde
zielenmoord, en
die in ieder geval allemaal een meer of minder raadselachtig, volgens
andere
menselijke ervaringen moeilijk te verklaren, stempel dragen.
(De
verdere inhoud van het hoofdstuk komt, als ongeschikt voor publicatie,
bij het
drukken te vervallen.)
Hoofdstuk
4 – Persoonlijke belevenissen tijdens de eerste en het begin van de
tweede
zenuwziekte.
Ik
ga het nu hebben over mijn eigen persoonlijke lotgevallen tijdens beide
zenuwziekten, die mij hebben getroffen. Ik ben twee keer zenuwziek
geweest,
beide keren ten gevolge van een geestelijke overspanning; de eerste
keer ( als
directeur van de arrondissementsrechtbank in Chemnitz) naar aanleiding
van een kandidatuur
voor de Rijksdag, de tweede keer naar aanleiding van de ongewone
werklast, die
ik aantrof bij het aantreden van het net aan mij overgedragen ambt van
senaatspresident bij het gerechtshof in Dresden.
De
eerste van beide ziekten begon in de herfst van 1884 en was eind 1885
volledig
genezen, zodat ik op 1 januari 1886 het ambt weer kon aanvangen van
directeur
van een arrondissementsrechtbank en wel bij de rechtbank in Leipzig,
waarnaar
ik inmiddels was overgeplaatst. De tweede zenuwziekte begon in oktober
1893 en
duurt tot op heden voort. In beide gevallen heb ik een vrij groot
gedeelte van
de ziekteduur doorgebracht in aan de universiteit van Leipzig verbonden
krankzinnigenkliniek,
die door prof., tegenwoordig Geheimraad, Dr. Flechsig werd geleid; de
eerste
keer vanaf begin december 1884 tot begin juni 1885, de tweede keer van
ongeveer
midden november 1893 tot ongeveer midden juni 1894. In
beide gevallen heb ik bij de opname in de kliniek niet het minste
vermoeden
gehad van het antagonisme, dat tussen de families Schreber en Flechsig
had
bestaan en van de buitenzinnelijke dingen, waarover ik het in de
voorgaande
hoofdstukken heb gehad.
De
eerste ziekte verliep zonder enig voorval, dat het terrein van het
buitenzinnelijke aanroert. Van de wijze van behandeling van professor
Flechsig
heb ik gedurende die periode hoofdzakelijk alleen gunstige indrukken
gekregen.
Het is mogelijk dat er sporadische vergissingen zijn voorgekomen. Ik
was al
tijdens mijn toenmalige ziekte van mening en ik ben dat nog steeds, dat
leugens
om bestwil, waar de zenuwarts weliswaar misschien tegenover menige
geesteszieke
niet helemaal buiten kan, maar die hij toch steeds met de uiterste
voorzichtigheid zal gebruiken, tegenover mij nauwelijks ooit hebben
plaatsgevonden, omdat men in mij immers vast meteen een geestelijk
hoogstaand
mens moest zien, met een ongewoon scherp verstand en een scherp
waarnemingsvermogen. En ik kon het overigens alleen maar als een leugen
om
bestwil zien, toen b.v. prof. Flechsig mijn ziek-worden alleen als een
broomkaliumvergiftiging wilde voorstellen, die de sanitätsrat Dr. R.
uit S.,
bij wie ik eerder onder behandeling was geweest, ten laste moet worden
gelegd.
Ook zou ik mij naar mijn mening echt sneller hebben kunnen bevrijden
van
bepaalde hypochondrische denkbeelden, die mij destijds beheersten, met
name het
idee van het vermageren, als men mij de weegschaal, die voor het
vaststellen
van het lichaamsgewicht diende – de destijds in de universiteitskliniek
aanwezige weegschaal was van een eigenaardige en mij onbekende
constructie –
een aantal malen zelf zou hebben laten bedienen. Overigens zijn dat
bijzaken, waar
ik geen groot gewicht aan hecht; men zou misschien ook van het hoofd
van een
grote kliniek, waar zich honderden patiënten bevinden, niet kunnen
verlangen,
dat hij zich zo grondig in de geestesgesteldheid van een enkele patiënt
verdiept. De hoofdzaak was, dat ik ten slotte (na een vrij lange
periode van
herstel) werd genezen en daarom kon ik destijds alleen maar zijn
vervuld van
gevoelens van een zeer grote dankbaarheid jegens Prof. Flechsig,
waaraan ik ook
door een later bezoek en een volgens mij passend honorarium nog een
bijzondere uitdrukking
heb gegeven. Bijna nog inniger werd de dankbaarheid door mijn vrouw
ervaren,
die in professor Flechsig gewoon degene vereerde, die haar haar man had
teruggegeven en om die reden zijn portret jarenlang op haar werktafel
had
staan.
Na
het herstel van mijn eerste ziekte heb ik acht, over het geheel genomen
echt
gelukkige en ook aan openlijke waardering rijke en alleen door het
herhaaldelijk verijdelen van de hoop op kinderzegen verstoorde jaren
met mijn
vrouw doorgebracht. In juni 1893 viel mij (in eerste instantie door de
heer
Minister Dr. Schurig persoonlijk) het bericht ten deel van mijn op
handen
zijnde benoeming tot senaatspresident bij het gerechtshof in Dresden.
In
deze periode vallen een aantal dromen, waaraan ik toentertijd geen
bijzondere
aandacht heb geschonken en ook thans nog, volgens het spreekwoord
„dromen zijn
bedrog“ geen verdere aandacht aan zou schenken, als ik niet, aan de
hand van ervaringen,
die ik inmiddels heb opgedaan, minstens aan de mogelijkheid zou moeten
denken,
dat ze samenhingen met een goddelijk zenuwcontact, dat met mij was
gelegd. Ik
heb enige malen gedroomd, dat mijn vroegere zenuwziekte weer was
teruggekomen,
waarover ik dan in de droom even ongelukkig was, als ik mij na het
ontwaken
gelukkig voelde omdat het maar een droom was geweest. Verder had ik op
een
ochtend, toen ik nog in bed lag, (of ik nog half sliep of al wakker
was, weet ik
niet) een gevoel, dat mij hoogst zonderling trof, toen ik daar later in
volkomen wakkere toestand over nadacht. Het was het idee, dat het
eigenlijk
toch heel prettig moest zijn om een vrouw te zijn, die de bijslaap
onderging. –
Dat idee was mijn hele aard zo vreemd, dat ik het, naar ik wel mag
zeggen, bij
volle bewustzijn met een verontwaardiging zou hebben afgewezen, maar
dat ik aan
de hand van wat ik intussen heb meegemaakt, de mogelijkheid niet van de
hand kan
wijzen, dat er een of andere invloed van buitenaf in het spel was
geweest, die
mij dat idee had ingegeven.
Op
1 oktober 1893 aanvaardde ik mijn nieuwe ambt als senaatspresident bij
het
gerechtshof in Dresden. De werklast die ik aantrof was, zoals al is
opgemerkt,
buitengewoon groot. Daarbij kwam nog wat mijzelf betreft het streven
dat door
eerzucht was ingegeven, maar dat toch ook werd gevraagd in het belang
van het
ambt, om mij door een onmiskenbare bekwaamheid van mijn prestaties
eerst het
vereiste aanzien te verschaffen bij mijn collegae en de verder
deelnemende
kringen (advocaten enz.). Deze opgave was des te zwaarder en stelde in
de
persoonlijke omgang des te grotere eisen, omdat de leden van het
(vijfrechter-)college,
dat ik moest voorzitten, allemaal in leeftijd (tot 20 jaar) boven mij
uitstaken
en bovendien met de gang van zaken van het gerechtshof, waar ik net
begon,
althans in zeker opzicht meer vertrouwd waren. Zo kwam het dat ik al na
een
paar weken geestelijk teveel op mijn schouders had genomen. De slaap
begon
tekort te schieten en wel juist op het moment, waarop ik tegen mijzelf
kon
zeggen, dat de problemen van het inwerken in de nieuwe baan, in de
nieuwe
woonsituatie enz. grotendeels waren overwonnen. Ik begon broomnatrium
te nemen.
Gelegenheid tot verstrooiing, wat mij in ieder geval veel beter zou
hebben
gedaan – wat ik opmaakte uit het feit, dat ik beter sliep na de enige
keer, dat
wij voor een avondje waren uitgenodigd – kwam door onze onbekendheid in
Dresden
bijna niet voor. De eerste heel slechte nachten, d.w.z. bijna volledige
slapeloze nachten, vielen in de laatste dagen van oktober of in de
eerste dagen
van de maand november. Daarbij deed zich een merkwaardig voorval voor.
Gedurende verscheidene nachten, waarin ik niet in slaap kon komen, was
in de
wand van onze slaapkamer een knisperen te horen dat in kortere of
langere
tussenpozen terugkeerde en dat mij telkens weer wakker maakte als ik op
het punt
stond om in slaap te vallen. Wij dachten toentertijd natuurlijk aan een
muis,
hoewel het echter tamelijk merkwaardig moest lijken, dat een muis zich
had
laten insluiten op de eerste etage van een alleszins massief gebouwd
huis. Omdat
ik echter intussen ontelbare keren dergelijke geluiden heb gehoord en
ze nu dag
en nacht vlakbij hoor en die ik nu zonder twijfel als goddelijke
wonderen heb
onderkend – temeer ook omdat de stemmen die met mij spreken ze als
zodanig, als
zogenaamde „verstoringen“ aanduiden – kan ik in ieder geval de
verdenking niet
van de hand wijzen, zonder dat ik daar een heel besliste uitspraak over
wil
doen, dat er ook toen al sprake is geweest van een dergelijk wonder,
d.w.z. dat
het van meet af aan de bedoeling is geweest om mijn slaap en later mijn
herstel
van de ziekte die uit slapeloosheid voortkwam, met een voorlopig nog
niet nader
te duiden bedoeling te verhinderen.
Mijn
ziekte nam nu snel een bedreigend karakter aan; al op 8 of 9 november
was ik op
aanraden van de door mij geconsulteerde Dr. Ö. genoodzaakt om een
aanvankelijk
acht dagen durend verlof op te nemen, dat wij wilden gebruiken om Prof.
Flechsig te raadplegen, op wie wij heel ons vertrouwen hadden gesteld,
gezien
zijn succesvolle medische behandeling in de eerste ziekteperiode. Omdat
het een
zondag was, waarop men niet kon verwachten Prof. Flechsig aan te
treffen,
reisden wij (mijn vrouw en ik) over Chemnitz en brachten de nacht van
zondag op
maandag door bij mijn zwager K. aldaar. Daar werd nog dezelfde avond
een morfine-injektie
klaargemaakt en ‘s nachts voor de eerste keer chloralhydraat gegeven –
door een
toeval vermoedelijk niet de vooraf bepaalde dosis – waarna ik al ‘s
avonds in
zo’n ernstige mate hartbeklemmingen heb gehad, net zoals tijdens de
eerste
ziekte, dat het bij mij, al bij het lopen over een enigszins
omhooglopende
straat, angsttoestanden veroorzaakte. Ook de nacht in Chemnitz was
beroerd. De
volgende dag (maandag) reisden wij naar Leipzig en vanaf het Beiersche
station
rechtstreeks met het rijtuig naar de universiteitskliniek naar
professor
Flechsig, die al de dag daarvoor door een telegram op het bezoek was
voorbereid. Er volgde een langdurig onderhoud, waarbij Prof. Flechsig,
naar ik
niet anders kan zeggen, een uitmuntende welbespraaktheid aan de dag
legde, die
niet zonder diepe invloed op mij bleef. Hij sprak over vorderingen, die
de
psychiatrie sinds mijn eerste ziekteperiode had gemaakt, over pas
uitgevonden
slaapmiddelen enz. en gaf mij hoop om de hele ziekte te genezen, door
middel
van een eenmalige uitvoerige slaap, die zomogelijk van ’s middags 3 uur
tot de
volgende dag 3 uur zou duren.
Ten
gevolge daarvan stabiliseerde mijn stemming zich, temeer omdat de
zenuwen door
de verscheidene uren durende reis in de frisse ochtendlucht en gezien
de tijd
van de dag (ochtend), mogelijk iets sterker waren. Wij haalden eerst
het
uitgeschreven slaapmiddel zelf in de apotheek af, aten daarna bij mijn
moeder
in haar eigen huis en ik bracht de rest van de dag over het algemeen
heel
redelijk door met o.a. een kleine wandeling. Het opzoeken van het bed
(in het
huis van mijn moeder) gebeurde natuurlijk niet al om 3 uur, maar werd
(vast
naar aanleiding van een geheime aanwijzing, die mijn vrouw had
gekregen) tot 9
uur uitgesteld. Meteen voor het slapengaan traden echter opnieuw
zorgelijke
symptomen op. Helaas was ook het bed koud, tengevolge van te lang
luchten,
zodat ik meteen door hevige koude rillingen werd bevangen en ik het
slaapmiddel
ook weer in een hevige opwinding innam. Dat miste daardoor vrijwel
geheel zijn
werking en mijn vrouw gaf mij daarom al na een uur, of nog minder, het
chloralhydraat
erbij, dat als reserve beschikbaar was gehouden. Desondanks verliep de
nacht voornamelijk
slapeloos en ik verliet die nacht ook bijna een keer in een
angsttoestand het
bed, om met behulp van een handdoek of iets dergelijks voorbereidingen
te
treffen voor een soort zelfmoordpoging, wat mijn vrouw, die intussen
wakker was
geworden, mij verhinderde. De ochtend daarop was er al sprake van een
ernstige
psychische ontreddering; het bloed was uit alle extremiteiten naar het
hart
getrokken, mijn stemming uiterst somber geworden en professor Flechsig,
die al
vroeg in de ochtend was ontboden, achtte toen om die reden mijn
plaatsing in
zijn kliniek noodzakelijk, waar ik dan ook onder zijn begeleiding in
een
rijtuig naartoe vertrok.
Na
een warm bad werd ik meteen naar bed gebracht, dat ik gedurende de
daaropvolgende 4 of 5 dagen eigenlijk niet meer verliet. Als bewaker
werd mij
een zekere R….toegevoegd. Mijn ziekt verergerde snel in de volgende
dagen; de
nachten verliepen meestal zonder te slapen, omdat de zwakkere
slaapmiddelen (kamfer
enz.), waarmee men het eerst wilde proberen, om niet meteen blijvend op
chloralhydraat over te gaan, hun uitwerking misten. Ik kon mijzelf op
geen
enkele manier bezighouden; ook van mijn familie zag ik niemand.
Daardoor
verliepen de dagen eindeloos treurig; mijn geest was bijna alleen met
doodsgedachten bezig. Het lijkt mij, als ik terugblikkend naar die tijd
terugdenk, alsof het genezingsplan van professor Flechsig eruit heeft
bestaan
om mijn zenuwdepressie eerst tot een willekeurig dieptepunt neer te
drukken, om
dan door een plotselinge kentering van de stemming in één keer de
genezing te
bewerkstelligen. Alleen op die manier kan ik althans het volgende
voorval
verklaren, waarvoor ik anders gewoon een kwaadwillige bedoeling zou
moeten
aannemen.
Ongeveer
in de vierde of vijfde nacht, na mijn opname in de kliniek, werd ik
midden in
de nacht door twee verplegers uit bed gesleurd en naar een voor
verwarde
(psychotische) patiënten ingerichte slaapcel gebracht. Ik bevond mij
toch al in
de meest opgewonden stemming, als het ware in een koortsdelier en werd
natuurlijk door dit voorval, waar ik de beweegreden niet van kende,
zeer angstig
gemaakt. De weg leidde door de biljartkamer en daar ontstond, omdat ik
helemaal
niet wist wat men met mij voorhad en daardoor dacht dat ik mij moest
verzetten,
een gevecht tussen mij, die slechts een hemd aan had en de beide
verplegers,
waarbij ik probeerde om mij aan het biljart vast te houden, maar
uiteindelijk
werd ik overweldigd en naar de bovenvermelde cel afgevoerd. Daar liet
men mij
aan mijn lot over; ik bracht de rest van de nacht echter grotendeels
slapeloos door
in de cel, die alleen maar met een ijzeren ledikant en beddengoed was
uitgerust, beschouwde mijzelf als geheel verloren en deed ook ‘s nachts
een poging
om mij met behulp van het beddenlaken aan het ledikant op te hangen,
wat natuurlijk
mislukte. Ik werd volkomen beheerst door de gedachte dat iemand, die
met alle
middelen van de geneeskunde geen slaap meer kan worden verschaft,
uiteindelijk
niets anders overblijft dan zich van het leven te beroven. Dat dit in
de kliniek
niet werd geduld, was mij bekend, maar ik verkeerde in de waan, dat er
een ontslag
zou volgen als alle pogingen tot herstel waren uitgeput,– uitsluitend
met de
bedoeling, dat de desbetreffende persoon dan in zijn eigen woning of
ergens
anders een eind aan zijn leven zou maken.
Toen
de volgende morgen aanbrak, was het daarom voor mij een grote
verrassing, dat
ik toch nog bezoek van een arts kreeg. De artsassistent van professor
Flechsig,
Dr. Täuscher verscheen en zijn mededeling dat men er helemaal niet aan
dacht om
de therapie te stoppen, samen met zijn hele manier van doen en de wijze
waarop
hij mij probeerde op te beuren – ik kan hem ook niet de waardering
ontzeggen,
voor het feit dat hij bij deze gelegenheid voortreffelijk sprak – had
opnieuw
een zeer gunstige ommekeer in mijn stemming ten gevolge. Ik werd weer
naar de kamer
gebracht die ik eerder had bewoond en beleefde de beste dag, die ik heb
gehad tijdens
mijn hele (tweede) verblijf in de kliniek van Flechsig, d.w.z. de enige
dag,
waarop ik in een hoopvolle en opgewekte stemming verkeerde. Ook de
bewaker R.
gedroeg zich tijdens het hele onderhoud uiterst tactvol en geschikt,
zodat ik
mij vaak achteraf heb afgevraagd, of niet ook bij hem (net als bij Dr.
Täuscher) hogere ingevingen hebben plaatsgevonden. Ik speelde ‘s
ochtends zelfs
wat biljart met hem, nam ‘s middags een warm bad en bewaarde tot de
avond de
stabiele stemming, die ik had bereikt. Er zou een poging worden gedaan
of ik
helemaal zonder slaapmiddel zou kunnen slapen. Ik ging inderdaad
betrekkelijk
rustig naar bed, maar tot slapen kwam het niet. Na een paar uur was het
voor
mij ook niet langer mogelijk om mijn rustige stemming te bewaren; de
bloedaandrang naar het hart bezorgde mij opnieuw angsttoestanden. Na
het
aflossen van de bewaker – bij mijn bed stond steeds een bewaker, die
midden in
de nacht door een andere werd afgelost – werd uiteindelijk toch nog
iets
slaapverwekkends gegeven – het heette Nekrin of zoiets dergelijks – en
ik viel
wel nog wat in slaap, maar dat bracht echter geen enkele zenuwsterkende
werking
teweeg. De volgende ochtend verkeerde ik eerder weer in de oude
psychische
ontreddering, die zo ernstig was, dat ik het ontbijt weer uitbraakte
dat mij werd
voorgezet. Een bijzonder angstaanjagende indruk leverde mij de volledig
vertrokken gelaatstrekken, die ik bij het ontwaken bij de bewaker R.
dacht waar
te nemen.
Vanaf
dat moment werd mij voor de nacht regelmatig chloralhydraat gegeven en
er
volgde meerdere weken lang een althans uiterlijk vrij rustige periode,
omdat ik
op die manier in ieder geval meestal redelijk kon slapen. Ik ontving
regelmatig
bezoek van mijn vrouw en bracht, ongeveer in de laatste twee weken voor
de
kerst, steeds een gedeelte van de dag door in het huis van mijn moeder.
Daarbij
bleef echter de zenuwoverprikkeling bestaan, die eerder erger dan
minder werd.
In de weken na de kerst maakte ik met mijn vrouw ook dagelijks tochtjes
met het
rijtuig. De toestand van mijn krachten was echter zo afgenomen, dat ik
bij het
uitstijgen van het rijtuig (in Rosenthal of Scheibenholz) elke stukje
weg van
een paar honderd passen, dat ik te voet moest afleggen, een waagstuk
vond,
waartoe ik mij niet zonder inwendige angst kon zetten. Voor de rest
bevond mijn
hele zenuwstelsel zich ook in een toestand van een zeer ernstige
verslapping. Enige
geestelijke bezigheid, wat kranten lezen of iets dergelijks, kon ik óf
helemaal
niet óf alleen maar heel weinig doen. Zelfs overwegend mechanische
bezigheden,
zoals het in elkaar zetten van geduldspellen, het leggen van patience
en
dergelijke, vergrootte mijn zenuwprikkeling zodanig, dat ik daar
meestal na
korte tijd mee op moest houden; ‘s avonds kon ik met de bewaker R…
amper een
paar damspelletjes spelen. Eten en drinken nam ik in deze periode
meestal met
een goede eetlust tot mij en ook rookte ik toentertijd nog dagelijks
doorgaans
een paar sigaren. De zenuwverslapping nam toe onder een gelijktijdig
opnieuw
optreden van angsttoestanden, wanneer men toen af en toe een poging
deed om
zwakkere slaapmiddelen te gebruiken, in plaats van het chloraalhydraat,
dat de
zenuwen weliswaar kortdurend sterkte, maar op den duur toch werkzaam
was. Mijn
levensmoed was volkomen gebroken; zelfs elk ander vooruitzicht, zoals
op een
uiteindelijk misschien door zelfmoord te voltrekken afloop was bij mij
verdwenen; bij de toekomstplannen, waarmee mijn vrouw mij af en toe
probeerde
op te beuren, schudde ik ongelovig mijn hoofd.
Een
verdere zenuwinzinking die in mijn leven belangrijk breekpunt vormde,
trad
vervolgens ongeveer rond 1 februari 1894 op, toen mijn vrouw, die tot
dan toe
dagelijks een paar uur met mij samen had doorgebracht en ook de
middagmaaltijden met mij in de kliniek had genomen, een vierdaagse reis
naar
haar vader in Berlijn ondernam, om zich ook zelf enige ontspanning te
geven,
die zij dringend nodig had. In die vier dagen was ik zover afgezakt,
dat ik na
de terugkeer van mijn vrouw, haar nog een enkele keer terugzag en toen
zelf verklaarde,
dat ik niet kon verlangen, dat mijn vrouw mij hoegenaamd nog zag, in de
aan
lager wal geraakte toestand, waarin ik mij bevond. Vanaf die tijd
vielen de
bezoeken van mijn vrouw weg; toen ik haar geruime tijd later een
doodenkele
keer aan het raam van een tegenoverliggende kamer opnieuw zag, hadden
er
intussen in mijn omgeving en bij mijzelf zoveel belangrijke
veranderingen
plaatsgevonden, dat ik in haar niet langer een levend wezen dacht te
zien, maar
alleen maar een gewonderde mensengedaante, op de manier van de
“vluchtig in
elkaar geflanste mannen”. Beslissend voor mijn geestelijke
ineenstorting was
met name een nacht, waarin ik, in die ene nacht, een geheel
ongebruikelijk
aantal polluties (wel een half dozijn) had.
Vanaf
dat moment traden de eerste voortekenen op van een contact met
buitenzinnelijke
krachten, namelijk een zenuwcontact, dat professor Flechsig zodanig met
mij onderhield,
dat hij tegen mijn zenuwen sprak, zonder dat hij persoonlijk aanwezig
was.
Vanaf die tijd kreeg ik ook de indruk, dat professor Flechsig met mij
niet veel
goeds in het schild voerde; bevestiging van die indruk leek ik te
vinden in het
feit, dat professor Flechsig, toen ik eens bij een persoonlijk bezoek
hem naar
eer en geweten vroeg of hij inderdaad aan de mogelijkheid van een
genezing bij
mij geloofde, hij weliswaar bepaalde troostende woorden sprak, maar –
zo leek
het mij althans – mij daarbij niet meer in de ogen kon kijken.
Het
is nu het moment om op de aard van de al herhaaldelijk vermelde
innerlijke
stemmen in te gaan, die sindsdien onophoudelijk tegen mij praten en
tegelijkertijd op de tendens, die naar mijn mening in de wereldorde
aanwezig
was, volgens welke het onder bepaalde omstandigheden tot een
„ontmanning“
(verandering in een vrouw) van iemand („geestenziener“) moet komen, die
een
contact heeft gemaakt met goddelijke zenuwen (stralen) dat niet meer is
op te
heffen. Voor de uiteenzetting van deze toestanden, die echter
buitengewoon
moeilijk is, is het volgende hoofdstuk bedoeld.
Hoofdstuk
5 – Vervolg. Zenuwtaal (innerlijke stemmen). Denkdwang. Eventuele
ontmanning,
eis van de wereldorde.
Naast
de normale menselijke taal bestaat er nog een soort zenuwtaal, waarvan
de
gezonde mens zich doorgaans niet bewust wordt. Volgens mij kan men
daarvan op
zijn best een idee van krijgen, als men zich gebeurtenissen voor de
geest
haalt, waarbij iemand probeert om bepaalde woorden in een bepaalde
volgorde in
zijn geheugen te prenten, dus b.v. een schoolkind dat een gedicht van
buiten
leert, dat het op school moet opzeggen, of een geestelijke een preek,
die hij
in de kerk wil houden. De desbetreffende woorden worden dan in stilte
opgezegd
(net zoals bij een stil gebed, waartoe de gemeente vanaf de kansel
wordt uitgenodigd),
d.w.z. dat iemand ervoor zorgt dat zijn zenuwen in een trilling worden
gebracht, die met het gebruik van bedoelde woorden overeenstemmen,
waarbij de
eigenlijke spraakwerktuigen (lippen, tong, tanden enz.) óf helemaal
niet óf
alleen toevallig gelijktijdig in beweging worden gezet.
Het
gebruik van deze zenuwtaal hangt onder normale omstandigheden (die met
de
wereldorde overeenstemmen) natuurlijk van de wil af van degene, om
wiens
zenuwen het gaat; niemand kan uit zichzelf iemand anders dwingen om van
deze
zenuwtaal gebruik te maken. Bij mij is er echter sinds de bovenvermelde
kritische ommekeer van mijn zenuwziekte sprake van, dat mijn zenuwen
van
buitenaf en wel onophoudelijk, zonder enige onderbreking, in beweging
worden
gezet.
Het
vermogen om op deze manier de zenuwen van iemand te beïnvloeden is
vooral de
goddelijke stralen eigen; daarop berust het, dat God van oudsher in
staat was
om bij iemand die slaapt dromen in te geven. Ikzelf heb de invloed
aanvankelijk
ervaren als een invloed die van professor Flechsig uitging. De
verklaring van
dit gebeuren kan ik alleen vinden in het feit, dat het professor
Flechsig op
een of andere manier is gelukt om van goddelijke stralen gebruik te
maken;
later hebben toen, behalve de zenuwen van professor Flechsig, ook
rechtstreekse
goddelijke stralen zich met mijn zenuwen in verbinding gesteld. De
soort en
manier van beïnvloeding heeft in de loop der jaren steeds meer, met de
wereldorde en het natuurlijke recht van de mens op een vrije
beschikking over
het gebruik van zijn zenuwen, tegenstrijdige, ik zou willen zeggen,
steeds
groteskere vormen aangenomen.
Zo
trad de beïnvloeding al betrekkelijk vroeg op in de vorm van denkdwang
– een
uitdrukking, die de innerlijke stemmen mij zelf hebben verteld, maar
die bij andere
mensen nauwelijks bekend zal zijn, omdat het hele verschijnsel buiten
elke
menselijke ervaring ligt. Het wezen van de denkdwang bestaat uit het
feit, dat iemand
tot een onophoudelijk denken wordt gedwongen, met andere woorden, het
natuurlijke recht van de mens om zijn verstandszenuwen van tijd tot
tijd door
niet-denken (zoals dat het meest uitgesproken tijdens de slaap gebeurt)
de
vereiste rust te gunnen, werd mij van meet af aan verhinderd door de
stralen die
met mij contact hadden en die doorlopend wilden weten, waaraan ik
dacht. Men stelde
dus b.v. gewoon – met de volgende woorden – de vraag: „Waar denk je nu
aan?“ en
omdat deze vraag op zichzelf beschouwd al complete onzin is, voor zover
iedereen
weet dat de mens net zo goed – op gezette tijden – niets, als
anderzijds opeens
duizend en een dingen kan denken, en omdat mijn zenuwen dus op deze
onzinnige
vraag op zichzelf beschouwd niet reageerden, was men al heel gauw
genoodzaakt
om zijn toevlucht te nemen tot een systeem van gedachtevervalsing,
doordat men
b.v. op bovenstaande vraag zelf het antwoord gaf: "Jij moet aan de
wereldorde” namelijk: denken, d.w.z. dat mijn zenuwen door
stralenwerking werden
gedwongen om trillingen te maken, die met het gebruik van dat woord
overeenstemmen. Daarbij groeide mettertijd het aantal plekken, vanwaar
het zenuwcontact
uitging: afgezien van professor Flechsig, de enige, waarvan ik althans
enige
tijd nog zeker wist dat hij zich onder de levenden bevond,
hoofdzakelijk
afgescheiden zielen, die zich in toenemende mate voor mij begonnen te
interesseren.
Ik
zou hier honderden, zo niet duizenden namen kunnen noemen, waaronder
talrijke
namen, waarvan ik jaren later heb gemerkt, omdat voor mij door middel
van
kranten en brieven weer enig contact met de buitenwereld was ontstaan,
dat zij
zich nog onder de levenden moesten ophouden, terwijl ik destijds, omdat
zij als
zielen met behulp van zenuwcontact met mij omgingen, natuurlijk niets
anders
kon aannemen, dan dat zij al lang het tijdelijke met het eeuwige hadden
verwisseld. Bij heel veel dragers van deze namen stonden de religieuze
belangen
op de voorgrond; er bevonden zich vooral veel katholieken onder, die
met behulp
van mijn gedrag, waarmee ik bepaalde richtingen in moest slaan, een
bevordering
van het katholicisme, speciaal een katholisering van Saksen en Leipzig
verwachtten; daaronder bevond zich pastoor St. uit Leipzig, “14
Leipzigse
katholieken” (waarvan mij alleen die ene naam van de consul-generaal D.
is
genoemd, vermoedelijk van een katholieke vereniging of van het bestuur
van iets
dergelijks). De jezuïetenpater S. uit Dresden, het aartsbisschoppelijk
bestuurscollege uit Praag, de kanunnik Moufang, de kardinalen Rampolla,
Galimbertis en Casati, de paus zelf, die een eigenaardig „schroeierige
straal“ hanteerde,
en tot slot talrijke monniken en nonnen; op een bepaald moment trokken
tegelijkertijd 240 benedictijnermonniken onder aanvoering van een
pater, wiens
naam zoiets als Starkiewicz luidde, als zielen mijn hoofd binnen, om
daarin ten
onder te gaan. Bij andere zielen was er sprake van nationale motieven
die met
religieuze belangen waren vermengd; onder hen een Weense zenuwarts,
wiens naam
toevallig identiek was met die van bovengenoemde benedictijner pater,
een
gedoopte jood en Slavofiel, die met behulp van mij Duitsland Slavisch
wilde
maken en daarin tegelijkertijd de heerschappij van het jodendom wilde
vestigen;
hij leek in zijn hoedanigheid als zenuwarts, net als professor Flechsig
voor
Duitsland, Engeland en Amerika ( dus in de westelijke Germaanse
staten), een
soort vertegenwoordiger te zijn van de godsbelangen voor een andere
godsprovincie
(namelijk de Slavische gebiedsdelen van Oostenrijk), waaruit zich
gedurende
enige tijd tussen hem en professor Flechsig een gevecht om de hegemonie
ontspon,
dat aan eerzucht was ontsprongen. Een andere groep werd hoofdzakelijk
gevormd
door gewezen leden van het Corps Saxonia uit Leipzig, waar professor
Flechsig
als corpslid bij had gehoord en die daarom, volgens mij, door hem aan
de
zaligheid waren geholpen; onder hen advocaat Dr. G. S. uit Dresden, Dr.
Med. S.
uit Leipzig, kantonrechter G. en talrijke jongere leden van het Corps,
die
later als “onder de Cassiopeia hangend” werden aangeduid. Aan de andere
kant
bestonden er ook veel studentenverenigingen, wier gedoe een tijd lang
een hoge
vlucht had genomen, zodat ze in staat waren geweest om de planeten
Jupiter,
Saturnus en Uranus te bezetten; de meest opvallende namen daarbij waren
A. K.,
advocaat en vice-president van het Pruisische huis van afgevaardigden,
die ik
overigens tijdens mijn leven nooit persoonlijk heb gekend en rector
professor
W. en advocaat H. uit Leipzig. Deze personen en de eerder vermelde
leden van
het Corps Saxiona leken de hele zaak, waarover het in mijn hoofd ging,
alleen
maar te beschouwen als een voortzetting van het oude gevecht tussen het
Corps
en de studentenverenigingen. Verder noem ik Geheimraad Dr. Wächter, die
een
soort leiderspositie op Sirius zou innemen en geheim kerkenraadslid Dr.
Hoffman,
die dat een dergelijke positie zou doen op de Plejaden en die daarna,
als mensen
die bovendien al geruime tijd waren gestorven, al een hogere trap van
zaligheid
schenen te hebben bestegen. Beiden hadden mij tijdens hun leven
persoonlijk
gekend en vermoedelijk vandaar een bepaalde belangstelling voor mij
gekregen.
Tot
slot moeten nog verschillende van mijn familieleden worden vermeld
(behalve
mijn vader en mijn broer, die hierboven al zijn genoemd, mijn moeder,
mijn
vrouw en mijn schoonvader), mijn in het jaar 1864 gestorven jeugdvriend
Ernst
K. en een prins, die als „mannetje“ in de later te verduidelijken
betekenis, op
mijn hoofd opdook en daarop zogezegd ging wandelen.
Al
die zielen praatten als „stemmen“ meer of minder onverschillig op mij
in,
zonder dat iemand van hen iets van de aanwezigheid van de anderen wist.
Wat
voor heilloze warboel daardoor in mijn hoofd ontstond, zal iedereen
kunnen
begrijpen, die deze hele uiteenzetting niet louter wil beschouwen als
ziekelijke uitwas van mijn fantasie. Toch hadden de zielen destijds nog
eigen
gedachten en waren daardoor in staat om mij mededelingen te doen, die
het
uiterste van mijn aandacht vergden, en ook antwoord op vragen te geven,
terwijl
tegenwoordig al sinds geruime tijd het geklets van de stemmen alleen
nog maar
bestaat uit een ontzettend eentonige herhaling van steeds terugkerende
(van
buiten geleerde) kreten. De reden daarvan zal ik later geven. Naast
deze zielen
die zich als afzonderlijke individuen bekend maakten, doken er
tegelijkertijd
steeds andere stemmen op, die in steeds hoger opstijgende gradaties tot
Gods
almacht uitgroeiden, en waarvoor de genoemde afzonderlijke zielen in
zekere zin
als voorposten leken te dienen.
Het
tweede punt, dat in dit hoofdstuk zal worden behandeld, betreft de
tendens, die
in de wereldorde bestaat, tot „ontmanning“ van iemand die in een
voortdurend
contact met stralen is getreden. – Dat hangt enerzijds samen met de
aard van de
godszenuwen, waardoor de zaligheid, zij het ook niet uitsluitend, op
die manier
althans toch tegelijkertijd een hoog opgevoerd wellustgevoel is,
anderzijds met
het plan dat ogenschijnlijk aan de wereldorde ten grondslag ligt, in
geval van
wereldcatastrofen, die de vernietiging van de mensheid op een of ander
hemellichaam tot een vereiste maken – in zijn soort opzettelijk of niet
–, om
een vernieuwing van het mensengeslacht mogelijk te maken. Als op een of
ander
hemellichaam zedelijk bederf („wellustige losbandigheden“) of mogelijk
ook
nervositeit de hele mensheid zodanig heeft aangegrepen, dat door hun
overmatig
zwart geworden zenuwen een noemenswaarde vulling van de voorportalen
van de
hemel niet kan worden verwacht, of een dreigende toename van de
aantrekkingskracht op de godszenuwen was te vrezen, dan kon een
ondergang van
het mensengeslacht op dit hemellichaam óf (door verwoestende epidemieën
enz.)
misschien vanzelf optreden óf door God worden besloten en door
aardbevingen,
overstromingen enz. teweeg worden gebracht. Misschien was het ook voor
God
mogelijk om aan een planeet, die tot de ondergang gedoemd was, de
warmte van de
zon (of van de desbetreffende andere vaste sterren, die voor haar
verwarming
dienen) geheel of gedeeltelijk te onttrekken, waarmee een nieuw licht
zou
vallen op het, voor zover mij bekend, nog niet door de wetenschap
opgeloste
probleem van de ijstijden. Het bezwaar, dat ten tijden van de aardse
ijstijden
de mensheid eigenlijk pas in haar (diluviale) ontluiken had bestaan,
zou
nauwelijks als doorslaggevend kunnen worden beschouwd. Want wie vertelt
ons, of
in de desbetreffende tijd niet op een of andere planeet, voor mijn part
Venus,
al een hoogontwikkelde mensheid bestond, waarvan de vernietiging
volgens het
bovenstaande in het plan Gods moest liggen en niet kon plaats vinden
zonder de
gelijktijdige aanzienlijke afkoeling van de aarde, die in haar
ontwikkeling nog
was achtergebleven? In al dergelijke dingen moet de mens proberen om
zich heen
te zetten over de bekrompen geocentrische ideeën, die hem zogezegd in
het bloed
zitten, en de zaak te beschouwen vanuit het verheven standpunt van de
eeuwigheid. Het is dus best mogelijk, dat in deze zin aan de ideeën van
Cuvier
over de periodiek op elkaar gevolgde wereldcatastrofen een stuk
waarheid ten
grondslag ligt. Er zal dan voor het behoud van de soort een enkel mens
overblijven
– misschien de relatief nog zedelijk meest degelijke –, die door de
stemmen die
met mij praatten als de “eeuwige jood” werd aangeduid. De betekenis van
deze
aanduiding is dus een iets andere dan die ten grondslag ligt aan de
gelijknamige sage van de jood Ahasverus; daarentegen wordt men
onwillekeurig herinnerd
aan de sagen van Noach, Deukalion en Pyrrha enz. Ook de sage van de
stichting
van Rome behoort daar mogelijkerwijze toe, volgens welke Rhea Sylvia de
latere
koningen Romulus en Remus niet van een aardse vader, maar rechtstreeks
van de
krijgsgod Mars zou hebben gekregen. De eeuwige jood (in de aangegeven
betekenis) moest om kinderen te kunnen baren ontmand (in een vrouw
veranderd)
worden. De ontmanning vond zo plaats, dat de (uitwendige) mannelijke
geslachtswerktuigen (balzak en mannelijk lid) in het lichaam werden
teruggetrokken
en, onder een gelijktijdige ombouw van de inwendige
geslachtswerktuigen, in de
overeenkomstige vrouwelijke geslachtsorganen werden veranderd; dat
gebeurde
misschien tijdens een eeuwenlange slaap, omdat daar toch ook een
verandering
van de skeletstructuur (bekken enz.) bij moest komen. Er vond dus een
teruggaande
ontwikkeling plaats of een ommekeer van het ontwikkelingsproces, dat in
elke
menselijke vrucht plaatsvindt in de vierde of vijfde maand van de
zwangerschap,
al naargelang de natuur het toekomstige kind het mannelijke of
vrouwelijke
geslacht wil toebedelen. In de eerste maanden van de zwangerschap zijn,
zoals
bekend, beide geslachten aangelegd, en de kenmerkende eigenschappen van
het
geslacht, dat niet tot ontwikkeling komt, blijven naargelang daarvan,
zoals de
mannelijke tepels, als rudimentaire organen op een lagere
ontwikkelingstrap
staan. Het vermogen om het aangeduide ontmanningswonder te voltrekken,
is de
lagere gods-(“Ariman”)stralen eigen; de stralen van de hogere God
(“Ormuzd”)
bezitten het vermogen om de mannelijkheid om een bepaalde reden weer te
herstellen. De voltrekking van dit ontmanningswonder heb ik, zoals al
in
opmerking 1 is vermeld, zelf meegemaakt bij mijn eigen lichaam, tijdens
mijn
verblijf in de klinieken, tot twee keer toe (binnen korte tijd); dat
het wonder
niet tot volledige ontwikkeling kwam, respectievelijk weer is
teruggedraaid,
berustte alleen maar op het feit, dat er niet alleen zuivere godstralen
aanwezig waren, maar bovendien ook nog stralen, die door beproefde
(onreine)
zielen werden bestuurd (Flechsigse enz. stralen), door de invloed
waarvan de
verwezenlijking werd verhinderd van het veranderingsproces in zijn
zuiverheid, dat
met de wereldorde overeenstemde. Het instandhouden van de eeuwige jood
en hem
voorzien van de noodzakelijke levensbehoeften werd verzorgd door
“vluchtig in
elkaar geflanste mannen”; voor dat doel werden dus zielen tijdelijk
door
wonderen in mensengestalten geplaatst, waarschijnlijk niet uitsluitend
voor de
levensduur van de eeuwige jood zelf, maar voor meerdere generaties
vooruit,
totdat zijn nageslacht talrijk genoeg zou zijn, om zichzelf in stand te
kunnen
houden. Dat schijnt de hoofdbestemming te zijn geweest van het
instituut, dat met
de wereldorde overeenstemde, van de “vluchtig in elkaar geflanste
mannen”; of
dat er bovendien nog voor heeft gediend om zielen die nog gereinigd
moesten
worden, in de menselijke gedaante, die hen hierdoor was gegeven, een of
andere
voor hun reiniging vereiste arbeidsprestatie te kunnen opleggen, durf
ik niet
te zeggen; in ieder geval bestond het doel van de vluchtig in elkaar
geflanste
mannen niet zomaar uit een wonderspelletje, waartoe zij tegenover mij
zijn
ontaard in de laatste periode van mijn verblijf in Flechsigs kliniek,
tijdens
mijn verblijf in Piersons kliniek en vast ook nog in de eerste tijd van
mijn
verblijf in de huidige kliniek.
Van
deze in de wereldorde aanwezige tendens, volgens welke onder bepaalde
voorwaarden de ontmanning van iemand is voorzien, moet naar mijn mening
professor
Flechsig een of ander vermoeden hebben gehad, hetzij dat hij daar
vanzelf op is
gekomen, hetzij dat hem die ideeën, wat ik voor waarschijnlijker zou
willen
houden, pas door goddelijke stralen zijn ingegeven. Daarover nu bestaat
echter
een fundamenteel misverstand, dat sindsdien als een rode draad door
mijn hele
leven loopt en wat er juist op berust, dat God volgens de wereldorde de
levende
mensen eigenlijk niet kende en niet hoefde te kennen, maar in
overeenstemming
met de wereldorde alleen met lijken contact kon hebben. Aan de andere
kant komt
de afhankelijkheid in aanmerking, waarin God verzeild was geraakt ten
opzichte
van professor Flechsig of zijn ziel, doordat hij zich niet meer kon
onttrekken
aan het zenuwcontact dat door hem eenmaal was bereikt en sindsdien
oneigenlijk was
aangehouden. Zo ontstond een systeem van laveren, waarbij de poging om
mijn
zenuwziekte toch nog te genezen werd afgewisseld met het streven om mij
te
vernietigen, als iemand, die gevaarlijk werd, tengevolge van de steeds
toenemende nervositeit van God zelf. Daaruit ontstond een politiek van
halfslachtigheid („minderwaardigheid“ zoals de uitdrukking luidde, die
door mij
herhaaldelijk werd opgevangen), die helemaal met het karakter van de
zielen
overeenkwam, die nu eenmaal zijn gewend aan het onafgebroken genieten
en
vandaar het, de mens eigen, vermogen niet of slechts in een vrij
geringe mate
bezitten om blijvende voordelen voor de toekomst te verwerven, door het
ogenblikkelijke opofferen of ogenblikkelijke afzien van het genot.
Tegelijkertijd werd de verbinding, die eenmaal met mijn zenuwen was
gelegd, hoe
meer men tegen mij begon te wonderen, steeds onlosmakelijker;
anderzijds had professor
Flechsig inmiddels begrepen hoe hij, met zijn hele ziel of een gedeelte
daarvan,
ten hemel kon op kon stijgen en zich daardoor zelf – zonder dood of
voorafgaande reiniging – tot stralengeleider kon maken. Op die manier
kwam een
tegen mij gericht complot gereed (ongeveer in maart of april 1894), dat
de
bedoeling had om mij, nadat de ongeneeslijkheid van mijn ziekte eenmaal
was
toegegeven of aanvaard, zo aan iemand uit te leveren, dat mijn ziel wel
aan hem
werd toevertrouwd, maar mijn lichaam – een onjuiste opvatting van de
hierboven
aangegeven tendens, die aan de wereldorde ten grondslag ligt – in een
vrouwelijk lichaam werd veranderd, als zodanig aan de desbetreffende
persoon
ten behoeve van seksueel misbruik werd overgelaten en vervolgens gewoon
“achtergelaten” werd, dus aan het bederf zou worden prijsgegeven. Over
wat er
van de „achtergelaten“ persoon terecht moest komen, en of die daarmee
ook
werkelijk dood was, lijkt men zich niet heel duidelijk rekenschap te
hebben
gegeven. Dat dit complot werkelijk heeft bestaan, daar koester ik niet
de
minste twijfel over, maar steeds met dien verstande, dat ik niet durf
te
beweren dat professor Flechsig in zijn hoedanigheid als mens daaraan
heeft
deelgenomen. Natuurlijk kwamen dergelijke dingen met geen woord ter
sprake, in
zoverre professor Flechsig mij als mens tegemoet trad, maar tijdens het
zenuwcontact,
dat door hem tegelijkertijd als ziel werd onderhouden, d.w.z. in de
zenuwtaal,
die in het begin van dit hoofdstuk is aangeduid, werd geheel onverholen
aan
deze bedoeling uitdrukking gegeven. Daarbij kwam dat ook de uitwendige
behandelingswijze leek overeen te komen met de bedoeling, die mij in de
zenuwtaal was aangekondigd; men hield mij wekenlang zonder
kledingstukken in
bed vast, om – zoals ik dacht – mij toegankelijker te maken voor
wellustige
gevoelens, die werden geprikkeld door de vrouwelijke zenuwen, die
langzamerhand
al mijn lichaam binnendrongen; men maakte ook gebruik van middelen
(medicijnen), die naar mijn overtuiging hetzelfde doel nastreefden en
die ik
daarom weigerde in te nemen, of weer uitspuugde als ze mij door de
bewakers met
geweld werden toegediend. Men kan zich voorstellen hoe mijn hele
mannelijke
eergevoel en gevoel van eigenwaarde, mijn hele morele persoonlijkheid
in
opstand kwam tegen dit schadelijke voornemen, nadat ik dat eenmaal met
zekerheid dacht te hebben onderkend, temeer omdat ik tegelijkertijd,
opgewonden
door de eerste openbaringen, die ik door het contact met andere zielen
over
goddelijke dingen had gekregen, helemaal vervuld was van heilige ideeën
over
God en de wereldorde. Geheel afgesneden van de buitenwereld, zonder
enig contact
met mijn familie, alleen in handen van brute bewakers, met wie het af
en toe
vechten, mij door de innerlijke stem als bewijs van mij mannelijke moed
als het
ware als plicht werd voorgesteld, kon daardoor geen andere gedachte in
mij
opkomen, dan dat elke nog zo verschrikkelijke wijze van doodgaan was te
verkiezen boven een zo smadelijk einde. Daarom besloot ik om door de
hongerdood
een einde aan mijn leven te maken en wees elk voedsel af, temeer omdat
de
innerlijke stemmen mij steeds voorhielden, dat het eigenlijk mijn
plicht was,
om van honger te sterven en mijzelf daardoor min of meer voor God op te
offeren, en dat elk genieten van een maaltijd, waar mijn lichaam toch
weer naar
verlangde, dus een onwaardige zwakte was. Het gevolg daarvan was, dat
er een
zogenaamd „voedersysteem“ werd ingesteld, d.w.z. dat de bewakers,
waarvan
hoofdzakelijk meestal dezelfden om mij heen waren – behalve de al
genoemde R.,
een zekere H. en nog een derde, wiens naam ik niet weet – mij voedsel
in de
mond dwongen, wat gedeeltelijk met de hevigste bruutheid plaats vond.
Het is
herhaaldelijk voorgekomen, dat een van hen mijn handen vasthield en de
andere op
mij knielde, terwijl ik in bed lag, om mij het voedsel in de mond te
proppen of
het bier in de mond te gieten.
Zo
was elk bad, dat ik nam, met beelden van verdrinken verweven. Men had
het – in
de zenuwtaal – over „reinigingsbaden“ en „heilige baden“; de laatste
zouden
juist de bedoeling hebben om mij in de gelegenheid te stellen om
mijzelf te
verdrinken; ik begaf mij bijna in elk bad met de inwendige angst, dat
het ertoe
diende om een eind aan mijn leven te maken. De innerlijke stemmen (met
name de
bovenvermelde zielen die bij het Corps Saxonia behoorden, de zogenaamde
Cassiopeiabroeders) praatten voortdurend in die zin op mij in en dreven
de spot
met mij, omdat het mij aan mannelijke moed ontbrak; ik deed daarom ook
herhaalde pogingen om mijn hoofd onder water te duwen, waarbij de
bewakers dan
in enkele gevallen mijn voeten boven water vasthielden en zo het
zelfmoordplan
schijnbaar een handje hielpen, maar ook mijn hoofd herhaaldelijk
onderduwden en
mij vervolgens met allerlei grove grappen dwongen om weer uit het water
op te
duiken en uiteindelijk uit bad te komen. In het zenuwcontact, dat met
professor
Flechsig werd onderhouden, vroeg ik hem voortdurend om cyaankali of
strychnine,
om mijzelf te vergiftigen, (een druppeltje „vergifsap“, zoals het in de
oertaal
heet) en professor Flechsig – in het zenuwcontact als ziel – stond ten
opzichte
van deze wens helemaal niet afwijzend, maar stelde de inwilliging
daarvan
steeds half en half in het vooruitzicht, en maakte in urenlange
zenuwcontactonderhandelingen de verstrekking ervan steeds op een
huichelachtige
manier van bepaalde waarborgen afhankelijk: of ik het vergif, als het
mij werd
gegeven, ook daadwerkelijk zou drinken enz. Kwam vervolgens professor
Flechsig bij
artsenbezoeken als mens bij mij, dan wilde hij natuurlijk van
dergelijke dingen
weer niets weten. Ook was er herhaaldelijk sprake van levend begraven
worden,
als middel om aan mijn leven een einde te maken. Daarbij was het vanuit
menselijk
oogpunt, dat mij destijds nog bij voorkeur beheerste, wel alleszins
natuurlijk,
dat ik mijn eigenlijke vijand alleen maar in professor Flechsig of zijn
ziel
zag (later kwam daar nog de ziel van von W. bij, waarover verder
hieronder) en
Gods almacht als mijn natuurlijke bondgenoot beschouwde, waarvan ik
dacht dat
die alleen tegenover professor Flechsig in een noodtoestand verkeerde
en daarom
dacht met alle denkbare middelen, tot zelfopoffering toe, te moeten
steunen.
Dat God zelf deelgenoot, zo niet zelfs aanstichter is geweest van het
plan van
de zielenmoord, die op mij moest worden gepleegd en van het prijsgeven
van mijn
lichaam als vrouwelijke hoer, is een gedachte, die zich pas veel later
aan mij
heeft opgedrongen, deels zelfs, durf ik wel te zeggen, bij mij pas
tijdens het
opschrijven van de huidige verhandeling tot een helder besef is
gekomen.
Tegelijkertijd heb ik echter hier, om de religieuze ideeën en gevoelens
van
andere mensen niet te verstoren, opnieuw uitdrukking gegeven aan
dezelfde
gedachten, zoals ik ook al aan het slot van hoofdstuk II heb gedaan.
Hoe
schandalig – subjectief gezien – mij dat hele plan ook moest lijken,
toch aarzel
ik niet te erkennen, dat dat door die drang tot zelfbehoud was
ingegeven, die
bij God even natuurlijk is als bij elk ander levend wezen – een drang
tot
zelfbehoud, die, zoals al in andere verbanden is uiteengezet, God
inderdaad
onder bepaalde omstandigheden moest dwingen om het plan tot
vernietiging te
voorzien, niet alleen maar van afzonderlijke mensen, maar misschien ook
van
hele hemellichamen met alle daarop geschapen wezens. Ook bij Sodom en
Gomorra
wordt ons in het 19e hoofdstuk van het eerste boek van Mozes verhaald,
dat er
een vernietiging van deze stad door middel van zwavel- en vuurregens
heeft
plaats gevonden, ofschoon zich onder hun bewoners een, zij het ook
gering,
aantal “rechtvaardigen” had bevonden. Overigens zal in ook in het hele
gebied
van de geschapen wereld niemand iets immoreels aantreffen, als – zonder
in
strijd te zijn met de wereldorde – de sterkere de zwakkere overwint,
het meer
beschaafde volk een volk, dat op een lager cultuurniveau staat uit zijn
woonplaatsen verdringt, de kat de muis opvreet, de spin de mug doodt
enz.
Het
begrip zedelijkheid bestaat nu eenmaal alleen maar binnen de
wereldorde, d.w.z.
de natuurlijke band, die God en de mensheid bijeenhoudt; waar de
wereldorde
eenmaal doorbroken is, blijft alleen maar een machtskwestie over,
waarbij het
recht van de sterkste beslist. Het zedelijk aanstootgevende lag dus in
mijn
geval alleen in het feit, dat God zichzelf buiten de ook voor hem
geldende
wereldorde had geplaatst; daartoe was hij echter aangezet, zij het ook
niet
rechtstreeks gedwongen, maar op zijn minst ten gevolge van een
verleiding die voor
zielen moeilijk is te weerstaan, en die hem door de aanwezigheid van
onreine
(“beproefde”) ziel van professor Flechsig in de hemel was bereid. Door
de tamelijk
hoge graad van eigen menselijke intelligentie die bij hem destijds nog
aanwezig
was, waren Flechsigs zielen bovendien in staat geweest om bepaalde
technische
voordelen te verwerven (waarover hieronder verder) ten opzichte van de
godszenuwen,
die aanvankelijk telkens met hen in aanraking kwamen, en die nu eenmaal
als
zielen het vermogen niet bezaten tot een zelfverloochende opoffering,
en het
nodig hadden gevonden om mij een slaap te verschaffen, die voor mijn
genezing voldoende
was en daarmee Flechsigs zielen onschadelijk te maken. Ik ben daarom
geneigd om
de hele ontwikkeling vanuit het oogpunt van een gebeurtenis te
bekijken,
waarbij noch van de kant van God, noch van mijn kant sprake kan zijn
van morele
schuld. Anderzijds bewijst echter de wereldorde opnieuw haar hele
grootsheid en
verhevenheid door het feit, dat zij in een geval, dat zo in strijd is
met de
regels, ook aan God zelf de machtsmiddelen ontzegt, om een doel te
bereiken,
dat strijdig is met de wereldorde. Alle bedoelingen tot het plegen van
zielenmoord en ontmanning, die te zeer strijdig zijn met de wereldorde
(d.w.z. die
voor bevrediging van iemands geslachtelijke begeerte dienen) en de
pogingen,
die later op vernietiging van mijn verstand waren gericht, zijn
mislukt. Omdat
de wereldorde aan mijn kant staat, kom ik als overwinnaar tevoorschijn
uit het
ogenschijnlijk zo ongelijke gevecht van een enkele zwakke mens met God
zelf,
zij het na menig bitter lijden en menige ontberingen. Ook mijn
uiterlijke
situatie en mijn lichamelijke gezondheidstoestand verbetert momenteel
al van
jaar tot jaar. Zo leef ik dus in het optimistische vertrouwen, dat de
hele
verwikkeling slechts een episode zal betekenen, die uiteindelijk op de
een of
andere manier zal leiden tot herstel van de toestand, die met de
wereldorde
overeenstemt. Misschien kan zelfs het persoonlijke ongemak en het
verlies van
de zaligheden, die tot nu toe aanwezig zijn geweest een zekere
vereffening
vinden in het feit, dat voor de mensheid naar aanleiding van mijn geval
in één
klap de kennis van religieuze waarheden in een veel grotere mate
toegankelijk
wordt, dan het in eeuwen of eigenlijk ooit mogelijk zou zijn geweest,
op de
manier van het wetenschappelijke onderzoek met al het gebruikmaken van
de
menselijke scherpzinnigheid. Wat voor onschatbare winst het voor de
mensheid
zou betekenen, als door mijn persoonlijke lotgevallen, met name ook in
hun toekomstige
vormgeving, de bodem onder het louter materialisme en eveneens onder
een
onduidelijk pantheïsme eens en voor altijd wordt weggeslagen, kan
nauwelijks in
woorden worden uitgedrukt.
Hoofdstuk
6 - Persoonlijke belevenissen, vervolg. Visioenen, „Geestenziener“
De
periode, die ik in het voorgaande hoofdstuk heb proberen te schilderen
–
ongeveer van midden maart tot eind mei 1894, eenmaal aangenomen, dat
het
daarbij werkelijk alleen om een aantal aardse maanden en niet om eeuwen
is
gegaan – is, zoals ik wel durf te stellen, de gruwelijkste tijd van
mijn leven
geweest. En toch was die periode ook de meest heilige tijd van mijn
leven,
waarin mijn ziel, geheel verrukt door de buitenzinnelijke dingen, die
steeds
massaler op mij afkwamen, temidden van de brute behandeling, die ik
uiterlijk
meemaakte, was vervuld met de meest verheven ideeën over God en de
wereldorde.
Daarbij was ik toch van kinds af aan iemand geweest, die tot alles
eerder was geneigd,
dan tot religieuze dweperij. Alle mensen die mij in mijn eerdere leven
op een
of andere manier van nabij hebben meegemaakt, zullen kunnen verklaren,
dat ik
een rustige, passieloze, helder denkende, bijna nuchtere persoon was,
wiens
individuele begaafdheid meer in de richting van een koele
verstandelijke
kritiek lag, dan in het creatieve bezig zijn met een vrije
verbeeldingskracht.
Ik was, al had ik het ook af en toe bij kleine familiegelegenheden
geprobeerd, allesbehalve
wat men een dichter pleegt te noemen. Ook was ik nooit (sinds de tijd
van mijn
jongelingsjaren) een echt gelovig iemand geweest in de betekenis van
onze
positieve religie. Ik was weliswaar evenmin in enige periode een
religieverachter geweest; ik vermeed veeleer om veel over religieuze
dingen te
praten en had van oudsher het gevoel, dat men mensen, die het geluk
hadden om
ook in latere jaren een vroom kindergeloof te bewaren, in dat geluk
niet mocht
storen. Alleen had ik mijzelf echter zoveel bezig gehouden met
natuurwetenschappelijke dingen, met name met boeken, die aan de basis
van de
zogenaamde moderne ontwikkelingsleer stonden, dan dat ik niet op zijn
minst aan
de letterlijke waarheid van alles wat de christelijke religie leerde
zou hebben
moeten gaan twijfelen. De totale indruk bij mij was weliswaar altijd
geweest,
dat het materialisme niet het laatste woord in goddelijke zaken zou
kunnen hebben,
maar evenmin was ik in staat geweest om tot een standvastig geloof in
het
bestaan van een persoonlijke God te komen, of dat te bewaren.
Als
ik nu wil proberen over de tijd, die ik hierboven mijn heilige tijd heb
genoemd, in dit hoofdstuk nog een paar verdere bijzonderheden te geven,
dan ben
ik mij heel goed bewust van de problemen, die mij in de weg zullen
staan. De
problemen zijn deels uiterlijk, deels innerlijk van aard. Ik ben nu
eenmaal bij
een dergelijke poging uitsluitend op mijn geheugen aangewezen, omdat ik
destijds niet in de gelegenheid was om enige aantekeningen te maken: ik
had
geen schrijfmateriaal tot mijn beschikking en had ook niet de neiging
gehad om
schriftelijke aantekeningen te maken, omdat ik toentertijd – of dat
terecht of
onterecht was, blijft voorlopig nog twijfelachtig - dacht dat de hele
mensheid
ten onder was gegaan, en dus voor schriftelijke aantekeningen enige zin
niet
duidelijk zou zijn geweest. Bovendien waren de indrukken, die op mij
afstormden,
een zo wonderbaarlijk mengsel van natuurlijke gebeurtenissen en
voorvallen van
een buitenzinnelijke aard, dat het voor mij oneindig zwaar valt om
louter
droombeelden te onderscheiden van belevenissen in waaktoestand, dus om
met
zekerheid te zeggen in hoeverre alles, wat ik denk te hebben
meegemaakt, ook
werkelijk een historische realiteit toekomt. Mijn herinneringen uit die
periode
moeten daarom in zekere mate het stempel van een verwarde toestand met
zich
meedragen.
Een
deel van mijn herinneringen zal met geen enkele van de vertrekken van
Flechsigs
kliniek, die mij grotendeels bekend zijn, echt kloppen; daardoor, in
samenhang
met andere omstandigheden, ontstond bij mij de twijfel, of ik ook
werkelijk de
hele periode, waarover het hier gaat, in Flechsigs kliniek en niet
ergens
anders ben geweest. De geneeskundige behandeling lag behalve in handen
van professor
Flechsig, in handen van twee arts-assistenten, Dr. Täuscher en Dr.
Quentin. In
de tijd, waar ik het nu over heb, was een periode, waarin de artsen
helemaal
niet te zien waren, maar waarin alleen bewakers – steeds de
bovengenoemde – om
mij heen waren. In die tijd maakte de kliniek zelf een volkomen
verlaten
indruk; ook van andere patiënten zag ik weinig of helemaal niets, als
ik de
voor mijn kamer gelegen gang betrad. Geruime tijd later verscheen dan
professor
Flechsig weer, maar zoals al hierboven vermeld, in een gedaante, die op
mij op
zijn minst een niet onbelangrijk veranderde indruk maakte; de
arts-assistenten
heb ik in de laatste periode van mijn verblijf in de kliniek, voor
zover ik mij
kan herinneren, óf helemaal niet óf in heel sporadische gevallen
gezien.
In
het vorige hoofdstuk is al vermeld, dat ten gevolge van mijn gestaag
toenemende
nervositeit en de daardoor verhoogde aantrekkingskracht een steeds
groter
aantal afgescheiden zielen zich tot mij voelden aangetrokken – in
eerste
instantie steeds zielen, die uit een persoonlijke relatie in het leven
mogelijk
nog een bijzondere belangstelling voor mij hadden bewaard – om
vervolgens op
mijn hoofd of in mijn lichaam te vervluchtigen. Het gebeuren eindigde
er in
zeer veel gevallen mee, dat de desbetreffende zielen ten slotte nog als
zogenaamde „mannetjes“ – minuscule figuurtjes in mensengedaante,
mogelijk
slechts enige millimeters groot – een kortdurend bestaan op mijn hoofd
leidden,
om vervolgens volledig te verdwijnen. Ik neem aan, dat die zielen, die
bij hun
aanvankelijke toenadering misschien nog over een tamelijk groot aantal
zenuwen
beschikten en daardoor nog een tamelijk sterk identiteitsbesef hadden,
bij elke
toenadering door de aantrekkingskracht ten behoeve van mijn lichaam een
deel
van hun zenuwen verloren en uiteindelijk alleen nog maar uit een enkele
zenuw
bestonden, die dan op grond van een wonderbaarlijke, niet nader te
verklaren
samenhang, de gedaante aannam van een “mannetje” in de bovenvermelde
betekenis,
als laatste bestaansvorm van de desbetreffende ziel, vóór haar volledig
verdwijnen. Daarbij werden mij in zeer veel gevallen de sterren of
sterrenbeelden genoemd, vanwaar ze uitgingen of “waaronder ze hingen”,
namen,
die deels met de gebruikelijke astronomische benamingen overeenstemden,
maar
deels ook niet. Zo werden bijzonder vaak Cassiopeia, Wega, Capella en
ook een
ster „Gemma“ genoemd (waarvan ik niet weet, of die overeenkomt met een
astronomische benaming); verder de „Crucianen“ (misschien het zuidelijk
kruis?), het firmament en wat dies meer zij. Er waren nachten, waarop
de zielen
ten slotte als „mannetjes“ bij honderden, zo niet duizenden, van mijn
hoofd als
het ware naar beneden druppelden. Daarbij waarschuwde ik steeds voor de
toenadering, omdat ik elke keer na eerdere gebeurtenissen een besef had
van de
mateloos gestegen aantrekkingskracht van mijn zenuwen, terwijl de
zielen een
dergelijk bedreigende aantrekkingskracht aanvankelijk als volstrekt
ongeloofwaardig beschouwden. Andere stralen, die zich als Gods almacht
zelf op
de hierboven aangeduide manier gedroegen, droegen ander benamingen,
zoals „de
heer van de hemelse heerscharen“, „de goede herder“, „de almachtige“,
enz.,
enz. In samenhang met deze verschijningen trad in de visioenen, die ik
elke
nacht had, al heel vroeg de onlosmakelijke verbinding tussen God en
mijzelf op
de voorgrond. Van alle kanten kwamen jobstijdingen binnen, dat nu ook
deze of
gene ster, dit of dat sterrenbeeld „opgegeven“ had moeten worden; nu
eens
luidde het dat nu ook Venus was „overstroomd”, dan weer dat nu het hele
zonnestelsel
“losgekoppeld” moest worden, vervolgens dat Cassiopeia (het hele
sterrenbeeld)
tot een enkele zon samengetrokken had moeten worden, dan weer dat
alleen de
Plejaden misschien nog te redden waren, enz., enz. Terwijl ik ‘s nachts
deze
visioenen had, dacht ik overdag te merken, dat de zon mijn bewegingen
volgde;
als ik mij heen en weer bewoog in de kamer met het ene raam, waarover
ik
destijds beschikte, zag ik het zonlicht overeenkomstig mijn bewegingen
nu eens
op de (van de deur af gerekend) rechter- en dan weer op de linkerwand.
Ik vind
het moeilijk om bij deze waarneming, die ik, zoals vermeld, overdag heb
gedaan,
aan een zinsbegoocheling te denken, temeer omdat ik mij herinner, dat
ik op
deze waarneming, die mij natuurlijk met ontzetting vervulde, bij een
bezoek van
de arts-assistent Dr. Täuscher hem ooit daarop opmerkzaam heb gemaakt.
Toen ik
vervolgens in een latere periode weer regelmatig in de tuin kwam, heb
ik – als
mijn geheugen mij niet volledig bedriegt – opeens „twee zonnen“ aan de
hemel
zien staan, waarvan de een onze aardse zon was en de andere het
sterrenbeeld
Cassiopeia moest zijn, dat tot een enkele zon was samengetrokken.
Daarbij heeft
zich bij mij, uit het geheel van mijn herinneringen, de indruk
gevestigd, alsof
het desbetreffende tijdsbestek, dat volgens de gebruikelijke menselijke
veronderstelling slechts drie tot vier maanden omvatte, in
werkelijkheid een
enorm lange tijd moet hebben omvat, alsof afzonderlijke nachten eeuwen
zouden
hebben geduurd, zodat binnen deze periode zich bij de hele mensheid,
bij de
aarde zelf en het hele zonnestelsel, heel goed de meest ingrijpende
veranderingen zouden hebben kunnen voltrekken. In de visioenen was er
herhaaldelijk sprake van geweest, dat het werk van een 14000-jarig
verleden
verloren was gegaan – dat getal moest waarschijnlijk de tijdsduur
aangeven dat de
aarde met mensen was bevolkt - en dat de aarde nog slechts de duur van
ongeveer
200 jaar was gegund – als ik mij niet vergis, werd het getal 212
genoemd -;
tijdens de laatste periode van mijn verblijf in Flechsigs kliniek dacht
ik dat
die tijd al bijna afgelopen was, hield mijzelf daardoor voor de enige
nog
overgebleven echte mens en beschouwde de enkele menselijke gedaanten,
die ik
behalve mijzelf nog zag – professor Flechsig zelf, een aantal bewakers
en de
heel weinige, sporadische patiënten met een min of meer zonderling
uiterlijk –
slechts als gewonderde, “vluchtig in elkaar geflanste mensen”. Ik
overwoog verschillende
mogelijkheden, zoals dat de hele Flechsigse kliniek of misschien wel de
stad
Leipzig samen met hen uit de aarde was „opgetild“ en naar een of ander
hemellichaam
was verplaatst, mogelijkheden, waarop de vragen van de stemmen die met
mij
spraken, of Leipzig nog overeind stond enz. soms leken te duiden. De
sterrenhemel beschouwde ik als geheel of op zijn minst grotendeels
uitgestorven. Enige gelegenheid om dergelijke ideeën te corrigeren werd
mij
niet geboden. Het raam van mijn slaapkamer was ‘s nachts met een zwaar
houten
luik afgesloten, zodat mij de aanblik van de nachtelijke hemel was
ontnomen.
Overdag zag ik, over de muren van de kliniektuin heen, alleen maar een
paar van
de rechtstreeks aanpalende gebouwen. In de richting van het Beiersche
station
zag ik over de muren van de kliniek heen alleen een smalle streep land,
die op
mij een alleszins merkwaardige indruk maakte, die volledig afweek van
de eigenlijke
toestand van de omgeving die ik goed kende; men had het af en toe over
een
“heilig” landschap. Het gefluit van de spoortreinen, dat mij toch
nauwelijks
zou hebben kunnen ontgaan, heb ik een tijd lang nooit gehoord. Alleen
het
verder branden van de gasvlammen bracht mij weer in de war over het
vermoeden
van een volledige isolering van Flechsigs kliniek, omdat ik dan toch
een of
andere samenhang met de stad Leipzig moest aannemen, als ik niet meteen
aan de
mogelijkheid wilde denken van een eigen gashouder, die voor de kliniek
was
gebouwd. Ik bewaar verder herinneringen in mijn geheugen, waarvan ik de
indruk
in het algemeen alleen zo kan duiden, dat het voor mij lijkt, alsof ik
zelf een
tijd lang nog in een tweede, geestelijke minderwaardige gedaante
aanwezig ben
geweest. Of iets dergelijks op de manier van wonderen denkbaar is, en
of het
mogelijk zou zijn geweest om mij met een gedeelte van mijn zenuwen nog
een keer
in een tweede lichaam te plaatsen, moet ik in het midden laten. Ik kan
alleen
maar herhalen, dat ik herinneringen heb, die op een dergelijke
mogelijkheid
lijken te duiden. Over de tweede minderwaardige gedaante, waarvan
ikzelf de
indruk heb, dat die slechts in het bezit van een geringer verstandelijk
vermogen is geweest, werd mij verteld, dat er ooit een andere Daniel
Paul
Schreber is geweest, die geestelijk veel begaafder was dan ik. Omdat in
stamboom
van mijn familie, die ik zeer precies ken, voor mij nooit een andere
Daniel
Paul Schreber heeft bestaan, denk ik dus dat ik deze andere Daniel Paul
Schreber alleen op mijzelf mag betrekken, als iemand die in het
volledige bezit
van mijn zenuwen was. In de tweede, minderwaardige gedaante moet ik dan
op een
of andere dag, als ik die uitdrukking mag gebruiken, zachtjes
heengegaan zijn;
ik herinner me, dat ik in een kamer, die ik met geen enkele van de mij
bekende
ruimten in Flechsigs kliniek kan rijmen, in bed lag en daarbij het
duidelijke
besef had van een geleidelijk uitdoven van mijn ziel, een toestand, die
overigens eigenlijk het karakter had van een pijnloos vredig ontslapen,
afgezien van weemoedige herinneringen aan mijn vrouw, aan wie ik
daarbij veel
dacht. Aan de andere kant was er een periode, waarin de zielen, die met
mij in
zenuwcontact stonden, het over meerdere hoofden (d.w.z. meerdere
individuen in
dezelfde schedel) hadden, die zij bij mij aantroffen en als het ware
geschrokken terugdeinsden met de kreet: „In godsnaam, dat is iemand met
meerdere hoofden”. Ik besef heel goed, hoe fantastisch dat alles voor
andere
mensen moet klinken; ik ga daarom ook niet zover om te beweren, dat
alles wat
daarover is verteld, de objectieve werkelijkheid is geweest; ik haal
alleen
maar aan, welke indrukken nog als herinneringen in mijn geheugen
vastzitten.
De
visioenen, die met het idee van een wereldondergang in verband stonden,
en waarvan
ik er talloze had, zoals al is vermeld, waren deels gruwelijk van aard,
maar
deels ook weer van een onbeschrijfelijke grootsheid. Ik wil alleen op
een
aantal daarvan wat terugblikken. In een ervan reed ik, terwijl ik als
het ware
in een treinwagon of een rolstoel zat, de diepten van de aarde in en
maakte
daarbij bij wijze van spreken de hele geschiedenis van de mensheid of
de aarde
achterwaarts door; in de bovenste regionen waren nog loofbossen; in de
onderste
regionen werd het steeds donkerder en zwarter. Bij het tijdelijke
verlaten van
het voertuig, kwam ik terecht op zoiets als een groot kerkhof, waarbij
ik
behalve de plek, waar de bevolking van Leipzig lag, ook langs het graf
van mijn
eigen vrouw kwam. Ik drong, nadat ik weer in het voertuig was gaan
zitten,
slechts door tot een zeker punt 3; ik schrok ervoor terug om punt 1 te
betreden,
dat het oerbegin van de mensheid moest betekenen. Bij het
achteruitrijden
stortte de schacht achter mij in, onder een gestage bedreiging van een
„zonnegod“,
die daar tegelijkertijd in aanwezig was. In verband daarmee luidde het
vervolgens, dat er twee schachten waren geweest (in overeenstemming met
het
dualisme van het godsrijk?); toen het bericht kwam dat ook de tweede
schacht
was ingestort, gaf men alles op. Een andere keer doorkruiste ik de
aarde van
het Ladogameer tot Brazilië en bouwde daar, in een kasteelachtig
gebouw, samen
met een bewaker een muur als bescherming van het godsrijk tegen een
aanstormende geelachtige zeevloed – ik betrok het op het gevaar van een
syfilitische besmetting. Een andere keer had ik weer het gevoel, alsof
ikzelf
tot de zaligheid werd omhooggetrokken; ik zag toen als het ware van
bovenaf,
vanuit de hemel naar beneden, de hele aarde die onder een blauw gewelf
onder
mij rustte, een beeld van een weergaloze pracht en luister; als naam,
die ter
duiding van het beeld diende, hoorde ik een uitdrukking die ongeveer
als
“Godzijbijelkaaruitzicht” luidde. Bij andere voorvallen ben ik
twijfelachtig
over het feit of het louter om visioenen of toch deels om werkelijke
gebeurtenissen gaat. Ik herinner me, dat ik heel vaak ‘s nachts,
slechts
gekleed in een hemd (alle kledingstukken waren mij immers afgepakt) op
de
planken vloer van mijn slaapkamer heb gezeten, nadat ik het bed vanwege
een of
andere innerlijke drang had verlaten. De handen, waarmee ik achter mijn
rug op
de grond steunde, werden dan door beerachtige gedaanten (zwarte beren)
van tijd
tot tijd duidelijk in de hoogte getild; andere „zwarte beren“, grotere
en
kleinere, zag ik met fonkelende ogen om mij heen in de nabijheid
zitten. Mijn beddengoed
nam de vorm aan van zogenaamde „witte beren“. Door het luik in de deur
van mijn
slaapkamer zag ik gele mannen van een niet gemiddelde lengte voor de
deur van
mijn slaapkamer heen en weer lopen, met wie ik dus een of ander gevecht
zou
moeten voeren. Katten met fonkelende ogen zaten af en toe in de bomen
van de tuin
van de kliniek, als ik nog in een wakende toestand verkeerde, d.w.z. in
de late
avonduren. Ik kan mij verder herinneren, dat ik een tijd lang in een
slot aan
een of ander zeekust ben geweest, dat tengevolge van een dreigende
overstroming
moest worden verlaten en van waaruit ik vervolgens na een lange, lange
tijd
weer in Flechsigs kliniek ben teruggekeerd, waarin ik mij opeens weer
terugvond
in de toestand, die mij van vroeger bekend was. Voor het raam van mijn
slaapkamer zag ik bij het openen van het luik ’s ochtends vroeg een
dicht bos,
maar een paar meter van het raam af, dat voor zover ik mij herinner,
hoofdzakelijk uit berken en sparren bestond. De stemmen noemden het een
heilig
bos. Met de tuin van de universiteitszenuwkliniek, een jonge, pas in
1882
aangelegde aanplant, die in wezen slechts uit rijen afzonderlijke bomen
langs
de weg bestond, had dit schouwspel niet de geringste overeenkomst. Dat
een
dergelijk bos, als het werkelijk bestond, niet in drie tot vier maanden
had kunnen
opgroeien, is vanzelfsprekend. Mijn hoofd was tengevolge van het
massaal
toestromen van stralen heel vaak door een lichtschijnsel omgeven, net
zoals de
stralenkrans van Christus enz, op schilderijen wordt afgebeeld, alleen
onvergelijkbaar rijker en stralender: de zogenaamde “stralenkroon”. De
spiegelwerking van deze stralenkroon was zo sterk, dat toen op een dag
professor
Flechsig met de arts-assistent Dr. Quentin aan mijn bed verscheen, de
laatste
voor mijn ogen verdween; hetzelfde was een andere keer ook het geval
met bewaker
H.. Geruime tijd was er sprake van, dat ikzelf onder de hoede van
Cassiopeia
moest verblijven, gedurende de tijd dat de zonnen naar een of andere
andere
bestemming werden geleid, waarschijnlijk om hun bijbehorende planeten,
dus ook
onze aarde te behouden. De aantrekkingskracht van mijn zenuwen was
echter zo
sterk, dat dit plan niet uitgevoerd kon worden en de zon zich veeleer
moest
ophouden op de plek waar ik mij bevond, of dat ik zelf zou moeten
worden
teruggeplaatst.
Na
dergelijke indrukken, die ik misschien in een van de volgende
hoofdstukken zal
proberen uit te leggen, zal men het enigszins begrijpelijk vinden, dat
ik
jarenlang met de twijfel heb geleefd, of ik mij werkelijk op aarde of
niet
veeleer op een of ander ander hemellichaam bevond. In het jaar 1895 heb
ik nog
de mogelijkheid overwogen, of ik mij niet op Phobus bevond, een
satelliet van
de planeet Mars, die mij in een of ander verband ooit door de stemmen
was
genoemd en of ik de maan, die ik in die periode af en toe aan de hemel
zag
staan, niet moest zien, alsof die tot de hoofdplaneet Mars behoorde.
In
de zielentaal heette ik in de periode, die in het huidige hoofdstuk is
behandeld, „de geestenziener“ d.w.z. iemand die geesten ziet, of met
geesten of
afgescheiden zielen contact heeft. Met name Flechsigs ziel placht over
mij als
de „grootste geestenziener sinds eeuwen“ te praten, waarop ik dan,
omdat ik van
een uitgebreider standpunt uitging, er af en toe wel op wees, dat men
op zijn
minst van de grootste geestenziener sinds duizenden jaren zou moeten
spreken.
Inderdaad zal, sinds de wereld bestaat, vast nauwelijks één geval zijn
voorgekomen, zoals het mijne, namelijk dat iemand niet louter met
afzonderlijke
afgescheiden zielen, maar met het geheel van alle zielen en met Gods
almacht in
een onafgebroken, dat wil zeggen, een niet meer aan een onderbreking
onderhevig
contact is getreden. Aanvankelijk probeerde men weliswaar nog
onderbrekingen in
te lassen; men onderscheidde nog „heilige tijden“, d.w.z. tijden,
waarin een
zenuwcontact of een stralencontact of een spreken van stemmen –
allemaal
eigenlijk alleen maar verschillende namen voor hetzelfde gebeuren –
moest
plaatsvinden en “niet-heilige tijden”, waarin men van plan was om het
stralencontact op te geven. Maar al snel stond de buitensporige
aantrekkingskracht van mijn zenuwen geen dergelijke pauzes of
onderbrekingen
meer toe; er bestonden nog alleen maar „heilige tijden“. Geestenzieners
van een
minder kaliber zijn er vast in een groter of kleiner aantal al vóór
mijn geval
geweest. Om niet helemaal tot de bijbelse gebeurtenissen terug te gaan,
acht ik
b.v. in het geval van de Maagd van Orleans, of de kruisvaarders bij het
terugvinden van de heilige lans in Antiochië, of dat van keizer
Constantijn bij
het bekende, voor de overwinning van het christendom beslissende,
visioen: In hoc signo vinces een voorbijgaand
opgetreden stralencontact, voorbijgaande goddelijke ingevingen, als
zeer
waarschijnlijk. Ook bij gestigmatiseerde maagden mag vast af en toe
hetzelfde
worden aangenomen. In de sagen en verbeelding van alle volkeren wemelt
het eigenlijk
van stromingen met geesten, elfen, kabouters enz., en de
veronderstelling dat
men bij al die ideeën alleen maar heeft te maken met willekeurige
ervaringen
van de menselijke verbeeldingskracht, zonder enige werkelijke
achtergrond,
lijkt mij gewoon dwaas. Met belangstelling heb ik er daarom kennis van
genomen,
dat volgens het psychiatrieleerboek van Kraepelin (5e druk, Leipzig
1896, pag.
95 e.v. en met name pagina 110 e.v.) dat mij voor enige tijd in leen
ter
beschikking werd gesteld (terwijl ik met het schrijven van deze
geschreven
versie bezig was), het idee, dat met een of andere stem in een
buitenzinnelijk
contact staan, wel vaker is waargenomen bij mensen, bij wie de zenuwen
zich ook
in een ziekelijke opwinding bevinden. Ik wil helemaal niet in twijfel
trekken,
dat men in heel veel van dergelijke gevallen louter met
zinsbegoochelingen kan
hebben te maken, die in genoemd leerboek zonder uitzonderingen op die
manier
worden behandeld. De wetenschap zou naar mijn mening er echter zeer
verkeerd
aan doen, als zij al dat soort verschijnselen, als elke objectieve
realiteit
missend, met de kwalificatie „zinsbegoochelingen“ op de algemene
rommelzolder
van de onwerkelijke dingen zou gooien, zoals dat wellicht
gerechtvaardigd kan
zijn bij de zinsbegoochelingen die door Kraepelin, bldz. 108 e.v. wordt
behandeld als iets, wat niet in verband staat met bovennatuurlijke
zaken. Ik houd
het helemaal niet voor uitgesloten, dat het in een bepaald aantal van
dergelijke gevallen geestenzieners heeft betroffen van een minder
kaliber, in
de betekenis, die al eerder is uiteengezet. Daarbij moet niet worden
ontkend,
dat er tegelijkertijd sprake is geweest van een ziekelijk verhoogde
prikkelbaarheid van de zenuwen, voor zover juist pas door de daardoor
vergrote
aantrekkingskracht van de zenuwen een optreden van een contact met
bovennatuurlijke
krachten mogelijk is gemaakt en gunstig is beïnvloed. Dat er bij mij
louter
zinsbegoochelingen in het spel zijn, lijkt mij al van meet af aan
psychologisch
ondenkbaar. Immers de zinsbegoocheling om met God of afscheiden zielen
in
contact te staan, kan toch gevoeglijk alleen maar bij dat soort mensen
ontstaan, die in hun ziekelijk geprikkelde zenuwtoestand al een bepaald
geloof
in God en in de onsterfelijkheid van de ziel hebben ingebracht. Dat is
echter
bij mij helemaal niet het geval geweest, gezien wat er in het begin van
dit
hoofdstuk is vermeld. Ook de zogenaamde mediums van de spiritisten
kunnen,
alhoewel daar in veel gevallen zelfmisleiding en bedrog ingeslopen
kunnen zijn,
toch in een niet gering aantal van de gevallen worden beschouwd als
werkelijke
geestenzieners, van een minder kaliber. Men hoede zich dus in
dergelijke zaken
voor onwetenschappelijk generalisering en overhaaste veroordeling. Als
de
psychiatrie niet eenvoudigweg al het buitenzinnelijke wil loochenen en
als het
ware met beide voeten het kamp van het naakte materialisme binnen wil
trekken,
dan zal ze er niet omheen kunnen om de mogelijkheid te erkennen, dat
men bij
verschijnselen van het omschreven soort onder bepaalde omstandigheden
met
werkelijke gebeurtenissen heeft te maken, die zich niet zonder meer met
de
kreet “zinsbegoochelingen” laten afschepen.
Na
deze uitweiding kom ik terug op het eigenlijke onderwerp van mijn werk
en zal
in het volgende hoofdstuk een voortzetting laten volgen van wat er tot
nu toe is
behandeld, waarbij ik deels nog een aantal punten aanstippen, die tot
het
gebied van het buitenzinnelijke behoren en daarin niet goed kunnen
worden
ondergebracht in verband met het voorgaande, en deels namelijk ook mijn
uiterlijke lotgevallen zal bespreken tijdens de periode, waar ik het
momenteel
over heb.
Hoofdstuk
7 – Persoonlijke belevenissen, vervolg; merkwaardige
ziekteverschijnselen.
Visioenen.
Ik
ben, vanwege de al vermelde redenen, niet in staat om meer nauwkeurige
chronologische informatie te geven betreffende de tijd, die middenin
ligt tussen
het laatste bezoek van mijn vrouw (medio februari 1894) en het einde
van mijn
verblijf in Flechsigs kliniek. Maar een paar aanknopingspunten staan
mij wat
dat betreft ter beschikking. Ik herinner mij, dat mij ongeveer medio
maart
1894, toen het contact met buitenzinnelijke krachten al in een vrij
sterke mate
was opgetreden, een krantenpagina werd voorgehouden, waarin zoiets als
mijn
eigen overlijdensbericht was te lezen; ik vatte deze gebeurtenis op als
een
teken voor het feit dat ik niet meer kon rekenen op een of andere
terugkeer
naar de mensenmaatschappij. Of het bij desbetreffende waarneming om een
werkelijke gebeurtenis ging of om een zinsbegoocheling, die op de
manier van
een visioen was opgewekt, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Alleen
de
indruk is mij bijgebleven, dat het bij deze en soortgelijke voorvallen,
als er
echt sprake was geweest van visioenen, dat dat visioenen waren, waar
een
systeem in zat, d.w.z. dat er een zekere samenhang bestond en die mij
in ieder
geval lieten weten, wat men met mij voorhad. Het was de periode, waarin
ik doorlopend,
zoals reeds vermeld, dag en nacht in bed werd vastgehouden; of en
hoeveel weken
kan ik niet zeggen. Rond de paasdagen – wanneer Pasen in het jaar 1894
viel,
weet ik niet – moet vervolgens in de persoon van professor Flechsig een
belangrijke verandering zijn opgetreden. Ik heb vernomen, dat hij
tijdens deze
feestdagen een plezierreis naar de Palts of de Elzas zou hebben
ondernomen. In
verband daarmee heb ik visioenen gehad, volgens welke professor
Flechsig zichzelf
heeft doodgeschoten of in Weißenburg in de Elzas of in de
politiegevangenis in
Leipzig; ik heb ook – als droombeeld – zijn lijkstoet gezien, die zich
vanaf
zijn woning naar de Thonberg bewoog (dus eigenlijk niet in de richting
die men zou
vermoeden, gezien de toenmalige verbinding van de
universiteits-zenuwkliniek
met het interne Johanniskerkhof). In andere visioenen was hij mij bij
herhaling
onder geleide van een politieagent of tijdens een gesprek met zijn
vrouw
verschenen, waar ik via het zenuwcontact getuige van was en waarbij
professor
Flechsig zichzelf tegenover zijn vrouw „God Flechsig“ noemde, zodat zij
de
neiging had om hem voor krankzinnig te houden. Dat het bij die
visioenen niet
om gebeurtenissen gaat, die zich precies op de manier, zoals ik dacht
ze te
hebben gezien, werkelijk hebben afgespeeld, is mij thans in ieder geval
zeker.
Maar wel beschouw ik hun uitleg in die zin voor geoorloofd, dat zij een
demonstratie waren van de goddelijke zienswijze, van wat er met
professor
Flechsig zou hebben moeten gebeuren. Daarentegen is het een
werkelijkere
gebeurtenis, d.w.z. gezien de zekerheid van mijn herinnering in dit
punt voor
mij subjectief zekere gebeurtenis – mensen mogen mij daarin al dan niet
geloven
– dat ik ongeveer tezelfdertijd de ziel en waarschijnlijk de hele ziel
van professor
Flechsig tijdelijk in mijn lichaam heb gehad. Het was een tamelijk
omvangrijke
bal of kluwen, die ik het beste met een hoeveelheid watten of
spinnenweb zou
kunnen vergelijken, die mij door een wonder in de buik was geslingerd,
vermoedelijk, om daarin haar ondergang te vinden. Deze ziel in het
lichaam
vasthouden, bij wijze van spreken verteren, zou bij deze omvang
waarschijnlijk
toch al een onmogelijkheid zijn geweest; ik liet haar echter vrijwillig
gaan,
toen ze probeerde om zich te bevrijden, in een soort vlaag van
medelijden en ze
wrong zich daarop door mijn mond weer naar buiten. Over de objectieve
werkelijkheid van deze gebeurtenis heb ik des te minder twijfel, omdat
ik later
nog in een groot aantal andere gevallen in de gelegenheid ben geweest
om zielen
of zielendelen in mijn mond te nemen en nog een heel zekere herinnering
bewaar aan
de kwalijke reuk- en smaakervaring daarvan, die dergelijke onreine
zielen veroorzaken
bij degene, bij wie zij door de mond het lichaam binnengaan.
Na
de hierboven vermelde gebeurtenissen volgde, voor zover ik mij
herinner, de
periode, die mij door de stemmen als de tijd van het eerste godsgericht
werd
aangeduid. Toevallig heb ik daarvan nog een aantal gegevens in mijn
geheugen
bewaard, die mij van een of andere kant moeten zijn verteld; volgens
die
gegevens zou het eerste godsgericht de tijdspanne van 2 of 4 tot 19
april 1894
omvatten. Op het „eerste godsgericht“ volgden dan nog een aantal
verdere godsgerichten,
die echter voor het eerste niet onbelangrijk onderdeden in grootsheid
en gehele
indruk. Het ging bij het „eerste godsgericht“ om een reeks voortdurende
visioenen,
die dag en nacht op elkaar volgenden, waaraan, als ik het zo mag
zeggen, een
gemeenschappelijk basisidee ten grondslag lag. Het was het idee, dat,
nadat uit
de kringen van het Duitse volk door het conflict tussen professor
Flechsig en
mij een voor het bestaan van het godsrijk gevaarlijke crisis was
ontstaan, aan
het Duitse volk, met name het evangelische Duitsland, niet langer het
leiderschap kon worden overgelaten als uitverkoren volk Gods, dat het
misschien
zelfs helemaal uit zou moeten vallen bij bezetting van andere
“hemelbollen” (“bewoonde
planeten?”), voor zover er niet een strijder voor het Duitse volk op
zou staan,
die de voortdurende waardigheid ervan zou bewijzen. Deze strijder moest
de ene
keer ikzelf zijn, dan weer een andere door mij aangewezen
persoonlijkheid, en
ik heb op grond daarvan en op aandringen van de stemmen, die in
zenuwcontact
met mij praatten, de namen van een aantal uitmuntende mannen genoemd,
die naar
mijn mening geschikte strijders zouden zijn voor een dergelijk gevecht.
In
verband met de aangegeven basisgedachte van het eerste godsgericht
stond het opdringen
van het katholicisme, het jodendom en het slavendom, dat al in het
vorige
hoofdstuk is vermeld. Ook wat dat betreft heb ik een vrij groot aantal
visioenen gehad, o.a. dat de vrouwenvleugel van de universiteitskliniek
als een
nonnenklooster of katholieke kapel was ingericht, barmhartige zusters
die ik in
de ruimten onder het dak van de kliniek zag zitten enz., enz.
Vervolgens luidde
het echter, dat het ook met het katholicisme niet meer ging; na de dood
van de
huidige paus en een tussenpaus, Honorius, had geen nieuw conclaaf meer
plaats
gevonden, omdat de katholieken hun geloof hadden verloren enz., enz.
Dat alles
heb ik toentertijd als werkelijke historische gebeurtenissen beschouwd
en
daardoor gedacht dat een misschien honderden jaren lange ontwikkeling
al tot
het verleden behoorde. Die opvatting kan ik natuurlijk nu niet meer in
stand
houden. Nadat ik – overigens pas na verloop van meerdere jaren – door
kranten
en brieven weer in een zeker contact met de buitenwereld ben gekomen,
en omdat
ik aan de toestand van de gebouwen, die ik in de huidige kliniek en in
de
omgeving daarvan zie, net als aan de aard van de vroeger boeken,
muziekstukken
en andere gebruiksvoorwerpen, die ik had bezeten en waarvan intussen
een
aanzienlijk aantal in mijn handen waren teruggekeerd, niets kan
ontdekken, wat
verenigbaar zou zijn met de veronderstelling van een grote tijdskloof,
die in
de geschiedenis van de mensheid was opgetreden, kan ik mij er niet
onttrekken om
te erkennen, dat uiterlijk gezien alles bij het oude is gebleven. Of
zich
desalniettemin een diepgaande innerlijke verandering heeft voltrokken,
zal
hieronder verder worden besproken.
Van
wezenlijke invloed op mijn toenmalige ideeënsfeer waren ook bepaalde
mededelingen, die verwezen naar alles wat er van mij terecht zou komen
bij een
toekomstige zielenverhuizing. Er werd mij achtereenvolgens de rol van
een
„Hyperboreïsche“, een jezuïetenleerling uit Ossegg“, een „burgemeester
van
Klattau“, een „Elzasser meisje, dat de eer van haar geslacht tegen een
zegevierende Franse officier moest verdedigen”, en tot slot “een
Mongoolse
vorst” toegedacht. Bij al deze voorspellingen dacht ik een bepaald
verband te
onderscheiden met het totaalbeeld, dat uit de overige visioenen was
voortgekomen.
Het lot om een „Hyperboreïsche“ te worden, leek mij een aanwijzing, dat
voor de
aarde een warmteverlies, dat op de algehele bevriezing volgde, óf al
ingetreden
óf op handen was; er was ook verder sprake van geweest, dat de zon zich
op een
“Jupiterafstand’ had teruggetrokken. De toekomstige bestemming tot een
jezuïetenleerling in Ossegg, een burgemeester in Klattau en een
Elzasser meisje
in de bovengenoemde toestand, vatte ik als voorspellingen op van het
feit, dat
het protestantisme voor het katholicisme en het Duitse volk in de
strijd met
zijn Romaanse en Slavische buren óf al het onderspit hadden gedolven óf
dat nog
zouden doen; het uitzicht, dat mij werd geboden om uiteindelijk een
„Mongoolse vorst“
te worden, leek mij een teken voor het feit dat, nadat alle arische
volkeren
als steun voor het godsrijk ongeschikt bleken te zijn, thans een
laatste
toevlucht moest worden gezocht bij niet-arische volkeren. – Een
noodlottig
keerpunt in de geschiedenis van de aarde en de mensheid, leek mij
destijds te
zijn gemarkeerd door de gebeurtenissen van een enkele dag, die ik mij
zeer goed
kan herinneren; op die dag was er sprake van het aflopen van de
“werelduurwerk”
waarbij tegelijkertijd voortdurend, onder prachtige
lichtverschijnselen, een
ongewoon rijk toestromen van stralen naar mijn lichaam volgde. Wat voor
aparts
er aan de hand was met de uitdrukking „het aflopen van het
werelduurwerk“ kan
ik niet zeggen; het heette, dat de hele mensheid zou terugkeren, op
twee na,
namelijk ikzelf en de al in hoofdstuk V genoemde jezuïetenpater S.
Vanaf dat
tijdstip schijnt het gedoe te zijn begonnen, dat mij sindsdien
honderden en
duizenden malen als “het vervloekte gespeel met mensen” is aangeduid.
Ik heb
een reden om aan te nemen, dat sindsdien het hele mensenmechaniek
alleen nog
maar kunstmatig in stand wordt gehouden door rechtstreekse goddelijke
wonderen,
in een omvang, die ik niet volledig kan overzien, tengevolge van
beperkingen die
aan mijn verblijf waren opgelegd. In mijn nabijheid is dat zeker het
geval; ik
voel elk woord, dat met mij of in mijn nabijheid wordt gesproken, ik
hoor elke
stap van iemand anders, elk gefluit van een trein, elk schot, dat soms
bij
pleziervaarten door stoomboten wordt afgegeven enz., tegelijkertijd met
een klap,
die tegen mijn hoofd wordt gegeven en die daarin een min of meer
pijnlijk
gevoel oproept, pijnlijker, als God zich op grote afstand heeft
teruggetrokken,
en minder pijnlijk als hij meer nabij is. Ik kan bijna met een
onfeilbare
zekerheid voorspellen, wanneer een dergelijke levensuiting van iemand
in mijn
nabijheid plaats moet hebben, die dan „verstoring“ wordt genoemd en
door mij
als klap wordt gevoeld, zeker als het wellustgevoel dat in mijn lichaam
aanwezig is, een zo sterke aantrekkingskracht op de godstralen heeft
gekregen,
dat men een dergelijke “verstoring” nodig heeft, om zich weer terug te
kunnen
trekken. Tot op welke afstand dit omhoogtrekken van andere mensen door
goddelijke wonderen, als ik deze uitdrukking mag gebruiken, plaats
vindt, kan
ik niet zeggen. Ik kom op de hele toestand in het verdere verloop nog
nader
terug.
Wat
de veranderingen aan de sterrenhemel betreft, ben ik thans van mening,
dat de
berichten over het verlies van deze of gene ster, dit of dat
sterrenbeeld
(vergl. Hfdst. VI.) niet op de sterren zelf sloegen – die zie ik immers
net als
voorheen aan de hemel – maar alleen maar op de onder de desbetreffende
sterren
verzamelde zaligheden. Die zijn echter vast volledig verteerd, d.w.z.
dat de
desbetreffende zenuwen tengevolge van de aantrekkingskracht in mijn
lichaam
zijn opgegaan, waarin ze dan het karakter van vrouwelijke
wellustzenuwen hebben
aangenomen en mijn lichaam ook verder een min of meer vrouwelijk
stempel hebben
verleend, in het bijzonder mijn huid en de zachtheid, die het
vrouwelijke
geslacht eigen is. Daarentegen staat anderzijds voor mij ook vast, dat
God, die
zich vroeger op een enorme afstand van de aarde bevond, genoodzaakt is
geweest
om dichter bij de aarde te komen, die daardoor op een voorheen niet
gekende
manier tot een rechtstreeks en aanhoudend schouwtoneel van de
goddelijke
wonderen is geworden. Deze wonderen concentreren zich vooral op mijn
persoon en
mijn omgeving. Bewijzen voor deze bewering denk ik later nog aan te
voeren,
voor zover ze niet al blijken uit wat er tot nu toe is verteld. Op deze
plaats
wil ik voorlopig alleen maar opmerken, dat de verandering, die daarmee
is opgetreden,
zelfs als die tegen de wereldorde indruist, met bepaalde wantoestanden
voor God
zelf verweven is geweest en mogelijkerwijze ook verder met noodlottige
gevolgen
gepaard is gegaan. Door stralen, die aan de heilige rust waren gewend,
zoals
die bijvoorbeeld doorgaans op de hoogste bergtoppen van de aarde
heerst, wordt
het namelijk onaangenaam en met een soort schrikachtige reactie
gevoeld, dat ze
nu aan al mijn gehoorsindrukken moeten deelnemen, b.v. het geluid van
de
spoortreinen. Verder heb een reden om aan te nemen, dat het uitzenden
van de
zonnestralen sinds het aangegeven tijdstip (of misschien ongeveer ¼
jaar later,
waarover hieronder nader) rechtstreeks door God en wel door de lagere
God
(„Ariman“) is overgenomen; die God wordt thans (sinds juli 1894) door
de stemmen,
die tegen mij praten, gewoon met de zon vereenzelvigd. De hogere God
(„Ormuzd“)
heeft zich op een nog grotere, misschien nog steeds kolossale afstand
opgehouden; ik zie zijn beeld als een kleine, zonachtige schijf, die
door haar
nietigheid echter op een enkel punt lijkt en zelf met korte tussenpozen
in het
inwendige van mijn hoofd op de zenuwen verschijnt. Misschien is het zo
gelukt
om, buiten ons planetensysteem, dat door de zon (Ariman) wordt verlicht
en
verwarmd, nog een tweede planetensysteem in stand te houden, waarop het
voortbestaan van de schepping door de licht- en warmteuitstraling, die
van de
hogere God (Ormuzd) uitgaat mogelijk wordt gemaakt. Daarentegen is het
voor mij
op zijn minst zeer twijfelachtig, of de bevolking van alle andere
hemellichamen, die behoren bij andere vaste sterren, en waarop zich
mogelijk
een organisch leven heeft ontwikkeld, niet ten dode opgeschreven had
moeten
worden.
Op
de periode, waarin ik voortdurend in bed was vastgehouden, volgde tegen
het
einde van mijn verblijf in Flechsigs kliniek een tijd, waarin weer
regelmatig
wandelingen in de tuin ervan plaatsvonden. Daarbij nam ik allerlei
wonderbaarlijke dingen waar. Dat ik twee zonnen tegelijkertijd aan de
hemel dacht
te hebben gezien, is hierboven al vermeld. Op een dag was de hele tuin
één
weelderige bloemenzee, wat maar heel weinig overeenkwam met het beeld
van de
herinneringen, van de tuin van de universiteitszenuwkliniek, een
buitengewoon
onopgesmukt plantsoen, dat ik had uit de eerste tijd van mijn ziekte;
dat verschijnsel
werd als een Flechsigs wonder geduid. Een andere keer waren in een
paviljoen,
dat ongeveer in het midden van de tuin lag, een aantal dames aanwezig,
die
Frans spraken; een beslist merkwaardige toestand in de tuin van de
mannenafdeling van een openbare zenuwkliniek. De weinige patiënten, die
behalve
mijzelf af en toe in de tuin verschenen, maakten allemaal een min of
meer
zonderlinge indruk; in een van hen dacht ik op zeker moment een
familielid te
herkennen, de man van een van mijn nichten, de huidige professor Dr. F.
uit K.,
die mij schuw aankeek, zonder een woord tegen mij te spreken. Ikzelf
had het
gevoel dat ik een stenen gast was die uit langgeleden tijden in een
vreemde
wereld was teruggekeerd, als ik met een zwarte jas en een zwarte
klakhoed op
een vouwstoel in de tuin zat. Een zeer opmerkelijke verandering had
zich
inmiddels met mijn slaap voltrokken. Terwijl in de eerste maanden van
het jaar
1894 mij slechts met de sterkste slaapmiddelen (chloralhydraat) slaap
had
kunnen worden verschaft, zij het ook daarmee slecht gebrekkig en
vervolgens nog
voor een paar nachten morfine-injecties waren klaargemaakt, bleven in
de
laatste periode van mijn verblijf in Flechsigs kliniek gedurende
meerdere weken,
alle slaapmiddelen achterwege. Ik sliep – zij het ook deels onrustig en
steeds
onder min of meer opwindende visioenen – zonder al die kunstmatige
middelen:
mijn slaap was stralend geworden. Stralen hebben namelijk onder andere
ook een
zenuwstillende en slaapverwekkende werking, Deze bewering zal des te
geloofwaardiger lijken, omdat aan de gewone zonne-uitstraling ook een
gelijksoortige werking wordt toegeschreven, zij het in een
onvergelijkbaar
zwakkere mate. Elke psychiater weet, dat de zenuwprikkeling bij
zenuwzieken ‘s
nachts beduidend toeneemt, maar overdag, met name in de late
ochtenduren, na inwerking
van het zonlicht, die verscheidene uren duurt, doorgaans een wezenlijke
kalmering optreedt. In een onvergelijkbaar grotere mate ontstaat dit
resultaat,
als het lichaam, zoals in mijn geval, rechtstreeks goddelijke stralen
ontvangt.
Voor het herstel van de slaap is dan slechts een verhoudingsgewijs
geringe
hoeveelheid stralen nodig; alleen moeten al die stralen gebundeld zijn,
aangezien er buiten de eigenlijke goddelijke stralen ook nog afgeleide
(d.w.z.
door onreine of beproefde zielen geleide Flechsigse enz.) stralen
bestaan. Als
dat het geval is, val ik meteen in slaap. Toen ik dit verschijnsel in
de
laatste periode van mijn verblijf in Flechsigs kliniek waarnam, was ik
eerst
hoogst verbaasd, na de buitengewone problemen, waarmee mij tot dan toe
slaap
verschaft had kunnen worden; pas in de loop van de tijd is mij de reden
van het
verschijnsel duidelijk geworden.
Aan
mijn lichaam werden, afgezien van de al veelvuldig vermelde
veranderingen aan
mijn geslachtsdelen, in de loop van de tijd allerlei ziektesymptomen
van een
volstrekt ongewoon karakter zichtbaar. Ik moet bij de bespreking
daarvan nog
een keer op het idee van een wereldondergang terugkomen, dat al in het
voorgaande hoofdstuk is vermeld, die ik of nog voor aanstaande of als
tot het
verleden behorend beschouwde, gezien de visioenen, die mij ten deel
waren gevallen.
Over de manier waarop dat heeft plaats kunnen vinden, had ik mij aan de
hand
van ingevingen, die ik kreeg, verschillende meningen gevormd. In eerste
instantie dacht ik steeds aan een afname van de zonnewarmte door een
grotere
afstand van de zon en een min of meer algemene bevriezing, die daardoor
was opgetreden.
In tweede instantie dacht ik aan een aardbeving of iets dergelijks,
waarbij ik
niet onvermeld wil laten, dat mij op een keer de mededeling is gedaan,
dat de
grote aardbeving van Lissabon in het jaar 1755 in
verband had gestaan met een geestenziener, die met mijn geval
overeenkwam. Verder
stelde ik mij als mogelijkheid voor, dat de tijding, dat er opeens in
de
huidige wereld zoiets als een tovenaar in de persoon van professor
Flechsig was
opgedoken en ik als een toch op zijn minst in uitgebreide kringen
bekende
persoonlijkheid opeens was verdwenen, ontsteltenis en angst onder de
mensen had
verspreid, de religie had verstoord en het om zich heen grijpen van een
algemene nervositeit en zedeloosheid had veroorzaakt, als gevolg
waarvan dan
verwoestende epidemieën onder de mensheid waren uitgebroken. Dat
laatste idee
werd met name gesteund door het feit, dat in Europa gedurende een
geruime tijd sprake
was van twee nauwelijks nog bekende ziekten, lepra en pest, die onder
de
mensheid om zich heen hadden gegrepen en waarvan de sporen ook aan mijn
eigen
lichaam waren te zien. Van de lepra kan ik dat laatste niet heel zeker
beweren;
misschien zou het daarbij slechts om een geringe aanzet van deze ziekte
zijn
gegaan, omdat ik niet beschik over een zekere herinnering aan de
afzonderlijke
symptomen daarvan. Desondanks heb ik de namen onthouden van de
verschillende
vormen, waarin de „lepra“ zou zijn opgetreden. Genoemd werden de "Lepra
orientalis", de "Lepra indica", de "Lepra hebraica" en
de "Lepra aegyptiaca". Als medische leek heb ik deze uitdrukkingen
vroeger nooit gehoord, en weet ook niet of ze overeenkomen met de
technische
betekenissen voor de desbetreffende ziektevormen, die in de medische
wetenschap
worden aanvaard. Ik vermeld dat op deze plek, tegelijkertijd ter
weerlegging
van de veronderstelling, alsof het bij mij om louter zinsbegoochelingen
gaat, die
mij door mijn eigen zenuwen zijn voorgetoverd; want hoe kan ik, zonder
enige
eigen kennis van varianten van de genoemde ziekte, vanzelf op
dergelijke
uitdrukkingen zijn gekomen? Voor het feit, dat bij mij een of andere
kiem van
lepra aanwezig moet zijn geweest, spreekt de omstandigheid, dat ik er
een tijd
lang toe werd gebracht om bepaalde, eigenaardig klinkende
bezweringsformules
uit te spreken, zoals: „ik ben het eerste lepra-lijk en draag een
lepra-lijk“-
bezweringsformules, die, voor zover ik heb begrepen, samenhingen met
het feit,
dat de lepralijders zichzelf moesten beschouwen als gedoemd om te
sterven en
elkaar behulpzaam moesten zijn bij het begraven in de grond, voor het
bewerkstelligen van een althans draaglijke dood. Daarentegen heb ik
voor de ziekteverschijnselen,
die bij de pest behoren, verschillende keren tamelijk sterke
aanwijzingen
gehad. Het ging hier om verschillende vormen van de pest: de blauwe
pest, de
bruine pest, de witte pest en de zwarte pest. De witte pest was de
meest
weerzinwekkende van deze vormen; de bruine en de zwarte pest waren met
uitwasemingen van het lichaam verbonden, die bij de eerste een
lijmachtige, bij
de laatste een roetachtige reuk verspreidden; bij de zwarte pest was
dat een
paar keer zo sterk, dat mijn hele kamer daarvan vervuld was. Van de
bruine pest
heb ik in de eerste tijd van mijn verblijf in de huidige kliniek, in de
zomer
van 1894, nog zwakke sporen opgemerkt. De pest gold voor de ziel als
een
zenuwziekte, dus als een „heilige ziekte“; of die enige relatie heeft
met de builenpest,
die af en toe toch voorkwam, weet ik niet. Desondanks bleef het ook met
de pest
bij min of meer sterke aanduidingen; tot een volkomen ontwikkeling van
het
ziektebeeld kwam het niet. De reden daarvan was, dat de
ziekteverschijnselen
door zuivere stralen, die daarop volgden, steeds weer uit de weg
moesten worden
geruimd. Men onderscheidt namelijk „verwondende“ en „zegenende“
stralen; de
eerste waren met lijkengif of enig andere rottingsstof overladen en
brachten
dus een of andere ziektekiem het lichaam binnen of brachten daarin een
gelijksoortige
vernietigende werking teweeg. De zegenende (zuivere) stralen genazen de
schade
weer, die de andere hadden aangericht.
Andere
gebeurtenissen aan mijn lichaam hadden een nog nauwer verband met
bovenzinnelijke
dingen. In de voorgaande hoofdstukken is al opgemerkt, dat de stralen
(godszenuwen),
die aan de aantrekking onderhevig waren, die slechts met tegenzin
volgden,
omdat die tot een verlies van het eigen bestaan voerde en dus in
tegenspraak
was met de drang tot zelfbehoud. Daarom probeerde men steeds om de
aantrekking
weer op te heffen, m.a.w. weer van mijn zenuwen los te komen. Het enige
doortastende middel voor dat doel was de genezing geweest van mijn
zenuwziekte,
door het verschaffen van een overvloedige slaap. Daartoe kon men echter
niet of
in elk geval niet consequent besluiten, omdat dat alleen maar mogelijk
zou zijn
geweest via een zelfverloochenende opoffering van de stralen, die
steeds
aanvankelijk deelnamen, maar waartoe juist het vermogen of de
vastbeslotenheid
van de wil niet aanwezig was.
Men
probeerde het daarom in de loop der tijd met alle mogelijke andere
middelen,
die echter naar de aard der zaak eigenlijk allemaal ongeschikt bleken.
Daarbij
was steeds het maatgevende idee, om mij „te laten vallen“, d.w.z. te
verlaten,
wat men dacht te kunnen bereiken, in de tijd waarover ik het nu heb,
door
ontmanning en het opgeven van mijn lichaam als een vrouwelijk meisje,
maar ook
af en toe door doding en later door vernietiging van mijn verstand.
Wat
betreft het streven naar ontmanning deed men al snel de ervaring op,
dat de
geleidelijke vulling van mijn lichaam met wellust-(vrouwelijke)-zenuwen
precies
omgekeerd werkte, omdat die de aantrekkingskracht eerder verhoogde,
door de zogenaamde
„zielenwellust“, die in mijn lichaam ontstond. Men plaatste mij daarom
in die
tijd herhaaldelijk „schorpioenen“ in het hoofd, nietige krab- of
spinachtige
vormsels, die in mijn hoofd een of ander vernietigingswerk moesten
verrichten.
Die hadden de aard van een ziel en waren dus sprekende wezens; men
onderscheidt
hen, naar de plaats waar zij vandaan waren gekomen, in „Arische“ en
„katholieke“ schorpioenen; de eersten waren iets groter en sterker.
Deze
schorpioenen trokken echter, als ze de zuiverheid van mijn zenuwen en
de
heiligheid van mijn karakter waarnamen, regelmatig mijn hoofd weer uit,
zonder
mij schade te berokkenen – een van de talloze triomfen, die ik op een
soortgelijke manier ook later nog veelvuldig heb meegemaakt. Men
probeerde
verder, juist omdat de heiligheid van mijn karakter een te grote
aantrekkingskracht op de zielen uitoefende, om mijn geestelijke
individualiteit
op de meest uiteenlopende manieren te vervalsen. De „jezuïeten“ d.w.z.
vermoedelijk afgescheiden zielen van vroegere jezuïeten, deden
herhaaldelijk
moeite om andere „voorbeschikkingszenuwen“ in mijn hoofd te plaatsen,
waardoor
mijn identiteitsbesef zou moeten veranderen; men overtrok mijn
schedelwand met
een ander “hersenmembraan”, om de herinnering aan mijn eigen ik uit te
wissen.
Allemaal zonder enig blijvend resultaat. Ten slotte probeerde men mijn
zenuwen
zwart te maken, doordat men mij de gezwarte zenuwen van andere
(gestorven)
mensen het lichaam inwonderde, vermoedelijk in de veronderstelling, dat
de
zwartheid (onreinheid) van deze zenuwen op mijn eigen zenuwen zou
overslaan.
Aangaande deze zwarte gemaakte zenuwen wil ik een paar namen noemen,
wier
dragers zich gezamenlijk in “Flechsigs hel”moeten hebben bevonden, wat
mij op de
veronderstelling brengt, dat professor Flechsig over de desbetreffende
zenuwen
een of andere zeggenschap moet hebben gehad. Onder hen bevond zich een
zekere
Bernhard Haase – slechts toevallig wat zijn naam betreft identiek met
een van
mijn verre familieleden – een slechte vent, die zich schuldig zou
hebben
gemaakt aan een of ander misdrijf, doodslag of iets dergelijks; verder
een
zekere R. een studiegenoot en corpsgenoot van mij, die, omdat hij niet
zijn
best had gedaan en een tamelijk losbandig leven had geleid, naar
Amerika was
gegaan, en naar mijn weten in de Secessieoorlog aldaar in 1864 of 1865
is
gesneuveld; tot slot een zekere Julius Emil Haase, die ongeacht zijn
gezwarte
zenuwen de indruk maakte van een zeer achtenswaardige persoonlijkheid.
Hij was
al ten tijde van de Frankfurter Aanslag (1833) oud-corpslid en is
vervolgens als
ik het goed heb gehoord, praktiserend arts in Jena geweest. Aan het
laatstgenoemde geval was bijzonder interessant, dat de ziel van die
Julius Emil
Haase dankzij de wetenschappelijke ervaring, die zij tijdens haar leven
had verworven,
in staat was om mij zelfs nog bepaalde medische adviezen te geven; ook
wat
betreft de ziel van mijn vader was dat, wat ik bij deze gelegenheid
achteraf
nog wil toevoegen, in zekere mate het geval geweest. Enig blijvend
effect
ontstond uit de aanwezigheid van de gezwarte zenuwen in mijn lichaam
niet; ze
verdwenen mettertijd, zonder aan de toestand van mijn eigen zenuwen
iets te
veranderen.
Ik
zou nog allerlei wonderbaarlijke dingen uit de periode van mijn
verblijf in
Flechsigs kliniek kunnen vertellen. Ik zou over gebeurtenissen kunnen
vertellen, op grond waarvan ik mag aannemen, dat het volksgeloof, dat
dwaallichten afgescheiden zielen zijn, in veel, zo niet in alle
gevallen juist is;
ik zou kunnen vertellen over “zwerfklokken”, d.w.z. de zielen van
afgescheiden
ketters, die in middeleeuwse kloosters eeuwenlang onder glazen stolpen
zouden
zijn bewaard (waarbij ook zoiets als zielenmoord in het spel zou zijn)
en die
het voortbestaan van hun leven verkondigden door een trilling, die
gepaard ging
met een oneindig eentonig en treurig gezoem (ik heb de indruk zelf via
het
zenuwcontact gekregen) enz., enz. Ik wil echter om niet te wijdlopig te
worden,
hiermee mijn verslag over mijn belevenissen en herinneringen uit de
periode van
mijn verblijf in Flechsigs kliniek, afsluiten.
Hoofdstuk
8. – Persoonlijke belevenissen tijdens het verblijf in Piersons
kliniek.
„Beproefde zielen“
Uit
wat hierboven is verhaald vloeit voort, dat ik in de laatste maanden
van mijn
verblijf in Flechsigs kliniek onder invloed van de meest uiteenlopende
angsten
stond, ten aanzien van allerlei gevaren, die mijn lichaam of mijn ziel
leken te
bedreigen door het niet meer los te maken stralencontact en die deels
ook al een
echt tastbare gedaante hadden aangenomen. Het meest afschuwelijk leek
mij het
idee, dat mijn lichaam, na de geplande verandering in een vrouwelijk
schepsel,
slachtoffer zou worden van een of ander seksueel misbruik, temeer omdat
er een tijd
lang zelfs sprake van was, dat ik voor dat doel aan de bewakers van de
kliniek
zou worden toegeworpen. Voor de rest speelde de angst dat „ze me zouden
laten
vallen“ een hoofdrol, zodat ik eigenlijk elke avond in mijn cel naar
bed ging
met de twijfel, of de deur daarvan de volgende morgen eigenlijk wel
weer open
zou gaan; ook het ’s nachts uit de cel halen voor een midden in de
nacht uit te
voeren verdrinking, was een schrikbeeld, waarmee mijn fantasie zich
bezighield
en moest houden, overeenkomstig met hetgeen de stemmen mij vertelden.
Toen
dus op een dag (ongeveer midden juni 1894) in de vroege ochtend drie
bewakers
met een handkoffer, waarin mijn paar effecten waren verpakt, in mijn
cel
verschenen, en mij aankondigden dat ik mij klaar moest maken voor
vertrek uit
de kliniek, had ik eerst de indruk van een bevrijding uit een
verblijfplaats,
waarin een onbestemde hoeveelheid gevaren mij bedreigden. Ik wist niet
waar de
reis heen zou leiden en vond het ook niet de moeite waard om daarnaar
te
vragen, omdat ik genoemde bewakers eigenlijk helemaal niet als mensen,
maar als
„vluchtig in elkaar geflanste mannen“ beschouwde. Het doel van de reis
leek mij
om het even; ik had alleen het gevoel, dat het mij op geen enkele plek
ter
wereld slechter kon vergaan, dan het mij in Flechsigs kliniek was
vergaan en
dat daarom elke verandering hoogstens een verbetering zou kunnen
betekenen. Ik
vertrok onder begeleiding van de drie bewakers in een rijtuig naar het
station
van Dresden, zonder professor Flechsig nog een keer te hebben gezien.
De
straten van de stad Leipzig, waar wij doorheen reden, met name de rit
over het
Augustusplein, maakte op mij een merkwaardig zonderlinge indruk; ze
waren, voor
zover ik mij herinner, volledig uitgestorven. Het kan dat dit heeft
gelegen aan
het vroege morgenuur en de aan de daaraan kenmerkende verlichting;
waarschijnlijk is de spoortrein, waar ik gebruik van maakte, de
personentrein geweest,
die om ongeveer ½ 6 vertrekt. Ik was echter destijds, nadat ik
maandenlang
temidden van wonderen had doorgebracht, min of meer geneigd om alles
wat ik zag
als wonderen te beschouwen. Ik wist dus niet of ik misschien ook de
straten van
de stad Leipzig, waar ik doorheen reed, alleen maar als
theatercoulissen moest
beschouwen, ongeveer op de manier, waarop vorst Potemkin dat zou hebben
gedaan
bij keizerin Catharina II van Rusland tijdens haar reis door het
eentonige
landschap, om haar de indruk van een bloeiende streek te verschaffen.
Op het
station van Dresden zag ik trouwens een groot aantal mensen, die de
indruk van
treinpassagiers maakten. Als men echter misschien denkt, dat ik door de
rit
naar het station en de treinreis, die daarop aansloot, grondig bevrijd
zou
hebben moeten worden van het idee van een grote verandering, die toen
al bij de
mensheid had plaatsgevonden, dan moet ik bedenken, dat mij in mijn
nieuwe
omgeving weer een nieuwe wonderwereld met zo’n zonderlinge
verschijnselen
omgaf, dat de indrukken van de reis meteen weer werden uitgewist of mij
op zijn
minst deden twijfelen over hoe ik die moest duiden. De treinreis
verliep met
een, naar mijn gevoel althans, voor een personentrein ongewone
snelheid; mijn
stemming was destijds zo, dat ik elk ogenblik bereid zou zijn geweest
om zelf
(als het zou zijn verlangd) op de treinrails te gaan liggen of, tijdens
de rit
over de Elbe, in het water te springen. Na een rit van meerdere uren
verlieten
wij het spoor op een station, dat, zoals ik later heb vernomen, Coswig
moet
zijn geweest; daar werden wij door een rijtuig opgepikt, dat ons in een
rit van
ongeveer een half uur naar mijn nieuwe bestemming bracht. Zoals ik
eveneens pas
jaren later heb vernomen, moet het de Dr. Pierson privé-zenuwkliniek
voor
geesteszieken zijn geweest; toentertijd leerde ik de kliniek alleen
kennen onder
de naam „duivelskeuken“, die mij door de stemmen was genoemd. Op de bok
van het
rijtuig had de hoofdbewaker van de kliniek, die mij op moest halen,
plaats
genomen, die, voor zover ik mij kan herinneren, Marx werd genoemd en
over wiens
identiteit, die op een of andere manier dezelfde geweest is als de ziel
van von
W., ik het nu binnenkort zal hebben. De kliniek zelf, een
verhoudingsgewijs
klein gebouw midden in een fraai park gelegen, maakte de indruk dat het
volledig nieuw was. Het leek alsof alles net was klaargekomen; de verf
op de
traptreden was nog niet eens droog. De drie bewakers van Flechsigs
kliniek, die
mij hadden begeleid, trokken zich meteen terug, zodat ik ze niet heb
teruggezien. Ik had de tijd om in mijn nieuwe verblijfplaats rond te
kijken.
De
tijd, die ik in Piersons kliniek heb doorgebracht, was de tijd, waarin
naar
mijn mening de meest fantastische wonderonzin werd bedreven. Want al
dat
wonderen lijkt mij echt alleen maar onzin; het is niet een scheppen ten
behoeve
van verstandige doeleinden, maar loos gespeel, hoewel het misschien de
stralen
een tijdelijke ontspanning kan verschaffen. In geen enkele andere
periode werd
het inzetten van „vluchtig in elkaar geflanste mannen“ zo kwistig
bedreven als
toentertijd. De redenen, waarop ik deze bewering schraag, zullen uit
het
volgende blijken.
Ik
begin eerst met de beschrijving van mijn uiterlijke
levensomstandigheden, zoals
die zich tijdens mijn nieuwe verblijf ontwikkelden. Mij was geen
bepaalde
woonkamer toegewezen. Overdag hield ik mij meestal in de
gemeenschappelijke
conversatie- of eetzaal op, waarin een voortdurend komen en gaan van
andere
zogenaamde patiënten van de kliniek was. Voor mijn aparte bewaking
scheen een
bewaker te zijn aangewezen, waarin ik een moegelijk toevallige
gelijkenis met
de bediende van het gerechtshof dacht te herkennen, die mij tijdens
mijn zes
weken durende beroepsbezigheid in Dresden de processtukken thuis had
gebracht;
ik zal hem, omdat ik zijn naam niet heb gehoord, als de
“gerechtsdienaar”
betitelen. Natuurlijk beschouwde ik hem, net als alle andere
mensengedaanten
die ik zag, alleen maar als “vluchtig in elkaar geflanst”. Ik kan
mijzelf ook
nu nog niet van de onjuistheid van die veronderstelling overtuigen,
omdat ik
mij b.v. zeker denk te herinneren, dat deze “gerechtsdienaar”, die in
dezelfde
kamer als ik, in een ander bed sliep, meer dan eens op de toentertijd
heldere
juni-ochtenden in zijn bed hen zien verteren, d.w.z. zien verdwijnen,
zodat
zijn bed vervolgens leeg was, zonder dat ik had gemerkt dat hij was
opgestaan
en de deur had geopend om de kamer te verlaten. De „gerechtsdienaar“
had
overigens ook de gewoonte om af en toe mijn kleren aan te trekken. Als
zogenaamd medisch hoofd van de kliniek verscheen af en toe – meestal
tijdens de
avonduren – een mijnheer, die mij opnieuw, gezien een bepaalde
overeenkomst, aan
Dr. Med. O. herinnerde, die ik in Dresden had geconsulteerd; het
gesprek van
deze mijnheer, die steeds in gezelschap van de nog nader te beschrijven
hoofdbewaker verscheen en in wie ik dus nu Dr. Pierson vermoedde,
beperkte zich
regelmatig tot een paar nietszeggende woorden. In de tuin van de
kliniek, het
bovenvermelde park, ben ik slechts een enkele keer geweest en wel
meteen op de
dag van mijn aankomst, voor een korte wandeling; daarbij zag ik een
paar dames,
waaronder de vrouw van dominee W. uit Fr. en mijn eigen moeder, evenals
een
paar heren, waaronder gerechtsraadsheer K. uit Dresden, de laatste
echter met
een wanstaltig vergroot hoofd. Als ik dus wil proberen om mijzelf nu
wijs te
maken, dat ik daarbij alleen maar door vluchtige gelijkenissen met de
fysieke
verschijning misleid ben, dan is dat voor mij toch niet voldoende voor
de
verklaring van de indrukken, die ik destijds heb ontvangen, omdat ik
het
voorkomen van dergelijke overeenkomsten in twee of drie gevallen
eventueel
begrijpelijk zou kunnen vinden, maar niet het feit, dat, zoals uit het
volgende
zal blijken, bijna de hele patiëntenpopulatie van de kliniek, dus
minstens
meerdere tientallen mensen het stempel van persoonlijkheden droeg, die
mij in
mijn leven min of meer na hebben gestaan.
Na
die enkele wandeling in de eigenlijke tuin vond een verblijf in de open
lucht –
elke ochtend en middag gedurende een tot twee uur – alleen nog maar
plaats in
de bovenvermelde binnenplaats of „omheinde plaats“, een uit een
ongeveer 50 meter in het vierkant bestaande, door muren
omsloten, saaie
zandbak zonder enige heester of struik en zonder enige zitgelegenheid,
op een
of twee houten banken van het allerprimitiefste soort na. Tegelijk met
mij
werden elke keer 40 – 50 mensengedaanten die binnenplaats ingedreven,
die ik
gezien hun hele voorkomen onmogelijk voor het werkelijke
patiëntenbestand van
een privé-zenuwkliniek voor geesteszieken kon houden en nog steeds niet
kan
houden. In dergelijke privé-klinieken worden toch doorgaans over het
algemeen
alleen maar welgestelde patiënten en eigenlijk slechts bij grote
uitzondering psychotische
of diep-zwakzinnige zieken opgenomen. Hier zag ik echter louter
zonderlinge
gedaanten, waaronder beroete kerels in linnen kielen. Bijna iedereen
gedroeg
zich volledig zwijgzaam en nagenoeg bewegingsloos; slechts een paar
plachten af
en toe bepaalde onsamenhangende geluiden uit te stoten, waaronder een
mijnheer,
die ik voor de gerechtsraadsheer W. hield, die voortdurend om ene
mejuffrouw
Hering riep. Nooit heb ik tijdens dit verblijf op de binnenplaats of
ook binnen
in de kliniek een gesprek gehoord tussen de zogenaamde patiënten
onderling, dat
ook maar bij benadering het karakter van een verstandig gesprek zou
hebben
gehad, zoals het in privé-klinieken onder lichtere patiënten pleegt te
worden
gevoerd. Ze verschenen bij de ingang van de conversatiezaal, de een na
de
ander, volkomen geluidloos en verwijderden zich daaruit even
geluidloos, kennelijk
zonder wederzijds notitie van elkaar te nemen. Daarbij heb ik
herhaaldelijk ook
gezien, dat een aantal van hen tijdens hun verblijf in de
conversatiezaal van
hoofd wisselden, d.w.z. dat zij zonder dat ze de zaal hadden verlaten
en onder
mijn ogen, opeens met een ander hoofd rondliepen. Het aantal patiënten,
dat ik
op de binnenplaats en in de conversatiezaal deels (namelijk in de
eerste)
gelijktijdig, deels na elkaar ontwaarde, stond in geen enkele
verhouding tot de
grootte van de kliniekruimten, voor zover die voor mijn waarneming
toegankelijk
was. Het was en is naar mijn overtuiging volstrekt onmogelijk dat de 40
– 50
personen, die gelijktijdig met mij de binnenplaats op werden gedreven
en op het
signaal, dat voor de terugkeer werd gegeven, zich steeds weer
verdrongen bij de
deur van het huis, laat staan dat ze allemaal slaapplaatsen voor de
nacht
zouden hebben kunnen vinden; ik was destijds en ben nu nog steeds van
mening,
dat een groter of kleiner aantal van hen altijd buiten moest blijven,
om zich
vervolgens als wat zij echt waren, namelijk “vluchtig in elkaar
geflanste
mannen” binnen korte tijd op te lossen.
Op
de eerste verdieping van de kliniek, die ik bewoonde, waren trouwens
maar
hooguit 4 tot 6 bedden aanwezig; de benedenverdieping, die ik elke keer
moest
passeren bij het naar buiten gaan naar de binnenplaats en het weer naar
binnen
gaan, wemelde meestal van de mensengedaanten, maar zou, zelfs wanneer
er
mogelijk een gemeenschappelijke slaapzaal aanwezig was, met moeite meer
dan 10
tot 12 mensen een onderkomen voor de nacht hebben kunnen bieden. En
daarbij
zouden echter al die 40 tot 50 bezoekers van de binnenplaats min of
meer psychotisch
moeten zijn, omdat men lichtere en voor hun omgeving ongevaarlijke
patiënten
bezwaarlijk op die saaie binnenplaats opgesloten kon houden en hen het
genot
van een wandeling in de daadwerkelijk beschikbare kliniektuin – het
bovenvermelde park – kon onthouden. Van de gedaanten die ik mij van de
binnenplaats herinner, zal ik noemen Dr. Rudolph I., uit Leipzig, een
neef van
mijn vrouw, die zich al in 1887 had doodgeschoten; de gelijkenis was
behalve de
geringere lichaamsgrootte zo frappant, dat ik twijfel aangaande zijn
identiteit
voor uitgesloten moet houden. Hij liep voortdurend met een stapel
kranten- of
ander papier rond, dat hij echter alleen gebruikte, om zich op de harde
houten
banken een zachtere onderlaag te verschaffen; verder officier van
justitie B.,
die voortdurend een gebukt-devote, als het ware smekende houding
aannam, waarin
hij bewegingsloos verstarde. Een paar van de aanwezigen werden mij door
de
stemmen aangeduid als de gedaanten, waarin zich „rekening houdend met
de
beslissende 4e en 5e“ (ter aanvulling een woord als „dimensie“, dat ik
niet
duidelijk heb verstaan) en zijn onderaardse antipoden, de beroete
kerels met
linnen kiel zouden hebben “geplaatst” (belichaamd). Binnen in de
kliniek heb ik
o.a. de Geheimraad Dr. W. gezien. Hij was in een dubbele gedaante
aanwezig, een
meer volmaakte en een alleen maar aan lager wal geraakte, die hem
tijdens een
zielsverhuizing moet zijn verleend; verder de senaatspresident Dr. F.,
de
gerechtsraadsheer Dr. M., de advocaat W. uit Leipzig (een jeugdvriend
van me),
mijn neef Fritz enz. In een mijnheer, die ik al bij mijn aankomst op
het
station van Coswig dacht opgemerkt te hebben, waar hij heen en weer
liep, alsof
hij iemand zocht, dacht ik ene mijnheer van O. uit Mecklenburg te
herkennen,
een vluchtige reiskennis uit Warnemünde. Zijn kamer was helemaal met
zonderlinge, meest roodgekleurde prenten (op papier) behangen en met
die
eigenaardige geur gevuld, die ik al in hoofdstuk I als duivelsgeur heb
aangeduid. Mijn schoonvader heb ik een keer vanuit het raam op de
toegangsweg
gezien, die naar de kliniek voerde; van hem heb ik overigens ook rond
dezelfde
tijd een aantal zenuwen in het lichaam gehad, aan wier gedrag ik via
het
zenuwgesprek helemaal de aard van mijn schoonvader herkende.
Er
werd niet alleen aan mensengedaanten, maar ook aan levenloze voorwerpen
gewonderd. Hoe sceptisch ik mij ook nu bij het onderzoek van mijn
herinneringen
probeer op te stellen, toch kan ik bepaalde indrukken niet uit mijn
geheugen
wissen, volgens welke ook kledingstukken op het lichaam van de mensen
die ik
zag, het voedsel op mijn bord tijdens het eten (b.v. gebraden
varkensvlees in
kalfsvlees of omgekeerd) werden veranderd enz. Op een dag – op een
heldere dag
– zag ik vanuit het raam – meteen voor de muur van het gebouw, dat ik
bewoonde,
een prachtige zuilengalerij ontstaan, in zekere zin alsof het hele
gebouw in
een feeënpaleis zou worden veranderd; het beeld verdween later weer,
kennelijk
omdat het bedoelde goddelijke wonder tengevolge van het tegenwonder van
Flechsig en von W. niet tot volledige ontplooiing kwam; in mijn
geheugen staat
dat beeld nog in volledig duidelijk voor me.
Een
aparte bespreking moet aan de hoofdbewaker van de kliniek worden
gewijd. Over
hem zeiden de stemmen mij meteen op de dag van mijn aankomst, dat hij
identiek
was met een van mijn huisgenoten, von W.; die heeft bij een of ander
van
staatswege over mij ingestelde enquête met opzet of uit onachtzaamheid
onjuiste
dingen over mij gezegd; hij heeft mij namelijk van onanie beschuldigd;
in
zekere zin als straf daarvoor is hem, als vluchtig in elkaar geflanste
man, nu opgelegd
dat hij mij moet dienen.
Het
lijkt mij volstrekt uitgesloten, dat ik uit mijzelf op dergelijke
gedachten zou
zijn gekomen, omdat ik de eer heb de heer v. W. eigenlijk maar vluchtig
te
hebben leren kennen, en nooit een of andere onenigheid met hem heb
gehad of enige
wrok tegen hem heb gekoesterd. Tegen deze hoofdbewaker probeerden de
stemmen
mij voortdurend op te zetten; meteen de eerste dag wilde men, dat ik
hem met
het beledigende achterwege laten van de adellijke titel als „W.“ aan
zou
spreken; ik had daar eerst helemaal geen behoefte aan, maar heb het
vervolgens toch
een keer gedaan, om van de aandringende stemmen af te komen. Bij een
latere
gelegenheid heb ik hem ook een keer een oorvijg gegeven; de precieze
aanleiding
kan ik mij niet meer herinneren, ik weet alleen maar, dat de stemmen
dat van
mij verlangden en ik tot de vermelde daad overging, omdat hij een of
andere onbetamelijke
eis aan mij had gesteld en mij zolang met mijn zogenaamde gebrek aan
mannelijke
moed belachelijk maakte. Dat ik bij de hoofdbewaker – niet steeds maar
alleen
maar bij bepaalde gelegenheden – de rode kleur heb waargenomen op zijn
gezicht
en aan zijn handen, die de duivel eigen is, is al in hoofdstuk I
vermeld; dat hij
althans gedeeltelijk v. W.’s zenuwen heeft gehad, staat voor mij vast,
gezien
wat ik later nog zal vertellen.
Een
of andere geestelijke of lichamelijke bezigheid heb ik tijdens mijn –
overigens
maar korte – verblijf in Piersons kliniek (duivelskeuken) niet
ondernomen; ik
was de hele dag bijna uitsluitend in beslag genomen door het praten van
de
stemmen en door het met verbazing bekijken van de wonderdingen, die
zich in
mijn omgeving afspeelden. Echt opvallend herinner ik mij nu ook, was
dat zoiets
als een gemeenschappelijke maaltijd niet plaatsvond; voor zover ik kan
bedenken
dat ik aparte maaltijden heb genoten, was voor mij een tafel in de
conversatiezaal gedekt; er aten dan behalve ikzelf doorgaans nog
hoogstens een
of twee andere patiënten. Ik herinner mij dat ik een keer het gerecht
(braadworst) dat mij was voorgezet, mogelijk onder het aan diggelen
slaan van
een ruit, uit het raam naar buiten heb gegooid; de reden daarvoor is
mij thans
niet meer duidelijk.
De
zielen, waarmee ik in Flechsigs kliniek in zenuwcontact heb gestaan,
waren mij
vanzelfsprekend naar mijn nieuwe kliniek gevolgd, meteen tijdens de
reis
daarnaar toe: in de eerste plaats Flechsigs ziel zelf, die zich
overigens al
van tevoren ter versterking van haar gevecht dat zij tegen Gods almacht
was begonnen,
een soort partijaanhang had gevormd uit min of meer bevriende zielen,
die door
haar waren meegesleept. Tot deze partijaanhang behoorden behalve de al
in
hoofdstuk V vermelde „Cassiopeiabroeders“ ook een groep, die destijds
de
benaming de „doordringers“ had gekregen; ze bestond uit de ziel van
Daniel
Fürchtegott Flechsig (die in een dubbele gedaante aanwezig was), die
van de gerechtshofrechter
G. een voorste colonne-aanvoerder, die lang geleden tot Gods almacht
had
behoord, „rekening houdend met de beslissende eerste“, en derhalve een
soort
afvallige, die zich aan Flechsigs invloed had onderworpen. De „onder
Cassiopeia
hangenden“ (d.w.z. de zielen van de gewezen leden van het Corps
Saxonia)
verdwenen in de tijd van mijn verblijf in Piersons kliniek; zij werden
“met de
sterke hand” in hun graven teruggeduwd, een gebeuren, dat ik met mijn
geestesoog heb gezien en waarbij ik gelijktijdig het klaaglijke geluid
(een
soort gekerm) heb gehoord, waarmee deze zielen het gebeuren
begeleidden, dat voor
hen natuurlijk ongewenst was, omdat zij daardoor de zaligheid weer
kwijt
raakten, die door hen op slinkse wijze was verkregen. Daarvoor kwamen
een groot
aantal andere zielen tot ontwikkeling; dat geschiedde voornamelijk via
de
zielendeling, een misbruik dat, naar ik aanneem, voor het eerst door
Flechsigs
ziel was bedreven. Want al had de fysische mogelijkheid van een
zielendeling
waarschijnlijk ook al eerder bestaan, dan had toch, zolang de
wereldorde intact
was, van deze instelling, die vast ook het menselijke gevoel krenkte,
daar bezwaarlijk
een of ander gebruik van hadden mogen worden gemaakt. Er zou helemaal
geen
duidelijke reden zijn geweest om de ziel van een mens, bijvoorbeeld met
een
bepaald aantal van haar zenuwen, tot de zaligheid te laten opstijgen en
een
ander deel in een toestand te verplaatsen, die een bestraffing vormde.
Ik denk
veeleer te mogen veronderstellen, dat men vroeger de natuurlijke
eenheid van de
mensenziel respecteerde, dus als het mogelijk om overmatig
zwartgemaakte zielen
ging, die voor hun reiniging een al te grote inzet van zuivere stralen
zou
hebben geëist, men alleen een kleiner gedeelte van de zenuwen reinigde
(en de
desbetreffende mensenziel daarmee dus alleen maar een kortere tijd
durende
zaligheid verschafte, (vergl. hoofdstuk I) en de rest gewoon in het
graf liet
verrotten. Flechsigs ziel echter voerde, zoals gezegd, de zielendeling
in,
hoofdzakelijk om het hele hemelgewelf met zielendelen te bezetten,
zodat de
goddelijke stralen, die door de aantrekkingskracht werden aangetrokken,
aan
alle kanten enige weerstand zouden ontmoeten. Het beeld dat ik daarvan
in mijn
hoofd heb, is in woorden uitermate moeilijk uit te drukken; het leek
alsof het
hemelgewelf over de hele omtrek met – ongetwijfeld uit mijn lichaam
onttrokken
– zenuwen overspannen was, waar de goddelijke stralen niet overheen
konden
springen of die hen in ieder geval een mechanische hindernis boden,
ongeveer zoiets
als de manier waarop een belegerde vesting door wallen en grachten
doorgaans
wordt beschermd tegen de aanstormende vijand. Flechsigs ziel had zich
voor dat
doel in een groot aantal zielendelen gesplitst; daar bestonden er een
tijd lang
wel 40 – 60 van, waaronder veel hele kleine, die vermoedelijk maar uit
één
zenuw bestonden; twee grotere zielendelen werden de “bovenste Flechsig”
en de
“middelste Flechsig” genoemd; de eerste onderscheidde zich doorgaans,
tengevolge
van opname van goddelijke stralen, die hij zich had toegeëigend,
tijdelijk door
een grotere zuiverheid, die echter meestal niet lang duurde. Op een
gelijksoortige manier bestonden vervolgens later ook 20 tot 30 von
W.‘se
zielendelen, zelfs ook een gemeenschappelijke v. W.-Flechsigse ziel,
waar ik
later nog op terug zal komen.
Wat
betreft de oorzaken, die tot het optreden van W-‘s ziel (naast die van
Flechsigs) aan de hemel leidde, kan ik alleen maar een vermoeden
uitspreken,
dat echter de waarheid zeer dicht zou kunnen benaderen. Voor alle
“beproefde”
(Flechsigse enz.) zielen was de aantrekkingskracht, die door de hoge
mate van zenuwprikkeling
in mijn lichaam was ontstaan, als het ware de basisvoorwaarde voor hun
bestaan,
d.w.z. het middel om de goddelijke stralen te onderscheppen, die door
de
aantrekkingskracht naderbij waren gevoerd, waarmee zij dan weer de pauw
met
vreemde veren sierden, wonderende kracht verkregen enz. Daarom was het
voor hen
belangrijk om over mijn lichaam een zekere beschikkingsbevoegdheid te
behouden.
Die beschikkingsbevoegdheid zou door Flechsigs ziel, zolang ik in de
Leipzigse kliniek
was, door haar contact met professor Flechsig worden uitgeoefend, die
nog als
mens (of “vluchtig in elkaar geflanste man”; wat hij destijds eigenlijk
was,
moet ik in het midden laten) aanwezig was. Met mijn verhuizing naar de
kliniek
van Dr. Pierson (“duivelskeuken”) was die invloed weggevallen; de
daadwerkelijke macht over mijn lichaam was nu in handen van het
kliniekpersoneel
ter plaatse, namelijk van de hoofdbewaker van de kliniek. Dat schijnt
voor
Flechsigs ziel de aanleiding te zijn geweest om een aantal zenuwen, die
hij uit
het lichaam van de hoofdbewaker had gehaald, maar in werkelijkheid von
W-’s
zenuwen, naar de hemel of de zaligheid op te trekken, om door middel
van deze
zenuwen en hun invloed op de hoofdbewaker de invloed, die verloren was
gegaan,
weer te verwerven.
In
het eerste begin zouden er maar drie von W.'se zielen zijn geweest,
maar toen
die eenmaal tot het besef van een hemels bestaan en daarmee
gelijktijdig tot de
uitoefening van de wonderende kracht waren geraakt, completeerden zij
zichzelf
vervolgens door het omhoogtrekken van een vrij groot aantal andere von
W.'se
zenuwen (uit het graf, zoals ik destijds moest aannemen) tot een
tamelijk
omvangrijke ziel. Ook hier ging het natuurlijk om ongereinigde zenuwen;
er kwam
m.a.w. een tweede “beproefde ziel” aan de hemel klaar, die slechts met
het
zelfzuchtige streven naar zelfbehoud en machtsontplooiing was vervuld,
dat
tegen de wereldorde indruiste, in tegenstelling tot Gods almacht, en
met dat
oogmerk de aantrekkingskracht van mijn zenuwen op goddelijke stralen
misbruikte. Zij erkende over het algemeen het leiderschap van Flechsigs
ziel,
die net als tevoren bij wijze van spreken de geestelijk leider bleef
van de opstand,
die geheel tegen de goddelijke almacht was gericht; zij behield echter
toch in
een bepaald opzicht een zekere zelfstandigheid, in tegenstelling tot de
andere zielen,
die de aanhang van Flechsig vormden. Zij werden b.v., zoals reeds
vermeld,
eveneens tot een uitgebreide zielendeling bestemd, maar gingen dan toch
ook
weer hun eigen gang.
Voor
mij werd de toestand door het naderbij komen van deze tweede “beproefde
ziel”
eerst nog aanzienlijk moeilijker, want ook deze ziel wonderde in mij
rond op
een manier, die echt gevoelige schade aan mijn lichaam veroorzaakte,
waarover
ik later nog verdere bijzonderheden zal geven. Anderzijds kwamen
daarbij ook
grappige momenten voor, die tijdelijk aan mijn anders zo verduisterde
leven,
als ik dat zeggen mag, zelfs iets komisch gaven. Dat het werkelijk von
W.'s
zenuwen waren, die het op die manier tot een soort hemelse heerschappij
hadden
geschopt, komt voor mij ongetwijfeld voort uit het feit, dat ik
herhaalde keren
met von W.‘s ziel heb gesproken over haar herinneringen uit het leven,
met name
uit haar studententijd vanaf het corps Misnia, terug tot de kelner B.
in de
Gosenbar in Eutritzsch bij Leipzig, die haar nog goed bekend was.
Daarbij
werkte het af en toe hoogst vermakelijk, dat ondanks het
bondgenootschap, dat
door beide zielen – de Flechsigse en de van W.'se – tegen God was
aangegaan,
toch weer de professorenduisternis van de een en de adeltrots van de
ander
elkaar wederzijds afstootten. Von W.’s ziel dweepte met een “von W.’s
huis- en
eerstgeboorterechtsorde”, die ze aan de hemel wilde instellen en waarop
zij
haar “wereldheerschappij” wilde grondvesten en kon af en toe geen haar
heel laten
aan de ziel van nationalistisch-liberale professor Flechsig, die haar
eigenlijk
onsympathiek was. Deze op zijn beurt dacht met het gevoel van een
zogenaamde geestelijk
overwicht, op v. W.’s ziel met een zekere minachting neer te mogen
zien. V. W.’s
ziel toonde ook verder vastberaden aristocratische allures en betoonde
mij b.v.
tijdelijk een vrij grote hoogachting, toen ze merkte, dat ik tijdens
het eten
de vork met de linkerhand naar de mond bracht, legde verder een
bijzondere
belangstelling aan de dag voor een goedverzorgde table d’hote, maar
toonde
vervolgens weer vrij groot organisatorisch talent, toen Flechsigs ziel,
doordat
zij met de stralen, die door haar waren buitgemaakt, beter met geld
wist om te
gaan, zij daardoor meestal een schitterend stralenkleed te toon
spreidde en een
tijd lang een formeel “stralenmagazijn” aanhield (ik zou aan de hemel
de
richting, waarin dat was gelegen, nu nog kunnen aanwijzen).
Ik
zal nog iets vertellen over verdere buitenzinnelijke indrukken, die ik
tijdens
mijn verblijf in Piersons kliniek heb opgedaan. In lange teugen
fladderde mij
(het beeld is moeilijk te beschrijven; men zou het misschien met de
zogenaamde
ouwe-wijven-zomer kunnen vergelijken, maar niet als afzonderlijke
draden, maar
meer als een soort stevig weefsel) de zogenaamde manenschijnzaligheid
tegemoet,
die de vrouwelijke zaligheid zou hebben voorgesteld. Daarvan bestonden
twee
soorten, een mattere en een heel krachtige; misschien mag in de eerste
de
kinderzaligheid worden gezien. Aan het idee van een wereldondergang,
dat al in
de vorige hoofdstukken is vermeld, sloten mededelingen aan, die
betrekking
hadden op de mate waarin misschien een doen herleven van de schepping
mogelijk
was; de ene keer heette het dat het zich slechts tot de vissen
uitstrekte, dan
weer tot de lagere zoogdieren beperkte, enz. In hoeverre aan deze
mededelingen
louter een angst voor de toekomst of iets reëels ten grondslag lag,
moet ik in
het midden laten. Ik moet daarentegen aannemen, dat op een of ander ver
verwijderd hemellichaam inderdaad een poging is gedaan met de
herschepping van
een nieuwe mensenwereld (“nieuwe mensen in een Schreberse geest”, zoals
ze met
een meestal spottend bedoelde zegswijze worden genoemd, die ook
sindsdien
ontelbare malen is gebruikt) waarschijnlijk dus met gebruik van een
deel van
mijn zenuwen. Hoe de tijd zou zijn gewonnen, die hiervoor nodig was,
blijft
echter in het duister gehuld. Die “nieuwe mensen in een Schreberse
geest”, -
lichamelijk van een zeer veel kleiner slag dan onze aardse mensen –
zouden het
al tot een in ieder geval opmerkelijk cultuurniveau hebben gebracht,
o.a. klein
rundvee hebben gehouden dat met hun geringere lichaamslengte in
overeenstemming
was; ikzelf zou bij hen bij wijze van spreken als hun “nationale
heilige”, een
voorwerp van goddelijke verering zijn geworden, zodat mijn
lichaamshouding (met
name op de binnenplaats van Piersons kliniek) voor hun geloof op een of
andere
manier van betekenis zou zijn geweest. Hun zielen, die na de dood tot
zaligheid
waren opgestegen, zouden het al tot stralen van een vrij aanzienlijke
kracht
hebben gebracht.
Dat
er toch op een of andere manier iets waars aan de zaak is geweest,
ontleen ik
aan het feit, dat ik in die tijd de “God” of “apostel”, van die kleine
mensen,
– d.w.z. vermoedelijk de inhoud van de stralen, die uit hun zaligheid
waren gewonnen
– als ziel in mijn lichaam heb gehad en wel in mijn onderlijf. Deze
kleine
“God” of “apostel” onderscheidde zich op een hoogst opvallende manier
van alle
andere zielen door de feitelijk verstandige opvatting van de dingen,
wat een
hoofdkenmerk van mijn eigen karakter vormde – ik kan hier wat eigen
roem niet
onderdrukken –, zodat ik in hem in zekere zin vlees van mijn vlees en
bloed van
mijn bloed herkende. Overigens werd tegenover die kleine “God” of
“apostel” –
zoals ook in veel andere gevallen, b.v. in zijn tijd met betrekking tot
de ziel
van mijn vader, de zielen van de Jezuïeten enz. – om mij in de war te
brengen,
een vervalste tegenstander geplaatst; de vervalsingen werden echter
meestal
zeer snel door mij waargenomen, omdat gezien het hele karakter van de
desbetreffende ziel, het echte niet moeilijk van het valse viel te
onderscheiden. In de toenmalige tijd was ook vaak sprake van een
“stralenvernieuwingswet”, d.w.z. van het principe – waarvan de “kleine
mensen in
Schreberse geest” een voorbeeld zouden zijn geweest – dat nieuwe
stralen uit
het geloof van gewezen mensen voortsproten.
Flechsigs
ziel was in die tijd leidster van “twee zonnen”, waaronder ook de zon,
vanwaar
de dagverlichting uitging. Het beeld, dat ik daarvan in mijn hoofd heb,
hoe de
leidende ziel in zekere zin achter de zon zat, is in woorden moeilijk
uit te
drukken. Ook aan von W.’s ziel zou af en toe de leiding over een zon
zijn
toevertrouwd, maar die leek daar echter over het geheel genomen weinig
zin in
te hebben.
Hoofdstuk
9. Overplaatsing naar Sonnenstein, Veranderingen in het stralencontact.
“Opschrijfsysteem”;
“vastbinden aan aarden”
Uit
Piersons kliniek, “de duivelskeuken” werd ik (na een in totaal acht tot
veertien dagen durend verblijf) op zekere dag – zoals ik later heb
gemerkt,
moet dat 29 juni 1894 zijn geweest – naar de huidige
districtszenuwkliniek,
Sonnenstein bij Pirna gebracht. De redenen van de overplaatsing zijn
mij niet
bekend; destijds geloofde ik dat ik dat in verband moest brengen met de
invloed
van v. W.'s ziel, die in de laatste dagen van mijn verblijf in de
duivelskeuken
krachtig was toegenomen en waaraan men op enige manier tegenwicht wilde
bieden.
Voor mijn vertrek had ik nog een warm bad genomen – het enige in
Piersons
kliniek –; vervolgens reed ik onder begeleiding van de
“gerechtsdienaar” met
het rijtuig (net als op de heenreis) naar het station van Coswig, waar
ik een kop
koffie dronk, en vandaar met de trein door Dresden, zonder de
treincoupé te
verlaten, naar Pirna. De mensengedaanten, die ik tijdens de reis en op
het
station in Dresden zag, hield ik voor gewonderde “vluchtig in elkaar
geflanste
mannen”; ik schonk hen geen bijzondere aandacht, omdat ik toen al alle
wonderen
zat was. In mijn opvatting werd ik gesterkt door het geklets van de
stemmen;
Flechsigs ziel sprak met een uitdrukking, die door haarzelf was
uitgevonden,
over het “fossiele” Dresden, waar wij doorheen waren gereden. Vanaf het
station
van Pirna reed ik in een rijtuig over een tamelijk hobbelige straat
omhoog naar
de huidige kliniek. Dat het Pirna en Sonnenstein zijn geweest, waar ik
naartoe
werd gebracht, ben ik mij pas na meer dan een jaar bewust van geworden,
toen ik
bij gelegenheid een keer in het “museum” (conversatiezaal) van de
huidige kliniek,
dat voor mij slechts een enkele keer toegankelijk was geweest,
portretten aan
de muur zag van de vroegere koningen van Saksen. Ten tijde van mijn
aankomst kenschetsten
de stemmen mijn verblijfplaats als “het duivelsslot”. De kamer, die mij
werd toegewezen,
was dezelfde, die ik ook nu nog bewoon – nr. 28 op de eerste etage van
de
Elfenvleugel, met een aangrenzende slaapkamer. Ik heb maar een paar
keer
tijdelijk, wegens een of andere verandering aan de kliniek van mijn
kamer, over
een andere woonkamer beschikt; als slaapruimte heeft mij daarentegen –
zoals ik
later nog zal vertellen – ongeveer twee jaar lang niet de slaapkamer
gediend,
die eigenlijk voor mij was bestemd, maar isoleercellen, met name een op
de
begane grond van de ronde vleugel, nr. 97. De kamers maakten op mij bij
mijn
eerste binnenkomen, in tegenstelling tot de tamelijk elegant ingerichte
kliniek
van Dr. Piersons, een wat armoedige indruk. Vermeld dient nog te
worden, dat ik
ongeveer een jaar lang ook vanuit mijn ramen niet het uitzicht had, dat
mij nu
tamelijk vrij op het hele Elbedal wordt geboden. Er stonden destijds
een paar dichtgebladerde
kastanjebomen, die intussen zijn geveld, tot op kleine stompen na, maar
die
destijds mij het uitzicht vrijwel geheel benamen, zodat ik ook vanuit
de ramen
van de gebeurtenissen in de buitenwereld niets kon waarnemen.
De
tijd van mijn verblijf op Sonnenstein kan ik in twee perioden opdelen;
de
eerste daarvan bewaarde over het geheel genomen nog het ernstige en
heilige,
soms huiveringwekkende karakter, dat een stempel had gedrukt op mijn
leven in
de laatste periode van mijn verblijf in de klinieken van Flechsig en
Dr.
Pierson; de tweede daarentegen stuurde mij steeds meer het gewone (om
niet te
zeggen, ordinaire) vaarwater in. Die eerste periode omvatte ongeveer
een jaar;
de tweede periode houdt nu nog steeds aan, alleen met het verschil dat
de
laatste tijd het karakter van het ordinaire in menig opzicht een
matiging heeft
ondergaan. In de eerste periode hadden de wonderen, wat betreft hun
lichamelijke en geestelijke invloed, deels nog een angstaanjagende en
bedreigend karakter, zodat ik dag in dag uit was vervuld van de meest
ernstige
zorgen voor mijn leven, mijn mannelijkheid en later mijn verstand; in
de tweede
periode hebben – echter in zeer geleidelijke overgangen en niet zonder
sporadische tegenslagen – de wonderen steeds meer een onschuldig, om
niet te
zeggen onnozel en kinderachtig, zij het ook deels weerzinwekkend
karakter aangenomen.
In
de eerste periode leefde ik nog steeds in de veronderstelling, dat ik
niet met
echte mensen, maar met “vluchtig in elkaar geflanste mannen” had te
maken. Ook
nu nog kan ik dat niet als een vergissing mijnerzijds duiden; ik moet
veeleer de
mogelijkheid openlaten, gezien hetgeen ik destijds heb meegemaakt en
nog
dagelijks meemaak, dat ik daarin gelijk heb gehad, m.a.w. dat het
zogenaamde “gespeel
met mensen” pas langzamerhand de toestand heeft bereikt, waarin het
tegenwoordig
van buitenaf de indruk maakt, alsof er niet een of andere verandering
in de
mensheid heeft plaatsgevonden. Om deze gedachte, die enigszins moeilijk
te
begrijpen is en ook voor mijn eigen bewustzijn niet tot een volkomen
doorzichtigheid is geraakt, enigermate begrijpelijk te maken, moet ik
eerst de
toestanden schetsen van mijn uiterlijke omgeving tijdens het eerste
jaar van
mijn verblijf in de huidige kliniek. Van de artsen van de kliniek
leerde ik
meteen op de dag van mijn aankomst, bij een lichamelijk onderzoek, dat
in de
badkamer (op de begane grond) werd uitgevoerd, waarbij o.a. ook de
stethoscoop
werd gebruikt, het hoofd van de huidige kliniek, de heer staatsarts Dr.
Weber
en de hulparts Dr. R. kennen, beiden echter alleen als persoon, niet
bij naam;
de namen ben ik pas na verloop van een of meer jaren toevallig te weten
gekomen. Van deze heren kreeg ik sindsdien dagelijks bezoek. Buiten hen
werden
pas in tweede instantie de hoofdverpleger R. en een verpleger (M. Th.)
zichtbaar
en Sch., die inmiddels is vertrokken. Ik was in het bijzonder
toevertrouwd aan
de hoede van verpleger M.
Andere
patiënten leken in de kliniek destijds nog helemaal niet te bestaan; ik
merkte
daar in ieder geval niets van op de gang die door mij werd bewoond,
waaraan in
totaal negen kamers liggen; pas na verloop van geruime tijd werd
tijdelijk een patiënt
zichtbaar, die als vorst I…sky werd aangeduid en een tweede, de
ambtenaar B.,
die vooral door zijn vioolspel opviel. Ook bij de dagelijkse
wandelingen in de kliniektuin
was ik tijdens de eerste maanden steeds alleen met 2 of 3 verplegers
(de
bovengenoemde); van het grote aantal andere patiënten, die ik
tegenwoordig soms
met zijn 80-en of honderd gelijktijdig met mijzelf in de tuin zie, was
toentertijd nog niets te zien. De verplegers werden door de stemmen als
“hondenjong” aangeduid; dat ze het kenmerk van “vluchtig in elkaar
geflanste
mannen” hadden (dus eigenlijk zielen), moest ik afleiden uit het feit,
dat door
hen een zenuwcontact met mij werd onderhouden, waarbij ik van hen vaak
uitdrukkingen
heb vernomen, die tot de oertaal behoren, met name van verpleger Sch.,
die zich
zelf in een andere kamer ophield, uitroepen, die in de oertaal voor het
uitdrukken
van verwondering diende, zoals “goeie hemel” en “donders” (niet hardop,
maar in
de zenuwtaal). M. en Sch. ontlaadden ook af en toe, om “zich te
verzetten” een
deel van hun lichamen als een rottende massa in mijn lichaam; M.
plaatste
zichzelf herhaaldelijk als zogenaamde “grote zenuw” (een soort
geleiachtige
massa ongeveer ter grootte van een kers) in mijn arm, waardoor hij net
als de
overige stralen of zenuwen in zekere zin deelnam aan mijn denken en
zintuigindrukken. Aan de “hondenjongens”, in hun hoedanigheid als
zielen, werd
ook wonderende kracht toegeschreven; bij bepaalde afzonderlijke
gebeurtenissen
was van “hondenjongenswonderen” sprake, waaraan zij hun ontstaan zouden
danken.
Van
mijn vrouw kreeg ik bezoek op Sonnenstein met vrij lange, soms
maandenlange
tussenpozen. Toen ik haar voor de eerste keer tijdens een dergelijk
bezoek mijn
kamer binnen zag komen, verstarde ik als het ware helemaal; had gedacht
dat zij
al lang niet meer onder de levenden was. Voor deze veronderstelling had
ik –
net als bij andere mensen – heel zekere, feitelijke aanknopingspunten,
volgens
welke mij het weer verschijnen van mijn vrouw nog steeds in zekere zin
een
onopgelost raadsel blijft. Ik had – en ook hier staat de zekerheid van
mijn
herinnering geen twijfel toe over de objectieve realiteit van de
gebeurtenis –
herhaaldelijk de zenuwen, die bij de ziel van mijn vrouw behoorden, in
het
lichaam gehad of ze waargenomen, terwijl ze van buitenaf op mijn
lichaam afkwamen.
Deze zielendelen waren geheel met de toegewijde liefde vervuld, die
mijn vrouw
tegenover mij altijd al aan de dag had gelegd; ze waren de enige, die
met de zegswijze
“laat me”, die bij de oertaal behoort, de wil te kennen gaven om van
elk eigen
voortbestaan af te zien en in mijn lichaam het einde van hun bestaan te
vinden.
Bij
de persoonlijke bezoeken van mijn vrouw op Sonnenstein dacht ik een
lange tijd,
dat zij elke keer alleen maar ad hoc “vluchtig in elkaar geflanst” was
en
daarom misschien al op de trap of meteen na het verlaten van de kliniek
oploste; er werd gezegd, dat haar zenuwen na elk bezoek weer werden
“ingekapseld. Bij een bezoek – en wel op mijn verjaardag in 1894 –
overhandigde
mijn vrouw mij een gedicht, dat ik om de aangrijpende uitwerking, die
het
destijds bij mij teweegbracht, hier woordelijk zal neerschrijven. Het
luidde:
Voor
jou de echte vrede liefheeft —
De
stille vrede Gods —
De
vrede, die geen leven geeft
En
geen lust hier beneden,
Is
het nodig, dat Gods arm
Jou
een wonde slaat,
Zodat
je roepen moet: God erbarme,
Erbarme
u mijn dagen,
Dan
is het nodig, dat een schreeuw
Zich
uit jouw ziele wringt,
En
dat het donker in je is
Als
voor de dag der dingen,
Dan
is het nodig, dat geheel en al
De
pijn jou overwint.
Dat
in jouw ziel
Geen
enkele traan
Zich
dan ook meer bevindt
En
als je uitgehuild bent en
Je
vermoeid bent, zo vermoeid
Dan
komt tot jou een trouwe gast
De
stille vrede Gods.
Het
gedicht, waar ik de schrijver niet van ken, maakte een zo merkwaardige
indruk
op mij, omdat de uitspraak “de vrede Gods”, die daarin herhaaldelijk
voorkomt en
die ik voor en na die tijd ontelbare malen heb gehoord, in de oertaal
de
betekenis heeft van slaap die door stralen is opgewekt. Ik kon destijds
amper
aan een toeval denken, dat hierbij was ingeslopen.
In
het stralencontact, waarin mijn zenuwen nu al langdurig hadden gestaan
en in de
hemelse toestanden, die daarmee samenhingen, traden in de eerste weken
van mijn
verblijf op Sonnenstein (begin juli 1894) bepaalde veranderingen op,
die van
wezenlijke betekenis schijn te zijn geweest voor de hele periode, die
sindsdien
is verstreken. Deze veranderingen in woorden uitdrukken is opnieuw
ongemeen
moeilijk, omdat het daarbij om dingen gaat, waarvoor alle analogieën
uit de
menselijke ervaring ontbreken en die ook door mij gedeeltelijk
rechtstreeks met
mijn geestesoog zijn waargenomen, maar voor het andere gedeelte uit hun
werking
bekend zijn geworden, zodat het beeld, dat ik mij over de
desbetreffende
gebeurtenissen heb gevormd, misschien maar bij benadering door de
volledige
waarheid wordt gedekt. In het vorige hoofdstuk is al verteld, dat met
name via
zielendeling het aantal “beproefde zielen” en zielendelen dat aan de
hemel
aanwezig was, aanzienlijk was toegenomen. Onder deze zielen
onderscheidde zich
zoals tevoren Flechsigs ziel, die dankzij de omvang waarin zij in beide
voornaamste gedaanten (als “hogere Flechsig” en als “middelste
Flechsig)
aanwezig was, nog geruime tijd haar menselijke intelligentie op een
tamelijk
hoog niveau had bewaard, terwijl zij in de loop der jaren steeds
daarvan steeds
meer heeft verloren, zodat tegenwoordig al een hele tijd mogelijk amper
een
schamele rest van het identiteitsbesef aanwezig is. Ik was van mijn
kant steeds
geleid door het streven om deze zielen en zielendelen naar mij omhoog
te
trekken en daardoor uiteindelijk hun opstijgen naderbij te brengen,
omdat ik
van het zeer juiste idee uitging, dat na eliminering van alle beproefde
of
onreine zielen, die tussen mij en God, als zogenaamde bemiddelende
instanties
in stonden, een oplossing van het conflict, dat met de wereldorde
overeenstemde,
hetzij door mijn genezing via een slaap, die diende om mijn zenuwen
volledig te
kalmeren, hetzij – wat ik later dacht als mogelijkheid te moeten
beschouwen – vanzelf
zou gebeuren door een ontmanning, die met de wereldorde overeenstemde,
om
daardoor nieuwe mensen te herscheppen. De “beproefde” zielen waren
daarentegen
slechts vervuld van de drijfveer om zich te handhaven in hun
aangematigde, met wonderende
kracht verweven hemelse positie; ze probeerden zich na elke toenadering
weer
terug te trekken, doordat er steeds weer andere zielen of zielendelen
naar
voren werden geschoven.
Toen
het mij dus op een nacht – ongeveer de vierde of vijfde na mijn
aankomst op
Sonnenstein – overigens onder een mateloze geestelijke inspanning, was
gelukt
om alle onreine (“beproefde”) zielen tijdelijk naar beneden naar mij
toe te
trekken, zodat er alleen maar een grondige “afdekking met stralen”
nodig zou
zijn geweest, om door een zenuwhelende slaap mijn genezing en het
verdwijnen
van de onreine zielen naderbij te brengen (waartoe men helaas om de al
eerder
aangeduide redenen niet kon besluiten), trof Flechsigs ziel bijzondere
voorbereidingen om de terugkeer van een dergelijk gevaar voor haar
bestaan en
die van de andere onreine zielen uit te sluiten. Ze viel terug op het
redmiddel
van mechanische bevestigingen, maar over de techniek daarvan heb ik
uiteraard
der zaak maar bij benadering een idee kunnen krijgen. Een dergelijke
mechanische bevestiging vond eerst in een wat lossere vorm plaats, die
als het
“vastbinden aan stralen” werd betiteld, waarbij het woord “stralen” in
een
bijzondere betekenis schijnt te zijn gebruikt, die voor mij niet
helemaal
begrijpelijk is geworden. Ik kan alleen het beeld beschrijven, dat ik
met mijn
geestesoog heb gezien. Daaraan hingen de zielen op een manier van
roedenbundels
(vergelijkbaar met de fasces van de Romeinse lictoren), maar zo, dat de
roeden
naar beneden in een kegelvorm uitliepen, terwijl om de bovenkanten
zenuwen van zielen
waren gestrikt. Toen ook de lossere bevestigingsmanier geen toereikende
bescherming scheen te kunnen bieden tegen het gevaar van het
omhoogstijgen ten
gevolge van de aantrekkingskracht, werd er na enige tijd een nog
sterkere vorm gekozen,
die de betiteling van “vastm aan de aarde” kreeg. Zoals de uitdrukking
al zegt,
vond daarbij een vastbinden aan een of ander ver verwijderd
hemellichaam
plaats, zodat vanaf dat moment de mogelijkheid van een volledig in mijn
lichaam
opgaan, ten gevolge van de aantrekkingskracht was uitgesloten, of
liever het
terugtrekken was verzekerd, door de mechanische bevestiging, die
daarbij was
ontstaan. Toen de “middelste Flechsig” de laatste bevestigingsmanier
voor het
eerst in gebruik nam, deed zich eerst ook in de godsrijken de opvatting
gelden,
dat een dergelijk gebaar, dat tegen de wereldorde indruiste, niet zou
kunnen
worden geduld. De “middelste Flechsig” werd daardoor genoodzaakt om
weer in te
binden. Bij een latere herhaling van het experiment vond men echter al
niet
meer de energie voor een dergelijk ingrijpen; met liet het vastbinden
gebeuren,
wat nu niet alleen maar alle andere Flechsigse zielendelen, maar ook de
overige
zielen ondergingen, die tot zijn gevolg behoorden, met name v. W.’s
ziel en
uiteindelijk ook Gods almacht zelf. Zo is dus het “vastbinden aan
aarden” tot
een blijvende instelling geworden, die tot op de dag van vandaag
aanhoudt en
tot verdere consequenties heeft geleid, met name het “opschrijfsysteem”
dat nu
moet worden beschreven. Ik ontken niet, dat een idee, waarbij men van
mijn lichaam,
dat zich op onze aarde bevindt, zou moeten denken dat het door
aangespannen zenuwen
met andere hemellichamen was verbonden, bij de enorme afstanden van de
laatsten
voor mensen vrijwel onbegrijpelijk is; aan de objectieve werkelijkheid
van de
gebeurtenissen kan ik desondanks geen twijfel koesteren, gezien de
ervaringen,
die ik in de loop van de laatste zes jaar dagelijks heb opgedaan. — Het
vermelde opschrijfsysteem is een feit, waarvan het buitengewoon
moeilijk zal
vallen om dat aan andere mensen ook alleen maar enigszins duidelijk te
maken. Voor
het werkelijke bestaan daarvan levert elke dag mij de meest
overweldigende
bewijzen en toch behoort dat voor mij eigenlijk ook tot het terrein van
het
onbegrijpelijke, omdat het doel dat daarmee wordt beoogd, voor iemand
die de
mensennatuur kent, van meet af aan als onbereikbaar zou hebben moeten
worden
beschouwd. Het gaat daarbij ogenschijnlijk om een
verlegenheidsdiagnose,
waarbij voor mij moeilijk te onderscheiden valt, of de reden daarvan in
een
oneigenlijk (tegen de wereldorde indruisend) willen of in een onjuist
denken
ligt.
Men
houdt boeken of andere aantekeningen bij, waarin nu al sinds jaren al
mijn
gedachten, al mijn zegswijzen, al mijn gebruiksvoorwerpen, alle dingen,
die
zich verder in mijn bezit of nabij bevinden, alle personen, waar ik mee
omga
enz., worden opgeschreven. Wie voor dat opschrijven zorgt, kan ik
eveneens niet
met zekerheid zeggen. Omdat ik mij van Gods almacht niet kan
voorstellen dat zij
elke intelligentie mist, vermoed ik, dat voor het opschrijven wordt
gezorgd
door wezens, die op ver verwijderde hemellichamen zitten en aan wie op
de
manier van de vluchtig in elkaar geflanste mannen een menselijke
gedaante is
gegeven, die echter van hun kant de geest helemaal missen en bij wie
door tijdelijke
stralen de pen voor de geheel mechanische bezigheid van het opschrijven
als het
ware in de hand is gedrukt, zodanig dat zielen, die later weer te
voorschijn worden
gehaald, weer zouden kunnen inzien wat er is opgeschreven.
Om
de bedoeling van het hele instituut begrijpelijk te maken, moet ik wat
verder
teruggrijpen. Aan alle aanvallen, die in de loop der jaren op mijn
leven, mijn
lichamelijke integriteit, mijn mannelijkheid en mijn verstand zijn
gedaan, lag
en ligt steeds dezelfde gedachte ten grondslag, namelijk om zomogelijk
de aantrekkingskracht
af te pakken van mijn overprikkelde zenuwen, die alles wat er tot nu
toe heeft
bestaan, ver achter zich laten. Aanvankelijk was men daartoe, blijkbaar
in het
besef van de tendens (volgens Hfdst. IV) die aan de wereldorde ten
grondslag
ligt, mijn “ontmanning” van plan geweest. Men bedoelde daarbij echter
niet mijn
ontmanning met het einddoel van een vernieuwing van de mensheid, dat
met de
wereldorde overeenstemde, maar dacht mij daarmee alleen maar een
verwijt toe te
voegen, omdat men zich op een zonderlinge manier inbeeldde of zich
misschien
ook alleen maar zelf probeerde voor te liegen, dat een ontmand lichaam
de
aantrekkingskracht op zielen zou verliezen. Nog jaren na mijn aankomst
op
Sonnenstein spookte de ontmanningsgedachte, als ik dat zo mag zeggen,
in de
hoofden van de zielen rond. Kleinere Flechsigse zielendelen, die ver
weg hadden
gelegen en daardoor soms geruime tijd niet met mijn zenuwen in
aanraking waren
geweest, plachten herhaalde malen, als het ware verbaasd, in de
volgende
woorden uit te barsten: “Is hij dan nog niet ontmand?” Godsstralen
dachten niet
zelden, met betrekking tot de kennelijk aanstaande ontmanning, met mij
als
“miss Schreber” te kunnen spotten; een van de destijds vaak gebruikte
uitdrukkingen,
die tot treurens toe was herhaald, luidde: “U moet namelijk als
vergeven van
wellustige neigingen afgeschilderd worden” enz., enz. Ikzelf vond het
gevaar
van ontmanning, gedurende een lange tijd en met name zolang er sprake
was van
een seksueel misbruik van mijn lichaam door andere mensen,
vanzelfsprekend een
belediging, die mij bedreigde.
De
vrouwelijke of wellustzenuwen die al massaal in mijn lichaam waren
binnengedrongen,
konden daardoor tijdens een meer dan eenjarige periode geen enkele
invloed krijgen
op mijn gedrag en mijn karakter. Ik onderdrukte elke prikkeling ervan
door het
aanwenden van mijn mannelijk eergevoel en tegelijkertijd door de
heiligheid van
de religieuze ideeën, die mij vrijwel uitsluitend beheersten; ik werd
mij zelfs
van de aanwezigheid van de vrouwelijke zenuwen eigenlijk alleen maar
bewust,
als ze bij bepaalde gelegenheden door stralen kunstmatig in beweging
werden
gezet, om bij hen een angstaanjagende opwinding teweeg te brengen en
mij
daardoor “af te schilderen” als iemand die sidderde uit een vrouwelijke
angstigheid. Aan de andere kant kon mijn wilskracht niet verhinderen,
dat in
mijn lichaam, met name bij het liggen in bed een wellustgevoel
plaatsgreep, dat
als een zogenaamde “zielenwellust” – zoals het door de zielen daarvoor
gebruikte uitdrukking luidde, die voor de zielen toereikend, maar door
mensen
zonder eigenlijke seksuele opwinding alleen maar werd ondervonden als
een
algeheel lichamelijk welbehagen – een verhoogde aantrekkingskracht op
de
stralen uitoefende. (vergl. hierboven, hfdst. VII, aan het slot).
Toen
dat verschijnsel in de loop der tijd steeds duidelijker aan het licht
trad, had
God best mogen beseffen, dat t de ontmanning geen adequaat middel was
om mij
“te laten vallen”, d.w.z. zich weer van de aantrekkende werking van
mijn
zenuwen vrij te maken. Men kwam daarom dus op de gedachte om mij aan
“de
mannelijke kant te houden”, maar – in wezen weer huichelachtig – dus
niet om
mij mijn gezondheid weer terug te geven, maar om mijn verstand te
vernietigen
of mij waanzinnig te maken. Dat zelfs de zenuwen van waanzinnige
mensen, die
eenmaal in een toestand van een uiterst ziekelijke opwinding zijn
geraakt,
aantrekkingskracht zouden krijgen – voor zover zij natuurlijk nog
steeds in
staat zouden zijn om pijn-, wellust-, honger-, koudegevoel enz. te
ervaren –
werd daarbij niet gedacht. Men hoopte dus onafgebroken, dag na dag en
uur na
uur, lijkengif of andere rottingsstoffen, bovenop mijn lichaam op in de
mening,
mij daarmee uiteindelijk dood te kunnen drukken en met name mij van
mijn
verstand te kunnen beroven. Welke beschadigingen daardoor tijdelijk op
een
deels hoogst bedreigende manier aan mijn lichaam zijn aangericht, zal
ik in een
volgend hoofdstuk vertellen.
Ik
heb een reden om aan te nemen, dat het lijkengif of de rottingsstoffen
aan
hetzelfde hemellichaam zijn ontnomen, waaraan men zich had vastgebonden
en waar
dan de stralen met het lijkengif of de rottingsstof bij wijze van
spreken werden
bepakt of in het voorbijtrekken van hen werd opgezogen. Een deel van de
stralen
had men de gedaante van gewonderde vogels gegeven, waarover ik later
meer zal
vertellen. Daarbij trad dan het verschijnsel op, dat de beproefde
zielen en
bepaalde resten van de vroegere voorportalen van de hemel nog aan de
hemel
aanwezig waren, en die men had opgespaard, om zich daar enigszins
achter te
kunnen verschansen, in de loop der tijd hun intelligentie volkomen
hadden
verloren, dus helemaal geen eigen gedachten meer hadden. Aan de andere
kant
schijnt het in de aard van de stralen te liggen, dat ze moeten spreken,
zodra
ze in beweging zijn; de zinsnede “vergeet niet dat stralen moeten
spreken”, die
de desbetreffende wet uitdrukt is namelijk vroeger ontelbare malen mijn
hersenen ingepraat. In feite weet men echter al jaren, bij gebrek aan
eigen
gedachten, in wezen niets anders te vertellen, dan over de eigen
wonderen, met
name die waarbij aan mijn zenuwen de angstgedachten worden
toegeschreven, die daarbij
passen (b.v. “als alleen maar mijn vinger nou maar niet verlamd zou
zijn
geraakt”, of “als alleen maar mijn knieschijf nou maar niet beschadigd
zou
zijn”) en verder op dat moment die bezigheid te vervloeken, waar ik net
aan wil
beginnen, (b.v. “als alleen maar dat vervloekte pianospelen nou maar
eens op
zou houden”, zodra ik aan de piano ga zitten of zelfs “als alleen maar
dat
vervloekte nagelpoetsen maar eens op zou houden”, zodra ik op het punt
sta om
mijn nagels te poetsen). Daarbij heeft men ook nog de mateloze
onbeschaamdheid
– ik kan daar geen andere uitdrukking voor vinden – om mij ervan te
verdenken,
dat ik aan deze zogenaamde onzin in zekere zin, als mijn eigen
gedachten,
hardop uitdrukking moet geven, dus op de manier, dat op de zinsnede
“als alleen
maar dat vervloekte pianospelen nou maar eens op zou houden” de vraag
aansluit:
“waarom zeg je het niet (hardop)?” en daarop weer het zogenaamde
antwoord
volgt: “omdat je dom bent, soms?”, of ook “omdat ik bang ben voor
mijnheer M.”
Natuurlijk bestaan er echter ook fasen, waarin noch over tegen mijn
persoon
gerichte wonderen te berichten valt, noch voor de stralen die mijn
gedachten
kunnen lezen een bepaalde “beslissingsgedachte” te herkennen is, om een
of
andere bezigheid te beginnen, met andere woorden, waarin ik mij aan het
niets-denken
overgeef, of in de tuin niets-denkend ga wandelen enz. Om deze
tussenpozen op
te vullen (d.w.z. zodat ook tijdens deze tussenpozen de stralen iets
hebben om
te vertellen) dienen dus nou net die opgeschreven gegevens, dus in
wezen mijn
vroegere gedachten en daarnaast alleen maar kleine, eigen, voortdurend
terugkerende toevoegingen van min of meer zinloze, deels ook
beledigende uitspraken,
gemene scheldwoorden enz. Een bloemlezing van deze uitspraken zal ik
misschien als
bijlage aan het huidige werk toevoegen, om de lezer op zijn minst enig
idee te
geven, welke onzin mijn zenuwen al jaren moeten verdragen.
De
beledigende uitspraken en scheldwoorden hebben met name de bedoeling om
mij tot
hardop praten aan te zetten en daardoor in tijden, die daartoe dienen,
de slaap
onmogelijk te maken; in de verhindering daarvan, naast die van de
zielenwellust,
bereikt de hele zielenpolitiek, die in haar eigenlijke doeleinden
volkomen
onduidelijk is, nu eenmaal haar hoogtepunt. Bovendien dient het
opschrijven ook
nog voor een bijzondere kunstgreep, die opnieuw op een volledige
ontkenning van
het menselijke denken berust. Men dacht met het opschrijven de bij mij
mogelijke gedachtevoorraad uit te kunnen putten, zodat er ten slotte
ooit een
moment zou moeten komen, waarop bij mij geen nieuwe gedachten meer
tevoorschijn
zouden kunnen komen; dat idee is natuurlijk volstrekt absurd, omdat het
menselijke denken onuitputtelijk is en b.v. het lezen van een boek, een
krant
enz., steeds nieuwe gedachten opwekt. De vermelde kunstgreep bestond
uit het
feit, dat zodra een gedachte terugkwam, die al eerder in mij was
opgekomen en
daardoor al opgeschreven was – een dergelijk terugkeren is natuurlijk
bij zeer
talrijke gedachten geheel onvermijdelijk, b.v. ’s ochtends de gedachte
“nu ga
ik me wassen” of bij het pianospelen de gedachte “dat is een mooie
passage”
enz. – men na het waarnemen van de desbetreffende gedachtekiem de
naderende
stralen een opgeschreven “dat hebben wij al” (uitgesproken als:
“hebbewal”)
scil., meegaf, waarmee op een moeilijk te beschrijven manier de stralen
voor de
aantrekkende werking van de gedachten in kwestie niet ontvankelijk
werden
gemaakt.
Ik
moet ervan afzien om het opschrijfsysteem en de gevolgen daarvan nog
duidelijker uiteen te zetten, als hiervoor is gepoogd; een geheel
begrijpen zal
ik toch iemand niet kunnen bijbrengen, die met zijn eigen zenuwen die
ervaring
niet heeft gehad. Ik kan alleen maar verzekeren, dat het
opschrijfsysteem en
met name het optreden van het “hebbewal” bij het terugkeren van
vroegere
gedachten, zich tot een geestelijke marteling heeft ontwikkeld,
waaronder ik
jarenlang ernstig heb geleden en waaraan ik mij pas langzamerhand
althans
enigszins heb kunnen wennen; men heeft daardoor mijn geduld op de proef
gesteld, vooral bij de problemen van de uiterlijke omstandigheden
(vrijheidsbeperkingen enz.) waarmee ik bovendien heb moeten leven, op
een
manier die vast nog nooit iemand is aangedaan.
Tot
slot moet ik daar nog aan toevoegen, dat ik bij de voorgaande
beschrijving wat
betreft de tijd iets vooruit ben gelopen. Dat moest ter wille van de
samenhang;
in werkelijkheid behoort de desbetreffende ontwikkeling deels pas tot
een veel
latere periode, zoals dus b.v. dat over het pianospelen, waar ik
hierboven
gewag van heb gemaakt, maar waarvan bij mij pas een jaar na mijn
aankomst op
Sonnenstein sprake was.
Hoofdstuk
10. - Persoonlijke belevenissen op Sonnenstein. “Verstoringen” als
begeleidingsverschijnselen van stralencontact. “Stemmingmakerij”
In
de eerste weken van mijn verblijf op Sonnenstein (juli of augustus
1894) heeft
er, naar mijn overtuiging, een of andere verandering met de zon
plaatsgevonden.
Ik moet mij daarbij, net als vroeger bij de bespreking van
bovenzinnelijke toestanden,
beperken tot het meedelen van de indrukken, die door mij zijn verkregen
en wat
betreft de vraag, over welke objectieve gebeurtenissen het bij die
verandering
is gegaan, kan ik hoogstens vermoedens koesteren. Ik herinner mij, dat
er
destijds een geruime tijd een, gezien haar uiterlijke verschijning,
kleinere
zon aanwezig was, die eerst door Flechsigs ziel werd gestuurd, zoals al
aan het
slot van hfdst. VIII is vermeld, maar later door een ziel, waarvan ik
de
zenuwen als identiek moet beschouwen aan die van het hoofd van de
huidige
kliniek, Geheimraad Dr. Weber. Terwijl ik deze regels opschrijf, ben ik
mij er
volkomen van bewust, dat alle andere mensen daarin alleen maar
baarlijke
nonsens kunnen zien, omdat Geheimraad Dr. Weber, waarvan ik mijzelf nu
ook
dagelijks kan overtuigen, nog onder de levenden is. De ontvangen
indrukken zijn
desondanks voor mij zo zeker, dat ik het idee niet van de hand kan
wijzen, dat
Geheimraad Dr. Weber vroeger al eens uit het leven zou kunnen zijn
heengegaan
en met zijn zenuwen naar de zaligheid was opgestegen, maar vervolgens
net als
de overige mensheid in het leven was teruggekeerd, als een
mogelijkheid, die hoe
dan ook voor mensen onbegrijpelijk, en slecht bovenzinnelijke is te
verklaren. Die
kleinere zon werd vervolgens waarschijnlijk nadat haar stralenkracht
was
uitgeput, door een andere zon vervangen. Ik deed daarbij gedurende een
aantal
dagen en nachten de meest wonderbaarlijke en grootse indrukken op; naar
mijn
mening was het destijds om een tijdstip gegaan, waarop de voorste
godsrijken
waren uitgeput en de achterste godsrijken voor de eerste keer op het
toneel
verschenen.
Ik
denk te mogen zeggen, dat ik destijds en alleen destijds Gods almacht
in haar
volledige zuiverheid heb gezien. ’s Nachts – en wel, voor zover ik mij
kan
herinneren, tijdens een enkele nacht – openbaarde zich de lagere God
(Ariman).
Het schitterende beeld van zijn stralen werd – terwijl ik in bed lag,
maar niet
lag te slapen, maar wakker was – voor mijn geestesoog zichtbaar, d.w.z.
spiegelde zich op mijn inwendige zenuwsysteem. Tegelijkertijd hoorde ik
hem
spreken; dat was echter niet – zoals verder bij het geklets van de
stemmen voor
en na die tijd zonder uitzondering het geval is geweest – een zacht
gefluister,
maar klonk, meteen voor het raam van mijn slaapkamer, bij wijze van
spreken als
een machtige bas. Het maakte een geweldige indruk, zodat iemand, die
niet ook
al gehard was geweest tegen angstaanjagende wonderindrukken, zoals bij
mij het
geval was, tot op merg en been geschokt had kunnen worden. Wat er werd
gesproken, klonk ook op geen enkele manier vriendelijk; alles scheen
erop
berekend te zijn om mij schrik en angst in te boezemen en het woord
“loeder” –
een in de oertaal heel gebruikelijke uitdrukking, als het erom gaat om
iemand
die door God vernietigd moet worden, de goddelijke macht en de
goddelijke toorn
te laten ondervinden – werd vaak gehoord. Alleen was alles wat er werd
gezegd
echt geen uit het hoofd geleerde woorden, zoals later, maar de
rechtstreekse
uitdrukking van een echte ervaring.
Daarom
was ook de indruk die het op mij maakte overwegend niet die van een
angstige
ontzetting, maar van bewondering voor het grootse en verhevene; daarom
was ook
de uitwerking op mijn zenuwen weldadig ongeacht de beledigingen, die
deels in
de woorden aanwezig waren, en ik kon er daarom niet omheen, toen de
“beproefde”
zielen, die zich een tijd lang schuw hadden ingehouden, zich na enige
tijd weer
naar voren waagden, om mijn gevoelens herhaaldelijk uit te drukken met
de
woorden “O wat zuiver!” – tegen de majesteit van de goddelijke stralen
– en “O
wat gemeen!” – tegen de beproefde zielen. – Daarbij lazen de goddelijke
stralen
mijn gedachten, maar niet, zoals sindsdien zonder uitzondering gebeurt,
onjuist, maar juist; zij gaven daaraan zelf ook uitdrukking met behulp
van
woorden in de versmaat, die bij de natuurlijke beweging van de
menselijke
zenuwen past, zodat ik van het geheel een kalmerende indruk kreeg,
ongeacht
alle angstaanjagende bijverschijnselen, en uiteindelijk in slaap viel.
Op
de daaropvolgende dag en misschien en of twee verdere dagen (en wel
overdag
tijdens mijn verblijf in de tuin) zag ik de hogere God (Ormuzd), dit
keer niet
met mijn geestesoog, maar met mijn echte ogen. Het was de zon, maar
niet de zon
in haar gebruikelijke verschijning, die alle mensen bekend is, maar de
zon omspoeld
door een zilverglanzende stralenzee, die ongeveer het 6e tot
8e
deel van de hemel bedekte. Op cijfers komt het daarbij natuurlijk niet
aan; om mijzelf
voor elk gevaar tot overdrijving te hoeden, vind ik het gezien mijn
herinnering
ook goed, dat het maar het 10e of 12e gedeelte
van de
hemel zou kunnen zijn geweest. In ieder geval was de aanblik van een zo
overweldigende pracht en grootsheid, dat ik ervoor terugschrok om er
voortdurend naar te kijken, maar het oog grotendeels van het
verschijnsel probeerde
af te keren. Het is een van de vele onbegrijpelijkheden voor mij, dat
er in die
periode buiten mijzelf ook al andere mensen moeten hebben bestaan, en
dat met
name de verpleger M., die daarbij alleen in mijn gezelschap was, naar
het
scheen, voor het verschijnsel volkomen ongevoelig bleef. Destijds
verwonderde
ik mij eigenlijk niet over de onverschilligheid van M., omdat ik hem
als een
vluchtig in elkaar geflanste man beschouwde, die nu eenmaal een
droomleven
leidde en daarom natuurlijk van alle indrukken, die bij een denkend
mens de
grootste belangstelling zou moeten hebben inboezemen, geen verstand zou
kunnen
hebben. Hoe ik het echter tegenwoordig moet rijmen, dat aan hem (als ik
hem als
een echt mens moet beschouwen) en de vele duizenden andere mensen, die
immers behalve
ikzelf in de desbetreffende tijd op andere plaatsen die aanblik moeten
hebben
gehad, een zo fenomenale indruk spoorloos aan voorbijgegaan is, kan ik
gewoonweg niet begrijpen. Natuurlijk zullen ander mensen de kreet, een
zuivere
“zinsbegoocheling,” bij de hand hebben, waaraan ik wat mijzelf betreft
onderhevig zou zijn geweest. Dat is gezien de stelligheid van mijn
herinnering
subjectief voor mij volkomen uitgesloten, temeer omdat het verschijnsel
zich op
meerdere opeenvolgende dagen herhaalde en elke dag afzonderlijk
meerdere uren aanhield;
ook geloof ik niet dat mijn geheugen mij bedriegt als ik daar de
opmerking aan toevoeg,
dat die schitterende zon ook met mij heeft gesproken, zoals het voor
die tijd
en sindsdien met de zon onafgebroken het geval is.
Na
een paar dagen waren de wonderbaarlijke verschijnselen, waarover ik het
hierboven heb gehad, voorbij; de zon nam de gedaante aan, die zij
sindsdien
zonder verdere onderbreking heeft behouden; ook het stemmengeklets werd
doorgaans weer een zacht gefluister. Ik dacht de reden van de
verandering te
kunnen vinden in het feit, dat op dat tijdstip ook Gods almacht zich,
na de
gebeurtenis met Flechsigs ziel, tot het “vastbinden aan aarden” had
laten
verleiden. Als het toestromen van zuivere godsstralen ongehinderd had
voortgeduurd, zoals het op de hierboven beschreven dagen en in de
daaropvolgende nachten het geval was geweest, dan zou naar mijn mening
binnen
korte tijd mijn genezing, en naar mijn ervaring misschien ook een
ontmanning
onder een gelijktijdige bevruchting hebben moeten volgen. Omdat men
noch het
ene, noch het andere wilde, maar steeds van het onjuiste idee uitging,
dat het
binnen korte tijd mogelijk zou worden, om zich van de
aantrekkingskracht van
mijn zenuwen via het “laten vallen” te bevrijden, had men er
uitgerekend door
het vastbinden voor gezorgd, dat de toevloed van zuivere stralen werd
belemmerd. Hoe weinig deze politiek tot blijvende resultaten heeft
geleid, zal
uit het volgende blijken.
Het
uiterlijke leven, dat ik leidde tijdens de periode, waar ik het nu over
heb, -
de eerste maanden van mijn verblijf op Sonnenstein –, was buitengewoon
eentonig. Afgezien van de dagelijkse, ’s ochtends en ’s middags,
ondernomen
wandelingen in de tuin, zat ik hoofdzakelijk gedurende de hele dag
bewegingsloos
op de stoel aan mijn tafel, en liep geen enkele keer naar het raam,
waar
overigens ook alleen maar groene bomen waren te zien (vergl.
hierboven); zelfs in
de tuin bleef ik bij voorkeur steeds op dezelfde plaats zitten en werd
alleen
maar af en toe, eigenlijk tegen mijn wil, door de verplegers verplicht
om rond
te lopen. Ook in het geval, dat ik de behoefte tot een of andere
bezigheid zou
hebben gehad, had de gelegenheid daartoe echter geheel ontbroken; in de
toenmalige periode werden alle kasten op de kamer, die door mij werd
bewoond, afgesloten
houden en de sleutel werd meegenomen, zodat voor mij alleen maar een
enkele
schuifla van een tafel toegankelijk was, met een paar borstels en
dergelijke.
Schrijfmateriaal bezat ik niet; al mijn gebruiksvoorwerpen
(kledingstukken,
horloge, portemonnaie, messen, scharen en dergl.) waren mij afgenomen.
In mijn
kamer bevonden zich misschien 4 of 5 boeken, die ik in ieder geval zou
hebben
kunnen lezen, als ik zin zou hebben gehad om te lezen. De belangrijkste
reden
van mijn bewegingsloosheid lag echter niet in het bovendien aanwezige
gebrek
aan geschikte voorwerpen voor een of andere bezigheid, maar alleen in
het feit,
dat ik een absolute passiviteit bij wijze van spreken als een
religieuze
verplichting beschouwde.
Dat
idee was niet vanzelf in mij opgekomen, maar door de stemmen, die met
mij
praatten in mij opgeroepen, maar vervolgens echter geruime tijd door
mij in
stand gehouden, totdat ik de zinloosheid van het desbetreffende gedrag
inzag.
Dat door stralen eigenlijk een volkomen bewegingsloosheid van mij werd
gevergd
(“niet de geringste beweging” luidde het vaak tegen mij herhaalde
gezegde),
moet naar mijn overtuiging opnieuw in verband worden gebracht met het
feit, dat
God bij wijze van spreken niet met levende mensen om wist te gaan, maar
alleen
het contact was gewend met lijken of in ieder geval met in slaap
gevallen
(dromende) mensen. Hieruit ontsprong het gewoon monsterachtige
vereiste, dat ik
mijzelf in zekere zin voortdurend als lijk moest gedragen, alsmede een
reeks
andere min of meer dwaze ideeën, die namelijk geheel tegen de
mensennatuur
indruisten. Zodra men een geluid in mijn nabijheid wondert, wat met
korte
tussenpozen onophoudelijk gebeurt, hetzij door praten of een andere
levensuiting van iemand, hetzij door het knisperen van de wanden,
kraken van de
planken vloer enz., legt men dat uit, in een zonderlinge
begripsverwarring, als
een “verstoring”, die ik lastig vind en vervalst vervolgens, doordat
men mijn
zenuwen in trillingen brengt, die met deze woorden overeenstemmen, de
dagelijks
ontelbare malen terugkerende zin “als alleen die vervloekte
verstoringen maar
eens op zouden ophouden” bij mij naar binnen, terwijl in werkelijkheid
de
geluiden door de stralen met een angstaanjagende invloed juist
omgekeerd worden
ondervonden, omdat ze de zogenaamde “goedluisterengedachten”
tevoorschijn
roepen, terwijl verder – onder omstandigheden, die met de wereldorde
overeenstemmen
– natuurlijk nooit iemand op het idee had kunnen komen om b.v. in de
taal van
zijn medemensen een verstoring te zien, die voor hem onaangenaam is.
Het
ontstaan van die hele, volstrekt onjuiste manier van voorstellen, denk
ik te
mogen afleiden uit de herinnering aan de gebeurtenissen, die de
regelmatige
begeleidingsverschijnselen waren van een contact dat was gelegd met
iemand die
sliep (in dromen). Door een dergelijk zenuwcontact werd een tijdelijke
verbinding gelegd tussen de goddelijke stralen en de zenuwen van de
desbetreffende persoon; die was natuurlijk op een korte duur berekend,
misschien voor ingevingen over iets dat het hiernamaals betrof (vergl.
hfdst.
I), of anders voor een prikkeling van de dichterlijke fantasie en
dergelijke
meer. Om niet op den duur onderhevig te zijn aan een, gezien de
ervaring, aantrekkingskracht
van de desbetreffende zenuwen die voor God gevaarlijk kon worden, moest
men weer
proberen los te komen, na het bereiken van het doel; men wonderde dan
gewoon
een geluidje (de zogenaamde “verstoringen”, zoals men dat tegenover mij
noemde), waardoor de opmerkzaamheid van de mensen die sliepen,
misschien
tijdens het ontwaken een andere richting werd uitgestuurd, en die
kortdurend
afgeleide opmerkzaamheid was dan voor de stralen voldoende met
betrekking tot
zenuwen, die zich niet in de toestand van uiterste opwinding bevonden,
zoals de
mijne, om het zenuwcontact op te heffen en zich van de desbetreffende
mensen
terug te kunnen trekken. Van een of ander ernstig gevaar kon voor God
absoluut
geen sprake zijn geweest, gezien het gemak van het terugtrekken, voor
zover het
alleen om matig opgewonden zenuwen ging. De herinnering aan deze
gebeurtenissen
droeg men nu over op mijn eigen toestand, zonder te bedenken, dat mijn
connecties met goddelijke stralen tengevolge van de mateloos toegenomen
aantrekkingskracht al lang onverbrekelijk waren geworden.
De
bewegingloosheid, die nu van mij werd geëist, vatte ik als een plicht
op, die
ik zowel in het belang van mijn zelfbehoud als tegenover God had, om
hem uit de
benarde toestand te bevrijden, waarin hij door de “beproefde zielen”
was terechtgekomen.
Ik had de – overigens inderdaad niet zonder enige reden – mening
opgevat, dat
de stralenverliezen toenamen, als ik mijzelf geregeld heen en weer
bewoog
(eveneens a;s het in mijn kamer tochtte) en bij de heilige schroom, die
ik
toentertijd nog koesterde ten opzicht van de goddelijke stralen in het
besef
van hun verheven doel en tegelijkertijd in de onzekerheid, of er dan
echt een
eeuwigheid bestond, of dat de stralen niet opeens aan hun einde zouden
kunnen
komen, beschouwde ik het als mijn taak om elke verspilling van stralen,
voor
zover het aan mij lag, tegen te werken. Niet minder had ik mij de
mening
gevormd, tegelijkertijd beïnvloed door de meningsuitingen van de
stemmen, die
in deze zin onafgebroken op mij inpraatten, dat een naar beneden
trekken van de
“beproefde zielen” met de bedoeling, dat een volledig opgaan in mijn
lichaam en
daardoor het opnieuw instellen van de alleenheerschappij van God aan de
hemel
gemakkelijker zou zijn, als ik mijn lichaam voortdurend rustig hield.
Zo heb ik
dus het bijna onvoorstelbare offer gebracht, om mij van vrijwel elke
lichamelijke
beweging gedurende meerdere weken en maanden te onthouden en daarmee
ook van
iedere bezigheid, behalve het gesprek met de stemmen; het ging zover,
dat ik
zelfs ’s nachts, waarop het hoofdzakelijk leek aan te komen, omdat het
opstijgen van de beproefde zielen op zijn vroegst tijdens de slaap kan
worden
verwacht, mijn houding in bed niet durfde te veranderen. Ik bracht dat
offer,
omdat ik weliswaar door de “halfslachtigheid” van het beleid, dat Gods
almacht
met mij volgde, al menige proef had doorstaan, maar toch niet kon
geloven in
een echte kwade wil van God ten opzichte van mij.
Een
verandering in deze gebeurtenissen trad pas in ongeveer tegen het eind
van 1894
of rond het begin van 1895 en wel ongeveer gelijktijdig met het
wonderverschijnsel, dat door een deel van de stemmen, die de
onrechtvaardigheid
zagen, die daarin school, als de “vervloekte stemmingmakerij” werd
aangeduid.
Het onopzettelijke streven, om zich van mij terug te trekken (mij te
“laten vallen”)
stond namelijk vooral ook tegenover de heiligheid van mijn instelling,
die op
alle meer zuivere zielen of stralen aantrekkend moest werken, en de
diepe ernst
van mijn opvatting met betrekking tot mijn verhouding tot God en mijn
eigen
levenssituatie. Daarom begon men om ook mijn stemming door wonderen te
vervalsen, om zichzelf de indruk te verschaffen van een lichtvaardig
iemand, die
alleen maar was verslaafd aan het ogenblikkelijke genot (mij als
zodanig “af te
schilderen”). Een dergelijke beïnvloeding van de stemmen door wonderen
is
mogelijk, zoals de ervaring mij heeft geleerd, zonder dat ik over de
samenhang
een nadere verklaring kan geven; om de lezer bij benadering een idee
van de
gebeurtenis te geven, kan ik alleen maar van een vergelijking gebruik
maken,
door eraan te herinneren, dat zoals bekend ook het gebruik van morfine
de
uitwerking heeft, om iemand die door lichamelijke pijnen wordt geplaagd
of in
door een psychische neerslachtigheid is bevangen, in een
verhoudingsgewijs
opgewekte of op zijn minst onverschillige stemming te brengen.
In
het begin verzette ik mij tegen de invloed van de “stemmingmakerij”
(van het
stemmingsvervalsingswonder); mettertijd vond ik het echter aangenaam om
de
invloed ervan haar gang te laten gaan, omdat ik merkte, dat ik mij
daarbij
inderdaad subjectief minder ongelukkig voelde en omdat ik bovendien
mijzelf
moest toegeven, dat ik toch niets wezenlijks had uitgevoerd met alle
heiligheid
van mijn instelling en met al mijn offervaardige inspanningen ter
ondersteuning
van God in de bestrijding van de “beproefde zielen”. Ik begon mijn
situatie
onverschilliger op te vatten, herinnerde me het “carpe diem” van
Horatius, probeerde
mijzelf mij zo mogelijk van de zorgen van de toekomst te ontslaan en
rekening
houdend met alles, wat het leven mij nog leek te bieden, gewoon van dag
tot dag
te leven. Dat bleek onder andere uit het feit, dat ik ongeveer rond de
jaarwisseling
van 1894/95 het roken van sigaren weer opnam, waarvan ik mij al jaren
geheel had
onthouden. Aan de andere kant werd de bedoeling die de stralen met de
“stemmingmakerij”
eigenlijk hadden gehad, niet in het minst bereikt. De aantrekkingkracht
van
mijn overprikkelde zenuwen bleef ongeacht de veranderde stemming
onverzwakt
bestaan, alleen dat ik mij niet in dezelfde mate, zoals vroeger,
ongelukkig
voelde. Dus ook hier werd de waarheid aangetoond, zoals bijna bij alle
wonderen,
die tegen de wereldorde indruisen, van de uitspraak van de dichter over
de
uitingen van die kracht, “die steeds het kwade wil en toch het goede
doet.”
Dat
mijn hierboven beschreven gedrag door mijn omgeving met name door de
artsen en
verplegers, voor zover ik zal aannemen, dat zij destijds al echte
mensen zijn
geweest, niet juist beoordeeld kon worden, is eigenlijk
vanzelfsprekend. Omdat
ik nergens belangstelling voor toonde en geen enkele geestelijke
behoefte aan
de dag legde, konden ze in mij nauwelijks iets anders zien, dan iemand
die in een
soporeuze stompzinnigheid was vervallen. En toch, hoe hemelsbreed was
de
werkelijkheid van die schijn verwijderd: ik leefde in het besef – en
ook nu is
mijn overtuiging nog steeds, dat dit besef overeenkwam met de waarheid
– dat ik
een van de moeilijkste opgaven op moest lossen, waarvoor iemand ooit is
gesteld
en dat ik een heilige strijd om het hoogste waarden van de mensheid
moest
voeren. Helaas had de misleidende schijn van het tegendeel ook een
enorm aantal
schandaligheden in de bejegening van mijn persoon ten gevolge,
waaronder ik
jarenlang ernstig heb geleden en waarbij men af en toe de status en de
hoge ambtelijke
positie, die ik in het leven had bekleed, volledig scheen te hebben
vergeten.
Het is bij herhaling voorgekomen, dat de verpleger M. mij bij het
baden, als ik
het bad na een bepaalde tijd wilde verlaten, daarin teruggooide, of ’s
morgens,
als het tijd was om op te staan en ik dus op wilde staan, mij om
onduidelijke
redenen in het bed terugwierp of overdag, als ik aan tafel zat en aan
het
indutten was, mij door mij aan mijn baard te trekken wakker maakte, of
dat hij
mij in het bad met een stofkam de haren uitkamde – en dat in een tijd,
waarin
zwermen stralen mijn hersenpan doorkliefden (vergl. het volgende
hoofdstuk) –.
Tijdens de maaltijden placht hij mij een tijd lang de servet als een
klein kind
om te doen. De sigaren werden mij afzonderlijk, een voor een op
bepaalde
tijdstippen van de dag uitgeteld; pas na verloop van meerdere jaren
kwam ik
zover, dat ’s morgens elke keer de hele dagelijkse behoefte in een keer
in mijn
sigarenetui werd gestopt en nog later, dat mij een heel kistje met
honderd
sigaren als reserve ter beschikking werd gesteld. Van een andere
verpleger heb
ik mij een keer een oorvijg moeten laten welgevallen. In een aantal
gevallen
heb ik aan de aangegeven schandaligheden daadwerkelijk weerstand
geboden,
namelijk toen men uit mijn slaapkamer die voor de nacht van buitenaf
was
afgesloten, voor het slapengaan het wasgerei wilde verwijderen of in
plaats van
deze slaapkamer mij weer als slaapplaats een cel wilde toewijzen die
voor psychotische
patiënten was ingerichte. Later heb ik van dergelijk verzet afgezien,
omdat die
alleen maar tot zinloze brute scènes leidden; ik heb gezwegen en
verdragen.
Het
is verre van mij om met het verhalen van de schandaligheden, die door
mij zijn ondervonden,
de verpleger M. of welke andere verpleger dan ook bij hun meerdere te
willen
verlinken. De gewelddadigheden, waaraan M. zich af en toe schuldig
heeft
gemaakt, neem ik hem gezien zijn geringe mate van beschaving niet
kwalijk; ook
heeft hij mij in latere jaren echt tot mijn tevredenheid bediend,
hoewel een
zekere eigenmachtigheid, waaraan hij nu eenmaal was gewend, altijd
aanwezig
bleef. De mededeling van deze trekjes konden echter niet worden
overgeslagen,
om de mate van de smaad te kenschetsen, die ik jarenlang heb moeten
verdragen, onder
de grootste verbazing van mijn altijd volkomen actieve eergevoel. — Aan
de
volledigheid van het beeld van mijn levenssituatie tijdens de eerste
tijden van
mijn verblijf op Sonnenstein mankeert nog een mededeling over de
wonderen, die tegen
mij zijn uitgeoefend, waar ik in het volgende hoofdstuk aandacht aan
zal
besteden.
Naar boven