Hoofdstuk 11 –
Aantasting van de lichamelijke integriteit door wonderen
Hoofdstuk 12. – Inhoud
van het stemmengeklets. “Opvatting over de ziel”. Zielentaal. Vervolg
van de
persoonlijke belevenissen
Hoofdstuk 13 –
Zielenwellust als factor voor de aantrekking. Verdere verschijnselen
Hoofdstuk 14. -
"Beproefde zielen"; hun lotgevallen. Persoonlijke belevenissen,
vervolg
Hoofdstuk 15. -
"Mensen-" en "Wonderspelletjes". Hulpkreten. Sprekende
vogels
Hoofdstuk 16. -
Denkdwang. Uitingen en bijverschijnselen daarvan
Hoofdstuk 17 – Vervolg
van het voorafgaande. De betekenis “afbeelden” in de zielentaal
Hoofdstuk 18 - God en
het scheppingsgebeuren; de oerverwekking; gewonderde insecten.
"Kijkrichting". Onderzoeksysteem
Hoofdstuk 19 – Vervolg
van het voorgaande. Goddelijke almacht en menselijke vrije wil
Hoofdstuk 20 -
Egocentrische opvatting van de stralen met betrekking tot mijn persoon.
Verdere
invulling van mijn persoonlijke toestanden
Hoofdstuk 21. –
Zaligheid en wellust in hun wederzijdse betrekking. Gevolgen voor het
persoonlijke gedrag, die uit deze toestand voortkomen
Hoofdstuk 22 – Slotbeschouwingen.
Blik in de toekomst
Hoofdstuk
11 – Aantasting van de lichamelijke integriteit door wonderen
Sinds
het eerste begin van mijn contact met God is tot op de dag van vandaag
mijn
lichaam onafgebroken het onderwerp van goddelijke wonderen geweest. Zou
ik al
die wonderen afzonderlijk moeten beschrijven, dan zou ik daar een heel
boek mee
kunnen vullen. Ik kan zeggen, dat er vrijwel geen enkel deel of orgaan
van mijn
lichaam is, dat niet tijdelijk door wonderen is aangetast, geen enkele
spier,
die niet door wonderen heen en weer is gerukt, door die al naargelang
de
variatie van het daarmee beoogde doel óf in beweging te zetten óf te
verlammen.
Nog tot op de dag van vandaag zijn wonderen, die ik elk uur beleef,
deels van
zo’n hoedanigheid, dat ze alle ander mensen de doodschrik op het lijf
zouden
moeten jagen; alleen maar door een jarenlange gewenning ben ik zover
gekomen om
de meeste ervan, wat tegenwoordig nog steeds gebeurt, als kleinigheden
te
beschouwen. In het eerste jaar van mijn verblijf op Sonnenstein waren
de
wonderen echter zo bedreigend van aard, dat ik bijna onophoudelijk voor
mijn
leven, mijn gezondheid of mijn verstand dacht te moeten vrezen.
Op
zich moet natuurlijk de toestand waarbij de stralen er in wezen alleen
maar toe
dienen om aan het lichaam van een enkel mens schade toe te brengen of
hem wat
betreft de voorwerpen, waar hij zich mee bezig houdt, een of andere
poets te
bakken – ook dergelijke onschadelijke wonderen komen met name de
laatste tijd
tamelijk veel voor – als een toestand worden beschouwd, die tegen de
wereldorde
indruist. Want stralen hebben de taak om iets te scheppen en niet
louter om te
vernietigen of kinderachtige spelletjes te spelen. Daarom misten ook al
die
wonderen die tegen mij waren gericht op den duur hun zin; wat onreine
stralen
vernietigd of beschadigd hebben, moeten latere, zuivere stralen telkens
weer
opbouwen of genezen (vergl. ook hfdst. VII). Daarmee is echter niet
gezegd, dat
niet op zijn minst voorbijgaande hoogst bedenkelijke beschadigingen
werden aangericht,
die de indruk van uiterst ernstige gevaren wekten of zeer pijnlijke
toestanden
konden voorkomen.
Wat
het meest herinnerde aan de gebeurtenissen, die met de wereldorde
overeenkwamen, waren de wonderen, die in een of andere relatie schenen
te staan
met een ontmanning, die aan mijn lichaam moest worden uitgevoerd.
Hiertoe
behoorden met name allerlei veranderingen aan mijn geslachtsdelen, die
zich
sporadisch voordeed (vooral in bed) als sterke aanwijzingen van een
werkelijk
intrekken van het mannelijk lid, maar als er overwegend onreine stralen
in het
spel waren, vaak optrad als een zachter worden dat bijna een volledig
wegsmelten benaderde; verder het uitwonderen van afzonderlijke baard-
en met
name snorharen, en tot slot een verandering van de hele gestalte
(afname van de
lichaamslengte) – dat waarschijnlijk berustte op een samentrekken van
de
ruggenwervels en misschien van de botsubstantie van de bovenbenen. Dat
laatste wonder,
dat van de lagere God (Ariman) uitging, werd door hem regelmatig
begeleid met
woorden die dat aankondigden “of ik je wat kleiner maak”; zelf had ik
daarbij
de indruk, alsof mijn lichaam ongeveer 6 – 8 centimeter kleiner was geworden, dus de vrouwelijke
lichaamslengte benaderde.
Zeer
veelvuldig waren de wonderen, waar de inwendige organen van de borst-
en
buikholte onderhevig aan waren. Het minst kan ik over het hart zeggen;
ik
herinner mij daar alleen maar over, - en nog wel in de tijd van mijn
verblijf
in de Leipzigse Universiteits-Zenuwkliniek – dat ik een ander hart had.
Daarentegen
waren mijn longen lange tijd het onderwerp van hevige en zeer
bedreigende
aanvallen. Ik heb van nature een zeer gezonde borst en longen; door
wonderen
werden echter mijn longen zo toegetakeld, dat ik een tijd lang ernstig
dacht te
moeten vrezen voor een dodelijke afloop ten gevolge van longtering. Men
wonderde mij herhaaldelijk een zogenaamde “longworm”, waarvan ik niet
kan
aangeven, of het een dierachtig wezen of een zielachtig vormsel is
geweest; ik
kan alleen maar zeggen, dat het optreden daarvan met een bijtende pijn
in de
longen gepaard ging, zoals ik mij misschien de pijnen denk te moeten
voorstellen die bij een longontsteking voorkomen. Mijn longkwabben
waren van
tijd tot tijd bijna volledig geabsorbeerd en ik kan niet zeggen of dat
alleen maar
door de activiteit van de longworm of ook door ander soort wonderen
gebeurde;
ik had een duidelijk gevoel, dat mijn middenrif helemaal boven in de
borst,
vrijwel meteen onder het strottenhoofd zat en dat zich daar alleen nog
maar een
kleine rest van de longen tussenin bevond, waarmee ik nauwelijks kon
ademen. Er
waren dagen geweest, waarop ik tijdens het rondlopen in de tuin voor de
longen
in zekere zin elke ademhaling opnieuw moest kopen; want dat is juist
het
wonderbaarlijke, dat stralen, omdat het scheppen nu eenmaal in hun aard
ligt,
zelfs niets anders kunnen, dan een noodlijdend lichaam voor zijn behoud
het
meest noodzakelijke te verschaffen.
Ongeveer
rond diezelfde tijd was een groter of kleiner gedeelte van mijn ribben
af en
toe tijdelijk verbrijzeld, steeds met het gevolg dat het vernietigde na
enige
tijd weer werd aangemaakt. Een van de meest afschuwelijke wonderen was
het
zogenaamde aamborstigheidswonder, dat ik minstens enige tientallen
keren heb
meegemaakt; daarbij werd de hele borstkas samengeperst, zodat de
toestand van beklemming
die door de ademnood werd veroorzaakt, zich over het hele lichaam
uitbreidde.
Sporadisch is het aamborstigheidswonder ook in latere jaren nog
opgetreden; dat
behoorde in hoofdzaak, net als de overige hier beschreven wonderen, tot
de
tweede helft van het jaar 1894 en ongeveer de eerste helft van het jaar
1895.
Wat
de maag betreft, was mij tijdens mijn verblijf in Flechsigs kliniek
door de
Weense zenuwarts, die in hfdst, V is genoemd, in plaats van mijn
gezonde natuurlijke
maag een zeer minderwaardige zogenaamde “jodenmaag” aangewonderd. Later
richtten de wonderen zich een tijd lang bij voorkeur tegen de maag,
enerzijds
omdat de zielen mij het zinnelijke genot niet gunden, dat met het
innemen van
het voedsel was verbonden, anderzijds omdat de zielen zich eigenlijk
als iets
beters beschouwden, dan iemand die aardse voeding nodig heeft en daarom
geneigd
waren om op alle eten en drinken met een bepaalde minachting neer te
kijken. Ik
heb regelmatig kortere of langere tijd zonder maag geleefd en af en toe
ook ten
overstaan van de verpleger M., die zich dat misschien nog kan
herinneren,
uitdrukkelijk verklaard, dat ik niet kon eten omdat ik geen maag had.
Soms werd
mij meteen voor het eten als het ware ad hoc een maag aangewonderd. Dat
gebeurde natuurlijk van de kant van von W.’s ziel, die mij eigenlijk
althans in
een van haar eigen gedaanten tijdelijk met een vriendelijke houding
bejegende.
Dat was echter nooit van lange duur; de maag, die mij werd
aangewonderd,
overigens ook maar een minderwaardige, werd mij door v. W.’s ziel
doorgaans nog
tijdens de desbetreffende maaltijd “wegens veranderde houding” weer
afgewonderd; een grote veranderlijkheid is eigenlijk, misschien
afgezien van de
geheel zuivere godsstralen, een wezenlijke grondtrek van het
zielenkarakter.
Het genoten voedsel en de dranken verdwenen dan zonder meer in de
buikholte en
de bovenbenen, een gebeuren, dat, hoe ongelofelijk het ook moge
klinken, gezien
de duidelijkheid van het gevoel voor mij buiten twijfel was.
Bij
alle andere mensen zouden daardoor natuurlijk etterende toestanden met
een
onfeilbare dodelijke afloop hebben moeten ontstaan; bij mij kon echter
de
verspreiding van de spijsbrij om het even in welk lichaamsdeel niets
beschadigen, omdat alle onreine stoffen in mijn lichaam weer door
stralen
werden opgezogen. Ik heb als gevolg daarvan later herhaaldelijk geheel
zorgeloos zonder maag erop los gegeten; eigenlijk wende ik mijzelf
langzamerhand aan een volkomen onverschilligheid voor alles, wat er met
mijn
lichaam gebeurde. Ik ben er ook nu nog van overtuigd, dat ik tegen alle
natuurlijke ziekte-invloeden gevrijwaard ben; ziektekiemen ontstaan bij
mij
alleen maar door stralen en worden eveneens door stralen weer uit de
weg
geruimd. Ik betwijfel zelfs zeer, of ik niet b.v. het sterkste gif zou
kunnen
innemen, zonder wezenlijke schade voor mijn leven en gezondheid. Wat
kunnen
vergiften immers anders doen, dan een of ander belangrijk orgaan
vernietigen of
een aantastende invloed op het bloed uitoefenen? Beide dingen zijn
echter bij
mij al in ontelbare gevallen gebeurd door stralen zonder schadelijke
gevolgen
op langere termijn.
Van
de andere inwendige organen kan ik alleen nog maar aan de slokdarm en
de darmen
denken, die herhaaldelijk uiteengescheurd of verdwenen waren; verder
het
strottenhoofd, dat ik meer dan eenmaal mee heb opgegeten; en tot slot
de
zaadstrengen, waartegen af en toe op een tamelijk pijnlijke manier werd
gewonderd, hoofdzakelijk om het wellustgevoel te onderdrukken, dat in
mijn
lichaam opkwam. Bovendien moet ik nog gewag maken van een wonder dat
het hele
onderlijf aangreep, de zogenaamde onderlijfsverrotting. Dit wonder ging
regelmatig uit van von W.’s ziel in een van haar meest onreine
gedaanten, die
daarom – in tegenstelling tot andere von W.’se zielendelen – de
benaming
“onderlijfsverrotting van von W.” kreeg. Die wierp met een volmaakte
onverbiddelijkheid de rottingsstoffen, die de onderlijfsverrotting
veroorzaakten mijn buik in, zodat ik meer dan eenmaal dacht in levende
lijve te
moeten verrotten en de geur van verrotting op de meest weerzinwekkende
manier
mijn mond uitstroomde. Von W.’s ziel rekende er daarbij op, dat de
onderlijfsverrotting weer door godsstralen zou worden opgeruimd, wat
dan ook
steeds door stralen gebeurde, met een heel bijzondere hoedanigheid, die
aan dit
doel beantwoordde, en die zich als een wig in mijn darmen schoven en de
hoeveelheid rotzooi opzogen. De godsstralen schenen hierbij te werk te
gaan uit
het instinctieve besef, dat het voor henzelf uiteindelijk zeer
ongunstig zou
zijn, om zich door een verrottend lichaam aan te moeten laten trekken.
Dat idee
kwam tot uitdrukking in de oplossing die herhaaldelijk werd geopperd,
dat men
mij namelijk althans “met een zuiver lichaam” wil laten vallen;
natuurlijk leed
ook dit idee weer aan de gebruikelijke onduidelijkheid, in zoverre dat
men zich
er in het openbaar geen rekenschap van had gegeven, waardoor nu
eigenlijk de
lichaamszenuwen die men had “laten vallen”, hun aantrekkingskracht
zouden
verliezen.
Het
meest bedreigend leken mijzelf steeds de wonderen, die zich op een of
andere
manier tegen mijn verstand richtten. In eerste instantie ging het
daarbij om
het hoofd; in tweede instantie kwam in een bepaalde tijdsspanne – in de
herfst
van 1894, die wel meerdere weken duurde – ook het ruggenmerg ter
sprake, dat
destijds naast het hoofd, als zetel van het verstand werd beschouwd.
Men
probeerde daarom bij mij het ruggenmerg leeg te pompen, wat door
zogenaamde
“mannetjes” gebeurde, die men in mijn voeten plaatste. Over deze
“mannetjes”
die enige verwantschap vertoonden met het gelijknamige verschijnsel dat
al in
hfdst. VI is besproken, zal ik later nog meer vertellen; in de regel
waren het
telkens twee, een “kleine Flechsig” en een “kleine von W.”, waarvan ik
de
stemmen ook in mijn voeten hoorde. Het leegpompen had tot gevolg, dat
het
ruggenmerg met name tijdens mijn wandelingen in de tuin af en toe in
een
tamelijk grote hoeveelheid in de vorm van kleine wolkjes uit mijn mond
stroomde. Men kan bedenken, met wat voor zorgen mij dergelijke
gebeurtenissen
vervulde, omdat ik destijds nog niet wist, of daarmee inderdaad niet
een deel
van mijn verstand in de lucht vloog. Het wonderen tegen het hoofd en de
hoofdzenuwen gebeurde op zeer verschillende manieren. Men probeerde bij
mij de
zenuwen uit het hoofd naar buiten te trekken en een tijd lang zelfs (’s
nachts)
in het hoofd van M. over te planten, die in de in de kamer ernaast
sliep. Deze
pogingen hadden (afgezien van de zorgen om het werkelijke verlies van
de
zenuwen) in mijn hoofd een onaangenaam spannend gevoel tot gevolg. Toch
lukte
het uittrekken steeds slechts zeer matig; het uithoudingsvermogen van
mijn
zenuwen betoonde zich de sterkste en de halfuitgetrokken zenuwen
keerden steeds
na korte tijd weer in mijn hoofd terug. Echte zorgelijke vernielingen
aan mijn
schedel werden door de zogenaamde “stralenzwermen” aangericht, een
moeilijk te
beschrijven verschijnsel, waarvan ik de werking alleen maar kan
beschrijven als
dat mijn schedel daardoor herhaaldelijk in verschillende richtingen als
het
ware was doorgezaagd. Heel vaak had ik – wat ook nu nog een regelmatig,
dagelijks terugkerende gebeurtenis is – het gevoel, dat mij hele
hersenpan
tijdelijk dunner is geworden; de gang van zake bestaat naar mijn mening
uit het
feit, dat het botmateriaal van mijn hersenpan door de vernietigende
werking van
de stralen tijdelijk gedeeltelijk verpulvert, maar vervolgens door
zuivere
stralen, met name tijdens de slaap, weer aan de hersenpan worden
toegevoegd.
Dat door al die gebeurtenissen een zeer onaangename gevoel moet
ontstaan, zal
men zich kunnen voorstellen, zeker als men bedenkt, dat het de – op een
of
andere manier aan hun uitgangspunten bevestigde – stralen van een hele
wereld
zijn, die in een enkel hoofd rondtrekken en dat proberen uit elkaar te
rukken
of op te blazen, ongeveer op dezelfde manier, waarop dat bij het
vierendelen
gebeurt.
Verder
bedekte men in die periode, waar ik het nu over heb, mijn zenuwen
herhaaldelijk
met een of andere schadelijke stof; het leek alsof daardoor het
natuurlijke
trillingsvermogen van de zenuwen werd beïnvloed, zodat ik zelf soms de
indruk
had van een tijdelijk dom worden. Een stof waarvan daarbij sprake was
werd als
“intoxicatievergif” aangeduid; wat de chemische aard daarvan is
geweest, kan ik
niet zeggen. Af en toe gebeurde het, dat men mij de vloeistoffen van
het
voedsel dat ik at, op de hersenzenuwen wonderde, zodat ze met een soort
kleverig goedje waren overdekt, waardoor het denkvermogen tijdelijk
schade leek
te ondervinden; ik herinner me nauwkeurig, dat dat een keer met de
koffie
gebeurde.
Aan
al mijn spieren werd (en wordt nog steeds) nogal wat aangewonderd, om
mij te
hinderen bij alle bewegingen of met de bezigheid, die ik net van plan
ben. Zo
probeert men b.v. mijn vingers te verlammen, als ik pianospeel of
schrijf, en
als ik in de tuin of op de gang rondloop aan mijn knieschijven schade
toe te
brengen, wat een eind aan mijn loopvermogen maakt. Het gevolg bestaat
nu in
ieder geval bijna altijd alleen uit een bepaalde bemoeilijking van de
desbetreffende bezigheid of een matig pijngevoel bij het lopen.
Een
vrijwel onafgebroken doelwit van wonderen vormden met name mijn ogen en
de
ooglidspieren die voor het openen en sluiten daarvan dienen. De ogen
waren van
oudsher heel belangrijk, omdat stralen, die op zichzelf al met een
vernietigende werking zijn uitgerust, zodra ze iets zien hun scherpte
na een
verhoudingsgewijs korte tijd verliezen, en dan onschadelijk mijn
lichaam
ingaan. Het voorwerp voor het zien zouden óf gezichts-(ogen-)indrukken
kunnen
zijn, die de stralen, als mijn ogen open zijn, door middel daarvan
ontvangen,
óf deels beelden, die ik door het gebruiken van de menselijke
verbeeldingskracht willekeurig op mijn inwendige zenuwstelsel
tevoorschijn kan
roepen, zodat ze daardoor in zekere mate zichtbaar worden voor de
stralen. Op
de gebeurtenissen van dat soort, die in de zielentaal het “tekenen” van
de mens
worden genoemd, zal ik nog in een ander verband terugkomen. Hier kan
alleen
worden vermeld, dat men er al heel vroeg toe overging en ook in de loop
van het
sindsdien vervlogen jaar steeds bij het streven is gebleven, om mijn
ogen tegen
mijn wil te sluiten, juist om mij van de indrukken van mijn ogen te
beroven en
de stralen hun vernietigende scherpte te laten houden. Het verschijnsel
kan op
vrijwel elk gegeven tijdstip bij mij worden waargenomen; als iemand
zich de
moeite wil geven om daar op te letten, zal hij kunnen waarnemen, dat
mij
oogleden, zelfs tijdens het gesprek met andere mensen, plotseling
dichtklappen
of dichtvallen, zoals dat doorgaans onder gewone omstandigheden bij
niemand
voorkomt. Om dan de ogen desondanks open te houden, is steeds een zeker
inspannen van mijn wilskracht nodig; omdat ik echter niet altijd belang
in het
openen van mijn ogen stel, laat ik het sluiten ook uit gemakzucht
tijdelijk pas
na enige tijd geschieden.
Het
maar aanwonderen aan mijn ogen werd in de eerste maanden van mijn
verblijf door
“mannetjes” gedaan, van hetzelfde soort als waar ik het hierboven bij
de
bespreking van het ruggenmergswonder over heb gehad. Deze “mannetjes”
waren een
van de merkwaardigste en in zekere zin raadselachtigste verschijnselen;
over de
objectieve werkelijkheid van de desbetreffende gebeurtenissen heb ik
niet de
minste twijfel, gezien de ontelbare gevallen, waarbij ik de “mannetjes”
met
mijn geestesoog heb gezien en hun stemmen heb gehoord. Het merkwaardige
bestond
juist uit het feit, dat de zielen of afzonderlijke zenuwen daarvan
onder
bepaalde voorwaarden en voor bepaalde doeleinden de vorm van minuscule
mensengedaanten aannamen (zoals eerder vermeld, slechts met een lengte
van
enige millimeters) en als zodanig aan de meest verschillende
lichaamsdelen,
deels in het inwendige van het lichaam, deels aan de oppervlakte ervan
tekeergingen. De “mannetjes” die zich met het openen en sluiten van de
ogen
bezighielden, stonden boven de ogen in de wenkbrauwen en trokken van
daaruit de
oogleden aan fijne, spinnenwebachtige draden naar hartelust op en neer.
Ook
hier waren het in de regel een “kleine Flechsig” en een “kleine von
W.”, en
naast hen af en toe nog een “mannetje”, dat voorgekomen was uit Daniel
Fürchtegott Flechsig, die destijds nog aanwezig was. Als ik mij af en
toe het
op en neertrekken van mijn oogleden niet wilde laten welgevallen, maar
mij
daartegen verzette, veroorzaakte dat doorgaans ongenoegen bij de
“mannetjes” en
werd door hen dan met de uitroep “loeder” begroet; als ik ze af en toe
met de
spons van mijn ogen afveegde, werd dat door de stralen als een soort
misdaad
tegenover de goddelijke “wonderende kracht” aangerekend. Overigens had
dat
wegvegen ook maar een heel tijdelijk resultaat, omdat de “mannetjes” er
elke
keer meteen opnieuw op werden gezet. Andere “mannetjes” waren destijds
bijna
altijd in groten getale op mijn hoofd verzameld. Daar werden ze als
“duiveltjes” aangeduid. Ze gingen gewoon op mijn hoofd wandelen en
liepen
nieuwsgierig overal naartoe, waar een of andere nieuwe vernieling te
zien was,
die door wonderen aan mijn hoofd was toegebracht. Ze namen zelfs in
zekere zin
aan mijn maaltijden deel, waarbij ze vaak natuurlijk een minimaal
gedeelte van
het voedsel dat ik at, zelf opaten; zij leken dan tijdelijk wat
opgezwollen,
maar tegelijkertijd trager en in hun gedrag onschadelijker. Een deel
van de
“duiveltjes” was ook betrokken bij een wonder dat vaak aan mijn hoofd
werd
herhaald, en dat ik bij deze gelegenheid achteraf wil toevoegen. Het
was –
naast de aamborstigheid – wel het meest afschuwelijke van alle
wonderen; de
uitdrukking die daarvoor werd gebruikt was, als ik mij dat goed
herinner,
“hoofdsamensnoeringsmachine”. In mijn hersenpan was namelijk door de
vele
zwermen stralen enz. ongeveer in het midden een waarschijnlijk niet van
buitenaf, maar wel van binnenuit zichtbare diepe spleet of cesuur
ontstaan. Aan
beide kanten van die spleet stonden de “duiveltjes” en persten mijn
hoofd
samen, door het aandraaien van een soort schroefzwengel zoals dat bij
een
hydraulische pers gebeurt, zodat mijn hoofd tijdelijk een naar boven
verlengde,
bijna peervormige vorm aannam. De indruk die dat op mij maakte was
natuurlijk
uiterste bedreigend, en af en toe ging het met een zeer gevoelige pijn
gepaard.
Van tijd tot tijd werd er weer teruggeschroefd, maar meestal slechts
“zeer
onvoorzichtig”, zodat de samengeperste toestand steeds enige tijd
pleegde te
duren. De betrokken “duiveltjes” waren meestal van het soort, dat van
von W.’s
ziel uitging. De tijd, waarin deze “mannetjes” en “duiveltjes”
optraden,
bestreek een paar maanden en vervolgens verdwenen ze, om nooit meer op
te
duiken. Het tijdstip van hun verdwijnen valt misschien bij benadering
samen met
het optreden van het achterste godsrijk. Aan mijn ogen wordt echter ook
nu nog
maar wat aangewonderd op de manier, die hierboven is afgeschilderd,
namelijk
door het omhoog klappen en sluiten van de oogleden, maar het gebeurt
momenteel,
dus al bijna zes jaar, niet meer door “mannetjes”, maar rechtstreeks
door
stralen, waardoor de desbetreffende spieren in beweging worden gezet.
Om mij
bij het willekeurig sluiten en openen van de ogen te hinderen, wonderde
men mij
ook een paar keer de dunne spierlaag af, die zich binnen en boven de
oogleden
bevindt en die dient om die laatsten te bewegen. Het gevolg was echter
ook hier
slechts tijdelijk, omdat het spiervlees dat verloren was gegaan – om de
al
vaker vermelde redenen – steeds meteen weer werd vervangen.
Afgezien
van wat er hierboven met betrekking tot de rib- en schedelbeenderen al
is
opgemerkt, was ook mijn skeletsysteem het voorwerp van allerlei
wonderen. In de
voetbeenderen, met name in de hielstreek, wonderde men mij vrij vaak
beenvraat,
dat met zeer gevoelige pijnen gepaard ging; gelukkig plachten de pijnen
althans
in grote heftigheid niet al te lang te duren. Een soortgelijk wonder
was het
zogenaamde “stuitwonder”; daarbij waren de onderste ruggenwervels in
een
eveneens beenvraatachtige pijnlijke toestand betrokken. De bedoeling
was om mij
ook het zitten of liggen onmogelijk te maken. Overigens wilde men mij
geen
enkele houding of bezigheid langdurig toestaan: als ik liep, probeerde
men mij
tot liggen te dwingen en als ik lag, weer het bed uit te jagen. Dat
iemand die
nu eenmaal echt bestond toch ergens moest zijn, daarvan schenen de
stralen geen
verstand te hebben. Ik was door de noodzaak, om zich door mijn zenuwen
aan te
laten trekken voor de stralen (voor God) nu eenmaal een lastig iemand
geworden,
om het even in welke situatie of positie ik mij ook mocht bevinden of
waar ik
ook mee bezig was. Dat dit eigenlijk buiten mijn schuld was gebeurd,
daar wilde
men niets van weten, maar men was steeds door de drang beheerst om de
schuldvraag op de manier van het “uitbeelden” om te keren.
Met
het huidige hoofdstuk denk ik dat ik een, bij benadering, totaalbeeld
heb
geschilderd van de wonderen, die er door hun bedreigend karakter voor
zorgden
dat ik ze als wezenlijk moest zien. Talrijke andere wonderen (deels aan
mijn
lichaam, deels aan de voorwerpen die zich in mijn omgeving bevonden),
die
toentertijd al naast de besproken wonderen inslopen of pas daarna
optraden,
maar die minder bedreigend waren, zal ik in het verloop van mijn werk
bij
gelegenheid nog vaak moeten vermelden.
Hoofdstuk
12. – Inhoud van het stemmengeklets. “Opvatting over de ziel”.
Zielentaal.
Vervolg van de persoonlijke belevenissen
Het
geklets van de stemmen was, zoals al in hfdst. IX is opgemerkt, ook
destijds al
overwegend een vervelend gezeur van eentonige leuterpraat, dat in een
vermoeiende herhaling terugkeerde en bovendien door het weglaten van
afzonderlijke woorden en lettergrepen steeds meer het karakter van een
grammaticale onvolledigheid aannam. Bovendien kwam destijds nog een
bepaald
aantal terugkerende praatjes voor, die de moeite waard zijn om apart te
bespreken, omdat ze een interessant strijklicht werpen op de manier van
denken
van de zielen, op hun opvatting van het menselijke leven en over het
menselijke
denken. Tot deze praatjes behoorden vooral die, waarin ik – rond de
periode van
mijn verblijf in Dr. Piersons kliniek – de benaming “hellevorst” kreeg.
Ontelbare keren heette het b.v. “Gods almacht heeft besloten, dat de
hellevorst
levende verbrand wordt”, “voor het verlies van stralen is de hellevorst
verantwoordelijk”. “Victorie roepen wij alleen maar over de overwonnen
hellevorst”, maar dan ook weer door een gedeelte van de stemmen:
“Schreber is,
nee Flechsig is de echte ‘hellevorst’” enz.
Wie
mij ooit in mijn vorige leven heeft gekend en daarbij de gelegenheid
heeft
gehad om mijn koele en nuchtere karakter te gade te slaan, zal
ongetwijfeld
geloven, dat ik er zelf nooit op zou zijn gekomen om aanspraak te maken
op een
dergelijke fantastische benaming als die van hellevorst, vooral omdat
die op
zo’n merkwaardige manier contrasteerde met de armzaligheid van mijn
uiterlijke
levensomstandigheden, de talrijke vrijheidsbeperkingen die ik onderging
enz. In
de omstandigheden van mijn omgeving was zeker noch van een hel, noch
van een
vorstelijke inrichting ook maar iets te bespeuren. Volgens mij ligt
oorspronkelijk aan de uitdrukking “hellevorst”, die slechts
abusievelijk op mij
werd toegepast, een abstractie ten grondslag.
In
het Godsrijk had mogelijk van oudsher het besef geheerst dat de
wereldorde, hoe
groots en prachtig die ook was, toch niet helemaal zonder achilleshiel
was, in
zoverre de aantrekkingskracht van de menselijke zenuwen op de
godszenuwen een
kiem voor gevaren voor het godsrijk bevatte. Deze gevaren zouden
mogelijk op
bepaalde tijden bedreigender hebben geleken, als ergens op aarde of
misschien
ook op andere hemellichamen een sterke toename van nervositeit of
zedelijk
bederf was opgemerkt. Om zich van die gevaren een duidelijk idee te
verschaffen, waren de zielen kennelijk tot een personificatie
overgegaan, zoals
volkeren die nog in de kinderschoenen staan proberen om het idee van de
godheid
beter te begrijpen door middel van afgodsbeelden. Als “hellevorst” gold
daarom
waarschijnlijk voor de zielen de onheilspellende macht, die zich tot
een
godvijandige macht kon ontwikkelen, door van een zedelijk verval van de
mensheid of door een algemene zenuwoverprikkeling ten gevolge van de
supercultuur. Die “hellevorst” scheen dus in mijn persoon in één keer
werkelijkheid te zijn geworden, omdat aan de aantrekkingskracht van
mijn
zenuwen steeds moeilijker weerstand kon worden geboden. Men zag daarom
in mij
een vijand, die met alle middelen van de goddelijke macht vernietigd
zou moeten
worden; dat ik echter de beste vriend van de zuivere stralen was,
waarvan
immers ik alleen mijn genezing of een andere bevredigende oplossing van
het
conflict kon verwachten, wilde men niet toegeven. Men kon kennelijk
eerder
vertrouwd raken met de gedachte, om de eigen macht te delen met onreine
(“beproefde”) zielen – de ware vijanden van God - , dan zich te
schikken in het
idee om van één enkel mens afhankelijk te zijn, op wie men zou hebben
neergezien, in het trotse besef van een onnaderbare macht.
In
een andere groep van uitdrukkingen, die een zekere zakelijke betekenis
hadden,
werd over de “opvatting over de ziel” gesproken. Ook hieraan lagen op
zichzelf
opmerkelijke en waardevolle gedachten ten grondslag. De “opvatting over
de
ziel” in zijn oorspronkelijke betekenis is naar mijn mening de ietwat
geïdealiseerde voorstelling, die de zielen over het menselijke leven en
denken
hebben gevormd. De zielen zouden dan de afgescheiden geesten van
gewezen mensen
zijn. Als zodanig hadden ze niet alleen een levendige belangstelling
voor hun
eigen menselijke verleden, maar ook voor de lotgevallen van hun
verwanten en
vrienden die nog op aarde leefden, en voor alles wat zich bij de
mensheid
afspeelde, waarvan zij immers via zenuwwaarneming, of ook wel, voor
zover het
uiterlijke indrukken betreft, door rechtstreekse observatie kennis van
konden
nemen (vergl. hfdst. I). Bepaalde leefregels en bepaalde
levensbeschouwingen
hadden ze in min of meer duidelijke vorm met woorden tot uitdrukking
gebracht.
Ik zal hier als voorbeeld maar enkele van de desbetreffende zinnen
geven. "Niet
aan bepaalde lichaamsdelen denken”, luidde een leefregel, die kennelijk
uitdrukking gaf aan de gedachte dat het overeenkomt met iemands normale
gezondheidstoestand, als hij niet de neiging heeft, om door enige
pijngewaarwording aan afzonderlijke lichaamsdelen te worden herinnerd.
“Niet
bij het eerste verzoek”, luidde een andere, wat moest betekenen, die
een
verstandig iemand niet door elke directe opwelling in deze of gene
richting zou
moeten handelen. “Een eenmaal begonnen zaak moet afgemaakt worden”, was
de
formule, waarmee de gedachte werd uitgedrukt, dat iemand, wat hij zich
eenmaal
heeft voorgenomen, ongehinderd door verzwarende invloeden tot het
voorgenomen
doel moet brengen enz.
In
het denkproces van de mens onderscheidt men “beslissingsgedachten” – de
wil die
mensen aanzet tot het voornemen van een bepaalde bezigheid –
“wensgedachten”,
”hoopvolle gedachten” en “angstgedachten”. Als “nadenkgedachte” werd
het
verschijnsel aangeduid, dat misschien ook de psycholoog bekend is, dat
mensen
er vaak toe brengt om de richting van zijn wilsbestemming, waartoe hij
op het
eerste moment lijkt te neigen, bij nadere overweging, die onwillekeurig
aanleiding geeft tot het opduiken van redenen tot twijfel, óf volledig
in haar
tegendeel om te draaien óf althans gedeeltelijk te veranderen. Een
ander
verschijnsel werd de "menselijke herinneringsgedachte” genoemd, volgens
welk iemand onwillekeurig de behoefte voelt, om een of andere
belangrijke
gedachte die in hem opkomt, door een herhaling die daar meteen op
volgt, vaster
in zijn bewustzijn te prenten. – Zeer karakteristieke
verschijningsvormen van
de ”menselijke herinneringsgedachte”, die laten zien hoe diep die in
het wezen
van het menselijke denk- en ervaringsproces is geworteld, zijn b.v. te
vinden
in het refrein, dat in gedichten voorkomt en die eveneens aan het licht
treden
in muziekcomposities, waarin heel regelmatig een bepaalde opeenvolging
van
tonen voorkomt, die een belichaming van het schoonheidsidee bevat, dat
aangenaam voor het menselijke gevoel is en dat in hetzelfde muziekstuk
niet
gewoon eenmaal voorkomt, maar meteen wordt herhaald. — Een zeer
uitgebreide
ruimte namen in de “opvatting over de ziel” de ideeën in, die
betrekking hadden
op de verhouding tussen beide geslachten en de manier van doen, smaak
enz. van
beiden. Zo golden b.v. het bed, de handspiegel en de hark (de riek) als
vrouwelijk, de rieten stoel en de schop als mannelijk, van de spelen
het
schaakspel als mannelijk en het damspel als vrouwelijk enz.
Dat
in bed de man op zijn zij en de vrouw op de rug ligt (in zekere zin
steeds als
“onderliggende partij”, wat overeenstemt met de houding tijdens de
bijslaap),
wisten de zielen heel precies; ik, die daar eerder in mijn leven nooit
op heb
gelet, heb dat zelf van de zielen gehoord. Gezien wat ik daarover b.v.
lees in
de Medische Kamergymnastiek van mijn vader (23e editie,
bldz. 102),
schijnen zelfs artsen daarover niets te hebben geleerd. Verder was het
de
zielen bekend, dat de mannelijke wellust wel werd geprikkeld door de
aanblik
van vrouwelijk naakt, maar dat niet omgekeerd of in ieder geval maar in
een
veel mindere mate de vrouwelijke wellust door de aanblik van mannelijk
naakt
wordt geprikkeld en dat vrouwelijk naakt veeleer evenzeer op beide
geslachten
werkt. Zo zal bijvoorbeeld de aanblik van ontblote mannelijke lichamen,
zoals
bij demonstratiezwemmen, het aanwezige vrouwelijke publiek seksueel
vrij koud
laten (reden waarom het toelaten van vrouwen terecht niet zonder meer
als
zedelijk aanstootgevend geldt, zoals dat wel het geval zou zijn wat
betreft de
aanwezigheid van mannen bij een vrouwelijk demonstratiezwemmen),
terwijl een
balletvoorstelling bij beide geslachten een bepaalde seksuele opwinding
oproept. Ik weet niet of deze verschijnselen in brede kring bekend zijn
en voor
waar worden gehouden. Ik voor mij kan, na de observaties die ik
sindsdien heb
verricht en gezien wat het gedrag van mijn wellustzenuwen mij leert,
geen
twijfel hebben over de juistheid van de toestanden, die volgens de
opvatting
over de ziel, hierbij plaatsvinden. Natuurlijk ben ik mij ervan bewust,
dat het
gedrag van mijn eigen (vrouwelijke wellustzenuwen) op zichzelf niets
bewijst,
omdat deze zich uitgerekend bij wijze van uitzondering in een mannelijk
lichaam
bevinden.
Bij
kledingstukken (het “gereedschap”, zoals dat in de oertaaluitdrukking
luidt)
bleek het onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk hoofdzakelijk
vanzelfsprekend; een bijzonder karakteristiek symbool van mannelijkheid
vonden
de zielen de laarzen. “De laarzen uittrekken” was daarom een gezegde,
dat voor
de zielen vrijwel hetzelfde betekende als ontmanning.
Deze
korte opmerkingen zouden voldoende kunnen zijn om er bij benadering een
idee
van te geven, welke beeld er gepaard ging met de uitdrukking “opvatting
over de
ziel”, in haar oorspronkelijke betekenis. De desbetreffende
verklaringen, - die
overigens allemaal in de eerste periode van mijn ziekte volgden – dank
ik deels
aan uitdrukkelijke mededelingen, deels aan andere indrukken die ik in
het
contact met de zielen heb gekregen. Ik heb daarbij inzichten verkregen
in het
wezen van het menselijke denkproces en het menselijke ervaren, waar
menig
psycholoog mij echt om zou kunnen benijden.
Later
kregen de uitspraken over de “opvatting over de ziel” een heel andere
betekenis. Ze zakten af tot holle frasen, waarmee men, bij een
volstrekt gebrek
aan eigen gedachten (vergl. hfdst. IX), probeerde te voldoen aan de
behoefte om
te praten. “U moet niet vergeten, dat u bent gebonden aan de “opvatting
over de
ziel” en “dat ging nou echt te ver volgens de “opvatting over de ziel”
werden
doorlopend terugkerende praatjes, waarmee men mij jarenlang, in een
duizendvoudige herhaling, op een bijna onverdraaglijke manier heeft
gekweld en
nog steeds kwelt. Uit de laatste zin, een antwoord dat vrij regelmatig
volgde,
als men niets meer te zeggen wist op een of andere nieuwe gedachte, die
bij mij
opkwam, blijkt ook al uit haar weinig smaakvolle stilistische
bewoording, het
optreden van verval; de echte oertaal, d.w.z. de uitdrukking van de
werkelijke
gevoelens van de ziel in de tijd, toen er nog geen van buiten geleerde
uitspraken bestonden, kenmerkte zich ook in haar vorm door een edele
voornaamheid en eenvoud.
Van
verdere duidelijke uitspraken, met een feitelijk enigszins belangrijke
inhoud,
kan ik gezien de samenhang pas in het volgende hoofdstuk gewag maken.
Mijn
uiterlijke levensomstandigheden waren, zoals al aan het slot van hfdst.
X is
opgemerkt, sinds ongeveer de eerste helft van het jaar 1895, althans in
sommige
opzichten, iets draaglijker geworden. Het belangrijkste was, dat ik op
een of
andere manier iets begon te doen. Een correspondentie met familieleden,
vooral
met mijn vrouw, waar men mij door middel van de verpleger M. een aantal
keren
toe wilde zetten, wees ik destijds echter af. Ik geloofde toen nog niet
in een
echte mensheid buiten de kliniek, en beschouwde alle mensengedaanten
die ik
zag, vooral ook mijn vrouw tijdens haar bezoeken, als “vluchtig in
elkaar
geflanst”, zodat het brievenschrijven dat van mij werd verlangd, louter
een
klucht zou zijn geweest, waar ik niet aan mee wilde doen. Daarentegen
bestond
sinds de aangegeven tijd af en toe de gelegenheid om te schaken (met
andere
patiënten of met verplegers) en piano te spelen. Nadat ik al een of
twee keer
tijdens het bezoek van mijn vrouw in de conversatiezaal of in de
bibliotheekzaal wat piano had gespeeld, werd rond de lente van 1895 in
mijn kamer een kleine piano neergezet, waar ik altijd gebruik van kon
maken.
Het gevoel, dat ik had bij het hervatten van mijn bezigheden in deze
gezonde
dagen, kan ik het beste illustreren met een citaat uit Tannhäuser: “Een
ondoordringbaar vergeten is neergedaald tussen nu en gisteren. Geheel
mijn
geheugen is mij ras ontvloden en dat ene moet ik gedenken, dat ik nooit
meer
gehoopt had u te begroeten, noch mijn ogen naar u op te heffen.”
In
Flechsigs kliniek had ik ooit op een dringend verzoek van mijn vrouw
pianogespeeld en wel de aria uit Händels Messiah “Ik weet dat mijn
verlosser
leeft” aan de hand van muziek die daar toevallig lag. Mijn toestand
daarbij was
van dien aard geweest, dat ik het had gedaan in de vaste
veronderstelling, dat
het de laatste keer in mijn leven was, dat mijn vingers de pianotoetsen
beroerden. Sinds ik het in de kliniek weer heb hervat, zijn schaken en
pianospelen twee van mijn belangrijkste bezigheden geworden in de hele
periode
van ongeveer vijf jaar, die sindsdien is verlopen. Vooral het
pianospelen werd
voor mij van een onschatbare waarde en is dat nu nog steeds; ik moet
zeggen,
dat ik mij nauwelijks kan voorstellen, hoe ik de denkdwang met al haar
bijverschijnselen gedurende deze vijf jaar had moeten kunnen verdragen,
als ik
het pianospelen niet machtig was geweest. Tijdens dat pianospelen werd
het
onzinnige gezwets, van de stemmen die tegen mij praatten, overstemd;
het is –
naast lichamelijke oefeningen – een van de meest geschikte vormen van
de
zogenaamde “nietsdenkengedachte”, waarmee men mij voor de gek wilde
houden,
omdat daarbij, zoals het in de zielentaal wordt genoemd, de “muzikale
nietsdenkengedachte” tot haar recht komt. Tegelijkertijd hebben de
stralen dan
althans enig zicht op mijn handen en de noten die ik speel, en mislukt
door
stemmingmakerij en dergelijke uiteindelijk iedere poging om het gevoel
te
beschrijven, dat in het pianospel kan worden gelegd. Het pianospelen
vormde
daarom van oudsher het belangrijkste onderwerp van vervloeking en vormt
dat nog
steeds.
De
problemen, die mij daarbij in de weg werden gelegd, tarten elke
beschrijving.
Verlamming van de vingers, verandering van kijkrichting van de ogen,
zodat ik
de juiste noten niet zou kunnen vinden, afwijken van de vingers naar
verkeerde
toetsen en vertraging van het tempo door vervroegd in beweging zetten
van mijn
vingerspieren, waren en zijn nog dagelijkse verschijnselen. Aan de
piano zelf
werden heel vaak (gelukkig de laatste jaren beduidend minder)
pianosnaren door
wonderen in tweeën gebroken; in 1997 had de rekening voor gesprongen
pianosnaren maar liefst 86 mark bedragen.
Dit
is een van de weinige punten, waarbij ik een bewijs denk te kunnen
leveren voor
de echtheid van de door mij beweerde wonderen, dat ook voor andere
mensen
overtuigend is. Oppervlakkige beoordeelaars zouden misschien neigen tot
de
veronderstelling, dat ik zelf door onnadenkend loshameren op de piano
schuldig
ben geweest aan het knappen van de pianosnaren; in die zin heeft b.v.
mijn
eigen vrouw, mogelijk na overeenkomstige uitlatingen van de artsen,
zich
meerdere malen tegenover mij geuit. Ik beweer echter – en ik ben ervan
overtuigd, dat iedere deskundige mij daarin gelijk moet geven – dat het
knappen
van pianosnaren alleen maar door het aanslaan van de toetsen, met
hoeveel
geweld dat ook gebeurt, volstrekt onmogelijk is. De kleine hamertjes
die met de
toetsen in verbinding staan en heel losjes tegen de snaren aanslaan,
kunnen
daarop nooit zoveel kracht uitoefenen, dat ze zouden kunnen knappen.
Laat
iemand het maar eens proberen, voor mijn part, om zelf met een hamer of
een
houtblok op de toetsen te rammen; hij zal daarmee misschien het
toetsenbord aan
gruzelementen slaan, maar nooit een snaar kunnen laten knappen. Dat de
laatste
jaren het knappen van de pianosnaren zeldzamer is geworden – af en toe
komt het
nu ook nog voor – is alleen maar op terug te voeren op het feit, dat
het
karakter van de stralen (van God) tengevolge van de onafgebroken
toenemende
zielenwellust wat onvriendelijker tegenover mij is geworden (waarover
later
meer) en dat die bovendien onlangs genoodzaakt worden door andere, voor
hen (de
stralen) nog onverkwikkelijkere toestanden, met name het zogenaamde
“brullen,”
om in het pianospelen een soort tijdvulling te vinden, die voor alle
partijen
het meest aangenaam is.
Ik
kan het niet laten om in dit verband nog een andere wondergebeurtenis
te
memoreren, die echter eigenlijk tot een eerdere periode behoort en die
ook voor
mij, die toch veel wonderbaarlijks heeft gezien, mede tot de
raadselachtige
dingen behoort, die ik heb meegemaakt. Ik herinner mij namelijk, dat er
op een
dag, die nog tijdens de periode van mijn bewegingsloosheid viel (dus in
de
zomer of herfst van 1894) een keer een poging werd ondernomen om bij
mij een
hele (Blüther-)vleugel de kamer in te wonderen; kennelijk was daarbij
sprake
van een von W.’s wonder. Ik besef volkomen hoe krankzinnig deze
mededeling
klinkt en moet mij daarom zelf afvragen of er bij mij een
zinsbegoocheling
binnengeslopen zou kunnen zijn. Desondanks zijn er omstandigheden
aanwezig, die
de veronderstelling van zoiets op zijn minst zeer bemoeilijken. Ik
herinner me
precies dat de gebeurtenis op een heldere dag plaats vond, terwijl ik
op de sofa
of op de stoel zat; ik zag daarbij al de bruingepolitoerde bovenkant
van de
vleugel, die aan het ontstaan was, (nauwelijks een paar passen van mij
af)
duidelijk voor me. Helaas stond ik destijds afwijzend tegenover het
wonderverschijnsel; ik wilde zelfs helemaal niets weten van al die
wonderen die
mij tegenstonden, temeer omdat ik mijzelf destijds had verplicht tot
een
volkomen passiviteit. Achteraf heb is soms spijt gehad dat ik het
wonder niet
heb gesteund (“tot bedaren heb gebracht” zoals de uitdrukking in de
oertaal
luidt), om te zien of het zich werkelijk helemaal zou kunnen
voltrekken. Het
was en is een regel, vrijwel zonder uitzonderingen, dat alle wonderen
mislukken
of op zijn minst zeer bemoeilijkt worden, als ik daar met mijn
vastberaden wil
tegenin ga. Ik moet dus in het midden laten, welke objectieve
verwantschap het
met de vermelde gebeurtenissen heeft gehad; als er werkelijk sprake is
geweest
van een zinsbegoocheling, dan zou het zeker, gezien de directe
nabijheid van
het zogenaamd ontwaarde voorwerp, een zinsbegoocheling van het
allermerkwaardigste soort zijn geweest.
Bij
de wandelingen in de tuin, evenals bij het verblijven in de kamer,
werden
vrijwel dagelijks hitte- en koudewonderen tegen mij uitgeoefend, beiden
steeds
met de bedoeling om het natuurlijke genoegen te verhinderen, dat door
de
zielenwellust ontstond, dus b.v. de voeten koud en het gezicht warm te
wonderen. Het fysiologische proces is, volgens mij, dat bij het
koudewonder het
bloed uit de extremiteiten wordt teruggedrongen, waardoor een
subjectief
kougevoel ontstaat, en dat omgekeerd bij het warmtewonder het bloed
naar het
gezicht en het hoofd wordt gedreven, waarin koelte de toestand is die
daar bij
het algemene welbevinden behoort. Omdat ik van jongsaf aan gewend ben
geweest om
hitte en koude te doorstaan, hebben de desbetreffende wonderen mij
altijd maar
weinig gedaan, behalve als, wat ontelbare keren is gebeurd, ook bij het
liggen
in bed mijn voeten koud werden gewonderd. Ik ben daarentegen heel vaak
genoodzaakt geweest om zelf de kou en warmte op te zoeken. Vooral in de
eerste
jaren van mijn huidige verblijf, waarin de zielenwellust nog niet die
mate had
bereikt, waartoe zij thans is uitgegroeid, was dat vaak een
noodzakelijke
maatregel, om de stralen naar de ijskoude lichaamsdelen af te leiden,
vooral de
handen en voeten, en daardoor het hoofd voor de bedoelde vernielende
werking te
behoeden. Het is vaak voorgekomen, dat ik met die bedoeling ’s winters
mijn
handen minutenlang tegen de bevroren bomen heb gehouden of er stukken
sneeuw
mee heb vastgehouden, tot mijn handen bijna verstijfden.
Om
dezelfde reden heb ik een tijd lang (in het voorjaar of de herfst van
1895)
mijn voeten ’s nachts door de tralies van het open raam naar buiten
gestoken,
om ze aan de koude regen bloot te stellen; zolang ik dat deed, konden
de
stralen mijn hoofd niet bereiken, waarop het voor mij natuurlijk
allemaal
aankwam, en voelde ik mij helemaal goed, afgezien van de ijskoude
voeten. Ik
denk te mogen veronderstellen, dat dit gedrag van mij op een of andere
manier
de artsen ter oren is gekomen en daardoor aanleiding voor een maatregel
is
geworden, die mijn ongenoegen tot het uiterste prikkelde. Ik werd een
paar
dagen uit de kamer, die ik doorgaans bewoonde, uitgekwartierd en bij
mijn
terugkomst merkte ik dat men voor het raam van mijn slaapkamer zware
houten
luiken had laten aanbrengen, die voor de nacht werden gesloten, zodat
er nu een
volkomen duisternis in mijn slaapkamer heerste en ook ’s morgens het
binnendringende daglicht zo goed als geen toegang kreeg. Natuurlijk
zullen de
artsen er geen flauw vermoeden van hebben gehad, hoe gevoelig mij die
maatregel
mij trof in mijn toch al zo mateloos moeilijke zelfverdediging tegen de
bedoelingen die gericht waren op de vernietiging van mijn verstand.
Anderzijds
zal men het begrijpelijk vinden, dat ik werd overmand door een diepe
verbittering, die vanaf die tijd langdurig heeft bestaan.
Bij
de taak die ik mij had gesteld, om God, die de levende mensen niet
kende, er op
elk gegeven ogenblik van te overtuigen dat mijn verstandelijke
vermogens
onverminderd aanwezig waren, was het licht, dat men bij elke menselijke
bezigheid nodig heeft, voor mij bijna nog onmisbaarder dan het beste
brood.
Ieder onttrekken van de verlichting, elke verlenging van de natuurlijke
duisternis
betekende dus voor mij een mateloze verzwaring van mijn toestand. Ik
wil er met
de artsen niet over twisten of de maatregel, die tegen mij is
uitgevaardigd,
vanuit een zuiver menselijk gezichtspunt zou moeten worden beschouwd
als
bescherming van mijn gezondheid tegen de gevolgen van onjuist handelen.
Ook
hier kan ik het niet laten om de opmerking te maken, dat volgens mij
middel en
doel nauwelijks in een juiste verhouding met elkaar staan. Wat zou er
met mij
in het uiterste geval meer kunnen gebeuren, dan dat ik een of andere
verkoudheidstoestand zou hebben opgelopen? Want tegen het gevaar van
uit het
raam naar buiten vallen boden immers de ijzeren tralies, die al
aanwezig waren,
een volstrekt voldoende bescherming, en wat betreft een gewoon
afkoelingsgevaar
had men toch beter kunnen afwachten, of de natuurlijke behoefte naar
warmte,
die bij iemand vanzelf optreedt, mij niet zou hebben kunnen afhouden
van een te
lang naar buiten steken door de raamopening. Dat waren en zijn voor mij
niet de
doorslaggevende gezichtspunten. Het belangrijkste was voor mij, dat ik
in de
artsen alleen maar instrumenten kon zien, waarin zenuwen de
desbetreffende
beslissingen van goddelijke stralen tot het eisen van plannen, die op
de
vernietiging van mijn verstand waren gericht werden aangespoord, zonder
dat de
artsen dat natuurlijk subjectief beseften, die daarbij uitsluitend naar
menselijke overwegingen dachten te handelen. Deze opvatting moet ik ook
nu nog
handhaven, omdat ik elk woord, dat niet alleen door de artsen, maar ook
door
andere mensen tegen mij wordt gesproken, als een oorzaak beschouw, die
op een
goddelijke invloed berust door de relatie met de opgeschreven gegevens,
waar ik
precies van op de hoogte ben, zoals ik misschien later nog zal proberen
te
verduidelijken. Terwijl ik deze regels opschrijf, is het niet mijn
bedoeling
dat ik ook maar een enkele tegenbeschuldiging over het verleden maak.
Ik
koester, over wat er in het verleden met mij is gebeurd, tegen niemand
ook maar
enige wrok; het meeste is immers gelukkig achter de rug ook wat betreft
de
gevolgen. Ik heb echter bedacht dat ik het gebeuren met de
vensterluiken wat
uitvoeriger moest bespreken, om het diepe wantrouwen begrijpelijk te
maken, dat
mij tegenover de artsen jarenlang heeft beheerst en waar zij misschien
ook in
mijn gedrag menig teken van zullen hebben gevonden.
De
genoemde vensterluiken (de enige op de door mij bewoonde vleugel van de
kliniek) bestaan nog steeds, maar worden al lang niet meer gesloten.
Verder
bevinden dergelijke vensterluiken zich alleen maar in de cellen, die
zijn
ingericht voor psychotische patiënten, op de benedenverdieping en de
eerste
etage van de ronde vleugel van de kliniek. In verschillende van die
cellen heb
ik, zoals ik later zal vertellen, gedurende twee jaar (1896 – 98)
geslapen,
waarbij de wantoestanden die door de verduistering werden aangericht,
voor mij
zo mogelijk in een nog hevigere mate optraden.
Hoofdstuk
13 – Zielenwellust als factor voor de aantrekking. Verdere
verschijnselen
Een
nog belangrijkere periode in het relaas van mijn leven en vooral in
mijn eigen
opvatting van de vermoedelijke invulling van mijn toekomst, wordt
gemarkeerd
door de maand november van het jaar 1895. Ik herinner mij dat tijdstip
nog
precies; het viel samen met een aantal mooie naherfstdagen, waarop ’s
morgens
telkens een sterke mistvorming boven de Elbe optrad. In die tijd werden
de
tekenen van vervrouwelijking aan mij lichaam zo duidelijk zichtbaar,
dat ik mij
niet langer kon onttrekken aan het erkennen van de immanente bedoeling,
waar de
hele ontwikkeling naartoe streefde. In de nachten die daar onmiddellijk
aan
vooraf waren gegaan zou het misschien, als ik niet door het volgen van
de
opwelling van mijn mannelijk eergevoel, met mijn vastberaden wil
tegenstand had
gedacht te moeten bieden, tot een werkelijk intrekken van mijn
mannelijke
geslachtsdeel zijn gekomen, zo dicht zat dat wonder tegen zijn
voltooiing aan.
In ieder geval was de zielenwellust zo sterk geworden, dat ik zelf
eerst aan
mijn armen en handen, later aan de benen, aan de borst, aan het zitvlak
en aan
de andere lichaamsdelen, de indruk van een vrouwenlichaam kreeg. Het
verslag
van de bijzonderheden hierover bewaar ik voor een later hoofdstuk.
Enige
dagen van verdere observatie van deze gebeurtenissen waren voldoende om
een volledige
verandering van de koers van mijn wil te veroorzaken. Tot dan toe had
ik nog
steeds met de mogelijkheid rekening gehouden, dat, als mijn leven niet
al
eerder aan een van de talrijke bedreigende wonderen ten offer zou
vallen, het
toch ooit noodzakelijk voor mij zou worden, om door zelfmoord een einde
aan
mijn leven te maken; afgezien van het plegen van zelfmoord scheen nu
een andere
angstaanjagende afloop binnen het bereik van de mogelijkheden te
liggen, op een
onder mensen ongehoorde manier. Nu ging ik echter vast beseffen, dat de
wereldorde de ontmanning, of die mij al dan niet beviel, dwingend van
mij
verlangde en dat mij daarom uit verstandelijke overwegingen niets
anders
overbleef, dan mij met de gedachte aan een verandering in een vrouw te
verzoenen.
Als een bijkomend gevolg van de ontmanning kon natuurlijk alleen een
bevruchting door goddelijke stralen in aanmerking komen, met het doel
om nieuwe
mensen te scheppen. De verandering van de koers van mijn wil werd
gemakkelijker
gemaakt, omdat ik destijds nog niet in een buiten mij bestaande
mensheid
geloofde, maar dat ik alle mensengedaanten die ik zag, slechts als
“vluchtig in
elkaar geflanst” beschouwde, zodat er geen sprake kon zijn van enige
schande,
die in de ontmanning lag. De stralen echter, die van het streven
uitgingen om
mij “te laten vallen” en daardoor mijn verstand te vernietigen, lieten
niet na
om zich meteen te bedienen van een – huichelachtig – appel op mijn
mannelijk
eergevoel; een van de uitdrukkingen, dat sindsdien bij elk optreden van
“zielenwellust” ontelbare malen werd herhaald, luidde daarom: “Schaamt
u zich
dan niet voor uw echtgenote?” of ook nog gemener: “Dat moet dan
senaatspresident zijn geweest, die zich laat n….?” Maar hoe
weerzinwekkend de
desbetreffende stemmen ook voor mij waren en hoe vaak ik ook een
aanleiding had
om bij de duizendvoudige herhaling van genoemde uitspraken op een of
andere
manier lucht te geven aan mijn terechte verontwaardiging, toch liet ik
mij
daardoor in mijn gedrag, waarvan ik nu eenmaal had begrepen dat het
voor
iedereen – voor mijzelf en voor de stralen – noodzakelijk en heilzaam
was, op
den duur niet van mijn stuk brengen.
Ik
heb sindsdien de zorg voor mijn vrouwelijkheid bij volledig bewustzijn
in mijn
vaandel geschreven en zal dat, voor zover de consideratie met mijn
omgeving dat
toelaat, ook verder blijven doen, wat alle andere mensen, voor wie de
bovenzinnelijke redenen verborgen zijn, ook van mij zullen mogen
denken. Ik zou
ook wel eens iemand willen zien, die voor de keuze zou worden gesteld
om óf een
krankzinnig iemand met een mannelijke habitus óf een intelligente vrouw
te
worden, en die niet het laatste zou kiezen. Zo en niet anders ligt voor
mij de
vraag. De uitoefening van mijn vroeger beroep, waar ik mijn heel mijn
ziel aan
heb gehangen, elk ander oogmerk van mannelijke eerzucht, elke andere
gebruik
van mijn verstandelijke vermogens in dienst van de mensheid, is door de
loop,
die de omstandigheden hebben genomen, voor mij nu eenmaal uitgesloten;
zelfs de
omgang met mijn vrouw en mijn familieleden is mij ontnomen, afgezien
van af en
toe een bezoek en een incidentele briefwisseling. Ik mag mij, zonder
mij te
bekommeren om het oordeel van andere mensen, alleen maar laten leiden
door een
gezond egoïsme en dat schrijft mij juist de zorg voor mijn
vrouwelijkheid voor,
op een manier die ik later nog zal beschrijven. Alleen zo kan ik mij
overdag
een dragelijke lichamelijke toestand verschaffen en ’s nachts – althans
enigermate – een slaap, die voor het herstel van mijn zenuwen nodig is;
sterke wellust
gaat namelijk uiteindelijk – misschien is dat ook bekend bij de
medische
wetenschap – in slaap over. Als ik mij zo gedraag, dien ik
tegelijkertijd het
welbegrepen belang van de stralen, dus God zelf. Zodra ik God, die
momenteel nu
eenmaal doeleinden nastreeft, die tegen de wereldorde indruisen, omdat
hij
uitgaat van de abusievelijke veronderstelling, dat mijn verstand
vernietigd kan
worden, zijn gang laat gaan in zijn politiek, die zich in een
tegengestelde
richting beweegt, leidt dat, zoals een ervaring van meerdere jaren mij
heeft
bewezen, alleen maar tot onzinnig kabaal in mijn omgeving, die in wezen
louter
uit gekken bestaat. Meer hierover kan ik pas later vertellen.
In
dezelfde tijd, waarin ik tot een veranderde opvatting van de zaken
kwam, wat ik
in het voorafgaande heb beschreven, voltrok zich ook – en wel om
dezelfde
redenen – een wezenlijke ommekeer in de hemelse toestanden. Het opgaan
van de
stralen (godsstralen die van het geheel waren losgekomen) in mijn
lichaam, dat
door de aantrekkingskracht werd bepaald, betekende voor de
desbetreffende
stralen het einde van hun zelfstandig bestaan, dus iets dergelijks als
de dood
voor de mens is. Het was daarom vanzelfsprekend dat God alle hefbomen
in
beweging zette, om het lot te ontlopen, om met steeds meer delen van de
gezamenlijke massa in mijn lichaam ten onder te gaan, waarbij men ook
in de
middelen geenszins kieskeurig was. De aantrekking verloor echter haar
verschrikking voor de desbetreffende zenuwen, als en in hoeverre zij
bij het
binnendringen in mijn lichaam het gevoel van zielenwellust aantroffen,
waar zij
dan van hun kant aan meededen. Zij vonden dan voor de verloren gegane
hemelse
zaligheid, die namelijk eveneens uit een wellustig genieten bestond
(vergl.
hfdst. I), in mijn lichaam een geheel of minstens ongeveer
gelijkwaardige
vervanging terug.
Nu
was echter het gevoel van de “zielenwellust” niet steeds in een
evengrote
hevigheid in mijn lichaam aanwezig; tot een volledige ontplooiing kwam
het
eigenlijk pas toen Flechsigs zielendelen en de overige “beproefde”
zielendelen
vooraan lagen en daardoor een samenbundeling van alle stralen was
ontstaan.
Omdat men echter door het vastmaken aan aarden (vergl. hfdst. IX) de
noodzaak
had geschapen om zichzelf en ook de beproefde zielen af en toe weer
terug te
trekken, waren er ook altijd perioden, waarin de zielenwellust niet of
slechts
in een wezenlijk geringere mate aanwezig was. Daarmee is tegelijkertijd
een
periodieke terugkeer in het optreden van de vrouwelijke kenmerken aan
mijn
lichaam bepaald, waarover ik het later nog verder zal hebben. Toch was,
nadat –
in november 1895 – het onafgebroken toestromen van de godsstralen al
veel meer
dan een jaar had geduurd, de zielenwellust op bepaalde tijden zo
rijkelijk
aanwezig, dat een deel van de stralen zin begon te krijgen om mijn
lichaam
binnen te dringen. Dat werd eerst merkbaar bij de lagere God (Ariman) –
waarvan
nu van kan worden vastgesteld, volgens hfdst. VII, dat hij een bepaalde
relatie
met de zon had – die omdat hij zich dichterbij bevond, in een
aanzienlijk
hogere mate aan de zielenwellust deelnam, dan de hogere God (Ormuzd),
die zich
op een veel grotere afstand bevond.
Tot
aan de ommekeer, die in november 1895 was opgetreden, had er alleen van
de kant
van de lagere God (Ariman) een ogenschijnlijk intiemere verhouding
bestaan tot
Flechsig – hetzij als mens, hetzij als “beproefde” ziel – zodat, als ik
wil
vasthouden aan de veronderstelling van een samenzwering op de manier
zoals die
in hfdst. II is beschreven, de deelname aan deze samenzwering zich
hoogstens
uitstrekte tot de lagere God (Ariman). De hogere God had tot aan het
aangegeven
tijdstip een correcte houding aangenomen, die in overeenstemming was
met de
wereldorde, en was daarom heel vriendelijk jegens mij. Nu werd de
toestand
precies omgekeerd. De lagere God (Ariman) die, zoals gezegd, op dat
moment het
opgaan van een deel van zijn zenuwen in mijn lichaam helemaal niet zo
vervelend
vond, vanwege het feit dat hij daarin steeds zielenwellust aantrof,
verbrak de
nauwere betrekkingen die kennelijk tot dan toe hadden bestaan tussen
hem en de
“beproefde” ziel van Flechsig, en die ziel, die destijds nog een
tamelijk groot
gedeelte van haar menselijke intelligentie had bewaard, sloot nu een
soort
bondgenootschap met de hogere God, die zijn vijandige spits tegen mij
keerde.
De ommekeer in de partijverhoudingen, die daarmee was gecreëerd, is in
wezen
tot op de dag van vandaag blijven bestaan.
Het
gedrag van de lagere God is sindsdien tegenover mij heel vriendelijk,
dat van
de hogere God veel vijandiger gebleven. Dat blijkt deels uit de
betrokkenheid
bij de beiderzijdse wonderen – de wonderen van de lagere God hebben in
de loop
der tijd steeds meer het karakter aangenomen van een verhoudingsgewijs
onschadelijke kwajongensstreek, zoals in hfdst. XI is verteld – deels
uit de
organisatie van het beiderzijdse stemmengeklets. De stemmen die van de
lagere
God uitgingen – echter ook niet langer de echte uitdrukking van een
rechtstreeks en ogenblikkelijk gevoel, maar een allegaartje van uit het
hoofd
geleerde praatjes – waren en zijn echter naar vorm en inhoud wezenlijk
anders
dan die van de hogere God. Inhoudelijk zijn het althans meestal niet
direct
scheldwoorden of beledigende uitspraken, maar ze komen neer op een
soort
nietszeggende onzin (b.v. “David en Salomo”, “sla en radijzen”, “ze
hebben het
weer over meelhoopjes” enz.) en ook wat betreft hun vorm zijn ze voor
mij in
zoverre minder lastig, omdat ze beter aansluiten op het niets-denken,
wat een
natuurlijk mensenrecht is; men went er zelfs na verloop van tijd aan om
zich
dergelijke zinloze uitdrukkingen, zoals die tussen haakjes, als vormen
van de
“nietsdenkengedachte” door het hoofd heen te laten praten. Daarnaast
beschikte
echter de lagere God, althans in de eerste jaren na de ommekeer, die in
dit hoofdstuk
is beschreven, over een bepaald aantal uitdrukkingen, die feitelijk
belangrijk waren en die deels een geheel
juiste (d.w.z. die met de mijne overeenkomt) opvatting verraadde over
de
oorzaak van het conflict, de middelen voor de oplossing ervan en de
vermoedelijke invulling van de toekomst. Ook hier ging het – zoals
gezegd –
weliswaar niet om het uitdrukken van het echte gevoel dat juist op dat
moment
ontstond, maar om van tevoren samengeflanst gedachtemateriaal, dat men
in een
vermoeiend eentonige herhaling door wezenloze stemmen (later vooral
door
gewonderde vogels) mijn hoofd binnen liet praten. Maar de
desbetreffende zinnen
waren toch voor mij in zoverre van groot belang, omdat ik daaruit dacht
te
mogen opmaken, dat God dus toch niet helemaal het inzicht miste in de
noodzakelijkheden die uit de wereldorde voortkomen, wat gezien bepaalde
andere
waarnemingen schijnbaar het geval was. Ik zal daarom hier een paar van
de
desbetreffende uitspraken aanhalen.
Eerst
werd mij de verandering aangekondigd van de partijgroepering zelf, die
tengevolge van de toename van de zielenwellust was ingetreden, door de
vaak
herhaalde zin “hebben zich namelijk twee partijen gevormd.” Vervolgens
werd op
zeer verschillende manieren uitdrukking gegeven aan de gedachte dat de
hele
politiek, die hij tegen mij volgde en die op de vernietiging van mijn
verstand
was gericht, een mislukking was. Een aantal zinnen was heel algemeen
gehouden,
zonder het op enige manier op mij toe te spitsen, b.v.: “kennis en
vaardigheden
gaan hoe dan ook niet verloren” en “er moet geslapen worden”, verder:
“alle
onzin (d.w.z. de onzin van het gedachtelezen en gedachtevervalsing)
heft elkaar
op” en “de blijvende gevolgen zijn voor de mens”. Andere uitspraken van
de
lagere God waren deels aan mijn adres, deels in zekere zin door mijn
hoofd heen
gesproken – gericht aan het adres van de collega's van de hogere God;
eerstgenoemden vooral met de al vermelde zinsnede: “vergeet niet dat u
gebonden
bent aan de opvatting over de ziel”, de laatsten b.v. in de zin:
“vergeet niet
dat elke beschrijving onzin is” of “vergeet niet dat het einde van de
wereld
met zichzelf in tegenspraak is”, of “u hebt nu eenmaal het weer
afhankelijk
gemaakt van iemands denken”, of “u hebt nu eenmaal elke heilige
bezigheid
(d.w.z. door de vele belastende wonderen, het pianospelen, het
schaakspelen
enz.) vrijwel onmogelijk gemaakt”. In een paar, weliswaar zeer zeldzame
gevallen, ging men zelfs zover om een soort eigen schuldbekentenissen
af te
leggen, b.v.: “had ik u maar niet bij die vluchtig in elkaar geflanste
mannen
gezet”, of “dat zijn nu de gevolgen van de beroemde zielenpolitiek”, of
“wat
komt er nou terecht van die vervloekte geschiedenis”, of “als dat
vervloekte
gespeel met mensen nou maar eens ophield”. Over en weer werd ook
toegegeven en
wel met de volgende woorden: “we missen de juiste instelling”, d.w.z.
de
instelling die wij eigenlijk zouden moeten hebben tegenover elk goed
mens,
zelfs tegenover de meest verdorven zondaar, onder voorbehoud van de
zuiveringsmiddelen, die met de wereldorde overeenstemmen. De lagere God
placht
de bedoeling van de hele ontwikkeling een tijd lang uit te drukken met
de
zinsnede – die in de zielentaal vaak een grammaticale aanvulling
behoeft - :
“hopen toch, dat de wellust een bepaalde graad bereikt”, d.w.z. een
graad
waarbij de goddelijke stralen de belangstelling voor een terugtrekken
verliezen
en dat daarmee vanzelf een oplossing ontstaat, die met de wereldorde
overeenstemt. Min of meer gelijktijdig had de lagere God echter ook een
aantal
andere zinnen bij de hand, die bij wijze van spreken een griezelige
indruk op
mij maakten, die m.a.w. al mijn inspanningen om mijn verstand te
behouden al
bij voorbaat als tevergeefs zouden beoordelen. Men had het over
“kolossale
krachten” van de kant van God en over “uitzichtloos verzet” van mijn
kant; men
dacht ook mij, door een veelvuldige herhaling van de zin: “vergeet maar
niet
dat de eeuwigheid geen grenzen heeft” eraan te herinneren dat voor God
de
mogelijkheid om zich terug te trekken, ruimtelijk onbegrensd is.
Onmiskenbaar
treedt in wat ik hierboven heb meegedeeld over het afwijkende gedrag
van de
hogere God en de lagere God, evenals over de woordenkraam van de
laatste, een
vrijwel onontwarbare kluwen van tegenstrijdigheden aan de dag. Ook voor
mij
blijken er onoverkomelijke problemen te bestaan bij elke poging om die
tegenstrijdigheden op te lossen; een echt bevredigende oplossing zou
alleen
maar mogelijk zijn bij een zo volkomen inzicht in het wezen van God,
dat ook
mij dat niet is gelukt, terwijl ik daarin ongetwijfeld oneindig veel
verder ben
gekomen dan alle andere mensen, tengevolge van de beperktheid van het
menselijke kenvermogen. Slechts met alle voorbehoud, dat voortkomt uit
de
onvolmaaktheid van de totale menselijke kennis, zal ik mij dus wat dat
betreft
aan enige schuchtere opmerkingen wagen. Ik kan op de eerste plaats
natuurlijk
niet veronderstellen, dat de hogere God zedelijk of intellectueel op
een lagere
trap staat als de lagere God. Als desondanks de laatste de eerste zowel
lijkt
te overtreffen in een juiste kennis van het bereikbare, als in een
instelling
die met de wereldorde overeenstemt, denk ik dat uitsluitend op rekening
te
mogen schrijven van de grotere afstand, waarop de hogere God zich ten
opzichte
van mij bevindt, in vergelijking met de lagere God.
Het
onvermogen om de levende mens als organisme te beschouwen, hebben de
lagere en
de hogere God kennelijk gemeen, zolang ze zich op grote afstand
bevinden;
beiden schijnen met name aan de voor mensen nauwelijks te begrijpen
vergissing
vast te zitten, dat alles wat voor hen pas klinkt uit de zenuwen van
iemand in
mijn toestand, tengevolge van de gedachtevervalsingen die door de
stralen
worden uitgeoefend, als uitingen van het eigen denken van de mens
moeten worden
beschouwd, zoals elk nog zo tijdelijk staken van het denken en de
toestand die
daarbij optreedt, waarbij bepaalde in woorden geformuleerde gedachten,
voor de
stralen onmerkbaar, uit de zenuwen van de mens naar buiten komen,
eigenlijk het
staken van de geestelijke vermogens van de mens betekent of zoals men
dat
aanduidt, met een duidelijk verkeerd begrepen menselijke uitdrukking,
het begin
van de onzin. Zo schijnt God in beide gedaanten tot de onjuiste
opvatting te
neigen, om de zenuwtaal die door de trilling van de zenuwen ontstaat
(vergl.
hfdst. V, in het begin) als de werkelijke taal van de mens te
beschouwen, zodat
men kennelijk vooral niet kan onderscheiden, of men, omdat een bepaalde
prikkeling van de zenuwen ook bij een slapend iemand plaatsvindt
tijdens zijn
dromen, de uitingen van de geest opvangt van iemand die droomt of die
met zijn
volle bewustzijn van zijn denkvermogen gebruik maakt. Ik heb het hier
natuurlijk steeds alleen maar over mijn eigen geval, d.w.z. over het
geval, dat
God op een manier, die tegen de wereldorde indruist, met een enkel mens
in een
onophoudelijk, niet meer op te heffen stralencontact is getreden. Alle
genoemde
onjuiste ideeën lijken pas te verdwijnen, als God dichterbij is gekomen
en dan
opeens merkt aan mijn gedrag, mijn bezigheden en zo mogelijk ook aan
mijn taal
in de omgang met andere mensen enz. dat hij nog steeds te maken heeft
met
dezelfde persoon, die geestelijk op geen enkele manier is
achteruitgegaan.
Om
uit de zo verkregen ervaring een les voor de toekomst te trekken, lijkt
een
onmogelijkheid te zijn, door een of andere eigenschap die in het wezen
van God
ligt. Want op precies dezelfde manier herhalen zich de genoemde
verschijnselen
nu al jaren, dag na dag, vooral zodra hij tijdens elke pauze van mijn
denken
(als mijn nietsdenken begint) meteen weer een poging doet om zich terug
te
trekken in de veronderstelling, dat ik dan tot waanzin ben vervallen,
wat
doorgaans tot uitdrukking komt in de dwaze zinsnede “nu moet hij (scil.
denken
of zeggen) dat ik erin moet berusten, dat ik dom ben,” waarop dan,
stompzinnig
en eentonig als een draaiorgel, de overige smakeloze uitspraken weer
beginnen, "waarom
zeg je het niet (hardop)?” of “maar hoe
lang dan nog” (scil. zal je verdediging tegen de stralen nog zonder
resultaat
zijn) enz., totdat ik opnieuw begin met een bezigheid, die getuigt van
het
onverminderd aanwezig zijn van mijn geestkracht.
Hoe
men dit onvermogen van God, wat men door ervaring te weten kan komen,
moet
verklaren is ook voor mij een buitengewoon moeilijke vraag. Misschien
moet men
de zaak zo zien, dat het verkregen juistere inzicht dan, als het ware,
alleen
maar overslaat op de voorste zenuwuiteinden, die daarmee ook al
veroordeeld
zijn om in mijn lichaam op te gaan, terwijl daarentegen de afgelegen
plek, van
waaruit de terugtrekactie in werking wordt gesteld, aan de
desbetreffende
indrukken niet of bijna niet deelneemt in een mate die voor haar
wilsbestemming
toereikend is. Juist daarom is het voor mij zeer twijfelachtig, of het
een of
andere praktische waarde heeft, dat de lagere God, zoals hierboven is
uiteengezet, ook een aantal juiste gedachten heeft opgenomen in het
geheel van
die zegswijzen, die hij door de stemmen, die van hem uitgaan, mijn
hoofd in
laat praten. Voor mij zijn immers die gedachten eigenlijk helemaal
niets nieuws
en de hogere God, aan wie de vorm wordt onthuld naar gelang de
waarheden die
deze bevat, is kennelijk niet in staat, om die te behartigen, d.w.z. om
zijn
daadwerkelijke handelen een andere richting te geven, dan de richting
die door
hem is ingeslagen. Mogelijk heeft ook de lagere God, die op een gegeven
ogenblik eerder op de hoogte was van de stand van zaken, dan de hogere
God,
zich uitsluitend laten leiden door het idee, dat er nu eenmaal door de
stralen
iets gezegd moest worden (vergl. hfdst. IX) en dan was het in ieder
geval
beter, dat de inhoud van het gesprokene – zij het ook in een eindeloze
herhaling – uit iets dat verstandig klinkt en niet uit klare onzin of
louter
algemeenheden bestond. Ikzelf denk dat God niets kon leren door
ervaring, wat
al langer in de opgeschreven aantekeningen herhaaldelijk was
geformuleerd:
“Elke poging tot een uiterlijke opvoedkundige invloed moet als
uitzichtloos
worden opgegeven” en sindsdien heeft elke volgende dag mij de juistheid
van die
opvatting bewezen. Tegelijkertijd vind ik het ook hier nodig, net als
vroeger
bij soortgelijke gelegenheden, om de lezer te beschermen tegen voor de
handliggende misverstanden. Religieus gezinde mensen, die anders
vervuld waren
geweest van het idee van een almacht, alwetendheid en volmaakte
goedheid van
God, moeten het onbegrijpelijk vinden, dat God zich nu opeens als een
zo nietig
wezen zou hebben voorgesteld, dat in geestelijk en zedelijk opzicht
zelfs door
een enkel mens werd overtroffen. Wat dat betreft moet ik benadrukken
dat mijn
superioriteit in beide opzichten alleen maar uiterst betrekkelijk moet
worden
opgevat. Ik maak aanspraak op een dergelijke superioriteit alleen maar
in
zoverre als het om de toestand gaat die tegen de wereldorde indruist,
die
ontstaan is door het zenuwcontact dat met een enkel mens blijvend en
onlosmakelijk is gelegd. In zoverre ben ik juist de beste partij en
tegelijkertijd met meer inzicht. De mens kent immers zijn eigen
karakter en bij
mij komt daar nog bij, dat ik in het jarenlange contact met de zielen
ook het
zielenkarakter zo grondig heb leren kennen, als nooit iemand tevoren.
God
daarentegen kent de levende mensen niet en hoeft hen, volgens de
vroeger
herhaaldelijke te kennen gegeven opvatting, ook niet te kennen. Daarmee
is
volstrekt niet onverenigbaar, dat ik in alle andere opzichten, vooral
wat
betreft de bovenzinnelijke dingen, zoals het ontstaan en de
ontwikkeling van
het heelal, de eeuwige wijsheid en goedheid van God zie.
Aan
het slot van dit hoofdstuk moet ik eigenlijk nog de opmerking maken,
dat tegenwoordig,
na verloop van bijna vijf jaar, de ontwikkeling van de zaken zover is
gekomen,
dat nu ook de hogere God wat betreft de houding die hij tegenover mij
aanneemt
ongeveer op het standpunt is beland, dat de lagere God al had
aangenomen sinds
de ommekeer, die in dit hoofdstuk is beschreven. Ook de wonderen van de
hogere
God beginnen nu, althans gedeeltelijk, het onschadelijke karakter aan
te nemen,
dat de wonderen van de lagere God tot nu toe overwegend al eigen was.
Om een
aantal voorbeelden te geven, wil ik gewag maken van het rondstrooien
van mij
sigarenas op de tafel en de piano, en tijdens het eten het besmeuren
van mijn
mond en handen met voedselresten enz. Het stemt mij tot voldoening, dat
ik deze
ontwikkeling van de zaken al jaren geleden heb voorspeld. Als bewijs
zal ik
hier de desbetreffende notitie uit mijn hierboven genoemde
aantekeningen
woordelijk neerschrijven: "Wij spreken eerst slechts als vermoeden de
mening uit, dat het misschien ooit zover zal komen, dat zelfs de
achterste
Ormuzd zijn belangstelling in het verstoren van de wellust verliest,
net zozeer
als sinds 2 ½ jaar de achterste Ariman dat langzamerhand heeft
verloren, zodat
dan de innerlijke wellust, die door de menselijke fantasie is
verduidelijkt en
veredeld, een grotere prikkel zou bieden, dan de uiterlijke n….erij,
die tegen
de wereldorde indruist.”
Om
deze notitie te kunnen begrijpen zijn er een paar verhelderende
opmerkingen
nodig. De “achterste” Ariman en de “achterste” Ormuzd werden (niet
eerst door
mij, maar door de stemmen) alleen dan de lagere God en de hogere God
genoemd,
als en in zoverre ieder van hen door het verschuiven van de andere
partij als
het ware naar het tweede treffen werd verplaatst, wat dagelijks
ontelbare malen
werd herhaald. Met “innerlijke wellust” wordt de zielenwellust bedoeld
die in
mijn lichaam ontstaat. De uitdrukking “uiterlijke n…erij die tegen de
wereldorde indruist” heeft te maken met het feit, dat volgens mijn
observaties
de opname van de rottingsstoffen in de zuivere stralen, voor hen ook
met een
soort wellustgevoel verweven is. Dat voor het woord “n….erij” is
gekozen,
berust niet op een bij mij aanwezige hang naar een ordinaire manier van
uitdrukken, maar op het feit, dat ik de woorden “n…” en “n…erij”
duizenden
malen van de andere kant heb moeten aanhoren en dat ik daarom in de
notitie
hierboven eenmaal het korte woord omgekeerd heb toegepast op het gedrag
van de
stralen, dat tegen de wereldorde indruist.
Hoofdstuk
14. - "Beproefde zielen"; hun lotgevallen. Persoonlijke belevenissen,
vervolg
Naast
de in het vorige hoofdstuk beschreven gebeurtenissen voltrokken zich
deels in
dezelfde periode, deels in de volgende een à twee jaar nog bepaalde
andere
veranderingen in de hemelse toestanden, die op zichzelf van minder
belang
waren, maar volledigheidshalve op zin minst kort aangeroerd moeten
worden. Het
gaat daarbij vooral over de lotgevallen van de “beproefde zielen”. Die
waren,
zoals eerder vermeld, tengevolge van de zielendeling een tijd lang zeer
talrijk
geweest. Het merendeel daarvan had zich met bijna niets anders
beziggehouden
dan met het deelnemen aan de zogenaamde “omtrekkende bewegingen”, een
manoeuvre
die door de hoofdgedaante van Flechsigs ziel was verzonnen, en die was
bedoeld
om de argeloos naderende goddelijke stralen van achteren aan te vallen
en
daardoor tot overgave te dwingen. Het tafereel van dat verschijnsel kan
ik mij
nog duidelijke herinneren; ik moet afzien van een nadere woordelijke
beschrijving daarvan; ook kan ik niet meer met zekerheid zeggen, of dat
hele
verschijnsel behoorde tot de tijd vóór of na het “vastbinden aan
aarden”.
In
ieder geval was het grote aantal “beproefde zielen” uiteindelijk lastig
geworden voor Gods almacht zelf. Nadat het mijzelf al was gelukt om een
vrij
aanzienlijk gedeelte naar mij toe omlaag te trekken, werd daarop op
zekere dag
ook door Gods almacht een grote razzia onder hen uitgevoerd, die tot
gevolg
had, dat vanaf dat moment Flechsigs ziel nog maar in een of twee
gedaanten
overbleef en von W.’s ziel maar in een enkele gedaante. De laatste
scheen later
zelfs vrijwillig van het vastbinden te hebben afgezien; ze zat
vervolgens nog
een tijd lang – ongeveer een jaar – hoofdzakelijk bij mij in mond en
ogen, wat
mij weinig meer belastte en mij zelfs een zeker vermaak schonk, omdat
ik met
haar een soort gedachtenuitwisseling onderhield, waarbij ik echter
bijna altijd
de gevende en von W.’s ziel de ontvangende partij was. Ik herinner me
nog met
enig plezier de buitengewoon grappige indruk die het maakte, toen die
ziel, die
op het laatst volledig gedachteloos was geworden en was beperkt tot
gezichtsindrukken, zogauw ik een of ander voorwerp in mijn omgeving
zocht, in
zekere zin meezocht, d.w.z. uit mijn ogen mee naar buiten keek.
Ongeveer in het
jaar 1987 is von W.’s ziel uiteindelijk onopgemerkt uit mij verdwenen.
Ik was
op het laatst zo gewend aan haar gezelschap, dat het mij, toen ik op
een dag,
nadat ik een tijd lang niet aan haar had gedacht, mij van haar
verdwijnen
bewust werd, ertoe bracht om ter ere van haar afscheid op de piano de
treurmars
uit de Eroïca van Beethoven te spelen.
Flechsigs
ziel is ook tegenwoordig nog steeds als een schamele rest (ergens
vastgebonden)
aanwezig; zij heeft echter, zoals ik met zekerheid mag aannemen, haar
intelligentie al lang verloren, d.w.z. is eveneens volledig
gedachteloos
geworden, zodat haar hemelse bestaan, dat zij in haar opstand tegen
Gods
almacht had bevochten, haar nauwelijks nog enige bevrediging kon
schenken –
opnieuw een van de schitterende bewijzen van de wereldorde, waardoor
zich op
den duur niets kan handhaven, wat in tegenspraak met haarzelf is
geschapen.
De
vroegere “beproefde zielen” waren en zijn daarmee – tot op een
onbeduidende
uitzondering na – van het toneel verdwenen. Nu ik aan deze
gebeurtenissen
terugdenk, kan ik het niet laten om nog wat te vertellen over de deels
vrij
wonderlijke benamingen, die hen tot aan hun verdwijnen ten deel vielen,
Al kan
dit voor andere lezers van weinig belang zijn, voor mij is het wel
belangrijk
om deze namen in mijn geheugen te bewaren en daarmee de meest
angstaanjagende
en gruwelijke herinneringen, die voor mij daarmee zijn verbonden,
levendig te
houden. De gehele oppositie tegen Gods almacht, die was gevormd uit
Flechsigs
en von W.’s zielendelen en tevens hun andere partijgangers
(voordringers enz.),
noemde zichzelf lange tijd de “nou-en”-partij. Deze nogal smakeloze
naam was
ontstaan uit het feit dat Flechsigs ziel zich had aangewend om op alle
vragen
over wat er van die hele “vervloekte zaak” terecht moest komen (want
dat het om
een vrij grondig in het honderd gelopen aangelegenheid ging, scheen
Gods
almacht tenminste duidelijk te beseffen) steeds met een
spottend-onverschillig
“nou-en” te antwoorden. Dat antwoord is opnieuw hoogst karakteristiek
voor het
zielenkarakter; want de zielen kennen nu eenmaal, gezien hun aard, geen
zorgen
voor de toekomst, maar hebben voldoende aan het genieten van het
moment. In het
menselijke vertaald zou dat “nou-en” van Flechsigs ziel ook zoiets
hebben
kunnen betekenen als “de toekomst kan mij geen donder schelen, als ik
me nu maar
goed voel.” Toen van Flechsigs ziel op het laatst nog maar twee
zielendelen
overbleven, werd daarom de verre als de “achterste Flechsig” en de iets
dichterbije, die overigens wat intelligentie betreft vroeger ook al
wezenlijk
zwakker was, als de middelste “nou-en-partij” aangeduid.
Van
von W.’s zielendelen is het von W.’s “onderlijfsrotten” al eerder
vermeld; die
bezat echt de meest onreine zenuwen, en nam daardoor tegenover mij de
meest
afschuwelijk houding aan en tegelijkertijd ten opzichte van Gods
almacht een
naïeve brutaliteit, die bleek uit bepaalde klassieke zegswijzen, die in
de
versmaat pasten, die overeenstemde met de beweging van mijn zenuwen en
de
gewoonte van de stralen, zoals “het is in zekere zin niet meer uit te
houden,”
“sta mij toe” enz. (dat laatste als hij uit zijn positie zou worden
verdreven).
Hij hing in mijn slaapkamer, terwijl ik in bed lag, ogenschijnlijk
direct aan
de tegenoverliggende wand. In gemeenheid van houding stond de
zogenaamde
“middag”-von W. hem heel nabij; hij droeg die naam omdat er destijds
over hem
werd verteld, dat hij de maaltijden en met name de middagmaaltijden
liet
bezorgen. Een wat fatsoenlijker, deels vrij verstandig karakter
toonden, zij
het ook af en toe, twee andere gedaanten van von W.’s ziel, de
“althans”-von W.
en de “hè verdomme”-von W., beiden zo genoemd naar de desbetreffende
zegswijzen,
die vaak door hen werden gebruikt. Met name de zegswijze “hè verdomme”
was nog
een overblijfsel van de oertaal, waarin de woorden “hè verdomme, dat is
moeilijk te zeggen” telkens werd gebruikt, als een of ander
verschijnsel het
bewustzijn van de ziel binnendrong, dat niet met de wereldorde was te
rijmen,
b.v. “hè verdomme, dat is moeilijk te zeggen, of de lieve God zich laat
n….”.
Geruime
tijd was zeer gevaarlijk voor mij een op zichzelf zeer klein von W.’s
zielendeel, dat naar een wonder dat uitsluitend door hem werd beoefend
als de
“gesel von W.” werd aangeduid. Die slingerde doorlopend een geseltje in
mijn
hersenpan, waardoor daarin behoorlijk zorgelijke vernielingen werden
aangericht
en af en toe ook tamelijk gevoelige pijnen.
In
de periode van mijn verblijf in Piersons kliniek (de “duivelskeuken”)
was ook
een gedaante van von W.’s ziel aanwezig, waarvoor een aantal van mijn
eigen
zenuwen moeten zijn gebruikt om die te vormen, om dat ze de naam “de
kleine von
W.-Schreber” droeg. Dat was de goedhartigste van allemaal; die bracht
het (in
zijn wonderen) soms zelfs tot zogenaamde “gouddruppels”, een wonder dat
anders
alleen maar door Gods almacht werd beoefend, waarbij er op een voor mij
duidelijk voelbare manier een of andere vloeistof op het beschadigde
gedeelte
van mijn hoofd, schedel en dergelijke terechtkwam, zodat – in een klap
– een
onmiddellijke genezende werking optrad.
Mijn
uiterlijke leven zette zich echter ten tijde van de ommekeer, die in
hfdst.
XIII is beschreven, niet zo eentonig voort, zoals eerder in de periode
van de
onbeweeglijkheid, maar bood toch steeds nog betrekkelijk weinig
afwisseling,
zoals een verblijf in een kliniek met zich meebrengt. Ik besteedde mijn
tijd
net als voorheen voor een groot gedeelte aan pianospelen en schaken; de
schat
aan muziek die mij voor het eerste ter beschikking stond, werd door
cadeaus van
mijn familieleden langzamerhand zowaar niet onaanzienlijk.
Omdat
ik aanvankelijk van een paar kleurpotloden, maar later ook van ander
schrijfmateriaal werd voorzien, begon ik schriftelijke aantekeningen te
maken;
mijn omstandigheden waren zo erbarmelijk geweest, dat een potlood of
een
vlakgom geruime tijd door mij als een schat werden bewaakt. De
aantekeningen
bestonden eerst alleen maar uit een onsamenhangend opschrijven van
afzonderlijke gedachten of trefwoorden; later – vanaf het jaar 1897 –
begon ik
geordende dagboeken bij te houden, waarin ik al mijn belevenissen
opschreef;
vóór die tijd – in het jaar 1896 nog - moest ik mij beperken tot
notities in
een kleine agenda. Tegelijkertijd deed ik ook toen al de eerste poging
om een
kladversie van mijn toekomstige memoires te ontwerpen, waar ik toen al
het plan
voor had opgevat, Dat is bewaard gebleven in een bruin schrift, met de
titel
“uit mijn leven” en heeft mij bij de uitwerking van de huidige
“memoires” als
een welkome ondersteuning van mijn herinneringen gediend. Wie voor deze
–
stenografisch geschreven – kladversie enigszins een verdere
belangstelling
heeft, zal daarin nog menige trefwoorden vinden, die ik in mijn
memoires niet
heb opgenomen en die de lezer er een beeld van zouden kunnen geven, dat
de
inhoud van mijn onthullingen nog oneindig veel rijker is geweest, dan
wat ik in
de beperkte ruimte van deze “memoires” heb kunnen onderbrengen. Tot
slot heb ik
– vanaf de naherfst van 1897 – in de kleine aantekenboekjes B, C en I,
die
daarvoor waren bestemd, beschouwingen of beknopte studies opgeschreven.
Grote
problemen had ik van oudsher (en heb ik deels nog steeds) met het eten
van de
maaltijden, dat vanaf Pasen van dit jaar (1900) steeds alleen op mijn
eigen
kamer plaatsvond. Niemand kan bedenken met wat voor hindernissen ik
daarbij had
te kampen; want terwijl at werd mij voortdurend in de mond gewonderd;
ook
gingen daarbij de krankzinnige vragen: “waarom zegt u het niet
(hardop)?” enz.
ongehinderd door, terwijl het hardop praten voor iemand met een volle
mond
bijna een onmogelijkheid is. Mijn tanden verkeerden daarbij doorlopend
in groot
gevaar; het is ook herhaaldelijk voorgekomen, dat een van mijn tanden
tijdens
het eten door een wonder is gebroken. Vaak werd tijdens mijn eten
tongbeetwonderen toegepast. De snorharen werden mij tijdens de
maaltijden vrij
regelmatig zo de mond ingewonderd, dat ik alleen al op grond daarvan
moest
besluiten om mijn snor in augustus 1896 helemaal af te laten scheren.
Het geval
van de snor was echter ook nog om andere redenen voor mij noodzakelijk
geworden, hoe weinig mijzelf ook – overdag – een gladgeschoren gezicht
beviel
en nog steeds bevalt. Als ik rekening houd met de toestanden, die in
hfdst.
XIII zijn geschilderd, moet ik mij althans ’s nachts, met behulp van
mijn
verbeeldingskracht, als een vrouwelijk wezen voorstellen en de snor had
voor
deze illusie natuurlijk een nauwelijks overkomelijke belemmering
gevormd.
Zolang ik alleen at, heb ik tijdens de maaltijden bijna steeds moeten
pianospelen of lezen, omdat het tijdens het eten ook steeds nodig was
om de
verre God het bewijs van de onkwetsbaarheid van mijn verstandelijke
vermogens
te leveren; voor zover ik dat niet wilde, bleef mij nauwelijks iets
anders
over, dan het eten staand of lopend op te eten.
De
nachten heb ik – ik loop hier weer gedeeltelijk in de tijd vooruit –
zoals
eerder vermeld, tijdens een tijdspanne van tweeëneenhalf jaar, van
begin mei
1896 tot december 1898, niet in de slaapkamer doorgebracht die
eigenlijk voor
mij was bestemd en die zich naast mijn woonkamer bevond, maar in de
isoleercellen op de begane grond en eerste etage van de ronde vleugel
van de
kliniek. De reden voor de desbetreffende maatregel zijn voor mij
eigenlijk nog
tot op de dag van vandaag onduidelijk. In de eerste jaren van mijn
verblijf in
de huidige kliniek is het echter verschillende keren tot
handtastelijkheden
gekomen tussen mij en andere patiënten, en een aantal keren ook met
verplegers.
De afzonderlijke gevallen heb ik opgeteld en genoteerd; het gaat
daarbij om 10
tot 12 voorvallen, waarvan de laatste op 5 maart 1898 plaatsvond en
waarbij ik
overigens, althans voor zover het om andere patiënten ging, altijd de
aangevallen partij ben geweest.
Om
de gegrondere redenen te bespreken, die de aanleiding vormden tot
dergelijke
bruutheden, zal ik later nog gelegenheid hebben. In ieder geval kan ik
niet
veronderstellen, dat de artsen mij, dankzij deze toch sporadische
voorvallen,
als iemand zouden hebben kunnen beschouwd, die over het algemeen ten
prooi
gevallen was aan de waanzin, omdat zij immers tegelijkertijd in de
gelegenheid
waren om te zien, dat ik mij overdag onophoudelijk, keurig, rustig en
in alle
opzichten overeenkomstig de mate van mijn ontwikkeling, bezig hield met
pianospelen, schaken en later ook met het lezen van boeken en kranten.
Het is
mogelijk voorgekomen dat ik af en toe ’s nachts hardop heb gepraat; het
zou ook
mogelijk zijn, dat andere patiënten, die op dezelfde gang of tegenover
mij
sliepen, af en toe reden tot klagen over mij hebben gehad. Maar ook
hierbij is
het in ieder geval niet gegaan om ordeverstoringen, die zich elke nacht
of
mogelijk alleen in het merendeel van de nachten zouden hebben herhaald,
en
bovendien moet ik mijnerzijds niet zelden iets dergelijks ook van
andere
patiënten verduren, hoewel mij slaapkamer toch vrij ver van de andere
slaapruimten afligt.
Zo
moet ik het echter dus als een uitermate vreemde maatregel zien, dat
men mij
met uitzondering van een paar nachten de volle 2 ½ jaar lang in de
cellen heeft
laten slapen, die voor psychotische patiënten waren ingericht, waarin
ik
behalve een ijzeren ledikant, een nachtspiegel en het beddegoed niet
het minste
aantrof en die bovendien gedurende het merendeel van de tijd door zware
houten
luiken totaal verduisterd waren. Ik zeg nogmaals dat het geheel verre
van mij
ligt om wat voor aanklacht dan ook over het verleden te uiten; maar ik
kan niet
anders dan aannemen, dan dat daarbij sprake is geweest van een zekere
vis
inertiae, die het maar laat zitten bij een eenmaal ontstane, nog zo
zwaar te
verduren toestand, zonder zich er rekenschap van te geven of de reden,
die
aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de desbetreffende
maatregel,
daadwerkelijk ook nog voortduurt.
Ik
denk dat ik rustig kan beweren, dat geen enkele andere patiënt van de
kliniek
iets dergelijks ook maar in de verre verte is overkomen; opsluiten in
de cellen
komt in gevallen van periodiek optredende psychoses wel voor, maar
duren dan
doorgaans, voor zover ik weet, steeds hoogstens een paar weken.
Hoe
gering het daarom mijn bedoeling is om het volgende relaas enige eigen
felheid
te geven, toch behoort nu eenmaal een beschrijving van hoe onnoemelijk
ik heb
geleden tijdens dat verblijf in de cel, tot het totaalbeeld van mijn
lijdensverhaal. Mijn slaap is, zoals uit het eerder verhaalde blijkt,
uitsluitend afhankelijk van de stand van zaken van de hemelse
omstandigheden;
zodra God zich, wat doorgaans periodiek halve dagen of meerdere
urenlang
gebeurt, op een te grote afstand heeft teruggetrokken, is voor mij het
slapen
volstrekt onmogelijk. Moet ik dan wakker blijven, dan groeit het
stemmengeklets
in mijn hoofd gewoon uit tot een ondraaglijke geestelijke marteling,
waarbij
dan bovendien sinds meer dan een jaar, meteen in mindere of meerdere
mate de
brultoestanden bijkomen, die ik later nog zal beschrijven, voor zover
ik in
staat ben om de verre God, die denkt dat ik krankzinnig ben geworden,
van het
tegendeel te overtuigen.
Maar
hoe zou ik dat kunnen doen tijdens de slapeloze nachten in de cel,
waarbij het
mij niet alleen ontbreekt aan verlichting, maar ook aan voorwerpen,
waarmee ik
mij op een of andere manier bezig zou kunnen houden? In bed blijven was
gewoon
onmogelijk, maar het rondtasten in de donkere cel, alleen in mijn hemd
en op
blote voeten – want pantoffels waren mij ook niet toegestaan – was
natuurlijk
mateloos saai, daarbij ‘s winters gevoelig koud en bovendien wegens het
tegen
het lage plafond van de cel aanwonderen van mijn hoofd, allesbehalve
ongevaarlijk. Nood maakt vindingrijk en dus ik heb in de loop van het
desbetreffende jaar naar alle redmiddelen gegrepen, om maar op enige
draaglijke
manier mijn tijd door te brengen. Ik heb soms wel urenlang knopen in de
vier
hoeken van mijn zakdoek gelegd en weer losgemaakt, net als deels vanuit
bed en
deels tijdens het rondlopen sommige herinneringen uit mijn leven
voorgedragen,
hardop geteld vooral in het Frans, want ook daarover, namelijk of ik
nog
“vreemde talen” sprak, werden doorlopend vragen gesteld – en wat van
mijn
historische en geografische kennis ten beste gegeven, b.v. alle
Russische en
Franse provincies opgezegd enz. enz. Natuurlijk besloot ik met tegenzin
om
hardop te praten, omdat ik daardoor van het slapen afzag, maar er bleef
vaak
niets anders over. Heel pijnlijk was voor mij daarbij het gemis van een
horloge
en lucifers, want als ik ’s nachts na een kortere of langere slaap
ontwaakte,
kon ik immers niet weten, hoe laat ik leefde en welke houding ik
daardoor voor
de rest van de nacht moest aannemen.
Toen
tegen het einde van de periode van het verblijf in de cel de
vensterluiken niet
meer werden gesloten, heb ik mijn toevlucht genomen tot het observeren
van de
sterrenhemel en het daarbij, met behulp van een sterrenkaart, die ik
elke keer
overdag had bestudeerd, net als de volkeren uit de oertijd, tot een
vaardigheid
in het vaststellen van de nachtelijke uren gebracht. Zolang de
vensterluiken
werden gesloten, heb ik door er met mijn vuisten tegenaan te rammen,
vaak mijn
handen bijna kapotgeslagen; een keer heb ik ook een van de luiken, die
door
wonderen al was gesloten, volledig omlaag geramd, waarbij vervolgens de
bovenste dwarsbalk zo op mijn hoofd werd gewonderd, dat mijn hoofd en
mijn
borst onder het bloed zaten. Tijdens de laatste periode van het
verblijf in de
cel werden de omstandigheden wat beter, omdat ik telkens een klein
blikken
trommeltjes de cel mee innam, waarin zich doorgaans verschillende
kleinigheden
bevonden, potlood, papier, een zogenaamd pocket-chess-board
(zakschaakspel)
enz., waarmee althans in de zomer vanaf het moment dat het licht werd
enige
bezigheid mogelijk was. Deze toestanden heb ik, zoals gezegd,
tweeëneenhalf
jaar verdragen, en alleen maar omdat mensen bovenzinnelijke toestanden
niet
wisten te waarderen.
Hoofdstuk
15. - "Mensen-" en "Wonderspelletjes". Hulpkreten.
Sprekende vogels
Geruime
tijd na de ommekeer, die in hfdst. XIII is geschilderd, dus rond eind
1895 of
begin 1896, maakte ik een reeks gebeurtenissen mee, die mij noodzaakten
om mijn
ideeën die ik tot dan toe had gehad over “vluchtig in elkaar geflanste
mannen”,
“spelletjes met mensen” en dergelijke aan een kritisch onderzoek te
onderwerpen, waardoor ik tot een, althans gedeeltelijk, afwijkende
opvatting
kwam.
Ik
kan mij met name drie gebeurtenissen herinneren, die mij achterdochtig
maakten
over wat ik tot dan toe als waar en juist had beschouwd, namelijk eerst
het
niet mogen meedoen aan de pakjesavond, die ter ere van het kerstfeest
van het
jaar 1895 werd gehouden bij het gezin van het hoofd van de kliniek,
geheimraad
Dr. Weber, en ten tweede het arriveren van een brief, die door mijn
schoonzuster uit Keulen a.d. Rijn aan mij was gericht, met een stempel
van daar
en tot slot een kinderoptocht naar aanleiding van het 25-jarig jubileum
van de
vrede van Frankfurt – 10 mei 1896 – waar ik vanuit mijn raam naar keek
op een
van de straten van de voorstad van Pirna. Na deze en gelijksoortige
gebeurtenissen – spoedig kwam daar ook nog bij een regelmatige
correspondentie
en het lezen van kranten, die ik toen van mijn familieleden kreeg – kon
ik er
niet meer aan twijfelen, dat er een echte mensheid bestond, in een even
groot
aantal en lokale verspreiding als vroeger. Maar nu dook het probleem
op, hoe ik
dat gegeven moest rijmen met mijn eerdere observaties, die schijnbaar
op het
tegenovergestelde wezen. Dat probleem bestaat nu nog steeds en ik moet
bekennen, dat ik daarbij hoofdzakelijk voor een raadsel sta, dat
onopgelost is
en wat waarschijnlijk voor mensen ook niet oplosbaar is.
Het
staat voor mij vast, dat mijn vroegere ideeën niet zomaar
“waanideeën”en
“zinsbegoochelingen” zijn geweest; want ook tegenwoordig krijg ik nog
elke dag
en elk uur indrukken, die mij volstrekt duidelijk maken, om met Hamlet
te
spreken, dat er iets rots zit in de toestand van Denemarken – d.w.z. in
de
verhouding tussen God en de mensheid – . Hoe de huidige toestand zich
historisch heeft ontwikkeld, of dat sprongsgewijs of in geleidelijke
overgangen
plaatsvindt en in hoeverre naast de door de invloed van de stralen
veroorzaakte
levensuitingen van de mensen nog levensuitingen voorkomen die niet door
stralen
zijn beïnvloed, blijft echter voor mij een duistere vraag. Ik weet heel
zeker,
dat de uitdrukkingen en zegswijzen van de “vluchtig in elkaar geflanste
mannen”
en die “vervloekte spelletjes met mensen”, en de vragen: “wat moet er
van die
vervloekte geschiedenis nou terechtkomen?” enz., net als dat geklets
over
“nieuwe mensen in de geest van Schreber” niet in mijn eigen hoofd zijn
ontstaan, maar van buitenaf daarin zijn binnengepraat. Alleen al naar
aanleiding daarvan zou ik moeten aannemen, dat aan de ideeën, die
daarmee zijn
verweven, iets werkelijks ten grondslag ligt, en dat ze stroken met
bepaalde historische
gebeurtenissen. Ik heb echter in de loop van de laatste zes jaar
onophoudelijk
gewaarwordingen ontvangen – en ontvang die ook nu nog elke dag en elk
uur – die
voor mij op een onbetwijfelbare manier grond geven aan de overtuiging,
dat
alles wat door mensen in mijn omgeving en bijzijn wordt gezegd en
gedaan, op
wonderwerking berust en in een rechtstreeks verband staat met de
nadering van
de stralen en hun streven, dat daarmee afwisselt, om zich weer terug te
trekken.
Ik
heb al in hfdst. VII verteld, dat ik elk woord, dat met mij of in mijn
nabijheid werd gesproken, elke nog zo onbeduidend handelen van iemand
anders,
dat met enig lawaai gepaard ging, b.v. het openmaken van deursloten op
mijn
gang, het kloppen op de deur van mijn kamer, het binnenkomen van een
verpleger
enz. tegelijkertijd voelde met een tegen mijn hoofd uitgedeelde klap,
die een
bepaald pijngevoel veroorzaakte; dat pijngevoel uit zich als een
schoksgewijs
rukken in mijn hoofd, dat zogauw God zich te ver heeft teruggetrokken,
een zeer
onaangenaam gevoel oproept en telkens – dat is althans het gevoel wat
ik heb –
met het afscheuren van een deel van de botsubstantie van mijn hersenpan
gepaard
kan gaan. Zolang ikzelf – in mijn kamer of in de tuin – naar God
toegekeerd –
hardop praat, is alles doodstil om mij heen; zolang ontstaat zelfs bij
God niet
de neiging om zich terug te trekken, omdat hij onder de rechtstreekse
invloed
staat van de levensuitingen van iemand, die in het volle bezit van zijn
verstand is; ik krijg dan soms steeds meer de indruk, alsof ik mij
louter onder
lijken beweeg, zo volkomen schijnen alle andere mensen (verplegers en
patiënten) opeens het vermogen te hebben verloren om ook maar een enkel
woord
te zeggen. Hetzelfde gebeurt zolang mijn blik op een of ander
vrouwelijk wezen
rust. Zodra ik echter mijn blik afwend of dat laat gebeuren door het
door
wonderen veroorzaakte sluiten van mijn ogen, of zogauw ik van hardop
praten
overga op zwijgen, zonder mij tegelijkertijd over te geven aan enige
geestelijke bezigheid, met andere woorden mij aan het nietsdenken
overgeef,
treden binnen een uiterst korte tijd, meestal meeteen op het eerste oog
(ogenblik) de volgende elkaar afwisselende verschijnselen op, namelijk:
1)
een of ander geluid in mijn omgeving, dat meestal uit
geweldsuitbarstingen van
gekken bestaat, waar die omgeving overwegend uit wordt gevormd;
2)
in mijzelf het optreden van het brulwonder, waarbij mijn spieren die
voor het
ademhaalgebeuren dienen, door de lagere God (Ariman) zodanig in
beweging worden
gezet, dat ik genoodzaakt ben om het brulgeluid uit te stoten, voor
zover ik
geen bijzondere moeite doe om dat te onderdrukken; bij tijden volgt dat
brullen
in een zo snelle en veelvuldige herhaling, dat voor mij een vrijwel
ondraaglijke toestand ontstaat en vooral het ’s nachts in bed blijven
liggen
onmogelijk wordt;
3)
een opsteken van de wind, maar niet onder invloed van de
weersomstandigheden,
waarbij echter het samenvallen van het optreden van korte windstoten
met de
pauzen in mijn denken volstrekt onmiskenbaar is;
4)
het “hulp”-geroep van de godszenuwen die verder zijn losgemaakt van het
geheel,
dat des te klaaglijker klinkt, naarmate God zich op een grotere afstand
van mij
heeft teruggetrokken en dus hoe langer de weg is die deze zenuwen
kennelijk in
een of andere angsttoestand zouden moeten afleggen.
Elke
dag herhaalden deze verschijnselen zich wel honderden keren, en zijn
dus in de
loop der jaren door mij tienduizenden, zo niet honderdduizenden keren
waargenomen, in een volkomen regelmaat. De reden daarvan heb ik al
meerdere
malen aangeduid. Bij elk stoppen van mijn denken, dacht God meteen dat
mijn
geestelijke vermogens waren verdwenen, dat de vernietiging van mijn
verstand
(de “waanzin”) waarop hij had gehoopt, was ingetreden en dat daarmee
voor hem
de mogelijkheid was ontstaan om zich terug te trekken.
Dus
werd dan de terugtrekactie in werking gezet en terwille daarvan een
“storing”
gewonderd in de zin, die in hfdst. X is vermeld. Dat is het geluid ad
1.
Tegelijkertijd werd dan door de lagere God eveneens bijna altijd meteen
het
zogenaamde brullen gewonderd (ad 2); de bedoeling daarvan schijnt
tweeledig te
zijn, namelijk aan de ene kant om zich via het “uitbeelden” de indruk
te
verschaffen van iemand, die in zekere zin uit waanzin brult en aan de
andere kant
om het mogelijk te maken om een innerlijke stem te laten stikken, die
door de
hogere God op een grote afstand was geplaatst, zodat de lagere God, die
in
ieder geval half en half de noodzaak schijnt te hebben beseft, om zich
verder
aan te laten trekken, hierdoor op een bundeling van alle stralen kan
rekenen en
tevens op de wellust, die daardoor in mijn lichaam ontstaat, met andere
woorden, om zichzelf ervan te verzekeren, dat hij in mijn lichaam
alleen en
zonder wellust binnen kan gaan. De grotere afstand veroorzaakt (ad 3)
meteen
een opsteken van de wind (vergl. hfdst. 1). Niet minder echter merkt de
hogere
God dan meteen, dat het gehoopte opheffen van de aantrekkingkracht van
mijn
zenuwen weer niet is bereikt, maar eerder onverminderd voortbestaat; de
angsttoestand
die daardoor in de eerder losgelaten delen van de godszenuwen ontstaat,
komt
(ad 4) bij hen als een echt gevoel, in de kreet “help,” tot
uitdrukking. Het
blijft voor mij raadselachtig, net als veel andere dingen, dat het
hulpgeroep
kennelijk niet door andere mensen wordt gehoord: de
geluidsgewaarwording, die -
vele honderden malen per dag - mijn eigen oor treft, is zo duidelijk,
dat
daarbij van een zinsbegoocheling absoluut geen sprake kan zijn. Ook
volgt op de
echte “hulpkreet” telkens meteen de van buitengeleerde zin: “als nou
die
vervloekte hulpkreten maar eens op zou houden.”
Dat
alle levensuitingen van mensen in mijn nabijheid, vooral hun taal, op
wonderen
(straleninvloed) zijn terug te voeren, treedt echter voor mij ook in de
inhoud
van het gesprokene duidelijk aan het licht. Om deze zin begrijpelijk te
maken,
moet ik opnieuw wat uitvoeriger zijn. Zoals al in hfdst. IX is
opgemerkt, zijn
door God, bij het vastmaken aan aarden, buiten de destijds nog
bestaande
beproefde zielen, bepaalde restanten opgespaard van de vroeger
“voorportalen
van de hemel”, dus mensenzielen die zalig zijn geweest, met het doel om
hen bij
de toenadering, die door de aantrekkingskracht van mijn zenuwen werd
bepaald,
steeds met lijkengif als het ware als voorposten vooruit te sturen en
daarmee
het aantrekken voor de eigenlijke godsstralen te vertragen. Daarnaast
gelooft
men ook dat men mij door de hoeveelheid lijkengif, dat op die manier
dag in dag
uit op mijn lichaam werd opgehoopt, uiteindelijk dood te kunnen
drukken, d.w.z.
mij dood te maken of mijn verstand te vernietigen. De desbetreffende
zenuwen
(resten van de voorportalen van de hemel) treden nu tengevolge van een
wonderlijke samenhang, die kennelijk ten nauwste gebaseerd is op het
karakter
van het goddelijke scheppen en daarom ook niet door mij nader
verduidelijkt kan
worden, sinds jaren op in de gedaante van gewonderde vogels. Alleen het
feit
zelf, dat het bij de zenuwen die zich in deze vogels bevinden, om
resten
(afzonderlijke zenuwen) gaat van mensen, die zalig zijn geweest, is
voor mij
volstrekt zeker op grond van sinds jaren dagelijks duizendvoudig
terugkerende
observaties.
De
afzonderlijke zenuwen, die hierbij behoren, ken ik precies op grond van
de
klankkleur van de stemmen, die mij al jaren vertrouwd zijn; ik weet
precies
welke van de zinloze uit het hoofd geleerde zegswijzen ik van elk van
hen kan
verwachten, naargelang ze vanuit de verblijfplaats van de lagere of van
de
hogere God (door de een of ander gewonderd) worden uitgezonden. Hun
eigenschap
als vroegere menselijke zenuwen blijkt heel duidelijk uit het feit, dat
de
gewonderde vogels, allemaal zonder uitzondering, telkens als ze het
lijkengif
waarmee ze beladen zijn, hebben gedeponeerd d.w.z. als zij de zinnen,
die hen
min of meer zijn ingepeperd, hebben opgedreund, uitdrukking geven aan
het
gevoel van behagen in de zielenwellust van mijn lichaam, dat dan bij
hen
ontstaat, waaraan zij dan deelnamen, met de woorden “verdomde vent” of
“hè,
nogal vervloekt”, dus met een menselijk geluid, de enige woorden,
waartoe zij
eigenlijk nog in staat zijn voor het uiten van een echt gevoel. Zij
koesteren
niet het minste begrip voor wat ze vroeger hebben gezegd, de zinnen,
die ze uit
hun hoofd hadden geleerd – om aan die uitdrukking vast te houden, die
natuurlijk alleen figuurlijk moet worden opgevat; die dreunen ze op,
zonder dat
ze de betekenis van de woorden kennen; ze staan zelfs wat betreft hun
intelligentie kennelijk niet hoger dan welke andere natuurlijke vogel.
Hoe
het komt, dat hun zenuwen in trilling worden gezet, door de geluiden
die door
hen worden gesproken of gelispeld en die met de klank van menselijke
woorden
overeenkomen, kan ik niet zeggen: het technische van de zaak kan ik
daarom niet
nader verduidelijken; ik vermoed ook, dat het hierbij gaat over voor de
mens
volstrekt onbegrijpelijke, namelijk bovenzinnelijke dingen. Maar door
een
jarenlange ervaring is mij de werking wel precies bekend; die bestaat
eruit,
dat de zenuwen van de gewonderde vogels, zolang ze bezig zijn met het
opdreunen
van de zinnen, die hen zijn ingepeperd (van buiten geleerd), ongevoelig
zijn
gemaakt voor alle gevoelens, die zij anders bij het binnendringen in
mijn
lichaam zouden hebben, vooral voor de zielenwellust en de
gezichtsindrukken,
bij wijze van spreken alsof ze met geblinddoekte ogen bij mij naar
binnen
gingen en hun natuurlijke vermogen voor gevoelens op een of andere
manier
opgeschort was. Dat is dus ook de bedoeling van het hele gedoe en ook
de reden,
waarom het tempo – in overeenstemming met met het toenemen van de
zielenwellust
–, waarop de van buiten geleerde zinnen werden uitgesproken, steeds
meer is
vertraagd: de vernietigende felheid van de stemmen, als dragers van het
lijkengif, die bij mij naar binnen gingen moest zolang mogelijk in
stand worden
gehouden. Daarbij treedt dan echter een hoogst eigenaardig verschijnsel
op, dat
ook voor grote betekenis is voor de draagwijdte van de schade, die de
desbetreffende stemmen of stralen in mijn lichaam aanrichten.
Zoals
al is verteld, begrijpen de gewonderde vogels de betekenis niet van de
woorden
die door hen worden uitgesproken; zij hebben wel, naar het schijnt, een
natuurlijk gevoel voor de eenstemmigheid van de geluiden. Zodra ze
derhalve,
terwijl ze nog bezig zijn met het opdreunen van de zinnen, die ze uit
hun hoofd
hebben geleerd, woorden opvangen, die óf van de zenuwtrillingen die van
mijzelf
uitgaan (mijn gedachten) óf door mijn omgeving worden gesproken, die
dezelfde
of bijna dezelfde klank hebben als de woorden zie zij net zelf spreken
(opdreunen), wekt dat bij hen kennelijk een toestand van verbazing op,
waardoor
ze als het ware eenstemmig invallen, d.w.z. door hun verbazing de rest
van de
zinnen die ze nog moeten opdreunen vergeten en plotseling een echt
gevoel
induiken.
De
eenstemmigheid hoeft, zoals gezegd, niet volmaakt te zijn; het is
voldoende,
omdat de betekenis van de woorden door de vogels toch niet wordt
begrepen, dat
door hen gelijksoortig klinkende geluiden worden gehoord; het maakt
voor hen
dus weinig uit, of er – om een paar voorbeelden te geven - wordt
gesproken over
"Santiago"
of "Carthago"
"Chinezendom"
of "Christendom"
"Avondrood"
of "ademnood"
"Ariman"
of "akkerman"
"Keukenstoel"
of "reukgevoel."
enz.,
enz.
De
mogelijkheid die mij op die manier werd geboden, om de vogels die met
mij praatten
in verwarring te brengen door het willekeurig op een hoop gooien van
gelijksoortig klinkende woorden, heeft mij in de nauwelijks draaglijke
saaiheid
van het stemmengeklets vaak als een soort tijdverdrijf moeten dienen en
mij een
overigens vrij zonderling vermaak moeten bieden. Hoe komisch dat ook
mag
klinken, toch heeft de zaak voor mij ook een zeer ernstige betekenis en
heeft
dat deels nu nog steeds. De hogere en lagere God, die net zogoed als
ikzelf op
de hoogte zijn gebracht van de karakteristieke eigenschap van de
gewonderde
vogels om op gelijkklinkende geluiden in te vallen, spelen vooral deze
eigenschap wederzijds als troef tegen elkaar uit. Beiden streven ernaar
om
zichzelf in te houden en steeds de andere partij naar voren te
schuiven; omdat
dus door het invallen van de vogels op een gelijkklinkend geluid elke
keer de
aantrekking van die partij werd bespoedigd, tot welks kamp de
desbetreffende
stemmen behoorden, laat de hogere God door de mensen uit mijn omgeving
bij
voorkeur woorden zeggen, die tot het opgeschreven en stemmenmateriaal
van de
lagere God behoren en omgekeerd, terwijl ik van mijn kant, omdat het
belangrijk
voor mij is dat alle stralen samenbundelen en ik dus een gelijkmatig
aantrekken, steeds navenant probeer tegen te werken. Ook hier stonden
de
voorbeelden bijna net zo talrijk ter beschikking als zandkorrels aan
het
strand.
Om
zomaar iets aan te voeren, vertel ik, dat in sommige gevallen het
“elektrische
licht” en de “treinen”, net als – in verband met wat er in hfdst. XIII
is aangegeven
– de “kolossale krachten” en het “uitzichtloze verzet” tot de
opgeschreven
gegevens van de lagere God behoren. De hogere God laat daarom in de
gesprekken,
die in mijn aanwezigheid worden gevoerd – ook tijdens het middagmaal
van het
hoofd van de kliniek – in een frequentie, die net te opvallend is en
elke
gedachte aan toeval uitsluit, over “elektrische spoorwegen” spreken, al
het
mogelijke “kolossaal” vinden en te pas en te onpas over
“vooruitzichten”
vertellen. Voor mij ligt in de desbetreffende gebeurtenissen – naast
vele
andere – het onweerlegbare bewijs, dat de mensenzenuwen, die deze
woorden
gebruiken – voor henzelf natuurlijk onbewust – daartoe worden aangezet
door de
werking van de stralen (wonderen); het is dus met andere woorden het
bewijs van
het werkelijke bestaan van het zogenaamde “spelletjes met mensen
spelen”,
waarover de lagere God het in eerdere jaren ontelbare malen placht te
hebben.
Ik besef hier, hoe ongelofelijk, wat ik heb beweerd, voor andere mensen
moet
klinken; de ervaringen die dat bekrachtigen, worden echter door mij
elke dag en
elk uur, overal en bij elke gelegenheid in zo’n verpletterende
hoeveelheid
opgedaan, dat voor mij elke twijfel aan de objectiviteit van de
beschreven
toestanden uitgesloten is. Ik denk dat ik daarover misschien later nog
details
zal geven.
Wat
betreft de gewonderde vogels moet ik aan het voorgaande nog een ding
toevoegen.
Zij vertonen het merkwaardige verschijnsel, dat de afzonderlijke
zenuwen of
zielen die daarbij zijn betrokken, naar gelang het verschil van de
seizoenen,
in de gedaante van verschillende vogelsoorten optreden. Die zenuwen
zitten in
het voorjaar bijvoorbeeld in de vinkenlijfjes of die van andere
zangvogels, in
de zomer in die van zwaluwen en in de winter in mussen- of
kraaienlijfjes. De identiteit
van de desbetreffende zielen staat voor mij buiten kijf, gezien de mij
goed
bekende klankkleur van hun stemmen, net als de zegswijzen, die zij
steeds
regelmatig laten horen, en die er als het ware bij hen ingepropt zijn.
Vervolgens
duikt vanzelf de vraag op, of ze eigenlijk wel een continu leven zouden
kunnen
hebben of dat ze van dag tot dag of althans in bepaalde langere
perioden
telkens opnieuw worden gewonderd. Ik kan deze vraag alleen opwerpen,
maar niet
beantwoorden. Ik zie dat de gewonderde vogels eten en poepen, net als
natuurlijke vogels; het zou dus zelfs mogelijk zijn, dat de gewonderde
toestand
door voedselopname geruime tijd in stand kan worden gehouden; ik heb
ook in het
voorjaar herhaaldelijk nestbouw gezien, wat op een
voortplantingsvermogen lijkt
te wijzen. Aan de andere kant kwam ik er juist door hun praten achter
dat ze in
bepaalde andere opzichten niet volstrekt natuurlijke vogels zijn. Hun
aantal is
zeer aanzienlijk en loopt kennelijk in de honderden, zodat ik geen
bepaald getal
durf aan te geven. Ze vallen naar gelang de zinnen die ze praten in
twee
groepen uiteen, waardoor zij zich duidelijk onderscheiden als deels
uitgaand
van de lagere God en deels van de hogere God.
Tot
de groep van de lagere God behoort met name een ziel in de gedaante van
een
vogel, die zich bijna steeds in mijn onmiddellijke omgeving bevindt en
daarom
door de overige stemmen doorgaans als mijn “kleine vriend” wordt
aangeduid. Ze
verschijnt in het voorjaar meestal als specht of merel, ‘s zomers als
zwaluw en
’s winters als mus. De naam die haar schertsenderwijs wordt gegeven
“picus, de
specht” wordt door de overige stemmen ook gehandhaafd als ze als merel,
zwaluw
of mus optreedt. Ik ken precies stuk voor stuk de zegswijzen, die in de
loop
der jaren tamelijk talrijk zijn geworden en die in hun constante
herhalen aan
het spreken worden toegevoegd en heb daarover, net als bij andere
gewonderde
vogels al vaker lijsten opgesteld, die steeds doeltreffend bleken. Aan
een
groot aantal van de overige vogelzielen heb ik schertsenderwijs ter
onderscheiding meisjesnamen toegevoegd, omdat zij allemaal gezien hun
nieuwsgierigheid, hun hang naar wellust enz. op de eerste plaats met
kleine
meisjes kunnen worden vergeleken. Deze meisjesnamen zijn vervolgens
gedeeltelijk ook door de godsstralen aangegrepen en gehandhaafd om de
desbetreffende vogelzielen te benoemen. Tot de gewonderde vogels
behoren alle
snel vliegende vogels, dus met name alle zangvogels, verder zwaluwen,
mussen,
kraaien enz.; van deze vogelsoorten heb ik in de loop van afgelopen
jaren nooit
ook maar een exemplaar te zien gekregen, dat niet heeft gesproken; ook
bij de
rijtoeren, die ik in de zomer van dat jaar (1900) heb ondernomen,
hebben zij
mij steeds de hele weg tot aan het einddoel van mijn uitstapje
begeleid. Maar
de duiven, die zich op de binnenplaats van de huidige kliniek bevinden,
praten
niet, net zomin, voor zover ik heb gezien, als een kanarie, die in een
dienstwoning van de kliniek gevangen zit, en de kippen, ganzen en
eenden, die
ik gedeeltelijk heb gezien vanuit mijn ramen op het terrein dat beneden
de
kliniek ligt en gedeeltelijk tijdens de beide reeds vermelde uitstapjes
in de
dorpen die ik daarbij heb aangedaan; ik moet dus aannemen dat het
hierbij om
eenvoudige, natuurlijke vogels gaat. Het hele verschijnsel van de
pratende
vogels heeft zo iets wonderlijks en sprookjesachtigs, dat het voor mij
van het
grootste belang zou zijn, om de vogelwereld in andere streken van het
land te
observeren, omdat ik mij natuurlijk niet kan voorstellen, dat de
loofbossen
enz., die zich op een grote afstand bevinden, die vogelbevolking
helemaal
missen.
Hoofdstuk
16. - Denkdwang. Uitingen en bijverschijnselen daarvan
Nadat
ik in het voorgaande hoofdstuk heb beschreven, welke veranderingen mijn
uiterlijke leven in de loop van de afgelopen jaren heeft ondergaan en
welke
verschijnselen het vernietigingsgevecht heeft veroorzaakt, dat door de
goddelijke stralen tegen mij werd gevoerd, zal ik nu nog wat meer
vertellen
over de vormen – die eveneens vaak zijn veranderd - waarin de
onafgebroken
voortdurende denkdwang gelijktijdig tot uiting is gekomen. Het begrip
denkdwang
is al in hfdst. V zo gedefinieerd, dat het een noodzaak tot
onophoudelijk
denken inhoudt, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het natuurlijke recht
van mensen
op geestelijke ontspanning, aan het af en toe uitrusten van het denken
via het
niets-denken, of, zoals de uitdrukking in de oertaal luidt, waarbij de
“ondergrond” van de mens verontrust wordt. Door de inwerking van de
stralen
worden mijn zenuwen in trilling gebracht, die overeenstemmen met
bepaalde
menselijke woorden, waarvan de keuze niet berust op mijn eigen wil,
maar op
invloeden die van buitenaf op mij worden uitgeoefend. Daarbij heerste
van begin
af aan het systeem van het niet-uitspreken, d.w.z. dat de trilling
waarin mijn
zenuwen worden gebracht en de woorden die daardoor worden opgewekt,
overwegend
geen op zichzelf afgeronde en voltooide gedachten bevatten, maar
slechts
brokstukken daarvan, die mijn zenuwen in zekere zin op een of andere
verstandige
manier moeten afmaken. Het ligt nu eenmaal in de aard van de zenuwen,
dat als
er op deze manier wat onsamenhangende woorden, of wat aangebroken
zinnen in
worden gegooid, ze onwillekeurig moeite doen om datgene te zoeken wat
nog
ontbreekt aan de voltooiing van een gedachte, zodat het voor de
menselijke
geest bevredigend is.
Het
systeem van het niet-uitpraten heeft in de loop der jaren, hoe meer de
zielen
gebrek aan eigen gedachten begonnen te krijgen, steeds meer vorm
gekregen.
Bijzonder vaak werden jarenlang in een duizendvoudige herhaling slechts
enkele
voegwoorden of bijwoordelijke bepalingen mijn zenuwen binnengesproken,
die als
inleiding voor betrekkelijke bijzinnen waren bestemd, waaraan dan de
voltooiing
werd overgelaten van de betrekkelijke bijzin met een of andere
betekenis, die
voor de denkende geest bevredigend was. Zo hoor ik al jaren elke dag in
een
honderdvoudige herhaling de zonder enige samenhang in mijn zenuwen
binnengepraatte woorden “waarom toch?” “waarom, omdat,” “waarom, omdat
ik” “tenzij,”
“gezien zijn” (d.w.z. dat het wat mij betreft, ik het een of het andere
moet
zeggen of denken), verder soms een volstrekt zinloos in mijn zenuwen
gegooid
“oh, ja,” wat uiteindelijk bepaalde brokstukken zijn van vroeger in
zijn geheel
geuite zinnen, b.v.
1.
"Nu wil ik,"
2.
"U moet namelijk,"
3.
"Daar wil ik,"
4.
"Nu moet het toch,"
5.
"Dat was namelijk,"
6.
"Wij missen,"
enz.
Om de lezer althans enig begrip van de oorspronkelijke betekenis van
deze
afgekapte zinnen te geven, zal ik bij de onder 1 – 6 gegeven
voorbeelden,
telkens het vervolg toevoegen, dat vroeger echt werd uitgesproken, maar
wat nu
wordt weggelaten en waarvan in zekere zin het afmaken aan mijn zenuwen
wordt
overgelaten. De zinnen zouden eigenlijk als volgt moeten luiden:
No.
1. Nu wil ik mij erin schikken, dat ik dom ben;
No.
2. U moet namelijk worden neergezet als godloochenaar, als vergeven van
wellustige uitspattingen enz.;
No.
3. Daar wil ik eerst over nadenken;
No.
4. Nu moet het toch wel mals zijn, dat gebraden varkensvlees;
No.
5. Dat was namelijk teveel, volgens de opvatting over de ziel;
No.
6. Wij missen de leidende gedachte, d.w.z. – wij, de stralen missen de
gedachte.
De
weinig smaakvolle zegswijze over het gebraden varkensvlees (ad 4)
berust vooral
op het feit, dat ik zelf een keer, jaren geleden, in de zielentaal
gebruik heb
gemaakt van de figuurlijke uitdrukking “mals gebraden varkensvlees”.
Deze
uitdrukking is vervolgens opgepakt en tot een voortdurend terugkerend
bestanddeel van het spraakmateriaal gemaakt. Het “gebraden
varkensvlees” moet
ik op mijzelf betrekken; er zou daarmee te kennen worden gegeven, dat
mijn
weerstandsvermogen tegen de aanval van de stralen, die op vernietiging
van mijn
verstand is gericht, eindelijk toch uitgeput zou moeten zijn.
De
reden van het niet-uitspreken is dezelfde, die ook verder in het gedrag
van God
tegenover mij op elk punt naar voren treedt; men beoogt daarmee zich te
onttrekken aan de noodzaak van het opgaan in mijn lichaam ten gevolge
van de
aantrekkingkracht. Zolang er nog toestanden heersten, die bij
benadering in
overeenstemming waren met de wereldorde, d.w.z. vóór het vastbinden aan
aarden,
(vergl. hfdst. IX) was elke overeenstemming in gevoel in een enkele
blik
(ogenblik) voldoende om te veroorzaken, dat de vrij aan de hemel
hangende
zielen naar beneden in mijn mond sprongen en daarmee een eind maakten
aan hun
zelfstandig bestaan. Ik heb dat gebeuren, zoals al in hfdst. VII is
opgemerkt,
destijds daadwerkelijk in zeer talrijke gevallen meegemaakt. Datzelfde
resultaat
hadden echter ook “verstandelijke overwegingen”, voor zover de zielen
daar in
een grammaticaal voltooide vorm uitdrukking aan gaven. Ook nu nog zou
de
grammaticaal voltooide uitdrukking van een willekeurige gedachte naar
mij toe
leiden, zodat de stralen (nu ongetwijfeld in staat om zich terug te
trekken)
die daarmee binnendringen, tijdelijk de zielenwellust van mijn lichaam
zouden
vergroten. Het niet-uitspreken heeft kennelijk de werking, dat de
zielen
daardoor in zekere zin halverwege tegen worden gehouden en vatbaar voor
het
terugtrekken worden gemaakt, voordat ze tot een toename van
zielenwellust in
mijn lichaam hebben bijgedragen; daardoor wordt echter ook de
verhindering van
het aantrekken niet helemaal en uiteindelijk bereikt, maar er schijnt
althans
wel een zekere vertraging plaats te vinden.
Men
kan zich nauwelijks voorstellen, met welke geestelijke inspanningen de
denkdwang, vooral in de vermelde verhevigingen, mij jarenlang heeft
opgezadeld
en welke geestelijke kwellingen daardoor bij mij zijn veroorzaakt. In
de eerste
jaren voelden mijn zenuwen het inderdaad als een onweerstaanbare
noodzaak om
voor elke begonnen betrekkelijke bijzin, voor elke aangebroken
zegswijze een
vervolg te vinden, dat voor de menselijke geest bevredigend was, zoiets
als wanneer
in het gebruikelijke, menselijke contact op de vraag van iemand anders
doorgaans een antwoord wordt gegeven. Om enigszins duidelijk te maken,
hoe een
dergelijke noodzaak eigenlijk door de natuur van de menselijke zenuwen
is
bepaald, zal ik gebruik maken van een voorbeeld. Stel je het geval
voor, dat
ouders of opvoeders samen met hun kinderen op school een examen
bijwonen. Voor
zover ze het examen aandachtig volgen, zullen ze onwillekeurig op elke
gestelde
vraag in hun geest zelf het antwoord geven, al is het maar in de vorm:
“Ik weet
het niet, maar of de kinderen het wel weten?” Daarbij bestaat echter
voor de
ouders of opvoeders natuurlijk geen enkele geestelijke dwang; zij
hoeven alleen
maar hun aandacht van het verloop van het examen af te wenden en het op
een of
ander iets in de omgeving te richten, om hun zenuwen voor elke
inspanning in de
aangegeven richting te behoeden. Daarin ligt nou juist het wezenlijke
verschil
tussen het gegeven voorbeeld en mijn eigen geval. De gestelde vragen of
de
vragendeeltjes die de noodzaak voor het uitoefenen van de denkfunctie
vormen,
worden, omdat zij door de stralen in overeenstemmende trillingen worden
gezet,
zo in mijn zenuwen binnengepraat, dat ze zich helemaal niet kunnen
onttrekken
aan de opwinding die tot denken dwingt. Of de gekozen manier van
uitdrukken,
namelijk dat mijn zenuwen door stralen in overeenstemmende trillingen
worden
gezet, de toestand geheel juist weergeeft, moet ik echter in het midden
laten;
de gang van zaken, zoals ik die rechtstreeks meemaak, is dat de
sprekende
stemmen (sinds kort dus vooral de stemmen van de sprekende vogels) in
de vorm
van innerlijke stemmen, als lange draden mijn hoofd binnendringen en
daarin
door het lijkengif, dat ze afgeven, een pijnlijk, gespannen gevoel
opwekken.
Het
tegenovergestelde van deze innerlijke stemmen vormen de uiterlijke
stemmen, die
ik met name hoor spreken door de vogels en die ik van buitenaf vanuit
de
vogelkelen naar mij toe hoor komen. In ieder geval kunnen in beide
gevallen
mijn zenuwen zich niet ontrekken aan het waarnemen van het geluid van
de
gesproken woorden en daarmee is dan de opwinding van mijn zenuwen, die
tot
verder denken dwingt, voor zover het om vragen of onvoltooide gedachten
gaat,
vanzelf voor de handliggend. In de eerste jaren was de noodzaak om
verder te
denken, om de gestelde vragen te beantwoorden en tot het stilistische
voltooien
van de aangebroken zinnen enz., tenminste voor mijn eigen zenuwen
volledig
onontkoombaar; pas in de loop der jaren heb ik mijn zenuwen (mijn
“ondergrond”)
er geleidelijk aan kunnen wennen, dat ze de gesproken woorden en
zegswijzen
althans gedeeltelijk door een eenvoudig herhalen tot vormen van
niets-denkengedachten veranderen, dus de opwinding negeren, die op
zichzelf tot
verder denken zou noodzaken. Zo doe ik dat tegenwoordig al geruime tijd
met de
voegwoorden en bijwoordelijke gezegden, die eigenlijk voor het afmaken
van elke
betrekkelijke bijzin nodig zouden zijn. Hoor ik b.v. een “waarom, omdat
ik” of
een “tenzij”, dan herhaal ik de desbetreffende woorden zo lang
mogelijk, zonder
dat ik moeite doe om de zin te proberen af te maken met de gedachte,
die eerder
in mij is opgekomen.
Ik
doe hetzelfde als men, wat dagelijks honderden keren gebeurt, met de
woorden
“als je nou denkt” mijn zenuwen tot het ontwikkelen van een of andere
angstgedachte wil dwingen, die in werkelijkheid helemaal niet bij mij
aanwezig
is, maar mij alleen maar bedrieglijk worden toegedicht. Welk vervolg
men
daarbij verwacht is mij echter meestal bekend – omdat in de regel
tegelijkertijd
een passend wonder volgt, dat ik aan mijn lichaam merk; er moet dan de
ene keer
volgen “als maar mijn wellust niet wordt verstoord”, dan weer “als mijn
laarzen
maar niet zouden worden verwonderd,” en dan weer “als nou maar mijn
neus, mijn
ogen, mijn knieschijven, mijn hersenpan enz. niet verwonderd zouden
worden.”
Ik
voel mij echter niet genoodzaakt om deze onzin, die immers slechts op
gedachtevervalsingen neerkomt, volledig te beschrijven, maar ik volsta
ermee, nadat
ik mijn zenuwen aan het onderdrukken van de desbetreffende opwinding
heb
gewend, om de woorden “als je nou denkt” zonder enige toevoeging zolang
mogelijk te herhalen. In een gebruikelijke dialoog zou natuurlijk ieder
mens op
de woorden “als je nou denkt”, die door iemand anders tegen hem worden
gesproken, alleen het antwoord “ja, wat bedoel je nou eigenlijk” of een
ander
scheldwoord klaar hebben, dat kan dienen om het lastig vallen te
verhinderen.
Dit redmiddel is mij echter door de stralen, door het dan regelmatig
volgende
“dat hebbewal,” met de werking die in hfdst. IX al is genoemd, op zijn
minst
zeer bemoeilijkt, afgezien van het feit, dat het op den duur toch niet
zou zijn
uit te houden, om de zenuwen de hele dag alleen maar in beweging te
zetten met
de tegenvraag “wat bedoel je dan eigenlijk” of een scheldwoord te
kiezen. Het
ingrijpen in de vrijheid van het menselijke denken of beter gezegd, het
niets-denken, dat het wezen van de denkdwang uitmaakt, is in de loop
der jaren
nog wezenlijk verscherpt omdat het praten van de stemmen in een steeds
trager
tempo geschiedt. Dat hangt samen met de toegenomen zielenwellust van
mijn
lichaam en met de — ondanks alle opschrijven — buitengewoon grote
gebrekkigheid
van het spreekmateriaal, dat de stralen ter beschikking staat om de
enorme
afstanden te overbruggen, die de hemellichamen, waar zij aan hangen,
scheiden
van mijn lichaam.
Van
de mate van vertraging kan iemand, die de besproken verschijnselen niet
heeft
meegemaakt, zoals ik dat persoonlijk heb gedaan en nog steeds doe, zich
nauwelijks een voorstelling maken. Een "maar natuurlijk" uitgesproken
als "m—a—a—a—a—a—a—r n—a—a—t—u—u—u—r—lij—ij—ij—ij—k", of een
"Waarom sch..... je dan niet?" uitgesproken als "W—a—a—a—r—r—o—m
sch—ij—ij—ij—t je d—a—a—a—a—n n—i—i—i—i—iet?" vraagt elke keer
misschien
wel 30 tot 60 seconden, voordat het helemaal naar buiten komt. Daardoor
zou bij
iedereen, die niet, zoals ik, ook in het gebruik van geëigende
afweermiddelen
steeds vindingrijker is geworden, een zenuwachtig ongeduld worden
opgewekt, dat
de desbetreffende persoon gewoon uit zijn vel zou laten springen;
slechts een
uitermate zwakke afstraling van de onrust, die door de stralen wordt
veroorzaakt, kan misschien worden geboden door het voorbeeld, waarbij
een
rechter of leraar een geestelijk trage getuige of leerling steeds hoort
hakkelen en ondanks alle bemoeienissen niet in staat is om wat de
gevraagde
eigenlijk wil of moet zeggen, tot duidelijke te laten uitspreken.
Tot
de verschillende afweermiddelen behoort vooral het pianospelen en het
lezen van
boeken of kranten – voor zover de toestand van mij hoofd dat toelaat –
waaraan
ook zelfs de langst uitgesponnen stemmen uiteindelijk te gronde gaan;
voor de
tijden van de dag, zoals ’s nachts, waarop dit echt toelaatbaar is, of
als een
afwisseling van bezigheden een geestelijke behoefte wordt, heb ik in
het van
buiten leren van gedichten een uiterst succesvol redmiddel gevonden. Ik
heb een
groot aantal gedichten, vooral de Balladen van Schiller, vrij grote
passages
uit de drama’s van Schiller en Goethe, maar ook opera-aria’s en
grappige
gedichten, o.a. uit “Max en Moritz”, uit “Strüwelpeter” en Spekters
“Fabels”
van buiten geleerd, die ik dan stiekem stilletjes opzei. Op de
dichterlijke
waarde van de gedichten komt het daarbij natuurlijk echt niet aan; elk
nog zo
onbeduidende rijmelarij, zelfs elk pikant gedicht is als geestelijk
voedsel
steeds nog goud waard, vergeleken met de ontzettende onzin, die mijn
zenuwen
anders zouden moeten aanhoren.
Ook
bij het opzeggen van gedichten heb ik met vele problemen te kampen, die
het resultaat
af en toe beïnvloeden; men wondert dan zo gedachteverstrooiend aan mijn
zenuwen, dat ik ogenblikkelijk het vervolg van de gedichten die ik van
buiten
heb geleerd niet meer kan vinden of er wordt, zodra door het opzeggen
van
langere gedichten de langste innerlijke stemmen weer eenmaal tot
zwijgen zijn
gebracht, en daarmee een hevige zielenwellust is bereikt, die berust op
het
samenbundelen van alle stralen, door de lagere God het brulwonder in
scène
gezet, dat in het vorige hoofdstuk is beschreven, zodat mij de lust in
het
zachtjes opzeggen van gedichten vergaat of zelfs mij de fysieke
mogelijkheid
daartoe wordt ontnomen. Ik ben daarom genoodzaakt om af en toe van
systeem te
wisselen, net zoals in de buitenwereld (door Gods almacht) steeds
nieuwe systemen
worden bedacht, om de aantrekking te vertragen en de samenbundeling van
alle
stralen te verhinderen, die voor de slaap of de volkomen zielenwellust
bevorderlijk zijn. De laatste tijd heb ik het aanhoudend zachtjes
tellen tot
een willekeurig hoog getal zeer doeltreffend gevonden, wat echter op
den duur
natuurlijk heel saai is. Treden aanzienlijke lichamelijke pijnen of
aanhoudende
brultoestanden op, wat niet zelden het geval is, dan blijft als laatste
middel
alleen nog maar het hardop schelden over, waartoe ik af en toe over
moet gaan,
wat echter, waar ik volledig op vertrouw, in de toekomst steeds minder
nodig
zal worden.
Alle
voorgaande beschreven verschijnselen hebben in de loop der jaren
verschillende
veranderingen ondergaan en zijn ook nu nog aan wisselingen onderhevig,
al naar
gelang de mate van de op dat moment bestaande zielenwellust en de
grootte van
de afstand, waarop God zich heeft teruggetrokken. Over het algemeen
beantwoorden de voorspellingen die ik al jaren geleden hierover heb
gedaan, ook
hier van dag tot dag steeds meer aan de verwachtingen; als bewijs zou
het
volgende uittreksel kunnen dienen uit mijn beknopte studie XIII, uit
het
vermelde aantekenboekje B:
16
januari 1898.
"Voorlopig,
d.w.z., gedurende de jaren of decennia die nog kunnen verlopen tot aan
de
ontmanning, is de koers van onze politiek over het algemeen duidelijk.
Het
staat volstrekt vast, dat het voor ons elk jaar, elke dag en elke week
gemakkelijker wordt, afgezien van bepaalde tegenslagen, die daarmee
samenhangen, dat in de buitenwereld het vereiste inzicht niet aanwezig
is, en
daar ook nooit zal komen, door de toestand van het godsrijk en het
zielenkarakter en dat daarom nog steeds zwakke pogingen worden
ondernomen, om
zich te onttrekken aan de oplossing, die in overeenstemming is met de
wereldorde.”
Gezien
haar karakteristieke betekenis moet ik aan de hierboven vermelde vraag
“waarom
sch… je dan niet?” nog enige opmerkingen wijden, hoe weinig decent het
thema
ook is, dat ik daarbij moet aanroeren. Zoals al het andere aan mijn
lichaam,
wordt namelijk ook de ontlastingsbehoefte door wonderen opgeroepen; dat
gebeurt
doordat de ontlasting in de darmen naar voren (soms ook weer
terugwaarts) wordt
geduwd en als er tengevolge van al gebeurde ontlastingen niet meer
voldoende materiaal
aanwezig is, worden de nog aanwezige geringe restanten van de
darminhoud rond
mijn zitopening gesmeerd. Het gaat daarbij om een wonder van de hogere
God, dat
elke dag minstens meerdere tientallen malen wordt herhaald. Daarmee
staat het,
voor mensen gewoonweg onbegrijpelijke en slechts uit de volkomen
onbekendheid
van God over de levende mens als organisme, verklaarbare beeld in
verband, dat
het “sch….” in zekere zin het laatste is, d.w.z. dat met het wonderen
van de
sch…drang het doel van de vernietiging van het verstand is bereikt en
de
mogelijkheid van een definitieve terugtrekking van de stralen een
gegeven is.
Het lijkt mij, dat men, om het ontstaan van deze voorstelling tot op de
grond
uit te zoeken, moet denken aan het bestaan van een misverstand met
betrekking
tot de symbolische betekenis van de ontlastingsdaad, namelijk dat
iemand, die
een contact de goddelijke stralen heeft gemaakt, dat met het mijne
overeenkomt,
in zekere zin het recht heeft om “op de hele wereld te sch…”
Tegelijkertijd
blijkt daarbij echter ook de hele doortraptheid van de politiek, die
ten
opzichte van mij wordt gevolgd. Vrijwel elke keer, als men bij mij de
ontlastingsbehoefte wondert, stuurt men – doordat men de zenuwen van de
desbetreffende persoon daartoe aanzet – een of ander ander iemand uit
mijn
omgeving naar het toilet, om mij het ontlasten te verhinderen; het is
dat
verschijnsel, dat ik jarenlang zo ontelbare (duizenden) keren en zo
regelmatig
heb waargenomen, waardoor elke gedachte aan toeval uitgesloten is.
Tegenover
mijzelf wordt dan echter op de vraag “waarom sch… je dan niet?” het
fameuze
antwoord gegeven “omdat ik dom ben of zoiets.” Mijn pen verzet zich er
bijna
tegen om de formidabele onzin op te schrijven, dat God inderdaad in
zijn
verblinding, die berust op het onbekend zijn met de menselijke natuur,
zover
gaat om te veronderstellen dat er iemand zou kunnen bestaan, die – wat
zelfs
elk dier kan – van domheid niet zou kunnen “sch…”. Als ik vervolgens,
in het
geval dat ik de behoefte voel, mij daadwerkelijk ontlast, - waarbij ik
mij in
de regel van een emmer bedien, omdat ik het toilet steeds bezet aantref
– dan
is dat telkens met een bijzondere krachtige toename van de
zielenwellust
verbonden, De bevrijding van de druk, die door de ontlasting die zich
in de darmen
bevindt wordt veroorzaakt, heeft namelijk voor de darmen een intens
behaaglijk
gevoel ten gevolge; hetzelfde is bij het pissen het geval. Daarom zij
bij het
ontlasten en pissen nog steeds en zonder uitzondering alle stralen
gebundeld
geweest; om dezelfde reden probeert men ook steeds, als ik mij naar
deze
natuurlijke functies schik, de ontlastings- en pisdrang, zij het ook
meestal
tevergeefs, weer terug te wonderen.
Hoofdstuk
17 – Vervolg van het voorafgaande. De betekenis “afbeelden” in de
zielentaal
Uit
de beschrijving, die in het vorige hoofdstuk staat, zal de lezer de
indruk
hebben gekregen, dat de beproevingen die mij door de denkdwang zijn
opgelegd,
de hoeveelheid van eisen, die doorgaans anders aan het menselijke
prestatievermogen en aan het menselijke geduld worden gesteld, in veel
opzichten ver achter zich heeft gelaten. Om heel eerlijk te zijn, moet
ik
echter toevoegen, dat daarbij anderzijds toch ook sommige
verschijnselen zijn
opgetreden, waarin althans op bepaalde momenten een soort vereffening
voor het
door mij ervaren onrecht zou kunnen worden gevonden. Afgezien van de
verklaringen van de bovenzinnelijke dingen, die ik in de loop der jaren
heb
meegemaakt en die ik nu voor geen goud meer uit mijn geheugen zou
willen
wissen, heb ik hier hoofdzakelijk de geestelijk stimulerende werking
voor ogen,
die de denkdwang op mij heeft uitgeoefend. Juist het onsamenhangende
ingooien
in mijn zenuwen van bijzinnen, die het oorzakelijke verband of enige
ander
verband uitdrukken, ("waarom dan", "waarom omdat", "waarom,
omdat ik", "tenzij", "althans" enz.) heeft mij
gedwongen om over vele dingen na te denken, waaraan mensen anders
doorgaans
achteloos voorbijgaan en heeft daardoor bijgedragen aan een verdieping
van mijn
denken. Ieder uitvoeren van een menselijke bezigheid in mijn naaste
omgeving,
die ik zie, iedere observatie van de natuur in de tuin of vanuit mijn
raam
roept bepaalde gedachten in mij op; hoor ik dan tijdelijk in
aansluiting op
deze gedachte-ontwikkeling een, mijn zenuwen in gesproken, “waarom dan”
of
waarom, omdat”, dan ben ik daardoor gedwongen of in ieder geval in een
onvergelijkbare grotere mate, dan andere mensen, toe genoodzaakt om
over de
reden of zin van de desbetreffende verschijnselen na te denken.
Om
een paar voorbeelden uit hele gewone gebeurtenissen aan te halen, moet
ik
vermelden, dat juist tijdens de dag, dat ik deze zinnen neerschrijf, in
de tuin
van de kliniek een nieuw huis wordt gebouwd en in een kamer, die aan de
mijne
grenst, een kachel wordt vervangen. Kijk ik naar het desbetreffende
werk, dan
komt natuurlijk onwillekeurig de gedachte bij mij op: die man of die
andere
arbeiders doen nu dit of dat; wordt nu tegelijkertijd met het ontstaan
van die
gedachte een “waarom dan” of “waarom omdat” mijn zenuwen
binnengesproken, dan ben
ik daardoor, op een slechts moeizaam afwijsbare manier, genoodzaakt om
mijzelf
rekenschap te geven over de reden en zin van elke afzonderlijke
handeling.
Dergelijke dingen hebben zich in de loop der jaren natuurlijk duizenden
keren
afgespeeld; vooral door het lezen van boeken en kranten werden steeds
nieuwe
gedachten opgeroepen. De noodzaak die tegelijkertijd ontstond om mij
bewust te
worden van het causale verband van elke gebeurtenis, van elk gevoel en
van elke
gedachtevoorstelling, heeft mij langzamerhand wat betreft bijna alle
natuurverschijnselen en wat betreft bijna alle uitingen van menselijke
activiteit in kunst, wetenschap enz. tot het inzicht in het wezen van
de dingen
gebracht, zoals dat doorgaans bereikt wordt door iemand die het, zoals
de meeste
mensen, niet de moeite waard acht om over de gebruikelijke ervaringen
van het
dagelijkse leven na te denken. In veel gevallen, vooral bij
gevoelservaringen
is het helemaal niet eenvoudig om op de vragen naar de reden (‘waarom
dan”) een
passend en voor de menselijke geest bevredigend antwoord te vinden. In
de
meeste van deze gevallen, b.v. voor de zin “deze roos ruikt lekker”, of
“dit
gedicht heeft een heerlijk poëtisch taalgebruik”, of “dit is een
voortreffelijk
schilderij”, of “dit muziekstuk is bijzonder melodieus” zou eigenlijke
de vraag
zelf naar een bijzondere reden eigenlijk als ongerijmd moeten worden
beschouwd.
Desondanks wordt de vraag nu eenmaal door de stemmen in mij opgeroepen
en wordt
daardoor voor mij een aansporing tot denken gegeven, waaraan ik mij,
omdat
voortdurend denken te moeizaam wordt, zoals gezegd, pas geleidelijk
althans
gedeeltelijk heb leren onttrekken. Iemand die in een goddelijke
schepping van
de wereld gelooft, kan natuurlijk als laatste oorzaak van alle dingen
en alle
gebeuren de reden aanvoeren, “omdat God de wereld heeft geschapen!”
Tussen dit
feit en de afzonderlijke uiterlijke gebeurtenissen van het leven ligt
echter
een oneindig aantal verbindingsschakels, en het is in veel gevallen van
uitmuntend belang dat men zich daar althans enigszins van bewust wordt.
Bijzonder veel heb ik mij, aangespoord door de denkdwang, bezig
gehouden met
etymologische vragen, die ook vroeger al in gezonde tijden aanspraak op
mijn
belangstelling hebben gemaakt.
Aan
het einde van deze uiteenzetting zou nog een voorbeeld moeten worden
gegeven,
dat misschien kan bijdragen tot een betere verduidelijking van alles
wat er is
gezegd. Ik kies daarvoor een eenvoudige gebeurtenis, namelijk waarbij
ik iemand
ontmoette die ik kende, die Schneider heette. Als ik de desbetreffende
persoon
zie, dan ontstaat natuurlijk onwillekeurig de gedachte, “die man heet
Schneider” of “dat is de heer Schneider”. Na de vorming van deze
gedachte
klinkt dus in mijn zenuwen een “waarom nou” of “waarom, omdat” op. Zou
een dergelijke
vraag in dit verband in de gewone menselijke omgang, door de ene
persoon aan de
andere worden gericht, dan zou het antwoord waarschijnlijk luiden:
“Waarom! Wat
is dat voor een onzinnige vraag, die man heet nu eenmaal Schneider.”
Mijn
zenuwen kunnen of konden zich doorgaans echter, althans gewoon
afwijzend op die
manier, niet gedragen. Hun rust is verstoord door de eenmaal opgeworpen
vraag,
waarom die persoon de heer Schneider is of de heer Schneider heet. De
in dit
geval ongetwijfeld zeer merkwaardige vraag naar de reden, houdt hen
daardoor –
namelijk door hun frequente herhaling – onwillekeurig zolang bezig, tot
het
soms lukt om een andere afleiding voor het denken te verkrijgen. Zo
worden mijn
zenuwen dus misschien eerst op het antwoord gebracht: ja, die man heet
gewoon
Schneider, omdat zijn vader ook Schneider heette. Bij dit triviale
antwoord
kunnen mijn zenuwen echter niet echt rust vinden. Er voegt zich dan een
verder
denkproces aan toe over de redenen, waarom bij mensen het geven van
namen eigenlijk
in ingevoerd, over de vormen, waarop dat bij verschillende volkeren en
op
verschillende tijden is opgetreden en over de verschillende verbanden
(stand,
afstamming, bijzondere lichamelijke eigenschappen enz.) waaraan die
namen bij
voorkeur zijn ontleend. Op die manier wordt een uiterst eenvoudige
observatie
onder de druk van de denkdwang tot een uitgangspunt van een zeer
omvangrijke
denkarbeid, die in de meeste gevallen helemaal vruchteloos blijft.
In
verder interessant verschijnsel, dat samenhangt met het stralencontact,
de
oorzaak van de denkdwang, is het zogenaamde “afbeelden”, waar ik in
hfdst. XI
al vluchtig gewag van heb gemaakt. Waarschijnlijk weet niemand, behalve
ik, en
is het met name ook niet bekend bij de wetenschap, dat iemand alle
herinneringen,
die nog in zijn geheugen zitten, door de indrukken, die daarvan bij de
zenuwen
zijn overgebleven, in zekere zin als beelden in zijn hoofd met zich
meedraagt.
Deze beelden zijn in mijn geval, waar de verlichting van het inwendige
zenuwstelsel door stralen wordt geleverd, in staat tot een willekeurige
reproductie, waaruit juist de essentie van het afbeelden bestaat. Of
zoals ik
de gedachte vroeger in een andere vorm heb uitgedrukt:
"Het
afbeelden (in de betekenis van de zielentaal) is het bewuste gebruik
van de
menselijke verbeeldingskracht met het doel om beelden (en wel
overwegend
herinneringsbeelden) in het hoofd voort te brengen, die dan door
stralen worden
bekeken.”
Ik
ben in staat om van alle herinneringen uit mijn leven, van personen,
dieren en planten,
en verder van natuur- en gebruiksvoorwerpen van allerlei soort, door
een
levendige verbeelding beelden van de vormen met de werking, dat ze in
mijn
hoofd of naar gelang mijn bedoeling ook daarbuiten zichtbaar worden,
zowel voor
mijn eigen zenuwen, als voor de stralen die daarmee in verbinding
staan, op de
plaats waar ik wil dat de desbetreffende dingen worden waargenomen. Ik
kan dat
met weersverschijnselen en andere gebeurtenissen; ik kan het
bijvoorbeeld laten
bliksemen of laten regenen – een bijzonder werkzaam afbeelden, omdat
alle
weersverschijnselen en vooral de bliksem voor de stralen als uitingen
van de
goddelijke wonderkracht gelden; ik kan bijvoorbeeld een huis, beneden
het raam
van mijn woning, laten branden enz. enz., allemaal natuurlijk in mijn
verbeelding, maat toch zo, dat de stralen, volgens mij, de indruk
hebben, alsof
de desbetreffende voorwerpen en verschijnselen werkelijk zouden
bestaan. Ik kan
mijzelf op andere plaatsen dan waar ik mij werkelijk bevind, b.v. als
ik aan de
piano zit, tegelijkertijd “afbeelden” alsof ik in een vrouwelijke
opsmuk in de
aangrenzende kamer voor de spiegel sta; ik kan, wat ook om de in hfdst.
XIII
vermelde redenen heel belangrijk voor mij is, als ik ’s nachts in bed
lig,
mijzelf en de stralen de indruk geven, dat mijn lichaam met vrouwelijke
borsten
en vrouwelijke geslachtsdelen is uitgerust. Het afbeelden van een
vrouwelijk
achterwerk aan mijn lichaam – honny soit qui mal y pense – is voor mij
zo
gewoon geworden, dat ik het tijdens het bukken elke keer bijna
onwillekeurig
doe. Het “afbeelden” in de hiervoor ontwikkelde betekenis denk ik on
het
vervolg terecht in zekere zin een omgekeerd wonder te mogen noemen. Net
zoals
door stralen vooral in dromen bepaalde beelden, die men wil zien, op
mijn
zenuwstelsel worden geworpen, ben ik omgekeerd in staat om de stralen
mijnerzijds beelden te tonen, die de indruk geven, zoals ik wil dat het
gebeurt.
Iemand,
die niet alles heeft meegemaakt, wat ik heb moeten doormaken, kan zich
nauwelijks een beeld vormen, van de vele opzichten waarin het vermogen
van het
“afbeelden” voor mij belangrijk is geworden. In de eindeloze woestenij
van mijn
verder zo eentonige leven, tijdens de geestelijke martelingen, die mij
door het
onzinnige stemmengezwets werden verschaft, is het vaak, bijna elke dag
en elk
uur, een waarachtige troost en een waarachtige verkwikking voor mij
geweest.
Wat is het een grote vreugde voor mij geweest, om van al mijn
reisherinneringen
de indrukken van de landschappen weer aan mijn geestesoog voorbij te
kunnen
laten trekken en soms zelfs – bij een gunstig gedrag van de stralen –
in een zo
verrassende natuurgetrouwheid en kleurenpracht, dat ikzelf en ook de
stralen
bijna dezelfde indruk hadden, namelijk alsof de desbetreffende
landschappen
zich ook werkelijk bevonden op de plaats waar ik wilde dat ze werden
gezien.
Op
het moment, waarop ik deze regels schrijf, doe ik – gewoon als test –
een
poging om de gedaante van de Matterhorn aan de horizon te laten
verschijnen –
terwijl in werkelijkheid die prachtige berg zich in de buurt van
Dittersbach
bevindt – en overtuig mij ervan, dat het zowel met dichte ogen als met
open
ogen tot op zekere hoogte lukt. Op een gelijksoortige manier heb ik in
de loop
der jaren ontelbare keren de gedaanten “afgebeeld” van mij bekende
personen
terwijl ze mijn kamer binnenkwamen, in de tuin rondwandelden of waar ik
ook
maar wilde dat ze werden zien, of heb afbeeldingen, die ik ergens had
gezien,
vooral humoristische uit tijdschriften enz. in mijn nabijheid
belichaamd.
Tijdens slapeloze nachten heb ik mij vaak tegenover het wonderspook van
de
stralen in zekere mate gerevancheerd, doordat ik ook van mijn kant alle
mogelijke gedaanten, sombere en opgewekte, zinnenprikkelende of
angstaanjagende, liet opdraven in mijn slaapkamer of cel; het vermaak
dat mij
op die manier werd verschaft was een heel wezenlijk middel, om de
anders
nauwelijks draaglijke verveling te overwinnen. Het pianospelen placht
ik heel
vaak met passende afbeeldingen te begeleiden, vooral door tijdens het
spelen
uit pianobewerkingen, bij wijze van spreken, een hele opvoering van de
desbetreffende opera of afzonderlijke gedeelten daarvan uit te beelden,
doordat
ik het verloop van de handeling, de optredende personages, de
mise-en-scène
enz. voor mijn geestesoog – soms in een verrassende duidelijkheid –
liet
verschijnen. Omdat ik bij voorkeur met gewonderde vogels heb te maken,
schep ik
er niet zelden plezier in, om hen het beeld van hun eigen verschijning
op een
ietwat schertsende manier, van het soort dat zij door een kat worden
opgevreten,
in mijn hoofd te laten zien enz., enz. Natuurlijk is dat “afbeelden” op
de
manier waarop het is ontwikkeld, met een vrij aanzienlijke mate van
geestelijke
inspanning verbonden; het vereist daarom een op zijn minst vrij
behoorlijke
activiteit van mijn hoofd en een navenant goed humeur; zijn deze
voorwaarden
aanwezig, dan is het plezier dat daardoor wordt opgewekt, vooral bij
het zo
getrouw mogelijk lukken van de bedoelde beelden, af en toe echt groot.
Naast de
loutere bedoeling om te vermaken heeft echter het “afbeelden” voor mij
ook nog
een nauwelijks minder wezenlijke betekenis. Het zien van beelden werkt,
zoals
al in hfdst. XI is opgemerkt, reinigend op de stralen; zij gaan dan
zonder de
vernietigende felheid, die anders aan hen kleeft, bij mij naar binnen.
Juist
daarom probeert men ook in de regel de beelden die door mijn afbeelden
ontstaan
door passende tegenwonderen uit te wissen; intussen behaal ik ook
hierbij
meestal de overwinning, d.w.z. de door mij bedoelde beelden blijven bij
het
inschakelen van mijn vastberaden wil voor mijzelf en de stralen
zichtbaar,
hoewel zij daarbij vaak onduidelijker worden of slechts in een
verbleekte vorm
optreden. Bij het pianospelen ben ik niet zelden genoodzaakt om
gelijktijdig af
te beelden, omdat ik alleen maar op die manier een althans bij
benadering
correct spelen mogelijk kan maken, omdat door de gunst, die mij daarom
door de
stralen wordt verleend, de wonderen die anders optreden een zekere
inperking
ondergaan.
Als
een niet onbelangrijk bijverschijnsel van de denkdwang moet ik tot slot
nog
herinneren aan de omstandigheden, dat alle geluiden, die ik hoor,
vooral
geluiden van een bepaalde langere duur, zoals het ratelen van de
spoortreinen,
het ronken van de stoomveerpont, de muziek van eventuele concerten
enz., die
door de stemmen, de mijn hoofd ingesproken woorden, schijnen te
spreken, net
als de woorden, die ik in mijn gedachten zelfstandig formuleeren die
een
overeenkomstige zenuwtrilling hebben.
Het
gaat hier, in tegenstelling met het spreken van de zon en de gewonderde
vogels,
natuurlijk alleen maar om een subjectief gevoel; de klank van de
gesproken of
door mij ontwikkelde woorden slaat over op de door mij tegelijkertijd
ontvangen
gehoorindrukken van de spoortreinen, stoomveerpont, knarsende laarzen
enz.; het
komt niet bij mij op om te beweren dat de spoortreinen, het
stoomveerpont enz.
werkelijk spreken, zoals dat bij de zon en de vogels het geval is. Het
verschijnsel wordt echter juist door de stralen bijzonder lastig
gevonden,
omdat ze in de ver van de wereld verwijderde streken, die vroeger hun
verblijf
vormden, zoals al eerder (hfdst. VII) is vermeld, aan de heiligste rust
waren
gewend en door alle geluiden schrikachtig worden getroffen. De zin “als
die
vervloekte spoortreinen maar eens zouden ophouden met praten”, “als die
vervloekte stoomveerponten nou maar eens zouden ophouden met praten”
enz.
behoorden daarom lange tijd tot de geijkte uitdrukkingen. Natuurlijk
had het
gebruik van deze uitdrukkingen niet het minste daadwerkelijke
resultaat. Het idee
alsof men, om een of andere misstand uit de weg te ruimen, alleen maar
echt
vaak de wens om uit de weg te ruimen in woorden hoefde uit te drukken,
schijnt
echter toch al op de eigenaardigheid van het zielenkarakter te
berusten. Zo
word ik ook, als men mij b.v. een heet gezicht of koude voeten wondert,
voortdurend aangespoord om hardop te zeggen: “als die vervloekte hitte
maar zou
ophouden” of “als ik nou maar geen koude voeten zou hebben”, terwijl ik
als een
praktisch ingesteld iemand er vanzelfsprekend voor kies in plaats
daarvan mijn
gezicht met koud water te wassen of mijn voeten door te wrijven te
verwarmen.
De vraag of die eigenaardigheid van het zielenkarakter als een zwakheid
te
bestempelen is, moet met grote behoedzaamheid worden beantwoord: zielen
waren
nu eenmaal gezien hun bestaansvoorwaarden, die met de wereldorde
overeenstemden, alleen maar voor het genieten bestemd en niet zoals de
mens of
andere schepsels op aarde, tot handelen in het eigenlijke leven. Voor
mij zou
het praten van de spoortreinen en andere geluiden eigenlijk een
tamelijk
onbetekenend verschijnsel moeten zijn; het is alleen maar zo belangrijk
voor
mij geworden, toen het in mijn hand tot een niet te onderschatte
machtsmiddel
tegenover de gedachtevervalsingen van de stralen was geworden. Omdat
ik,
althans gedurende korte tijd, bij het inspannen van mijn wilskracht de
trillingen van mijn zenuwen naar believen kan bepalen, onder het op
afstand
houden van alle van buitenaf veroorzaakte trillingen, "beheers ik alle
geluiden," zoals de uitdrukking luidt, op zeker moment en ben dus in
staat, zolang de spoortreinen, stoomveerponten enz. voorbijvaren, de
stralen
bepaalde vormen van niets-denkengedachten af te dwingen en daarmee mijn
zenuwen
tijdelijk rust te verschaffen.
Hoofdstuk
18 - God en het scheppingsgebeuren; de oerverwekking; gewonderde
insecten.
"Kijkrichting". Onderzoeksysteem
Hoeveel
ik ook in de voorgaande hoofdstukken over goddelijke wonderen had te
vertellen,
dan is dat toch tot nu toe overwegend alleen maar gedaan in de speciale
richting, dat ik hun beschadigende werking op mijn lichaam en de
daardoor
veroorzaakte verzwaringen van de telkens door mij gekozen bezigheden,
moest
bespreken. Kennelijk gaat het hier om een volstrekt abnormale toestand,
die
alleen is ontstaan, omdat de wereldorde zelf in wezenlijke onderdelen
uit haar
voegen is gevallen. Eigenlijk is de doelbestemming van de goddelijke
stralen
niet het bestrijden van een enkel mens en een of ander
vernietigingswerk aan
zijn lichaam, maar het scheppen. Deze eigenlijke functie van de
stralen, de
scheppende wonderkracht van God, treedt ook nu nog steeds in vele
opzichten
herkenbaar voor mij aan het licht en daarom zal ik niet nalaten om mijn
ideeën,
die ik volgens mijn observaties, die daar betrekking op hebben,
daarover heb
gevormd. Ik waag mij daarbij echter aan de meest ingewikkelde materie,
waar de
menselijke geest zich ooit mee bezig heeft gehouden, en ik moet meteen
vooraf
benadrukken, dat ik mijzelf bevoegd acht tot een paar opmerkingen van
een
gebrekkige aforistische aard. Het eigenlijke scheppingsgeheim blijft
ook voor
mij hoofdzakelijk een boek met gesloten zegels; alleen vermoedens, die
ik
daarover koester, kunnen in het volgende worden weergegeven.
Zoals
al eerder is opgemerkt, geloof ik dat ik het wezen van het goddelijke
scheppen
kan beschrijven als een gedeeltelijke zichzelf opgeven van de stralen,
die
worden uitgezonden met de bewuste wil om allerlei dingen in de
buitenwereld
voort te brengen. God wil dat iets wordt en doordat hij stralen met die
wil uitzendt,
is het gewilde ook zondermeer aanwezig. Het is het gebeuren dat de
Bijbel op
een zo kenmerkende manier in woorden uitdrukt “God sprak: er zij licht,
en er
was licht,” de verdere samenhang onttrekt zich aan het menselijke
begrip.
Daarbij schijnt echter de goddelijke scheppingskracht niet helemaal
zonder
bepaalde beperkingen te zijn, niet helemaal het gebonden zijn aan
bepaalde
voorwaarden te missen, wat hoofdzakelijk gebaseerd zoud zijn op de
ruimtelijke
verhoudingen tot de hemellichamen, waarop de scheppende kracht moet
worden
ontvouwd, en vooral door de mate van toenadering.
Om
een voltooide mens voort te brengen – een scheppingsdaad, die, naar ik
denk te
mogen aannemen, een onheuglijke tijd geleden inderdaad ooit eens heeft
plaatsgevonden – is een, als ik het zo mag zeggen, ongewone
krachtsinspanning
nodig, een volstrekt uitzonderlijk naderen van het desbetreffende
hemellichaam,
wat, als een blijvende toestand beschouwd, misschien onverenigbaar zou
zijn
geweest met de eigen bestaansvoorwaarden van God of met de zorg voor
het hele
overige heelal.
Hetzelfde,
wat over de mens is gezegd, geldt natuurlijk ook voor elke hogere vorm
van het
dierenleven, die in tegenstelling tot de al aanwezige lagere vormen, op
dezelfde manier moet worden geschapen. Men zou zich ook kunnen
voorstellen, dat
het geheel van de schepping op een of ander hemellichaam niet, zoals
volgens de
Darwinistische opvatting, een tevoorschijn komen van nieuwe soorten is
geweest
door een geleidelijke verandering daarvan, maar het opeenvolgen van
afzonderlijke scheppingsdaden, waardoor telkens een nieuwe soort werd
geschapen, maar niet zonder herinnering aan de eerder aanwezige
soorten, die
als het ware als model hebben gediend. Iedere soort zou alleen maar in
een of
een paar individuen zijn geschapen, bij wie het geschenk van het
voortplantingsvermogen in zeker zin in de wieg was gelegd en die zich
daarom
onder gunstige omstandigheden tot een vrij groot aantal konden
vermeerderen.
Vanzelfsprekend moesten telkens bij het scheppen van een nieuwe soort
de
voorwaarden aanwezig zijn, waaronder zij zichzelf op den duur konden
handhaven;
de fysische toestanden van de desbetreffende hemellichamen
(temperatuur,
verdeling van lucht en water enz.) moesten al tot een geschikte graad
voortgeschreden zijn en er moest een toereikende populatie aan planten
en
lagere diervormen aanwezig zijn, die de hogere vormen tot voedsel
konden
dienen. De kroon op de hele schepping werd echter door de mens gevormd,
op
wiens schepping als een godgelijk en een zich na de dood weer in God
veranderend wezen (vergl. hfdst. I) het scheppingsplan van tevoren was
gericht.
Voor
een wetenschappelijke uitwerking van de kosmogonische opvatting, die ik
in het
voorgaande met slechts een paar grote streken heb aangeduid, mis ik
bijna alle
en elke vereisten. Het ontbreekt mij vrijwel geheel aan
wetenschappelijke
hulpmiddelen; het ontbreekt mij gedurende het grootste gedeelte van de
tijd,
die mij ter beschikking staat, aan een passende gezondheidstoestand,
omdat ik
als ik werk, voortdurend ben blootgesteld aan wonderen die mijn
gedachten
verstrooien of mijn hoofd op een andere manier beschadigen, waardoor
een
aanhoudende denkarbeid op een zo moeilijk terrein vaak tot een
onmogelijkheid
wordt gemaakt; misschien zou uiteindelijk ook een scherper verstand dan
het
mijne nodig zijn om de reuze-opgave op te lossen, die in een volkomen
wetenschappelijke motivering van deze opvatting zou liggen.
Ik
zal mij daarom in wezen in het volgende tevreden moeten stellen, met
het
vertellen van de waarnemingen, die mij naar de verkregen opvatting
hebben
geleid. Het doel van mijn streven kan alleen zover gaan, dat het de
lezer de
indruk geeft, dat hij niet louter met holle hersenspinsels van een arme
geesteszieke heeft te maken – op het ogenblik geld ik immers voor de
mensen als
zo iemand – maar met gebeurtenissen, die op grond van heel bijzondere
ervaringen, die voor de aard van andere mensen minder toegankelijk zijn
en die
door jarenlang zorgvuldig nadenken zijn verkregen, en die, als zij
misschien
ook nog niet in alle onderdelen de gehele waarheid zullen bevatten,
toch in
ieder geval de waarheid onvergelijkbaar dichter naderen, dan alles, wat
andere
mensen in de loop van duizenden jaren over dit onderwerp hebben gedacht
en
geschreven.
De
belangrijkste van de desbetreffende waarnemingen bestaat uit het feit,
dat ik
het rechtstreekse ontstaan (schepping) door goddelijke wonderen,
althans bij
lagere dieren, jarenlang heb meegemaakt en tegenwoordig nog elke dag en
elk uur
in mijn nabijheid meemaak. Ik ben daardoor tot de zekere overtuiging
gekomen,
dat er inderdaad een oerverwekking (ouderloze verwekking, generatio
aequivoca)
bestaat, maar niet in de zin, waarop de materialistische richting van
de
natuurwetenschap dat met deze uitdrukking doorgaans verbindt, dat
namelijk
niet-organische substanties door een of ander toeval zich met elkaar
verbinden
op een manier, waarbij een of ander georganiseerd (levend) wezen uit
die
verbinding tevoorschijn komt, maar in een hiervan volkomen
verschillende
betekenis, waarbij het bij het ontstaan van het desbetreffende wezen om
doelbewuste uitingen van de goddelijke wilskracht of scheppingskracht
gaat. De
dieren die hierbij worden geschapen, behoren naar gelang het verschil
van de
dagen en seizoenen tot verschillende geslachten; afgezien van de
spinnen, is er
meestal sprake van insecten van allerlei soorten, vooral vliegen,
muggen,
wespen, bijen, hommels, mieren, oorwormen, vlinders, nachtvlinders,
motten
enz., enz. Deze dieren verschijnen voortdurend in mijn nabijheid, bij
heel bepaalde
gelegenheden en in een heel bepaalde afwisseling en wel, zoals ik
gezien de
frequentie van de desbetreffende verschijningen niet in het minst meer
kan
betwijfelen, niet als eerder al aanwezig en toevallig naar mijn
nabijheid
gedreven, maar als telkens opnieuw geschapen wezens. Ik kan er b.v.
geheel
zeker op rekenen en daarom voorspellen, dat, als ik in de tuin op een
bank zit
en een slaap wordt veroorzaakt, omdat mijn ogen dan door wonderen
worden
dichtgedaan, tengevolge van de op dat moment in korte tijd ontstane
bundeling
van alle stralen, meteen een vlieg, wesp of hommel of ook een
muggenzwerm
verschijnt, om mij uit mijn slaap te houden. De desbetreffende wonderen
gaan
momenteel meestal nog van de lagere God (Ariman) uit; maar ik heb het
idee,
alsof dergelijke, betrekkelijk onschadelijke wonderen tegenwoordig ook
door de
hogere God (Ormuzd) worden uitgeoefend, omdat, zoals al eerder is
vermeld,
tengevolge van de gestaag toenemende zielenwellust ook zijn vijandige
houding
sterk is afgenomen.
Omdat
het dus geen wezens zijn die toevallig naar mij toe vliegen, maar voor
het
moment en ter wille van mij zijn geschapen, beschik ik over de meest
afdoende
en voor mij meest overtuigende bewijzen, in een gewoonweg overstelpende
hoeveelheid. Of ik dezelfde overtuiging ook andere mensen kan
bijbrengen, blijf
natuurlijk momenteel nog omstreden: ik ken daaraan dan ook niet de
grootste
waarde toe. Het is voorlopig geenszins mijn bedoeling om propaganda
voor mijn
geloof in wonderen en voor mijn ideeën over goddelijke zaken te maken;
ik
beperk mij er veeleer toe om mijn belevenissen en ervaringen op te
schrijven,
in de zekere verwachting, dat het totaalbeeld van de wonderbaarlijke
verschijnselen, die aan mij persoonlijk zijn te observeren en
waarschijnlijk in
de toekomst steeds duidelijker zullen optreden, het kennen van de
waarheid – al
zullen daar ook nog jaren overheen gaan – ook bij ander mensen vanzelf
baan zal
breken. Omdat ik echter nu eenmaal op de tegenwerping voorbereid moet
zijn, dat
het toch helemaal niets ongewoons is, dat op bepaalde tijden in de
kamer
vliegen en in de vrije lucht wespen rondvliegen enz., en dat het dus
gewoon een
ziekelijke inbeelding van mij is, om bij al die verschijnselen in
goddelijke
wonderen te geloven, die op een of andere manier betrekking op mij
hebben, wil
ik op zijn minst een paar van de meer belangrijke aanknopingspunten
aanvoeren,
die voor mij, tengevolge van de jarenlange herhaling van de
desbetreffende
verschijnselen, de tegenovergestelde overtuiging tot een onomstotelijke
zekerheid
maken. Telkens als een insect van de vermelde soorten verschijnt, wordt
namelijk ook gelijktijdig het wonder van de blikrichting aan mijn ogen
uitgeoefend; dat is een wonder dat ik tot nu toe niet heb vermeld, maar
wat al
jaren bij de meest verschillende gelegenheden heel regelmatig in scène
wordt
gezet. Stralen willen juist doorlopend zien wat hen bevalt, en dat zijn
bij
voorkeur óf vrouwelijke wezens, waardoor hun wellustgevoel wordt
geprikkeld, of
hun eigen wonderen, waarvan de aanblik hen, volgens wat hierover al in
hfdst. I
is opgemerkt, plezier verschaft bij dingen die door henzelf zijn
geschapen. Men
geeft dus mijn ogen door een passende invloed op mijn oogspieren de
richting,
waarmee mijn blik op de net geschapen dingen (in andere gevallen op een
vrouwelijk wezen) moet vallen.
Over
de objectiviteit van dit gebeuren koester ik na de duizendvoudige
herhaling
ervan niet de minste twijfel, omdat ik uit eigen drang zeker niet het
minste
verlangen zou hebben om elke vlieg, elke wesp en elke vlinder enz., die
toevallig in mijn buurt verschijnt, een bijzondere aandacht te
schenken. Dat ik
mij ervan bewust moet worden, of mijn ogen op de aangegeven manier naar
een of
ander voor mij eigenlijk onbelangrijk voorwerp bij wijze van spreken
worden
gedraaid of dat ik dat vrijwillig op een voor mij interessant punt in
mijn
omgeving richt, zal men wel geloofwaardig vinden. Daarbij komt echter
nog, dat
de stemmen die met mij praten de desbetreffende verschijnselen telkens
tot
onderwerp van een aan hen zelf gewijd vermaak maken. Dat gebeurt op
verschillende manieren, óf doordat men mijn zenuwen bedrieglijk
blootstelt aan
angst- of wensgedachten, b.v. als die vervloekte vliegen nou maar op
zouden
houden, als die vervloekte wespen nou maar op zouden houden enz., óf
doordat
men daarmee een onderzoekdoeleinde nastreeft, dat anders ook bij elke
gelegenheid optreedt. God kan zich nu eenmaal, volgens wat hierover al
in
hfdst. III is opgemerkt, niet losmaken van het idee, dat op elk gegeven
moment,
zodra bij mij het niets-denken begint, d.w.z. als er geen in woorden
geformuleerde gedachten uit mijn zenuwen opklinken, bij mij de toestand
van een
volledige verdomming (de “waanzin”) is opgetreden; hij heeft echter
desondanks
nog steeds de wens om zich ervan te vergewissen, of deze
veronderstelling ook
werkelijk klopt en of daarmee het gehoopte tijdstip is gekomen, waarop
een
definitieve terugtrekking van de stralen mogelijk zou worden.
De
vorm van het onderzoek is hoogst merkwaardig en nauwelijks begrijpelijk
voor
iemand, die met de menselijke natuur vertrouwd is. Men laat de personen
en wel
de gekken uit mijn omgeving, bij wie men de zenuwen daartoe prikkelt,
bepaalde
woorden uitspreken, met een voorkeur voor enige geleerde brokstukken
(die zo
mogelijk bij vreemde talen behoren), die hen uit eerder verkregen
kennis nog
ter beschikking staan, en legt zich bij wijze van spreken op mijn oor,
terwijl
men de woorden mijn zenuwen inspreekt: “neem op” (scilicet in het
bewustzijn of
inzicht); dus om een voorbeeld te gebruiken, wordt door een of ander
gek zonder
enige onderling verband de woorden “rationalisme” en
“sociaaldemocratie”
uitgestoten en tegelijkertijd wordt met de door de stemmen uitgesproken
woorden
“neem op” bij mij aangeklopt, om te kijken of voor de begrippen
“rationalisme” en
“sociaaldemocratie” bij mij nog begrip aanwezig is, d.w.z. of ik nog
weet wat
die woorden betekenen.
Het
idee van een verdomming, die telkens bij mij zou optreden, is zo
hardnekkig en
de mate van de domheid die bij mij wordt verondersteld zo groot, dat
men zich
dag in dag uit opnieuw afvraagt, of ik de personen in mijn omgeving nog
ken, of
ik van de dagelijkse natuurverschijnselen, kunst- en
gebruiksvoorwerpen, en
andere gebeurtenissen nog een idee heb, ja zelfs of ik eigenlijk nog
wel weet,
wie ikzelf ben of ben geweest. Om verder nog een voorbeeld aan te
halen,
klinken de woorden “neem op” die voor het onderzoekdoel dienen, al naar
gelang
de aanwijzing die de kijkrichting oplevert over de desbetreffende
verschijnselen of voorwerpen, in mijn zenuwen zelf, daarom zo dat ik
moet
aanhoren “de geheimraad – neem op,” “het hoofd (hoofdverpleger) – neem
op,”
“gebraden varkensvlees – neem op,” “spoorweg – neem op,” maar vooral
ook “dat
moet dan senaatspresident zijn geweest – neem op” enz., enz. Dat
gebeurt al jaren,
dag na dag en uur na uur in een duizendvoudige herhaling. Incredibile
scriptu,
zou ik daar zelf aan willen toevoegen, en toch is het allemaal echt
waar, hoe
weinig andere mensen ook de gedachte zullen kunnen bevatten van een zo
totaal
onvermogen van God om levende mensen juist te beoordelen, en hoe veel
tijd ik
ook zelf nodig heb gehad om te wennen aan deze gedachte, gezien de
ontelbare
observaties die ik hiervan heb gedaan.
Een
dergelijke manier van onderzoek wordt dus ook bij het verschijnen van
de gewonderde
insecten toegepast. In het huidige seizoen (begin september) zijn
bijvoorbeeld
tijdens mijn wandelingen in de tuin de vlinders bijzonder talrijk.
Bijna zonder
uitzondering richt daarom bij het verschijnen van een vlinder op de
eerste
plaats de kijkrichting zich op het desbetreffende, kennelijk zojuist
pas
geschapen wezen en klinken op de tweede plaats in mijn zenuwen de
woorden, die
daarin door de stemmen naar binnen zijn gesproken “vlinder – neem op,”
d.w.z.
dat men het voor mogelijk heeft gehouden, dat ik niet meer weet wat een
vlinder
is en men informeert dus min of meer bij mij, of het begrip “vlinder”
nog
toegang tot mijn bewustzijn vindt.
Ik
zou denken, dat de voorgaande opmerkingen zelfs bij de meest nuchtere
lezer de
indruk moeten wekken, dat er toch heel merkwaardige dingen met mij
gebeuren.
Men zou er misschien aan kunnen twijfelen of ik de waarheid kan en wil
zeggen,
d.w.z. of ik soms tot overdrijvingen ben geneigd of slachtoffer ben van
een of
andere zinsbegoocheling. Ik durf daarentegen over mijzelf beweren, dat
– verder
mag men over mijn geestelijke vermogens denken wat men wil – ik op twee
eigenschappen absoluut aanspraak maak, namelijk ten eerst een
onverbrekelijke
waarheidsliefde en ten tweede een meer dan gebruikelijke scherpte van
waarnemingsvermogen, en dat het aanwezig zijn van deze beide
eigenschappen door
niemand, die mij in mijn gezonde dagen heeft gekend of die nu getuige
wil zijn
van mij hele doen en laten, in twijfel zal worden getrokken.
Wat
betreft de gewonderde lagere dieren (insecten enz.) heb ik hierboven al
benadrukt, dat daarbij een bepaald onderscheid kan worden waargenomen
naar
gelang de verschillende seizoenen en jaargetijden.
Ook
God kan niet op een willekeurig tijdstip al het mogelijke scheppen. De
mate van
zijn scheppingskracht is veel meer – bepalend voor het ontstaan van de
jaargetijden en seizoenen – afhankelijk van de verhoudingen tussen de
zon en de
aarde, en naar het mij lijkt, zelfs van de weersomstandigheden van het
moment.
Daarbij moet men bedenken, dat, volgens de ideeën die ik al eerder
(hfdst. I en
VII) heb ontwikkeld, de zon eigenlijk niet moet worden beschouwd als
een
vreemde machtsfactor voor God, maar in zekere zin met God zelf moet
worden
geïdentificeerd, d.w.z. dat het het werktuig van zijn scheppende
wonderkracht
vormt, dat het dichtst bij de aarde is gelegen. Met andere woorden: God
kan
telkens alleen maar datgene scheppen, waartoe hij zichzelf in staat
heeft
gesteld, volgens de eenmaal ingestelde ruimtelijke betrekkingen tussen
zichzelf
en de desbetreffende hemellichamen en de daardoor veroorzaakte licht-
en
warmte-uitstraling. Daardoor verschijnen vlinders alleen maar overdag,
wespen,
bijen en hommels bij voorkeur op hele warme dagen, nachtvlinders,
muggen en
motten daarentegen ’s avonds, waarbij ze bovendien – zoals ook anders –
door
het lichtschijnsel van de lamp worden aangetrokken.
Of
en in hoeverre bij de in hfdst. XV besproken gewonderde (sprekende)
vogels
hetzelfde opgaat, is een vraag die moeilijk is te beantwoorden. Ik heb
in het
vermelde hoofdstuk al opgemerkt, dat ook de sprekende vogels telkens
tot de
vogelsoorten behoren, waarin ze verder naar de verschillende
jaargetijden
doorgaans bij ons verschijnen. Een wezenlijk onderscheid bestaat echter
in
zoverre, dat in de sprekende vogels, zoals ik op grond van de reeds
eerder
gegeven redenen moet aannemen, restanten van overleden mensenzielen
zitten, wat
bij de gewonderde insecten niet het geval is. De klank van de stemmen
die mijn
hoofd in worden gesproken slaat echter, als een wesp of een vlieg
geruime tijd
in mijn buurt gonst, over op het gezoem van de genoemde dieren, zodat
ze ook
lijken te praten. Dat is echter, net als bij de overige, aan het einde
van
hfdst. XVII vermelde geluiden (spoortreinen, stoomveerponten enz.)
ongetwijfeld
een subjectief gevoel. Daarentegen treedt bij de gewonderde insecten
weer een
andere interessante factor aan het licht, dat een bijkomend bewijs
bevat van
mijn veronderstelling, dat het om een pas geschapen wezen gaat. Naar
gelang de
stemming, waarmee God jegens mij is vervuld, komen namelijk in een
geheel
regelmatige afwisseling meer lastige of minder lastige wezens
tevoorschijn. De
stemming wordt echter, zoals eveneens al eerder is uiteengezet, bepaald
door de
mate van de telkens aanwezige zielenwellust en de grootte van de
afstand,
waarop God zich heeft teruggetrokken; hoe verder hij zich heeft
verwijderd en
hoe geringer de zielenwellust is, des te onvriendelijker hij mij
tegemoet
treedt. De perioden van vriendelijke en onvriendelijke stemming
wisselen elkaar
elke dag vaak af in een snelle volgorde. In het laatste geval
verschijnen
derhalve b.v. ’s nachts oorwormen, spinnen en dergelijke, overdag
wespen,
hommels enz., met andere woorden dieren, wier nabijheid bijzonder
storend,
afschuwelijk of ook – door steken – pijnverwekkend op mensen werkt, in
het
eerst geval echter vliegen, motten, vlinders enz., die door mij
nauwelijks als
een noemenswaardige belasting worden ervaren.
In
verband met wat hierboven is besproken, moet ik het tot slot nog hebben
over
het zogenaamde “schrikwonder”, als een verschijnsel, dat vermoedelijk
eveneens
in verband staat met de scheppende wonderkracht van God.
“Schrikwonderen” – de
uitdrukking is niet van mij, maar van de stemmen afkomstig, en is
ontleend aan
de werking, die daar althans oorspronkelijk mee werd bedoeld – worden
al
jarenlang in de meest verschillende vormen in mijn buurt uitgeoefend.
In
de voorbije jaren verschenen af en toe, terwijl ik in bed lag – niet in
slapende, maar in wakende toestand – allerlei zonderlinge, ik zou
willen zeggen
tamelijk grote lintwormachtige gedaanten in de directe nabijheid van
mijn bed,
bij benadering zo groot als mijn bed en zo dichtbij, dat ik ze bijna
met mijn
handen kon vastpakken. De “zwarte beren” behoren waarschijnlijk ook tot
de categorie
van “schrikwonderen”, in ieder geval de “witte beren”, die ik, gezien
wat in
hfdst. VI is opgemerkt, ten tijde van mijn verblijf in Flechsigs
kliniek, vaker
heb gezien. Schrikwonderen in de gedaante van plotseling opduikende
zwarte
schaduwen verschijnen als jarenlang en verschijnen ook nu nog
dagelijks, dag en
nacht, terwijl ik op de gang rondloop of pianospeel enz. in mijn
onmiddellijke
nabijheid, en nemen af en toe de vorm van een menselijke gedaante aan.
Ik kan
zelfs de schrikwonderen of iets soortgelijks willekeurig uitlokken, als
ik mijn
hand voor een wit vlak houd, zoals de witgeverfde kamerdeur of de van
wit
glazuur voorziene kachel, omdat er dan heel eigenaardige
schaduwvervormingen
zichtbaar worden, die kennelijk worden opgewekt door een heel
bijzondere
verandering van de lichtstraling, die van de zon uitgaat. Dat het bij
al deze
verschijnselen niet louter om subjectieve ervaringen (“gezichtsbedrog”
in de
betekenis van de psychiatrie van Kraepelin, bldz. 110) gaat, staat voor
mij
vast, omdat elke keer bij het optreden van een schrikwonder mijn
aandacht door
middel van de kijkrichting (verdraaien van de ogen) daar nog apart
naartoe
wordt gestuurd. Dat gebeurt vooral ook bij het pianospelen, waarbij
mijn
gedachten volgens mijn eigen wilsbestemming zeker meer bij de
gezichtsindruk
van de noten of het gevoel dat wordt opgewekt door de schoonheid van de
muziek
zou blijven verwijlen, en waarbij dan opeens mijn ogen zo worden
omgedraaid,
dat mijn blik moet vallen op een schaduwbeeld op de deur of een ander
in mijn
nabijheid opgewekt schaduwbeeld. Ik heb het vermoeden – natuurlijk kan
hierbij
alleen van een vermoeden sprake zijn – dat de “schrikwonderen”misschien
als het
eerste begin van het goddelijke scheppen moeten worden beschouwd, die
onder
bepaalde omstandigheden geschikt waren om zich te verdichten tot
“vluchtig in
elkaar geflanste mannen” of andere blijvende schepsels. Natuurlijk is
bij mij
de angstaanjagende werking, door jarenlange gewenning, al lang verloren
gegaan;
ik voel het tegenwoordig hoogstens nog als een belasting, als van mijn
aandacht
op de aangegeven manier opeens een andere richting wordt gevergd, dan
het
kijken naar voorwerpen, die mij op dat moment werkelijk interesseren.
In
het volgende hoofdstuk zullen nog een paar andere punten worden
belicht,
aangaande de natuur van God en het wezen van het goddelijke scheppen.
Hoofdstuk
19 – Vervolg van het voorgaande. Goddelijke almacht en menselijke vrije
wil
Nu
ik in het vorige hoofdstuk tot uitdrukking heb gebracht, dat een
oerverwekking (ouderloze
verwekking) inderdaad plaatsvindt en als bewijs van de verkregen
overtuiging
mijn waarnemingen met betrekking tot de gewonderde insecten heb
meegedeeld, dan
behoeft die desbetreffende bewering een zekere begrenzing, om tegen een
abusievelijke opvatting te zijn gewaarborgd. Ik kan deze begrenzing
misschien
het beste uitdrukken in de zin: er bestaat weer een oerverwekking op
onze
aarde, sinds toestanden die tegen de wereldorde indruisen zijn
opgetreden,
terwijl voordien waarschijnlijk vele duizenden jaren geen sprake meer
is
geweest van een oerverwekking op ons hemellichaam. “Oerverwekking” is
echter in
wezen niets anders dan een letterlijke betekenis voor wat ik, - in
overeenstemming met de taal van de bijbel en andere bronnen van
religieuze overlevering
– een scheppen door goddelijke wonderen heb genoemd.
De
door mij verkregen grondgedachten over de verhouding tussen God en het
scheppingswerk houdt dus in dat God het uitoefenen van zijn
wonderkracht op
onze aarde – vermoedelijk net als op elk ander hemellichaam, dat
hetzelfde
ontwikkelingspeil heeft bereikt – slechts zolang voortzette, tot het
doel van
het scheppingswerk werd bereikt met het scheppen van de mens. Vanaf dat
moment
liet hij de geschapen organische wereld in zekere zin aan zichzelf
over,
waarbij hij hoogstens soms nog in uitzonderingsgevallen af en toe met
een
wonder ingreep (vergl. hfdst. I). Voor de rest richtte hij zijn
bezigheden
alleen nog maar op andere hemellichamen en op het naar de zaligheid
omhoogtrekken van de zielen van gestorven mensen; zelf trok hij zich op
een
enorme afstand terug.
Het
kan niet mijn bedoeling zijn om een wetenschappelijk bewijs van deze
grondgedachte te leveren; ik ben niet van plan om een wetenschappelijk
werk te
schrijven over de ontwikkelingsgeschiedenis van het heelal, maar ik
breng
alleen verslag uit over wat ik heb beleefd en heb ervaren, terwijl ik
daarbij
tegelijkertijd de conclusies aanduid, die daaruit misschien getrokken
kunnen
worden, gezien de hoeveelheid kennis, die ik tot nu toe heb verkregen.
Het
bewijs van mijn grondgedachte verwacht ik hoofdzakelijk van de
ontwikkeling van
mij eigen lotgevallen, voor zover op grond daarvan ongetwijfeld een
moment zal
komen, waarop ook andere mensen zich niet meer kunnen onttrekken aan
erkennen
van het feit, dat mijn persoon het middelpunt van goddelijke wonderen
is
geworden. De wetenschappelijke onderbouwing van de conclusies, die door
mij
alleen maar zijn aangeduid en de misschien noodzakelijke correctie
daarvan in
sommige details, moet ik dan aan andere mensen overlaten. Met die
bedoeling
richt ik mij op het vervolg van het aangesneden thema.
Ik
neem dus aan, dat het gehele scheppingswerk op een hemellichaam heeft
bestaan
uit een opeenvolging van afzonderlijke scheppingsdaden, waarbij over
het
algemeen een voorzetting van lagere vormen van organisch leven naar
hogere
vormen is te merken. De laatste gedachte is zoals bekend niets nieuws,
maar
zijn min of meer gemeengoed van iedereen, die zich de laatste tijd
heeft
beziggehouden met gebeurtenissen, die betrekking hebben op de
ontwikkelingsgeschiedenis. De strijdvraag is alleen of men bij dit
voortschrijden het werkzaam zijn van een blind toeval moet aannemen,
dat er op
een merkwaardige manier toe leidt, dat er steeds volmaaktere dingen
ontstaan,
of dat men een “intelligente oorzaak” (God) moet erkennen, die
doelbewust naar
het ontstaan van hogere vormen toewerkt. De aanwezigheid van een zekere
“doelgerichtheid” (Du Prel), moet zelfs worden toegegeven door
onderzoekers,
die verder de neiging hebben om de “hardnekkigheid van deïstische
ideeën”
alleen maar te verklaren uit de zwakheid van het denken, dat bij het
merendeel
van de mensen bestaat. Voor mijzelf is, gezien het geheel van het
huidige werk,
het bestaan van een levende God een directe zekerheid geworden. Ik kan
daarom
proberen om de verhouding tussen God en de geschapen wereld in het
licht van de
bovenzinnelijke indrukken, die mij ten deel zijn gevallen, aan een hele
nieuwe
benaderingswijze te onderwerpen.
Zoals
al in hfdst. I is opgemerkt, sta ik tegenover de vraag, of ook de
hemellichamen
zelf door God zijn geschapen, in wezen net zo onwetend als alle andere
mensen;
ik moet daarom de mogelijkheid accepteren, dat de nevelhypothese van
Kant-Laplace juist is. Wat betreft de organische wereld lijkt mij,
alsof men
genoodzaakt is om bij het scheppingsgebeuren een zeer wezenlijk
onderscheid aan
te nemen ten opzichte van de plantenwereld enerzijds en ten opzichte
van de
dierenwereld anderzijds. Men kan zich immers best voorstellen, dat
minimale
deeltjes van goddelijke zenuwen (stralen) bij de verandering die bij
hen wordt
aangericht door de scheppingsdaad, mogelijk de vorm van dierenzielen
aannemen,
die toch, hoe laag ze verder ook mogen staan, in ieder geval die ene
eigenschap
van het zelfbewustzijn gemeen hebben met de goddelijke stralen. Alleen
is het,
althans voor mensen, nauwelijks te vatten, dat goddelijke stralen in
planten
zouden overgaan, die, al zijn ze in zekere zin ook levend, toch wezens
zijn die
het zelfbewustzijn missen. Misschien moet men ook aan de mogelijkheid
denken,
dat voor het scheppen van de plantenwereld louter de weerkaatsing van
de
stralenverdeling, die door middel van het zonlicht op de aarde valt,
onder
bepaalde voorwaarden voldoende is, zodat misschien een nadering van
God, die
plaats vindt met het oogmerk om op Venus een georganiseerde
dierenwereld te
scheppen, tegelijkertijd kan bewerkstelligen dat op de destijds nog
minder
ontwikkelde aarde in ieder geval een plantenwereld in het leven werd
geroepen.
Ik beschik echter niet over een of andere goddelijke ingeving voor
beschouwingen van het voorafgaande soort; daarom zou ik misschien
verdwalen in
onvruchtbare bespiegelingen, waarbij elke natuurwetenschappelijk
gevormde
onderzoeker, als ik de draad van deze beschouwingen nog verder wil
uitspinnen, mij
het overtuigende bewijs zou kunnen leveren van voor de handliggende
vergissingen. Een zeer veel zekerder houvast heb ik echter voor de
veronderstelling, dat het vermogen om zich te veranderen in dieren van
allerlei
soort en in laatste instantie in mensen, een eigenschap is die de
goddelijk
stralen in de kiem bevatten.
Daarvoor
staan mij verschillende bijzonder merkwaardige ervaringen en
waarnemingen ter
beschikking. In de eerste plaats moet worden vermeld, dat de stralen
(zenuwen)
van de hogere God, als zij tengevolge van de aantrekkingskracht als het
ware
omlaag naar mij toe werden geslingerd, gedurende een lange tijd en in
een
bijzonder groot aantal gevallen in mijn hoofd het beeld van een
menselijke
gedaante vertoonden. Door een gelukkig toeval ben ik hier in staat om,
in
plaats van een woordelijke beschrijving, naar een werkelijk bestaande
afbeelding te kunnen verwijzen, die verrassend veel lijkt op het beeld
dat ik
vaak in mijn hoofd heb gezien. In deel 5 van de “Moderne Kunst”
(Berlijn, uitgeverij
Richard Bong) bevindt zich een afbeelding van een schilderij van
Pradilla “de
Liefdesdans”; in de linkerbovenhoek is een vrouwelijke gedaante
zichtbaar, die
met vooruitgestrekte armen en gevouwen handen van bovenaf naar beneden
daalt.
Men hoeft deze gedaante alleen maar in een mannelijke te veranderen, om
een
vrij nauwkeurig beeld te hebben van de verschijning, waarin de zenuwen
van de
hogere God - zoals al in zeer talrijke gevallen is vermeld – er
uitzagen bij
het neerdalen in mijn hoofd. Hoofd, borst en armen waren duidelijk van
elkaar
te onderscheiden; de laatsten werden daarbij zijdelings heen er weer
bewogen,
alsof bij wijze van spreken de desbetreffende zenuwen zich een weg
wilden banen
tegen een hindernis, die was opgeworpen tegen hun toenadering – die
destijds
door de door Flechsigs ziel geconstrueerde bespanning van het
hemelgewelf met
zenuwen, vergl. hfdst. VIII – Niet minder geven de stralen van de
lagere God
(Ariman) in mijn hoofd heel vaak het beeld van een menselijk gelaat en
wel op de
manier, dat (zodra er zielenwellust aanwezig is) de desbetreffende
persoon met
zijn tong lijkt te likken, net zoals mensen af en toe wel plegen te
doen, als
iets hen bijzonder goed smaakt, met andere woorden, als zij onder de
indruk
zijn van een zinnelijk behagen.
Verder
moet ik in dit verband nogmaals terugkomen op het in de voorgaande
hoofdstukken
(hfdst. VI, XI) meermaals vermelde verschijnsel van de “mannetjes”. Als
ik
daarna in een bijzonder groot aantal gevallen moet constateren, dat
zielen
(stralen) onder bepaalde voorwaarden in de gedaante van
miniatuurmensjes in
mijn hoofd of op een of ander lichaamsdeel optraden, lijkt mij de
veronderstelling zeer voor de hand te liggen, dat het vermogen om zich
onder
bepaalde omstandigheden in een mensengedaante te veranderen of mens te
worden,
beschouwd moet worden als een potentie, die in het diepste wezen van de
stralen
ligt. Ook valt vanuit dit standpunt een heel nieuw licht op de bekende
bijbelspreuk: “Hij schiep hem naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep
hij hem.”
Het krijgt er de schijn van, alsof aan deze bijbelspreuk een zekere
letterlijke
betekenis moet worden toegeschreven, die mensen daaraan tot nu toe
nauwelijks
hebben durven toekennen.
De
mens was dus vermoedelijk het hoogste, wat God hoegenaamd kon scheppen.
Alle
andere geschapen wezens vormden slechts een eindeloze keten van
voorbereidingen, waarmee God het laatste doel voor ogen had, het
scheppen van
de mens. Louter mensen scheppen, zou vanzelfsprekend waanzin zijn
geweest,
omdat de mens om zich in stand te houden, gebonden is aan de
aanwezigheid van
talrijke lagere diervormen, die hem deels tot voedsel en deels voor
andere
doeleinden dienen. Het vermogen om, als het hogere, mensen te scheppen,
hield
echter in als het mindere, het vermogen om lagere diervormen te
scheppen. De
mens kon dus pas worden geschapen, toen de grond voor zijn verschijnen
was
voorbereid. In de lange reek van diervormen, die voor hem werden
geschapen, is
een steeds grotere benadering van de bouw van de mens niet te merken.
Met
het scheppen van elke afzonderlijke soort was waarschijnlijk voor God
het
scheppingswerk wat betreft deze soort, het scheppen van de mens, het
hele
scheppingswerk klaar. Elke afzonderlijke soort was door de eerder
geschapen
bestaansvoorwaarden, door het voortplantingsvermogen en door het
voortduren van
de zonnewarmte, de mogelijkheid tot zelfhandhaving gegeven. In welke
mate dat
lukte bij de afzonderlijke soorten en in het verdere vervolg bij de
individuen
die daartoe behoren, bleef overgelaten aan het weerstandsvermogen van
de
soorten en de vaardigheid van de individuen, maar was niet meer
onderhevig aan
de rechtstreekse invloed van God.
Aan
wat hierboven is uiteengezet wil nog een paar opmerkingen toevoegen,
die ik op
eerdere plaatsen heb achtergehouden (hfdst. XIII), over de verhouding
van de
goddelijke almacht en alwetendheid ten opzichte van de menselijke vrije
wil. De
vraag of God de toekomst kent en op welke manier een bevestigend
antwoord op
deze vraag verenigbaar is met de ongetwijfeld bestaande vrije wil,
heeft de
mensen van oudsher bezig gehouden. Om een juist standpunt te krijgen,
moet men
zich realiseren, dat er voor God in zekere zin geen verleden of
toekomst
bestaat: voor zichzelf heeft God van een komende tijd noch een
bijzonder geluk,
noch ongunstige lotgevallen te verwachten; hij blijft zichzelf ten alle
tijden
gelijk; dat is eigen aan het begrip eeuwigheid, Wordt echter de vraag
zo
gesteld, of God de toekomst kan kennen van de wezens die door hem zijn
geschapen – soorten en individuen – dan kan deze vraag het best aan de
hand van
voorbeelden worden verduidelijkt. Ik werp daarom de vraag op: bestaat
er een
goddelijke alwetendheid met betrekking tot de toekomst in de zin, dat
God ook
vooruit kan weten:
1)
Hoe oud elk van de vele op aarde levende mensen kan worden?
2)
Of en welke muggen het een spin lukt te vangen binnen een bepaalde
periode in
het web, dat hij heeft gesponnen?
3)
Op welk van de honderdduizenden lotnummers in een loterij, de
hoofdprijs zal
vallen?
4)
Onder welke voorwaarden in de oorlog die op dit moment door Japan en de
Europese grootmachten tegen China wordt gevoerd, te eniger tijd vrede
wordt
gesloten?
Ik
denk dat ik met de keuze van de genoemde voorbeelden vrij precies de
toon heb
geraakt, waarop naar ik weet, de scholastieke filosofie van de
middeleeuwen de
vraag over de predestinatie en de daarmee samenhangende vragen
daadwerkelijk
eeuwenlang heeft behandeld. Men hoeft de bovengenoemde vragen eigenlijk
alleen
maar op te werpen om de absurditeit te beseffen, die in een bevestigend
antwoord zou liggen. In alle gekozen voorbeelden gaat het om vragen,
die voor
de desbetreffende individuen, c.q. volkeren, deels van het
allergrootste
belang, deels gewoonweg levensvragen zijn; voor God zijn ze in zekere
zin
allemaal even onbeduidend. God heeft alle soorten die door hem zijn
geschapen
(en daardoor indirect ook de afzonderlijke individuen, die daartoe
behoren)
uitgerust met de vereisten die nodig zijn voor hun zelfhandhaving; in
hoeverre
zij met die vereisten hun voordeel doen en welke resultaten zij daarmee
bereiken, wordt aan de desbetreffende wezens overgelaten, en kan daarom
door
God niet van tevoren worden geweten. Daarmee is vanzelfsprekend niet
uitgesloten, dat God meer belangstelling heeft voor de hogere
levensvormen die door
hem zijn geschapen, dus vooral de instandhouding van het mensengeslacht
als
geheel of afzonderlijke gedeelten daarvan en daarom in geschikte
gevallen bij
uitzondering ook achteraf nog met wonderen ingrijpt. Ook in deze
gevallen wordt
het echter niet aannemelijk, dat blijvende resultaten al gewaarborgd
zijn door
de aangewende goddelijke machtsmiddelen alleen.
Alles
wat ik tot nu toe in dit hoofdstuk uiteengezet heb, betreft toestanden
die met
de wereldorde in overeenstemming zijn. Naar aanleiding van mijn geval
heeft
zich in de desbetreffende verhoudingen een ingrijpende verandering
voltrokken,
waarvan ik de draagwijdte nog niet helemaal kan overzien. Doordat God
genoodzaakt is om dichter naar de aarde toe te trekken en blijvend in
een
(betrekkelijke) nabijheid daarvan te blijven, is de aarde – misschien
met
veronachtzaming van andere hemellichamen en in ieder geval met het
staken van
het opnieuw instellen van zaligheden – weer tot een voortdurend toneel
van
goddelijke wonderen geworden. In een toestand van volledige passiviteit
volharden is, naar het schijnt, voor stralen onmogelijk; het scheppen
(wonderen) ligt nu eenmaal in hun aard; omdat het vervullen van hun
taak,
waartoe zij in overeenstemming met de wereldorde zijn verplicht,
althans
voorlopig tot een onmogelijkheid is geworden, richt de wonderkracht
zich op
andere dingen, waarbij echter meestal alleen maar zinloze uitingen van
kracht
aan het licht treden, die blijvende resultaten missen.
In
eerste instantie wordt er gewonderd aan mij persoonlijk en aan alle
voorwerpen,
waar ik mij mee bezighoud; alle levensuitingen van mensen die zich in
mijn
buurt bevinden worden gewonderd, doordat hun zenuwen door de invloed
van
stralen in beweging worden gezet om te praten, voor het uitoefenen van
alle
natuurlijke functies, om te hoesten, te niezen, zelfs te winden en te
ontlasten
enz.; er wordt ook gewonderd aan levende dieren in mijn omgeving,
doordat,
zoals voor mij onbetwistbaar is geworden door de observaties die ik
daarvan heb
verricht, b.v. ook het hinniken van paarden, het blaffen van honden
enz. wordt
opgeroepen door een overeenkomstige inwerking op de zenuwen van die
dieren. Tot
slot wordt er ook gewonderd door het nieuw scheppen van lagere dieren
(de in
het vorige hoofdstuk genoemde insecten enz.). – Eigenlijk allemaal
zinloos,
omdat de levende dieren en mensen het vermogen tot de desbetreffende
levensuitingen ook zonder dat al zouden bezitten, en de nieuw geschapen
insecten tot soorten behoren, die toch al in talrijke exemplaren
aanwezig zijn
en het er hierbij dus niet gaat om nieuwe soorten in het leven te
roepen.
Het
bezig zijn van de wonderkracht komt daarom ten aanzien van mij in alle
facetten
neer op zinloze kwellerij, ten aanzien van andere mensen en dieren op
nietszeggende spelletjes. Voor God is de afgeschilderde toestand –
zoals al
eerder is opgemerkt – eveneens met misstoestanden verweven, omdat de
telkens
maar kortdurende vreugde over de nieuwgeschapen dingen worden afgelost,
waarbij
de godszenuwen die tengevolge van de aantrekkingskracht van het geheel
zijn
losgemaakt, “help”roepend naar mij afdalen. Of en hoe het mogelijk zal
zijn om
deze, voor alle partijen, onverkwikkelijke toestanden ooit weer in
normale
banen te leiden, die met de wereldorde overeenstemmen, kan ik uit de
aard der
zaak alleen maar vermoedens koesteren, waarover ik misschien aan het
eind van
dit werk nog in een paar beschouwingen zal uitweiden.
Hoofdstuk
20 - Egocentrische opvatting van de stralen met betrekking tot mijn
persoon.
Verdere invulling van mijn persoonlijke toestanden
Met
betrekking tot het onvermogen van God om de levenden mensen als
organisme te
begrijpen en met name hun denkwerk juist te beoordelen, moet ik nog een
punt
toevoegen, dat in meerdere opzichten belangrijk voor mij is geworden.
Ik kan
dat punt in het kort zo beschrijven, dat alles wat er gebeurt, op
mijzelf wordt
betrokken. Terwijl ik de voorgaande zin opschrijf, ben ik mij er
volkomen van
bewust, dat het voor andere mensen voor de hand ligt om daarbij aan een
ziekelijke inbeelding van mijn kant te denken; ik weet immers heel
goed, dat
juist de neiging op alles op jezelf te betrekken, alles wat gebeurt met
jezelf
in verband te brengen, een verschijnsel is dat bij geesteszieken vaak
voorkomt.
In werkelijkheid ligt echter in mijn geval de zaak juist omgekeerd.
Nadat God
uitsluitend met mij in zenuwcontact is getreden, ben ik voor God in
zekere zin
gewoon dé mens of de enige mens geworden, waar alles om draait, op wie
alles
wat er gebeurt moet worden betrokken en die dus vanuit zijn eigen
standpunt alle
dingen op zichzelf moet betrekken.
Deze
bijzonder onjuiste opvatting, die natuurlijk aanvankelijk ook voor mij
volkomen
onbegrijpelijk was en waarvan ik pas door jarenlange ervaringen
genoodzaakt ben
het als een gegeven te erkennen, treedt bij elke gelegenheid en door de
meest
verschillende aanleidingen aan het licht. Als ik b.v. een boek of krant
lees,
denkt men, dat de gedachten die ze bevatten mijn eigen gedachten zijn;
als ik
een lied of de pianobewerking van een opera op de piano speel, gelooft
men dat
de tekst van het lied of de opera telkens weer mijn eigen gevoelens
uitdrukken.
Het is dezelfde naïeve onwetendheid, waardoor men af en toe bij
onontwikkelde
personen, die het theater bezoeken, het idee aantreft, dat wat door de
toneelspelers wordt gezegd, zijn eigen gevoelens weergeeft of dat de
toneelspelers de uitgebeelde personen zelf zijn. Op mij kan het
natuurlijk vaak
alleen maar opbeurend werken, als ik bijvoorbeeld bij het spelen van
aria uit
de Zauberflöte “Ach ik voel het, het is verdwenen, eeuwig heen is het
geluk” of
“De helse wraak kookt in mijn hart, dood en vertwijfeling vlammen om
mij heen”
stemmen in mijn hoofd hoor, die van de veronderstelling uitgaan, dat ik
nu dus
echt mijn geluk als eeuwig verloren beschouw, door vertwijfeling ben
aangegrepen enz. Men moet echter aan de andere kant ook niet de
geduldproef
onderschatten, waaraan men mij heeft onderworpen door het jarenlang
moeten
aanhoren van de ontstellende onzin, die bestaat uit het er tussendoor
gooien
van de vragen: “waarom zeg je het niet (hardop)?” en “neem op” bij
aanleidingen
van het genoemde soort. Die onzin is zo krankzinnig, dat ik er lang aan
heb
getwijfeld, of ik dat werkelijk op rekening van God zelf moest
schrijven of
niet veeleer alleen maar op rekening van een soort ondergeschikte
stompzinnige
wezens, die op ver verwijderde hemellichamen op de manier van de
“vluchtig in
elkaar geflanste mannen” waren geschapen, om van daaruit voor het doen
van het
opschrijf- en controlewerk ingezet te worden.
De
redenen van het voor en tegen heb ik vaak tegen elkaar afgewogen in
mijn
“beknopte studie”, waarin iemand, die zich voor de details
interesseert, meer
bijzonderheden zou kunnen nalezen. Intussen neig ik toch, zonder mij
definitief
uit te willen spreken, tot de opvatting, dat het de verre God zelf is,
die
aanleiding geeft tot de genoemde krankzinnige vraagstelling en dat die
dus
beheerst wordt door de dwaling die daaraan ten grondslag ligt. De
onbekendheid
met de menselijke natuur en de menselijke geest, die zich hierin uit,
is in
wezen niet groter, dan degene die ook bij andere verschijnselen
optreedt,
waarbij ik wel moet denken dat God daar zelf aan meedoet, b.v. in de
behandeling van ontlastingsproblemen, om mijzelf maar eens bondig uit
te
drukken (hfdst. XVI aan het slot), in de veronderstelling, dat
niets-denken
identiek is met waanzin, dat de zenuwtaal de werkelijke mensentaal is
(hfdst.
XIII) enz., enz.
Dat
God ten aanzien van de tegen de wereldorde indruisende verhoudingen,
die ten
opzichte van mij zijn ontstaan, op geen enkele manier aanspraak kan
maken op
onfeilbaarheid, komt voor mij zonder twijfel voort uit het feit, dat
hij het in
ieder geval zelf is geweest, die de gezamenlijke richtlijn heeft
bepaald van de
politiek die tegen mij wordt gevoerd en het daarmee samenhangende
systeem heeft
ingesteld van het opschrijven, van het nietpraten, van het vastbinden
aan
aarden enz. Deze politiek streeft echter een onmogelijk doel na.
Ongeveer een
jaar lang heb ook ik, zoals al eerder vermeld, bij mijn destijds
volkomen
onbekendheid met de werking van wonderen en bij de buiten elke
menselijke
ervaring liggende verschrikkingen, die mij daardoor werden aangedaan,
gedacht
voor mijn verstand te moeten vrezen. Sinds nu al minstens vijf jaar is
het mij
echter volstrekt duidelijk, dat de wereldorde ook God niet de middelen
ter hand
stelt om iemands verstand te vernietigen. God laat zich daarentegen ook
nu nog
leiden door de tegenovergestelde opvatting, die neerkomt op het idee
van de
mogelijkheid om “mij te laten vallen”, stelt in overeenstemming met
deze
opvatting voortdurend nieuwe systemen in en levert mij dag in dag uit
in
vrijwel precies dezelfde vorm bewijzen, dat het voor hem tegenwoordig
net zo
onmogelijk is om zich van de desbetreffende onjuiste voorstelling los
te maken,
als jaren geleden. Daarmee acht ik het, zoals ik ook hier nogmaals wil
benadrukken, geenszins onverenigbaar, dat God in zijn werkingssfeer,
die hem
volgens de wereldorde eigenlijk toekomt, vervuld is van een eeuwige
wijsheid.
De
eis om alles wat er gebeurt en dus ook alles wat door andere mensen
wordt
gezegd, op mijzelf te betrekken, wordt vooral aan mij gesteld tijdens
mijn
wandelingen, die regelmatig plaatsvinden in de tuin van de huidige
kliniek.
Daardoor is voor mij het verblijf in de kliniektuin vanaf het begin
bijzonder
moeilijk geweest; daarmee samen hangen ook de brute scènes, waartoe het
in
eerdere jaren af en toe tussen mij en de andere patiënten van de
kliniek is
gekomen. De zielenwellust die in mijn lichaam zit, is allang zo hevig
geworden,
dat telkens binnen de kortste keren de bundeling van alle stralen wordt
veroorzaakt, waarmee de voorwaarden voor het slapen waren geschapen;
men kan
mij daardoor al jaren niet langer dan twee minuten rustig alleen op een
bank
laten zitten, waarop ik – vooral bij een eventuele vermoeidheid
tengevolge van
een min of meer slapeloze nacht – in slaap zou vallen, maar moet dan
meteen tot
de zogenaamde “verstoringen” (vergl. hfdst. X) overgaan, die de stralen
in
staat stellen om zich weer terug te trekken. Deze “verstoringen” worden
nu eens
op een onschadelijke manier uitgeoefend, doordat er insecten van het in
hfdst.
XVIII genoemde soort worden gewonderd, dan echter weer ook op de
manier,
waarbij men andere patiënten uit de kliniek op mij laat inpraten, of
hen een of
ander geluid, bij voorkeur in mijn onmiddellijke omgeving laat maken.
Dat het
hier ook gaat om een prikkeling van de desbetreffende zenuwen, die op
wonderen
berust, is niet aan de minste twijfel onderhevig, omdat telkens het
eerder
(hfdst. VII en XV) beschreven verschijnsel optreedt, dat ik de
gesproken
woorden tegelijkertijd voel met een klap die tegen mijn hoofd wordt
gegeven,
met een min of meer pijnlijk uitwerking.
Omdat
de patiënten overwegend uit gekken bestaan met een geringere
ontwikkeling en
een onbeschaafde manier van denken, komen bij hen doorgaans gemene
scheldwoorden naar buiten, die ik volgens de bedoeling van de stralen
op
mijzelf moet betrekken. In sporadische gevallen heeft men mij zelfs
zonder
enige voorafgaande woordenwisseling daadwerkelijk laten aanvallen,
zoals dat
b.v. een keer van de kant van een zekere Dr. D. is gebeurd, terwijl ik
rustig
met een andere aan het schaken was. Ik heb mij van mijn kant altijd
laten
leiden door het streven om de beledigingen die mij toe werden
geslingerd, als het
even kon, te negeren als beledigingen die van gekken uitgingen. — Maar
de
mogelijkheid om te negeren kent ook haar grenzen; als, wat vroeger heel
vaak is
voorgekomen en ook nu nog niet zelden gebeurt, de gekken mij te dicht
op het
lijf komen of ongeacht hun door het zwijgen getoonde verachting niet
met het
hinderlijke gescheld ophouden, blijft mij af en toe niets anders over
dan een
antwoord te geven in de vorm van woorden, als ik mijzelf niet lafhartig
wil
laten uitkomen. Omdat bij dergelijke gelegenheden doorgaans het ene
woord het
andere uitlokt, is het dus in eerdere jaren tot daadwerkelijke
vechtpartijen
gekomen, waarbij ik overigens de genoegdoening heb gesmaakt – ofschoon
er
tegelijkertijd heftig vooral aan mijn knieschijven werd gewonderd, om
mij buiten
gevecht te stellen – om nog elke keer de aanvaller tegen de grond te
slaan.
Sinds
een paar jaar heb ik gelukkig kunnen vermijden, dat het tot een
openlijk
gevecht is gekomen, maar intussen is ook nu nog bij iedere wandeling in
de tuin
van mijn kant een buitengewone inzet van tact en gematigdheid vereist,
om
werkelijke schandaleuze scènes te verhinderen. Want de methode om de
gekken met
beledigende uitspraken tegen mij op te stoken, duurt ook nu nog voort,
en
tegelijkertijd herken ik in het dwaze geklets van de stemmen “neem op,”
“waarom
zeg je het (niet hardop)?”, “omdat ik dom ben” of ook “omdat ik bang
ben” enz.
nog steeds de bedoeling van God, dat ik de beledigende uitspraken op
mijzelf
moet betrekken.
Om
mijn rust en fatsoen zo goed mogelijk te bewaren en tegelijkertijd
tegenover
God het aanwezige bewijs te leveren van het ongeschonden zijn van mijn
verstand, heb ik het mij al jaren tot een gewoonte gemaakt om bij de
middagwandelingen telkens een schaakbord mee de tuin in te nemen en
minstens een
vrij grote gedeelte van de tijd schakend door te brengen. Ik heb dat
ook ’s
winters, waarbij het schaken staande plaatsvond, telkens doorgevoerd,
behalve
in korte perioden van zeer strenge koude; pas zolang ik schaak heerst
er een
betrekkelijke rust. Ook op mijn kamer ben ik aan gelijksoortige
onaangenaamheden blootgesteld, waar voortdurend – als zogenaamde
verstoring –
een zinloos binnenkomen van andere patiënten plaatsvindt; de samenhang
met
bovenzinnelijke dingen staat voor mij ook hier geheel buiten twijfel.
Al
die gebeurtenissen, samen met andere overwegingen, hebben sinds
ongeveer een
jaar het besluit in mij doen rijpen om binnen een afzienbare tijd op
mijn
ontslag uit de huidige kliniek aan te sturen. Ik behoor namelijk onder
ontwikkelde mensen en niet onder gekken thuis; zodra ik mij onder
ontwikkelde
mensen beweeg, zoals b.v. aan tafel bij het kliniekhoofd, waaraan ik
sinds
Pasen van dit jaar (1900) de maaltijden gebruik, vallen ook sommige
misstanden
weg, die door de wonderen worden veroorzaakt, vooral het zogenaamde
brullen,
omdat ik in een dergelijk geval in de gelegenheid ben om, door deel te
nemen
aan een hardop gevoerd gesprek, God het bewijs te leveren dat ik over
onverminderde verstandelijke vermogens beschik. Ik ben wel zenuwziek,
maar lijd
op geen enkele manier aan een geestesziekte, die mij ongeschikt maakt
voor de
behartiging van mijn eigen zaken, (§ 6 Burgerl. Wetboek voor het Duitse
Rijk) of
die op grond van het openbare recht mijn vasthouden in een kliniek
tegen mijn
wil lijkt te kunnen toestaan.
Nadat
ik er jaren geleden toevallig een keer achter was gekomen, dat al eind
1895 een
voorlopige onder curatele stelling over mij was uitgesproken, heb ik in
de
herfst van vorig jaar (1899) zelf in gang gezet, dat de bevoegde
instanties tot
een besluit zouden moesten komen om de onder curatele stelling in een
definitieve te veranderen of op te heffen. Op grond van een attest, dat
door de
huidige kliniekdirectie was opgesteld en een gerechtelijk verhoor dat
plaatsvond in januari van dit jaar (1900), is daarop echter, tegen mijn
verwachting in, in maart van dat jaar een formeel besluit tot onder
curatele
stelling door het koninklijke kantongerecht van Dresden tegen mij
uitgevaardigd. Ik heb echter dat besluit, omdat ik de motivatie daarvan
als onjuist
moest beschouwen, na de succesvolle schikking van de civiele
procesorde,
aangevochten middels een klacht tot opheffing van de onder curatele
stelling,
gericht tegen het k. openbaar ministerie bij de
arrondissementsrechtbank van
Dresden. Het besluit van de procesrechtbank van de koninkl.
arrondissementrechtbank van Dresden laat nog op zich wachten, maar zal
naar het
zich laat aanzien in ieder geval nog in de loop van dit jaar volgen.
Nadere
mededelingen over het verloop van het proces tot nu toe kan ik mij
besparen,
omdat, als het procesmateriaal te eniger tijd ook belangstelling zal
wekken in
bredere kringen, de processtukken van het koninkl. kantongerecht en van
de
koninkl. arrondissementsrechtbank van Dresden daar volledig uitsluitsel
over
zullen geven. Mij ideeën die in deze processtukken zijn opgenomen,
bevatten in
ieder geval ook een paar uiteenzettingen, die mijn religieuze
ideeënsfeer
aanroeren.
Bijna
onmerkbaar heeft de context van het huidige hoofdstuk van
bespiegelingen over
de natuur van God, mij naar mijn eigen zaken teruggevoerd. Ik wil
daarom nog
een paar opmerkingen hierover toevoegen. Mijn uiterlijke
levensomstandigheden
zijn de laatste tijd vooral ook ten aanzien van de behandeling, die mij
van de
kant van het kliniekbestuur ten deel valt, niet onbelangrijk, ik zou
willen
zeggen menselijker geworden, niet in het minst door de indruk die men
heeft
gekregen door mijn schriftelijke arbeid, dat men bij mij toch
mogelijkerwijs
heeft te maken met verschijnselen, die buiten het terrein van de
gebruikelijke
wetenschappelijke ervaring liggen. Mij lichamelijk toestand is moeilijk
te
beschrijven; over het algemeen vindt er een snelle wisseling plaats
tussen een
zeer goede gezondheid en allerlei min of meer pijnlijke en
afschuwelijke
toestanden. Het gevoel van een lichamelijk welbevinden berust op de op
bepaalde
tijden hevig ontwikkelde zielenwellust, die niet zelden zo hevig is,
dat het
vooral bij het in bed liggen mijn verbeeldingskracht maar een geringe
moeite
kost om mijzelf een zinnelijke behaaglijkheid te verschaffen, dat een
vrij
duidelijk voorgevoel van het vrouwelijke seksuele genot verschaft.
Ik
kom op dit punt in het volgende hoofdstuk uitvoeriger terug. Aan de
andere kant
treden tengevolge van de tegen mij uitgeoefende wonderen afwisselend
daarmee
(namelijk elke keer als God zich weer terugtrekt), allerlei pijnlijke
toestanden op, die bijna zonder uitzonderling plotseling en eveneens
haast
geregeld na korte tijd weer verdwijnen. Naast de al eerder vermelde
verschijnselen komen o.a. voor: ischialgiforme pijnen, kuitkramp,
verlammingsverschijnselen, een plotseling hongergevoel, en dergelijke
en
vroeger waren ook spit en kiespijn niet zelden. Die spit was een tijd
lang
(toen ik nog in de cel sliep) af en toe zo hevig, dat ik mij alleen
maar onder
een gelijktijdige – half en half met die bedoeling uitgestoten –
pijnkreet van
het bed overeind kon komen; ook de kiespijn was af en toe zo hevig, dat
die
elke geestelijke bezigheid onmogelijk maakte. Ook nu nog heb ik bijna
onafgebroken te maken met een soort hoofdpijn, die ongetwijfeld niemand
anders
bekend is en nauwelijks is te vergelijken met gewone hoofdpijn. Het
zijn de
trekkende of rukkende pijnen, die ontstaan doordat de aan aarden
vastgemaakte
stralen telkens, nadat de zielenwellust een bepaald peil heeft bereikt,
weer
een terugtrekken proberen te bewerkstelligen. Het brulwonder, dat in
dergelijke
gevallen meestal gelijktijdig optreedt, veroorzaakt als het vaker wordt
herhaald, eveneens een zeer onaangename schokkende beweging van mijn
hoofd; treedt
dat op als ik het een of ander eet, dan moet ik er erg voor oppassen,
dat ik
inhoud van mijn mond niet uitspuug. Het plotselinge wisselen van de
gezondheidstoestand brengt met zich mee, dat de gehele toestand
eigenlijk
krankzinnig is te noemen en daarom ook het hele leven, dat ik moet
leiden, in
zekere zin het stempel van krankzinnigheid draagt, en dat des te meer,
omdat
ook mijn omgeving overwegend uit krankzinnigen bestaat, die natuurlijk
van hun
kant ertoe bijdragen, dat er allerlei dwaze dingen gebeuren.
Het
is mij zelden mogelijk om het lang uit te houden bij een en dezelfde
bezigheid;
heel vaak maakt veeleer het optreden van hoofdpijn bij voortdurend
lezen,
schrijven of iets dergelijks, een verandering van bezigheid nodig. Ik
ben er
vaak op aangewezen om mijn tijd met kleine beuzelarijen door te
brengen;
lichamelijk voel ik mij daarbij (buiten het pianospelen) het beste. Ik
heb mij
daarom in de afgelopen jaren vaak bezig moeten houden met mechanisch
werk,
plakken, schilderen van afbeeldingen en dergelijke; heel in het
bijzonder
verdienen werkzaamheden aanbeveling, gezien vanuit het standpunt van
lichamelijk welbevinden, die op het vrouwelijke vlak liggen, dus
naaien,
stoffen, bedden opmaken, vaatwassen en dergelijke. Er komen ook nu nog
dagen
voor, waarop ik mij buiten het pianospelen bijna alleen met dergelijke
kleinigheden kan bezighouden, d.w.z. waarop de toestand van mijn hoofd
elke
andere bezigheid uitsluit, die meer tegemoet komt aan geestelijke
behoeften.
Mijn nachtelijke slaap is over het algemeen aanzienlijk beter dan
vroeger; dat
ik tengevolge van aanhoudende brultoestanden (die afwisselend met een
hevige
wellust optreden) af en toe niet in bed kan blijven, is al eerder
vermeld. Ik
heb daarom ook dit jaar nog een aantal malen al voor middernacht of
vanaf een
uur ’s nachts het bed verlaten en bij kunstlicht (waar inmiddels voor
is
gezorgd) of hartje zomer zonder dat, meerdere uren tot ’s ochtends op
moeten
zitten; vanaf 3 of 4 uur is dat bijna in het derde deel van de nachten
nodig
geweest. Vaak wordt mijn slaap onrustig gemaakt door dromen, waarbij ik
uit hun
tendentieuze inhoud (“handhaving van de mannelijke kant” in
tegenstelling met
de zorg voor “vrouwelijke gevoelens”) vaak de invloed van de stralen
denk te
herkennen. Een werkelijk visionair karakter d.w.z. de levendigheid van
indrukken, die visoenen eigen is, hebben de dromen nu alleen nog maar
bij
uitzondering.
Het
geklets van de stemmen is nog voortdurend aan verandering onderhevig en
heeft
zelfs in de betrekkelijk korte tijd, waarin ik met het schrijven van
dit werk
bezig ben, al weer allerlei veranderingen doorgemaakt. Van de vroeger
gebruikelijke zegswijzen worden er velen, vooral degene die nog op een
of
andere manier aan de “niets-denken-gedachte” herinnerden, nauwelijks
nog gehoord.
Ook de mate van vertraging bij het spreken is sinds de beschrijving
daarvan in
hoofdstuk XVI steeds meer toegenomen, zodat het spreken van de stemmen
voor een
niet gering gedeelte alleen nog maar een gesuis in mijn hoofd kan
worden
genoemd, waaruit ik afzonderlijke woorden misschien helemaal niet meer
zou
kunnen opmaken, als ik niet – ik moet zeggen, helaas – tengevolge van
de
geheugenmatige herinnering bijna altijd van tevoren zou weten, welke
zinloze
zegswijzen ik heb te verwachten.
Ik
acht het waarschijnlijk dat veranderingen van genoemde soort, die
gezamenlijk
met de toegenomen zielenwellust samenhangen, net als – om dezelfde
reden –
veranderingen van de wonderen die tegen mij worden uitgeoefend, ook in
het
vervolg nog steeds vaker zullen optreden. Het meest lastig vind ik –
naast de
soms gebrekkige toestand van mijn hoofd – de brultoestanden, waardoor
ik nu al
twee of drie jaar wordt geteisterd, en die het afgelopen jaar af en toe
tot een
vrijwel ondraaglijke plaag zijn uitgegroeid. Of hierin voor de toekomst
een
verbetering valt te verwachten, durf ik niet te voorspellen; de
desbetreffende
wantoestanden zouden echter volgens mij verminderen, gezien de eerder
genoemde
redenen, als ik buiten de huidige kliniek zou kunnen verblijven.
Hoofdstuk
21. – Zaligheid en wellust in hun wederzijdse betrekking. Gevolgen voor
het
persoonlijke gedrag, die uit deze toestand voortkomen
Een
poging tot een feitelijke bewijsvoering voor de realiteit van wat ik
beweer
over de wonderen en de juistheid van mijn religieuze ideeën, heb ik tot
nu toe
nauwelijks ondernomen. Toch ligt er in mijn lichamelijke toestand een
overvloed
aan bewijzen, afgezien van de veelvuldig genoemde brultoestanden,
zodat, naar
ik mag aannemen, een onderzoek van mijn lichaam naar de vrouwelijke
kenmerken
die het vertoont, ook voor andere mensen nu al overtuigend zou moeten
werken.
Ik zal daarom aan dit onderwerp in het huidige hoofdstuk een aparte
bespreking
wijden, die ik deels als uittreksel, deels in haar gehele inhoud vooraf
zal
laten gaan aan de mededelingen die ik al aan het huidige kliniekbestuur
heb
gedaan.
Nadat
het koninkl. kantongerecht van Dresden d.d. 13 maart van dit jaar
(1900) tot
mijn onder curatele stelling had besloten, heb ik d.d. de 24e
van
dezelfde maand een bezwaarschrift gericht aan de huidige
kliniekdirectie,
waarin ik haar enige van de meer wezenlijke standpunten heb
uiteengezet, waarop
ik voornemens ben om de door mij in te dienen – inmiddels daadwerkelijk
ingediende - eis tot vernietiging van het vonnis, te baseren. Als reden
voor de
uiteenzetting heb ik daarbij aangegeven, dat de koninkl.
kliniekdirectie in het
komende proces toch nog voor een deskundige uitspraak zou moeten zorgen
en mij
in de gelegenheid zou moeten stellen om hen mijn eigen opvatting wat
betreft de
aard van mijn ziekte mee te delen, zodat al vóór het uitbrengen van een
nieuw
rapport de medische observaties gericht zouden kunnen worden op
bepaalde punten
die door mij worden aangegeven. Uit de genoemde verklaring van 24 maart
van dit
jaar komt de volgende passage in aanmerking:
"De
bedoeling om ander mensen door middel van een verstandelijke
uiteenzetting te
overtuigen van de juistheid van mijn zogenaamde “waanideeën” en
“zinsbegoochelingen”, ligt natuurlijk eigenlijk verre van mij. Ik weet
best,
dat dit althans voorlopig slechts in een zeer beperkte mate mogelijk
zou kunnen
zijn. Of een latere verandering van mijn lichamelijke gesteldheid, die
buiten
het bereik van elke menselijke ervaring ligt, ooit vanzelf de
bevestiging zal
leveren, moet ik aan de toekomst overlaten. Ik wil nu alleen het
volgende
verklaren: dat ik ieder moment bereid zou zijn om mijn lichaam te
onderwerpen
aan elk willekeurig medisch onderzoek, om vast te laten stellen of mijn
bewering juist is, dat mijn hele lichaam van top tot teen vol met
wellustzenuwen zit, zoals dat anders alleen maar het geval is bij
volwassen
vrouwenlichamen, terwijl bij mannen, voor zover mij althans bekend is,
wellustzenuwen zich alleen maar aan de geslachtsdelen en in
onmiddellijke
nabijheid daarvan bevinden.
Zou
een dergelijk onderzoek de juistheid van de beweringen aantonen en zou
tegelijkertijd de medische wetenschap genoodzaakt worden om te
erkennen, dat
het voor een dergelijk verschijnsel aan een mannelijk lichaam ontbreekt
aan
elke menselijke natuurlijke verklaring, dan zou toch mijn “waanidee”,
dat mijn
lichaam in ruime mate onderhevig is aan de invloed van goddelijke
wonderen, ook
ruimere gebieden in een wezenlijk ander daglicht moeten plaatsen.”
Op
dit eerste idee heb ik d.d. 26 maart van dit jaar een tweede laten
volgen, dat
ik hierna woordelijk zal weergeven:
"In
aansluiting op mijn geleverde inleiding van de 24e van deze
maand
ben ik zo vrij om bij de koninkl. kliniekdirectie een verzoek in te
dienen. Uit
de genoemde inleiding is duidelijk op te maken vanuit welk standpunt ik
aan de
verspreiding van wellustzenuwen aan mijn lichaam, zowel wat betreft
mijn
religieuze ideeën als wat betreft mijn handelwijze ten opzichte van het
besluit
van het kantongerecht tot het onder curatele stellen, een wezenlijk
gewicht
denk te moeten hechten. Daarom zou het voor mij van groot belang zijn
om te
weten te komen:
1)
of de wetenschappelijke zenuwleer het bestaan van zenuwen
(wellustzenuwen of
sensibele zenuwen volgens een uitdrukking die ik heb gehoord uit de
mond van de
heer geheimraad Dr. Weber, of hoe die wetenschappelijke naam ook moge
luiden)
erkent, waarvan de bijzondere functie bestaat uit het drager van het
wellustgevoel te zijn?
2)
of het juist is, als ik beweer, dat dergelijke wellustzenuwen zich bij
de vrouw
in het hele lichaam, maar bij de man zich alleen maar in het
geslachtsdeel of
de directe omgeving daarvan bevinden, of ik dus daarmee een door de
zenuwleer
erkend feit weergeef of daarmee iets heb beweerd dat naar de huidige
stand van
deze wetenschap onjuist is?
Het
meest erkentelijk zou ik zijn voor een vorm van verheldering, die of
schriftelijk of door het in leen ter beschikking stellen van een boek
dat de
zenuwleer wetenschappelijk behandeld, waaruit ik dan zelf de benodigde
uittreksels zou kunnen maken.
Met
de meeste hoogachting
(volgt
de ondertekening)"
Op
de tweede uiteenzetting is uiteindelijk d.d. 30 maart van dit jaar nog
een
derde gevolgd, die woordelijk als volgt luidt:
"Naar
aanleiding van mijn verzoekschrift d.d. 26e van deze maand
gericht
aan de koninkl. kliniekdirectie, betreffende de zogen. wellustzenuwen,
is de
heer geheimraad Dr. Weber gisteravond zo goed geweest om mij een
mondeling
onderhoud over dit onderwerp te verlenen en mij twee boeken, uit de
medische
bibliotheek van de kliniek, voor enige tijd in leen te geven.
Ik
kom op de vraag die ter sprake is gebracht nog een keer terug en niet
alleen
vanwege mijn persoonlijk belang, maar tegelijkertijd ook omdat ik
veronderstel,
dat de observaties die aan mijn lichaam verricht moeten worden,
misschien tot
een verrijking van de wetenschap op dit gebied zouden kunnen leiden.
Als
ik de heer geheimraad Dr. Weber goed heb begrepen, wordt het bestaan
van aparte
zenuwen, die dragers van het wellustgevoel zijn, door de
wetenschappelijke
zenuwleer niet erkend; hij bestreed eveneens de opvatting dat men
dergelijke
zenuwen en eigenlijk helemaal geen zenuwen, van buitenaf door aanraken
kan
voelen. Aan de andere kant scheen hij niet het feit te willen
betwijfelen, dat
het wellustgevoel – om het even vanwege welke fysiologische reden –
iets is dat
bij de vrouw het hele lichaam in meerdere mate aangrijpt dan bij de
man, en dat
vooral de mammae in een heel speciale buitengewone mate aan het
wellustgevoel
deelnemen. Naar mijn mening zou dit feit echter alleen kunnen worden
verklaard
op de manier, dat er van die organen (of men die nou pezen, zenuwen of
wat dan
ook noemt) aanwezig zijn die, bij de vrouw in meerdere mate dan bij de
man, het
hele lichaam bedekken. Voor mij staat het alleen maar subjectief vast,
dat mijn
lichaam – volgens mijn herhaaldelijk kenbaar gemaakte opvatting
tengevolge van
goddelijke wonderen – dergelijke organen op dezelfde manier vertoont,
zoals dat
anders alleen bij het vrouwelijke lichaam het geval is. Ik voel onder
het
huidoppervlak structuren van een vezel- of strengachtige hoedanigheid;
die zijn
vooral aanwezig aan mijn borst, waar bij de vrouw de boezem is, en daar
met de
bijzonderheid, dat aan hun uiteinden af en toe knobbelachtige
verdikkingen
waarneembaar zijn. Door op deze structuren druk uit te oefenen kan ik
mijzelf,
vooral als ik aan iets vrouwelijks denk, een vrouwelijk wellustgevoel
verschaffen. Ik doe dat, tussen haakjes, niet uit geilheid, maar voel
mij daar
op bepaalde tijden als het ware toe genoodzaakt, als ik wil slapen of
mij wil
beschermen tegen pijnen, die anders vrijwel ondraaglijk zijn.
Precies
dezelfde vezel- of strengachtige structuren heb ik (nadat mijn aandacht
eenmaal
op dat punt was gericht) bij gelegenheid van een bezoek aan de arm van
mijn
schoonzuster gevoeld en neem dus aan, dat die aan elke vrouwenlichaam
op
dezelfde wijze aanwezig zijn.
Ik
denk ook dat ik mag aannemen, dat het die structuren zijn, die de
vrouwenhuid
de kenmerkende zachtheid geven, die ook aan mijn lichaam gewoonlijk
merkbaar
is.
Ik
moet daar nog aan toevoegen, dat er wat betreft de
vrouwelijkheidskenmerken die
aan mijn lichaam optreden, een zekere periodieke terugkeer plaatsvindt
en de
laatste tijd met steeds korter wordende tussenpauzen. Al het
vrouwelijke werkt
namelijk op de godszenuwen; zodra men zich derhalve van mij wil
terugtrekken,
doet men telkens een poging, om door wonderen de
vrouwelijkheidssymtomen die
aan mijn lichaam optreden terug te dringen; dat heeft tot gevolg, dat
de
structuren, die door mij als “wellustzenuwen” worden aangeduid, wat
naar binnen
schuiven, dus aan het huidoppervlak niet meer zo duidelijk voelbaar
worden,
mijn borst wat vlakker wordt enz. Als men dan echter na korte tijd
genoodzaakt
is om weer dichterbij te komen, dan komen de “wellustzenuwen” (om bij
deze
uitdrukking te blijven) weer tevoorschijn, men borst welft zich weer
enz. Deze
periodieke terugkeer treedt tegenwoordig doorgaans al na verloop van
een paar
minuten op.
Dat
ik met de voorafgaande uiteenzetting naast mijn persoonlijke,
tegelijkertijd
serieuze belangen nastreef, zal de koninkl. kliniekdirectie niet willen
toegeven; ik hoop dus dat ik ook gevrijwaard ben tegen de opvatting,
dat ik met
de onthulling van de desbetreffende toestanden, die naar mijn mening
met
bovenzinnelijke zaken samenhangen, iets ter sprake heb gebracht,
waarvoor ik
mij als man zou moeten schamen.
Met
de meeste hoogachting
(volgt
de ondertekening)"
Aan
de inhoud van het bovenstaand weergegeven geschrift, voeg ik nog een
paar
bijkomende opmerkingen toe.
Ik
betwijfel natuurlijk niet, dat wat mij door de heer geheimraad Dr.
Weber
tijdens het vermelde onderhoud aan het begin van de uiteenzetting van
30 maart
van dit jaar is meegedeeld, overeenkomt met de huidige stand van de
wetenschap
op het gebied van de zenuwkunde. Desondanks kan ik er niet omheen, met
de
bescheidenheid, die de leek in dergelijke zaken betaamt, uitdrukking te
geven
aan de overtuiging, dat het bij de door mij beschreven vezel- of
strengachtige
structuren, die aan mijn lichaam waarneembaar zijn, om zenuwen gaat;
dat er dus
toch bijzondere wellustzenuwen bestaan, die worden gekenmerkt door het
feit,
dat ze dragers van het wellustgevoel zijn. Bepalend is daarbij voor mij
de
overweging, dat structuur in kwestie, waar ik zeker van ben, gezien hun
herkomst dat ze niets anders zijn dan vroegere godszenuwen, die door
hun
overgaan in mijn lichaam hun karakter als zenuwen toch nauwelijks
kunnen hebben
ingeboet, en vervolgens de omstandigheid dat ik uitgerekend op elk
moment door
een zachte druk op die structuur de daadwerkelijke waarneming kan doen
van het
wellustgevoel dat daardoor wordt opgewekt. Het zij mij daarom vergund
om in het
vervolg de benaming wellustzenuwen te handhaven.
Het
vullen van mijn lichaam met deze wellustzenuwen, tengevolge van het
onophoudelijke
toestromen van stralen of godszenuwen, duurt nu dus al bijna meer dan
zes jaar
zonder enige onderbreking. Het is daarom niet verwonderlijk, dat mijn
lichaam
zo door wellustzenuwen is doortrokken, zoals dat nauwelijks wordt
overtroffen
door hetzelfde verschijnsel bij welk vrouwelijk schepsel dan ook. Het
uiterlijke optreden daarvan is, zoals ik al heb benadrukt in mijn
uiteenzetting
van 30 maart van dit jaar, onderhevig aan een regelmatig terugkerende
periodiciteit, al naar gelang God zich op een grotere afstand heeft
teruggetrokken of – bij gebrek aan gedachten, die de stralen bij mij
moesten
zoeken – genoodzaakt is om weer dichterbij te komen.
In
perioden van naderbij komen maakt mijn borst de indruk van een tamelijk
vol
ontwikkelde vrouwelijke boezem; dit verschijnsel kan door iedereen die
mij wil
observeren, met eigen ogen worden gezien. In zoverre ben ik dus in
staat om bij
wijze van spreken het bewijs te leveren door een beroep te doen op het
doen van
eigen waarnemingen. Een vluchtige observatie zou echter op een gegeven
moment
niet voldoende zijn, maar de desbetreffende waarnemer zou zich de
moeite moeten
geven om zich ongeveer tien minuten of een kwartier in mijn buurt op te
houden.
In dat geval zou iedereen het afwisselende opzwellen en inkrimpen van
mijn
borst moeten kunnen opmerken. Natuurlijk blijft op de armen en de
hartkuil de
mannelijke beharing, die bij mij overigens slechts in een geringe mate
aanwezig
is; ook blijven de tepels in de geringe grootte die bij het mannelijke
geslacht
behoort. Afgezien daarvan durf ik echter onverschrokken te beweren, dat
iedereen, die mij met ontbloot bovenlijf voor de spiegel zou zien
staan, -
temeer als de illusie door wat vrouwelijke opsmuk ondersteund zou
worden –
ongetwijfeld de indruk van een vrouwelijk bovenlijf krijgen. Ik aarzel
ook niet
om te verklaren, dat ik bij een verblijf buiten de kliniek geen
gelegenheid
voor een dergelijke observatie mijnerzijds geef, maar het elke
deskundige, die
daartoe niet louter uit nieuwsgierigheid, maar uit een
wetenschappelijke
belangstelling zou worden bewogen, wel toe zou staan. Als iets
dergelijks,
zoals ik verder beweer, nog nooit aan een mannelijk lichaam te
observeren is
geweest, denk ik daarmee een bewijs te hebben geleverd, dat ook bij de
meest
serieuze mannen de grootste twijfel moet oproepen, of niet alles wat
men bij
mij tot nu toe voor zinsbegoochelingen en waanideeën heeft aangezien,
waar is,
en of daarom mijn gehele wondergeloof en de uiteenzetting, die ik ter
verduidelijking van de opvallende verschijnselen aan mijzelf en aan
mijn
lichaam heb gegeven, op waarheid berust.
De
zorg voor het vrouwelijke gevoel, dat door het aanwezig zijn van de
wellustzenuwen mogelijk wordt gemaakt, beschouw ik als mijn recht en in
zekere
zin als mijn plicht. Om door deze bekentenis niet in achting te dalen
bij
andere mensen, van wie ik het oordeel belangrijk vind, is er een
uitgebreidere
uitleg nodig.
Er
zullen weinig mensen zijn, die met zo’n strenge, zedelijke principes
zijn
opgegroeid als ik, en die hun leven lang vooral ook in seksueel opzicht
een
terughoudendheid hebben betracht, in overeenstemming met deze
principes, in de
mate waarop ik dat van mijzelf durf te beweren. Het is dus geen lage
zinnelijkheid, die bij mij als drijfveer in aanmerking komt; zou een
bevrediging
van mijn mannelijke eerzucht nog mogelijk zijn, dan zou mij dat
natuurlijk heel
wat liever zijn; ook zal ik in de omgang met andere mensen nooit iets
laten
merken van seksuele geilheid. Zodra ik echter – als ik dat zo mag
uitdrukken –
met God alleen ben, is het een noodzaak voor mij om met alle denkbare
middelen,
net als met het volle gebruik van mijn verstandelijke vermogens, vooral
mijn
verbeeldingskracht, erop aan te sturen, dat de goddelijke stralen van
mij
voortdurend of – omdat iemand dat gewoon niet kan – althans op bepaalde
tijdstippen de indruk van een in wellustige gevoelens zwelgende vrouw
krijgen.
Op
de nauwe betrekkingen, die tussen wellust en zaligheid bestaan, heb ik
al
herhaaldelijk in het eerdere verloop van dit werk gewezen. Wellust kan
als een
stuk zaligheid worden opgevat, dat de mensen en andere levende
schepsels in
zekere zin op voorhand is verleend. Als met een zienersoog, waarbij men
aan
goddelijke ingevingen zou kunnen denken, komt het mij vanuit dit
oogpunt voor,
als b.v. Schiller in zijn Liederen aan de Vreugde dicht: “Wellust werd
de worm
gegeven, en de cherubijn staat voor God”. Daarbij bestaat echter een
wezenlijk
verschil. De ziel is het wellustige genieten of de zaligheid duurzaam
verleend
en in zekere zin als doel op zichzelf; de mensen en andere levende
schepsels
daarentegen is dat alleen maar verleend als middel tot instandhouding
van de
soort. Daarin liggen voor de mens de zedelijke beperkingen van de
wellust. Een
overmaat aan wellust zou de mens ongeschikt maken voor het vervullen
van de
taken, die hij moet verrichten; het zou hem verhinderen om ooit tot een
hogere
trap van geestelijke en zedelijke volmaking op te stijgen; de ervaring
leert
immers, dat niet alleen talrijke afzonderlijke mensen, maar zelfs hele
volkeren
te gronde zijn gegaan aan wellustige uitspattingen. Voor mij bestaan
dergelijke
zedelijke beperkingen van de wellust niet meer; zij zijn in zekere zin
juist in
het tegendeel verkeerd. Om niet verkeerd te worden begrepen, moet ik
hierbij
opmerken, dat ik met de zorg voor de wellust, die voor mij bij wijze
van
spreken een plicht is geworden, nooit een seksuele begeerte bedoel
tegenover
andere mensen (vrouwen) of zelfs een seksuele omgang met hen, maar
mijzelf als
man én vrouw in één persoon, die met zichzelf de bijslaap voltrekt,
bedoel voor
te stellen; dat ik met mijzelf handelingen – die misschien anders als
ontuchtig
gelden - moet verrichten die op een seksuele opwinding zijn gericht,
enz.,
waarbij natuurlijk elke gedachte aan onanie of iets dergelijks is
uitgesloten.
Dat
laatste gedrag is echter door de toestand, die tegen de wereldorde
indruist,
waarin God zich tegenover mij heeft geplaatst, gewoon noodzakelijk
geworden; ik
kan voor zover, hoe paradoxaal het ook mag klinken, de uitspraak van de
kruisvaarders Dieu le veut (God wil het) op mijzelf toepassen. God is
nu
eenmaal door de aantrekkingskracht van mijn zenuwen, die al lang
onoverwinnelijk is geworden, onlosmakelijk aan mij persoonlijk
gebonden; iedere
mogelijkheid om weer van mijn zenuwen los te komen – waar de politiek
die God
zelf volgt, naar streeft, – is behalve in het geval, dat het nog tot
een
ontmanning zou komen, voor het nog resterende gedeelte van mijn leven
uitgesloten. Aan de andere kant verlangt God een voortdurend genieten,
dat
overeenkomt met de bestaansvoorwaarden van de ziel, die met de
wereldorde
stroken; het is mijn taak hem dat te verschaffen in de vorm van de
meest
uitvoerige ontwikkeling van de zielenwellust, voor zover het onder de
eenmaal
geschapen toestanden, die tegen de wereldorde indruisen, binnen het
bereik ligt
van de mogelijkheden; voor zover daarbij iets van het zinnelijke genot
voor
mijzelf overblijft, geeft mij dat het recht om dat mee te nemen als een
kleine
schadeloosstelling voor de overmaat aan lijden en ontberingen, dat mij
jarenlang is opgelegd; daarin ligt tegelijkertijd een geringe
compensatie voor
de veelal pijnlijke toestanden en onaangename zaken, die ik ook nu nog
steeds
moet verduren, vooral in perioden, waarin de zielenwellust minder
wordt. Ik
besef dat ik daarmee niet een zedelijke plicht kwets, maar gewoon
datgene doe,
wat onder de gegeven omstandigheden, die in strijd zijn met de regels,
door het
gezonde verstand wordt ingegeven; wat betreft de verhouding tot mijn
vrouw in
het bijzonder, verwijs ik op wat daarover in hfdst. XIII al is
opgemerkt.
Natuurlijk
is het voor mij niet mogelijk om mij de hele dag of ook maar het
grootste
gedeelte daarvan te buiten te gaan aan wellustige voorstellingen en
mijn
fantasie in die richting te laten spelen. Daartoe zou de menselijke
natuur
gewoon niet in staat zijn; de mens is nu eenmaal niet louter voor
wellust
geboren en daarom zou pure wellust als enig levensdoel mij even
afschuwelijk
lijken, als wie dan ook. Aan de andere kant is een onafgebroken denken,
een
door geen enkele rustpauze onderbroken arbeid van de verstandszenuwen,
zoals
dat van mij door de stralen via de denkdwang wordt gevergd, met de
menselijke
natuur niet minder onverenigbaar. De kunst van mijn levenswijze in de
krankzinnige levenssituatie, waar ik nu een maal in verzeild ben
geraakt – ik
bedoel hiermee niet de toestanden van mijn uiterlijke omgeving, maar de
onzinnige en tegen de wereldorde indruisende betrekkingen, die tussen
God en
mijzelf zijn ontstaan - , bestaat daarom uit het vinden van een
middenweg,
waarbij het met beide parijen, God en mens, het beste verloopt, d.w.z.
het
binnendringen van de goddelijke stralen zomogelijk plaats vindt met
deelname
aan de in mijn lichaam aanwezige zielenwellust en daardoor voor hen
aannemelijker wordt gemaakt, maar dat ik naast de van tijd tot tijd en
vooral
’s nachts vereiste rust van mijn verstandszenuwen, ook, althans in
zekere mate,
het vermogen behoud, om mij op een manier bezig te houden, die
overeenkomt met
mijn geestelijke behoeften.
Voor
beide partijen loopt het daarbij niet af zonder onverkwikkelijke
toestanden,
waarin beiden tot een gedrag worden gedwongen, dat strijdig is met hun
eigenlijke natuur. Zielenwellust is nu eenmaal niet altijd in haar
volle wasdom
aanwezig, maar vermindert van tijd tot tijd in een regelmatige
afwisseling,
deels doordat God terugtrekkingsacties in het werk stelt, deels doordat
ik niet
altijd bezig kan zijn met het zorgen voor de wellust. Aan de andere
kant is
elke geestelijke bezigheid, die ik mij voorneem, en nog in meerdere
mate elke
overgave aan het natuurlijke recht van het niets-denken (vooral tijdens
wandelingen) voor mij met een min of meer aanzienlijke opoffering van
lichamelijk welbevinden verbonden. Daarom is het mij toegestaan om in
die
rustpauzen van het denken, die iemand nu eenmaal nodig heeft om in
slaap te
komen, dus vooral ’s nachts, maar ook op bepaalde tijden overdag,
bijvoorbeeld
na de hoofdmaaltijd, waar de behoefte aan een middagdutje duidelijk
wordt, of
’s morgens vroeg na het ontwaken, mijzelf in bed, door het zorgen voor
de
wellust in de betekenis, die hierboven is genoemd, een dragelijke
lichamelijk
toestand te verschaffen of zelfs een daar bovenuitstijgende
behaaglijkheid te
bewerkstelligen.
De
juistheid van deze opvatting is voor mij zonder twijfel, door een
jarenlange
ervaring, bewezen; ik denk zelfs dat ik, gezien de verkregen indrukken,
de
mening mag uitspreken, dat God nooit tot een terugtrekkingsactie zou
overgaan
(waardoor mijn lichamelijk welbevinden telkens eerst aanzienlijk wordt
verslechterd), maar zonder enige tegenstand en voortdurende regelmaat
gevolg
zou geven aan het aantrekken, als het voor mij mogelijk zou zijn om
steeds de liggende
vrouw, in een seksuele omarming met mijzelf, te spelen, mijn blik
steeds op
vrouwelijke schepsels te laten rusten, steeds naar vrouwelijke
afbeeldingen te
kijken enz.
Ik
wil daarbij niet onvermeld laten, dat de juistheid van de genoemde
opvatting
ook door de lagere God (Ariman) nadrukkelijk is bevestigd, doordat hij
destijds
een aantal zegswijzen, waardoor mij een navenant gedrag werd
aangeraden, opnam
in het opgeschreven materiaal, dat door hem werd gebruikt om de stralen
te
laten spreken. Vooral de zegswijzen “de wellust is godvruchtig
geworden” en
“wind je nou eens seksueel op” werden vroeger vaak gehoord uit de mond
van de
stemmen, die van de lagere God uitgingen. Alle zedelijke begrippen zijn
gewoon
in de verhouding tussen God en mij op hun kop gezet. Verder is wellust
voor
mensen wel zedelijk geoorloofd, voor zover het door de huwelijksband
wordt
geheiligd en daardoor met het voortplantingsdoel in verband wordt
gebracht,
maar heeft ter wille van zichzelf nooit als iets verdienstelijks
gegolden. In
de verhouding tussen God en mij is wellust echter gewoon “godvruchtig”
geworden, d.w.z. dat het als het middel moet worden beschouwd, waardoor
de
(tegen de wereldorde) eenmaal ontstane belangentegenstelling zo spoedig
mogelijk nog bevredigend kan worden opgelost.
Zodra
ik pauzen in mijn denken laat optreden, zonder mijzelf tegelijkertijd
te
bekommeren over de zorg voor de wellust – wat natuurlijk tot op zekere
hoogte
volstrekt onvermijdelijk is, omdat iemand niet voortdurend kan denken,
noch
voortduren wellust kan veroorzaken – ontstaan telkens de al eerder
beschreven
onverkwikkelijke gevolgen: brultoestanden en allerlei lichamelijke
pijnen bij
mijzelf, grof lawaai onder de gekken in mijn omgeving en “help”-geroep
van de
kant van God. Het gezonde verstand eist daarom, dat ik in de mate,
waarin het
tenminste van iemand kan worden gevergd, de pauzen van mijn
denkactiviteit, met
andere woorden de tijd waarin ik uitrust van een geestelijke bezigheid,
zoveel
mogelijk opvul met de zorg voor de wellust.
Hoofdstuk
22 – Slotbeschouwingen. Blik in de toekomst
Ik
ben aan het einde van mijn werk beland. Ik heb mijn belevenissen en
ervaringen
tijdens mijn zenuwziekte weergegeven, die nu al bijna zeven jaar duurt,
en de
bovenzinnelijke indrukken, die ik in die tijd heb ontvangen, weliswaar
verre
van uitputtend, maar toch op zijn minst in de volledigheid, die nodig
is voor
het begrijpen van mijn religieuze bespiegelingen en de verklaring van
bepaalde
eigenaardigheden van mijn gedrag. Er rest mij nog een blik in de
toekomst te
werpen.
"Wat
moet je nou van die vervloekte geschiedenis?” en “wat moet er van mij
terecht
komen? Moest hij” scilicet zeggen of denken – zo luiden de vragen, die
jarenlang door de stralen in een eindeloze herhaling mijn hoofd binnen
zijn
gesproken en die echter, al geven ze ook telkens niet mijn echte
gedachten
weer, maar op bedrog berusten, tenminste toch zo te kennen geven, dat
het besef
van een behoorlijk grondig in het honderd gelopen zaak ook bij God
aanwezig is.
De antwoorden die de stralen zichzelf op die vragen geven, d.w.z.
bedrieglijk
aan mijn zenuwen toeschrijven (“nieuwe mensen in een Schreberse geest”
of ook
“dat weet ik niet, moest hij” enz.) zijn zo kinderachtig, dat ik daar
niet
langer bij stil hoef te staan. Wat betreft mijn eigen opvatting moet ik
het
volgende opmerken.
Een
zekere voorspelling, wat er van mij terecht moet komen en op welke
manier het
mogelijk zal zijn, om de tegen de wereldorde indruisende toestand,
waarin God
zich tengevolge van de aantrekkingskracht van mijn zenuwen zich
kennelijk
tegenover de hele aarde bevindt, ooit weer in banen te leiden, die met
de
wereldorde overeenstemmen, is natuurlijk onmogelijk. Het gaat om een
verwikkeling, waarvoor niet alleen alle analogieën uit de menselijke
ervaring
ontbreken, maar die ook in de wereldorde zelf nooit zijn voorzien. Wie
zou zich
daarom, gezien een dergelijke toestand, te buiten kunnen gaan aan uit
de lucht
gegrepen vermoedens over de toekomst? Voor mij is alleen maar een
negatief
vermoeden zeker, namelijk dat het nooit kan komen tot de vernietiging
van mijn
verstand, dat God van plan is. Dat punt is voor mij, zoals al hierboven
(hfdst.
XX) is uiteengezet, al jaren volkomen duidelijk en daarmee is voor mij
het
belangrijkste gevaar uit de weg geruimd, dat mij in de eerste jaren van
mijn
ziekte leek te bedreigen. Want wat kan er voor iemand, vooral iemand
die in
zoveel opzichten hoogbegaafd is, zoals ik dat zonder zelfingenomenheid
over
mijzelf durf te beweren, afschuwelijker zijn, dan het vooruitzicht om
zijn
verstand te verliezen en in waanzin ten onder te gaan? Alles wat mij
verder
misschien te wachten staat, lijkt mij daarom min of meer bijkomstig,
omdat ik
door jarenlange ervaring tot de vaste overtuiging ben gekomen, dat alle
pogingen in die richting bij voorbaat gedoemd zijn te mislukken, voor
zover de
wereldorde ook God zelf niet de middelen ter hand stelt, om bij iemand
het verstand
te vernietigen.
Natuurlijk
heb ik mij echter met de vraag naar de veronderstelde invulling van
mijn
toekomst in de loop der jaren ook in een positieve richting veel
beziggehouden.
Gezien de kentering van mijn eigen opvatting, die in hfdst. XIII is
beschreven,
heb ik meerdere jaren in de vaste veronderstelling geleefd, dat het
uiteindelijk ooit tot een daadwerkelijke ontmanning (verandering in een
vrouw)
bij mij zou moeten komen; vooral zolang ik geloofde dat de rest van de
mensheid
ten onder was gegaan, leek mij deze oplossing als voorbereiding voor
een
vernieuwing van de mensheid beslist noodzakelijk. Voor mij bestaat er
inderdaad
ook nu nog geen twijfel over, dat een dergelijke oplossing op zichzelf
zou
moeten worden beschouwd als de oplossing die het meest strookt met het
diepste
wezen van de wereldorde. Ontmanningen met het doel van een vernieuwing
van de
mensheid hebben, zoal in hfdst. V al is uiteengezet, naar alle
waarschijnlijkheid in eerdere perioden van de geschiedenis van het
heelal, hetzij
op onze aarde, hetzij op andere hemellichamen, in de meeste gevallen
werkelijk
plaatsgevonden. Op een ontmanning wijst ook ondubbelzinnig een niet
gering
gedeelte van de aan mij persoonlijk uitgeoefende wonderen (vergl.
hfdst. XI, in
het begin), net als de vulling van mijn lichaam met wellustzenuwen.
Over of het
echter tengevolge van de nu eenmaal door God getroffen maatregelen
(vastbinden
aan aarden, enz.), die gezien het optreden van de beproefde zielen,
tegen de
wereldorde indruisen, toch nog tot een werkelijke ontmanning kan komen,
durf ik
des te minder een zekere voorspelling voor de toekomst te geven, omdat
ik juist
intussen mijn vroegere ideeën met betrekking tot de ondergang van de
rest van
de mensheid heb moeten rechtzetten. Het is dus mogelijk, ja zelfs
waarschijnlijk, dat het tot het einde van mijn leven bij sterke
aanwijzingen
van vrouwelijkheid blijft en dat ik ooit als man dood zal gaan.
Daarmee
treedt de vraag op de voorgrond, of ik eigenlijk wel sterfelijk ben en
welke
doodsoorzaken bij mij binnen het bereik van de mogelijkheden liggen. Na
alles
wat ik vroeger van de genezende kracht van de goddelijke stralen aan
mijn
lichaam heb ervaren (vergl. daarmee de eerdere uiteenzettingen) moet ik
het ook
nu noch waarschijnlijk achten, dat wat voor ziekteoorzaken en zelfs
gewelddadige aanvallen van buitenaf dan ook, als doodsoorzaken bij mij
uitgesloten zijn. Stel dat ik ergens in het water zou vallen, of dat
ik,
waaraan ik natuurlijk allesbehalve denk, mijzelf een kogel door het
hoofd of de
borst zou willen jagen, dan zouden er vermoedelijk wel tijdelijke
verschijnselen optreden, die behoren bij een verdrinkingsdood of bij de
bewusteloze toestand na een schotwond, die anders dodelijk zou zijn. Of
er
echter, zolang het contact met de stralen aanhoudt, niet een herleving
zou
plaatsvinden, of niet de hartactie en daarmee de bloedsomloop weer zou
worden
opgewekt, de vernietigde inwendige organen en botdelen weer zouden
herstellen,
is een vraag die ik, gezien mijn eerdere belevenissen nauwelijks in een
ontkennend
zin durf te beantwoorden. Ik heb immers in de eerste jaren van mijn
ziekte
herhaaldelijk gedurende een bepaalde tijd geleefd zonder de
belangrijkste of
met ernstig beschadigde inwendige organen, evenals met ernstig
verwoeste
gedeelten van het skelet, die anders als nauwelijks onontbeerlijk
worden
beschouwd voor voortbestaan van het leven. De oorzaken die destijds
telkens
voor het herstel van het vernietigde leidden, zijn ook nu nog aanwezig
en
zodoende kan ik mij een dodelijke uitwerking bij gebeurtenissen van
bovengenoemde aard, nauwelijks voorstellen. Hetzelfde geldt voor alle
natuurlijke ziekteoorzaken. Daarom schijnt voor mij als doodsoorzaak
alleen wat
men gewoonlijk de ouderdomszwakte noemt, in aanmerking te komen. Zoals
bekend
is de vraag hoe het zit met het doodgaan aan ouderdomszwakte ook voor
de
wetenschap tamelijk duister. Men kan dan wel de uiterlijke
verschijnselen
beschrijven, die daarbij optreden, maar men heeft de eigenlijk werkende
oorzaak
voor zover ik weet nog niet kunnen doorgronden: op de vraag waarom
iemand na
het bereiken van een bepaalde leeftijd eigenlijk dood zou moeten gaan,
bestaat
tegenwoordig nog geen zeker antwoord. Kennelijk is alle geschapen
wezens alleen
een bepaalde mate van levenskracht toebedeeld en als die is uitgeput
weigeren
de organen die voor het instandhouden van het leven dienen hun werking.
Ik zou
mij dus best kunnen voorstellen, dat ook stralen allerlei
beschadigingen kunnen
opheffen, die aan een lichaam ontstaan, dat nog in bezit is van de
levenskracht, maar dat ze niet de levenskracht zelf kunnen vervangen.
De
andere kant van de beschouwing betreft de vraag wat er in het geval van
mijn
overlijden – als ik mij zo mag uitdrukken – van God terecht moet komen.
Voor
mij staat, gezien alles wat tot nu toe is uiteengezet, vast, dat de
hele
toestand, waarin God zichzelf tegenwoordig ten opzichte van onze aarde
en de
daarop levende mensheid heeft gebracht, op bijzondere betrekkingen
berust, die
tussen God en mijzelf zijn ontstaan. Zou ik persoonlijk door de dood
wegvallen,
dan moet in die verhouding zeker een verandering plaatsvinden; of die
op enige
ook voor andere mensen in het oog lopende manier zou optreden, durf ik
niet te
beweren. Misschien zal men dan, noodgedwongen, moeten besluiten tot
maatregelen, die de terugkeer naar de wereldorde inhouden (het uit de
weg
ruimen van het vastmaken aan aarden, het volledige onderdrukken van het
nog
aanwezige restant van beproefde zielen enz.) waarvoor men tot nu toe
niet de
wilskracht heeft kunnen vinden. Alleen langs deze weg zou God, volgens
mij,
weer in staat kunnen zijn om de taken te vervullen, waartoe hij volgens
de
wereldorde verplicht is, en met name het werk van het opnieuw instellen
van
zaligheden weer te beginnen. Dat tot de eerste zenuwen, die tot een
zaligheid zouden
worden opgetrokken, ook de mijne zouden behoren, zou ik gezien de
jarenlange
betrekkingen die tussen mij en God hebben geheerst, vrijwel
vanzelfsprekend
vinden. Over de details van de voorzorgsmaatregelen, die door God na
mijn dood
getroffen zouden moeten worden, mag ik des te minder in vermoedens
uitweiden,
omdat ik van de tegen de wereldorde indruisende instellingen, waarvan
daarbij
de afschaffing ter sprake kwam, uiteraard slechts een min of meer vaag
idee heb
kunnen krijgen.
Wat
de invulling van mijn leven tot aan mij eventueel overlijden betreft,
geloof ik
in een bepaalde verbetering van mij uiterlijke levenssituatie, het
opheffen van
mijn onder curatele stelling, het ontslag uit de huidige kliniek enz.
te kunnen
bereiken, binnen een bepaalde tijd en zonder bijzondere problemen. Aan
het
toegeven dat, wat er ook steeds met mijn “waanideeën” aan de hand zou
kunnen
zijn, men met mij in ieder geval niet met een geesteszieke van het
gebruikelijke slag heeft te maken, zullen andere mensen zich op den
duur ook
niet kunnen onttrekken.
Daarmee
zou ik echter nog geen schadeloosstelling hebben gekregen voor wat ik
in de
laatste zeven jaar geleden en gemist heb. Ik heb daarom het gevoel, dat
mij in
mijn toekomstige leven nog een of andere grote en stralende
genoegdoening te
wachten moet staan – niet door mensen teweeggebracht, maar in zekere
zin door
de innerlijke noodzaak van de omstandigheden vanzelf veroorzaakt. Al
tijdens de
periode van mijn verblijf in Flechsigs kliniek, toen ik aan de ene kant
de
eerste inkijk in de wonderbaarlijke harmonie van de wereldorde had
gekregen,
aan de andere kant voor mij persoonlijk de diepste vernederingen
onderging en
dag in dag uit door de meest ontstellende gevaren bedreigd leek te
worden, heb
ik ten opzichte van de stralen de uitspraak bedacht, dat er een
vereffenende
gerechtigheid zou moeten bestaan en dat het niet zo zou kunnen zijn,
dat iemand
die zedelijk onbevlekt is en aan de basis van de wereldorde staat, in
het
gevecht, dat door een vijandelijke macht tegen hem wordt gevoerd, ten
onder zou
gaan en als onschuldig slachtoffer voor de zonden van anderen zou
moeten
vallen. Die uitspraak, waarvoor ik destijds maar geringe
aanknopingspunten had
en dus destijds, mag ik wel zeggen, meer uit een instinctief gevoel was
voortgekomen,
is in de loop der jaren al juist gebleken, op een manier die mijn
verwachtingen
bijna overtreft. Steeds duidelijker neigt de weegschaal van de
overwinning naar
mijn kant over, steeds meer verliest het gevecht dat tegen mij wordt
gevoerd,
zijn eerdere eigen hatelijke karakter, steeds draaglijker worden
tengevolge van
de voortschrijdende toename van de zielenwellust ook mijn lichamelijke
toestanden en verdere uiterlijke levensomstandigheden. En zo denk ik
dus dat ik
mij niet vergis als ik veronderstel, dat mij uiteindelijk ook nog een
heel
bijzondere zegepalm zal toewenken. Waaruit die zal bestaan, daar durf
ik geen
duidelijke voorspelling te doen. Alleen maar als mogelijkheden, die
hierbij in
aanmerking komen, maak ik gewag van een zich misschien toch nog
voltrekkende
ontmanning, met de bedoeling dat via de goddelijke bevruchting een
nageslacht
uit mijn schoot tevoorschijn komt of mogelijk als ander gevolg, dat er
aan mijn
naam een faam wordt vastgeknoopt, die duizenden mensen van een
onvergelijkbaar
grotere geestelijke begaafdheid niet ten deel is gevallen. Dergelijke
gedachten
zouden andere mensen fantastisch, hersenschimmig en zelfs gewoon
belachelijk
kunnen lijken, gelet op de op zijn minst nog schamele en, wat betreft
vrijheid,
beperkte levenssituatie, waarin ik mij op dit ogenblik bevind. Alleen
iemand
die de hele hoeveelheid lijden kent, dat ik in de loop van afgelopen
jaren te
dragen heb gehad, zou kunnen begrijpen, dat dergelijke gedachten wel
bij mij
hebben moeten opkomen. Als ik mij realiseer, welke offers mij zijn
opgelegd
door het verlies van een eerzame ambtspositie, door een daadwerkelijke
ontbinding van een gelukkig huwelijk, door het gemis van alle
levensgeneugten,
door lichamelijke pijnen, geestelijke martelingen en verschrikkingen
van en volstrekt
onbekende aard, dan duikt voor mij het beeld op van een martelaarschap,
dat ik
in zijn geheel alleen maar met de kruisdood van Jezus Christus kan
vergelijken.
Aan de andere kant komt de gruwelijke achtergrond van het schilderij in
zicht,
waarop ikzelf en mijn persoonlijke lotgevallen op de voorgrond staan.
Als het
waar is, dat het voortbestaan van de hele schepping op onze aarde
alleen maar
berust op de bijzondere betrekkingen, die God met mij heeft
aangeknoopt, dan
zou het loon van de overwinning voor het trouwe volhouden in het zware
gevecht
om de handhaving van mijn verstand en om de zuivering van God, alleen
maar uit
iets heel uitzonderlijks kunnen bestaan.
Daarmee
kom ik op de laatste beschouwing, waarmee ik mij in dit werk nog bezig
moet houden.
Ik houd het voor mogelijk, zelfs voor waarschijnlijk dat de toekomstige
ontwikkeling van mijn persoonlijk lot, het bekend worden van mij
religieuze
ideeënsfeer en het belang van de redenen, die zich voor de juistheid
daarvan
zullen opdringen, een ommekeer in de religieuze denkbeelden van de
mensen
naderbij zal brengen, die in de geschiedenis haar gelijke niet vindt.
Ik
onderken de gevaren, die een aan het wankelen brengen van alle
bestaande
religiesystemen met zich mee zou kunnen brengen. Ik vertrouw echter op
de
zegevierende macht van de waarheid, die de kracht zal hebben om de
tijdelijke
schade, die uit een religieuze verwarring van de gemoederen ontstaat,
weer te
vereffenen. Al zouden ook veel van de tot nu toe voor waar gehouden,
vooral
christelijke religieuze ideeën bijgesteld moeten worden, dan zou toch
een bij
de mensheid rijzende zekerheid, dat er een levende God en een
voortbestaan van
de ziel na de dood bestaan, alleen maar zegenrijk werken. En dus
besluit ik dan
met het uitdrukken van de hoop, dat in deze zin gunstige gesternten
over het
resultaat van mijn werk mogen heersen.