|
KURT TUCHOLSKY
1890
-
1935
PANIZZA
Uit:
DIE WELTBÜHNE
Nummer
38, donderdag, 11 september 1919
door
Ignaz Wrobel (een van de aliassen van Kurt Tucholsky)
De censuur is verdwenen. Dat
is
niet te merken: de kranten verschijnen in dezelfde toonaard als vóór
haar val,
het enerzijds-anderzijds, het afwegen naar beide kanten, dat schuchtere
aaien
is gebleven. Men had kunnen denken, dat na de val van de censor de
stoom in de
ketel met een knal door het ventiel naar buiten zou ploffen – maar er
zat
kennelijk geen stoom in.
De
burger is nog niet echt vrij. Hij wankelt heen, hij wankelt weer, als
een ouwe
beer. En zijn
toneel?
Ja,
daar vertonen ze nu „De doos van Pandora“, een tot nu toe
verboden
grotesk drama, de „Zoon“ en „Hans im Schnakenloch“ 1)
–
maar
zoals
dat
met de uitgedreven duivel gaat: keurig netjes gestreken,
in rokkostuum
en in het felle licht van de kroonluchters is hij lang zo luisterrijk
gruwelijk
niet meer als destijds in het flakkerende licht van de kelderlamp. En er ontwaakt een
teleurstellinkje: Is dat
alles? De censuur heeft prachtig reclame gemaakt en een nodeloos opzien
gebaard. Want het brein van
de censor,
voor zover er sprake van kan zijn, is niet helemaal als het onze.
Als
we het dan toch over verboden stukken hebben: hoe zou het zijn, als
jullie nog
een keer het „Liefdesconcilie“ van Oskar Panizza zouden opvoeren?
Dramatis
personae zijn de lieve God, die door Pallenberg 2 gespeeld
zou
moeten worden, zijn zoon en moeder Maria, en daarbij de duivel en zijn
uitvinding: de syfilis. Nou valt deze vrolijke pastorale niet bij
iedereen in
de smaak, en men moet ongetwijfeld de gevoelens, en met name de
godsdienstige,
van zijn medeburgers ontzien. Maar het zou van de medeburgers een
inbreuk op de
rechten betekenen als zij zouden eisen, dat wij in hetzelfde tempo
zouden
voelen en in hetzelfde ritme zouden moeten leven als zij. Hun lachen is
niet
ons lachen, en hun bekrompen hartstocht missen wij ten enenmale.
Maar
dat „Liefdesconcilie“? Panizza werd vanwege zijn grandioze drama met
anderhalf
jaar gevangenisstraf opgezadeld, die hij heeft uitgezeten. Het stuk is
iets
heel zeldzaams: namelijk een echte godslastering. Hij heeft God
belasterd, maar
uit een intense liefde voor een ander iets, dat de besten uit alle
tijden in
het hart droegen, en dat geen naam heeft. De boekuitgave van het drama
is
tegenwoordig nogal zeldzaam, alleen de oude verboden oorspronkelijke
uitgave
bestaat nog en een roofdruk met tekeningen van Kubin 3;
verder
verkommert het stuk net als bijna alle andere, onder het auteursrecht,
dat in
dit geval een oud kwezelachtig familielid toestaat, deze vurige stroom
in de lavendelgeurende
ladekast vast te houden. Het drama gaat dus over de uitvinding van de
syfilis
door de duivel, op verzoek van de lieve God, die de mens ad suam
maiorem gloriam
(ter zijn meerdere glorie) hun afhankelijkheid wil laten voelen. Er
staan in
dat stuk passages, waarbij vergeleken Wedekind 4 als een prieeltje
werkt. Durft geen enkele theaterdirecteur dat aan? Er
moet
een avond zijn
geweest, waarop Wedekind zaliger eraan heeft bijgedragen, de Wedekind
van anno
1890, de oude, zwavelige, lachende.
En
laat niemand zich daardoor beledigd voelen: druk een inleiding op het
stuk en
regel een besloten voorstelling! Het
is ook niks voor kinderen en Balkenendes. Want
wij willen niet dat deze godvergeten satire achteraf wordt goedgepraat:
de
dichter heeft het niet zo erg bedoeld, in werkelijkheid is hij een
erelid van
het genootschap tot bestrijding van geslachtsziekten….God bewaar me! Panizza heeft het gedurfd. Wie
durft er nog
meer?
Wij
willen nog één keer het theater verlaten: tot in ons diepste geschokt,
tussen
afgrijzen en het komische heen en weer gesleurd en ten diepste van het
besef
gevuld, dat het hier beneden een hoogdravende apenklucht is.

Schlemmerei der pfaffen - de Hooghe 1681
Wat
overigens deze Oskar Panizza betreft, hij heeft tot de Münchener
dichterskring
behoord, wiens toenmalige middelpunt, Michael Georg Conrad 5,
tegenwoordig
een
oude
man
is, van wie je niet meer kunt vermoeden, wat daar ooit
onder zijn
hoede broeide. De politieke wil van deze Münchenaar – hoe had het in
het
Duitsland van keizer Wilhelm II ook anders gekund – was veel te
bekrompen, en
een band met de praktisch werkzame sociaaldemocratie, de de
letterkundigen weer
geestelijk had kunnen bevruchten, was nauwelijks voorhanden. Zo bleef
het
allemaal, wat om te kunnen werken toch een aanvurende politieke kracht
had
moeten zijn, een esthetisch gebaar, en verzandde ten slotte in
een burgerlijke
bohemiënerie. Net
als in
Friedrichshagen. Maar terwijl
in
Friedrichshagen Gerhart Hauptman 6 de kring de kring liet
en er zelf
een werd, stak de ongelukkige Oskar Panizza ver boven de Münchener
kring uit.
Hij
heeft nog kunnen haten, zoals tegenwoordig Heinrich Mann 7 nog
haat.
Hij
heeft
van
zijn land gehouden en degenen verafschuwd, die het tot
een kazerneplein
en een tredmolen hebben gemaakt, waar ze zelf niet aan mee hoefden te
doen:
want voor hen golden geen wetten. Regels
gelden nooit voor mensen die ze hebben gemaakt.
Uit
een gedichtenbundeltje van Panizza, met de titel „Parisiana“, pluk een
paar bonte
bloemen, die nog steeds niet zijn verwelkt, en waar het mij een
bijzonder
genoegen van is, ze bij de lieve mamma Germania in de zwart-rode vaas
te
zetten.
Er
staan verbazingwekkend profetische dichtregels in dat boekje. Bijvoorbeeld deze:
Dan zal er bloed vloeien,
moet er bloed vloeien —
Met woorden komen jullie
er niet vanaf —
nieuw gedachtenzaad moet bij jullie ontkiemen,
dat wilde die ene, die aan het kruis leed,
en willen jullie nieuwe verbonden sluiten,
dan is dat bloed nodig is als kit.
Maar
de profeet keerde zijn gezicht niet alleen naar de toekomst, maar keek
ook in het
heden, en zijn blik van Parijs tot Berlijn was scherper dan die van
menig brave
burger in het land. Stevige romanen en door hen beïnvloede geesten met
de
kwalijke kanten van de Duitse volksaard samen, zetten altijd dezelfde
toon; en
als het de Duitser niet welgevallig in de oren klinkt, wiens schuld
moet het
dan zijn? Over Heinrich Mann hebben we het hier net gehad; in een
verder lijvig
tendenswerk van Maurice Barrès 8 „In Duitse
krijgsdienst“ staat:
„Een Duitse soldaat ziet er altijd als een geslagen hond uit“, en: „In
de derde
zaal zagen wij een grote tafel, waar alle avonden de officieren aan
verschenen.
Mijn vrienden waren er van overtuigd, dat een lokaal, dat door
kapiteins en
luitenanten werd bezocht, daardoor een voorname plek werd; als zij hun
meerderen maar uit de verte bekeken, leek hun kleinheid een aandeel aan
deze
grootsheid te hebben.” Zover
Panizza in zijn dichtregels.
Zijn
haat schuimt als elke goede haat als een branding over de oever; het is
de
mateloze verbittering van een man, die in de wereld heeft gezien, dat
een
onderdrukking zoals van de Duitsers nergens anders mogelijk zou zijn,
en dat
niet gewoon, omdat de onderdrukkers ontbraken, maar omdat er niemand
is, die er
genoegen in schept. Ooit heette het: „Een volk dat zich in het
lakeiendom als
een geboren knecht prettig voelt.“ Het heeft zo mateloos aan hem
geknaagd en zo
borend en kwellend aan hem gevreten, dat het volk zijn vorst waard was,
en hij
zag met een door haat gescherpte blik de groteske buitenkant en hart. De buitenkant:
Het mannenkoor – o wat
fantastisch
de zwartgerokte
mannenbuik,
hoe glazigmooi en hoe
bombastisch
de opgeslagen
mannenblik’,
wellicht een ietsje
pederastisch
de vrouwelijke
tenorenzweem…
Zo zingt het dan, zoals de Redwitzen 9 zongen,
en toont, wat jullie
veelstemmig waarderen,
met de fluit temt men
wilde slangen,
met zingen temmen jullie
je paard.
Hoe Duits is op de keper
dan eigenlijk jullie
genoegen?
Materie hebben jullie
immer veracht,
Jullie dwepen, als in
jullie borst
een reusachtig
gevoel verduistert,
dat tot muziek wordt,
onbewust.
Laten jullie je niet met opzet trappen
dag en nacht door jullie
vorst,
en hebben jullie niet uit
jullie smartenkreet
dan maar een mannenkoor
gesmeed?
Het
hart:
U bedoelt: in zeventig,
eenenzeventig
was het een
opgewekt visioen —
dat overwinnen overerft en overgaat,
van de vader op de zoon,
en ook het goud leert men
incasseren
van miljarden en miljoen?
Nou, oefen je dan maar vlijtig in hopen,
maar zeg het hier niet al te luid!
Wat mij betreft, zo wens ik heel oprecht,
Dat jullie goed op je
donder krijgen,
maakt niet uit van wie, van welke vijand.
Jullie ondergang is onze
zegen —
de grote, geestelijke gemeenschap,
kent maar één enkele oorlog
De
haat van Panizza tegen de leider van het Duitse onheil was net zo groot
als de
liefde voor zijn volk, en wat hem destijds op het schavot had gebracht,
verdient heden nauwelijks meer dan een instemmend schouderophalen:
Waar zijt gij Duitsland?
O, in jouw dennen
ruist niet meer de
donkere en geheime,
die zo vriendelijke en zo aangename,
fluisterwind, waarin jij
je ziel placht te ontspannen
— de geesten zijn allemaal gevlucht
voor een ijzige en
razende noordenwind
Jullie kudde buffels, weerbarstig en log,
die stinkend door de wouden razen,
jullie volgen maar één stier naar de drinkplaats,
en die stier is
geestesziek.
En
als waarschuwing en noodkreet klinkt door de onstuimig bulderende en
hortende
dichtregels (wat heeft Lililiencron 10 die achtvoetige rijm
prachtig
gehandhaafd!) de uitnodiging aan zijn Duitsers door: Doe wat! Wees actief en doe wat! Hij gelooft er niet echt in; hij zegt dat
de Marseillaise
in Duitsland pas zal klinken, de gendarme het geweer pas zal
presenteren en
volk en leger bevrijd zullen zijn:
Als eenmaal de sloten
open zullen springen
en in de Spree rode wijn
zal vloeien,
dan zal men zulke liederen zingen,
dan zal men zulke melodieën horen!
En
zijn droom is, dat de Duitsers op een dag zoveel verstand krijgen, dat
zij de
bataljons niet als scherm en verdediging voor de vorst zullen inzetten,
maar
voor heel iets anders:
Mijnheer Moltke 11 gebruikte
eens
de
zin:
,,Het leger is tegen Duitsers want,
men zuivert daarmee de straten van
de mensen, die wagen het paleis
te dicht te
naderen’ — bij champagneglazen
kreeg zijn toespraak veel
hoera!
Maar vergis je niet, lieve kinderen
eens komt het uur, dat de straat,
een front maakt macht tegen kroon
en hoge hoed en zegt: de
terugslag!
En
omdat wij tegenwoordig niet meer en nog niet weer – want wij kennen
onze
pappenheimers – censuurplichtig zijn, daarom moeten deze klanken hier
opklinken, waaruit nog eenmaal opstijgt, wat dit volk zich decennialang
heeft
laten welgevallen. De revolutie van negen november 12 was
geen
revolutie: om een ook maar iets heftig verlopende verandering van
statuten wordt
tegenwoordig rijkelijk veel spektakel gemaakt. Ingeslagen ruiten en
ingeslagen
koppen zeggen niets over een omwenteling: maar het betekent wel wat, om
de moed
te hebben, het oude neer te halen tot het kraakt en dan – pas dan! –
iets
nieuws op te bouwen. Veel van wat in 1899 fris klonk, is tegenwoordig
wat
verouderd, maar jong als ooit is onze haat tegen de punthelmen en hun
beschermers, hun vaders en zonen.
Wij
herdenken de dappere Oskar Panizza en groeten de gevallen helden van de
Duitse
novemberonlusten! Zal de droom van een gelukkig ontwaakt Duitsland zich
eenmaal
verwezenlijken?
Noten:
1. De oorsprong van het
volksliedje „Der Hans im Schnackenloch“ is niet duidelijk vast te
stellen, maar
het wordt steeds weer literair opgepakt, waarbij de meest bekenden
bewerking
die van Adolf Stoeber is uit de 19e eeuw. De tekst geldt tot
op
heden in de Elzas als een soort zelfkritische „nationale hymne“, omdat
het
houding van de nooit tevreden Elzassers verwoordt. Het woord
„Schnakenloch“
wordt verklaard door de in de omgeving van de Rijn veel voorkomende
moeraspoelen, die door steekmuggen worden geteisterd.
Hans in
de muggenpoel De Hans
im Schnakeloch
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
heeft alles wat hij
wil
het
alles,
was
er will
en wat hij
wil
und
was
er
will,
dat heeft hij
niet
des
het
er
net
En wat hij
heeft
Un
was
er
het,
dat wil hij
niet
des
will
er
nitt
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
heeft alles wat hij
wil
het
alles,
was
er will.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
kan alles wat hij
wil
kann
alles,
was
er will.
En wat hij
kan
Un
was
er
kann,
dat doet hij
niet
das
macht
er
nitt
En wat hij
maakt
Und
was
er
macht,
dat lukt hem
niet
gerot
ehm
nitt
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
kan alles, wat hij
wil
kann
alles,
was
er will.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
gaat heen, waar hij maar wil geht
anne, wo er will.
En waar hij
is
Un
wo
er
esch,
daar blijft hij
niet
do
bleibt
er
nitt.
En waar hij
blijft
Un
wo
er
bleibt,
bevalt hem
niet
do
gefallt´s
ehm
nitt.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
gaat heen, waar hij maar wil geht
anne, wo er will.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
zegt alles wat hij
wil
saad
alles,
was
er will
En wat hij
zegt
Un
was
er
saad,
dat denkt hij
niet
des
denkt
er
nitt.
En wat hij
denkt
Un
was
er
denkt,
dat zegt hij
niet
des
saad
er
nitt.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
doet alles wat hij
wil
dut
alles,
was
er will.
En wat hij
doet
Und
was
er
dut,
Dat moet hij
niet
Des
soll
er
nitt.
En wat hij
moet
Und
was
er
soll,
dat doet hij
niet
des
dut
er
nitt.
Hans in de
muggenpoel
De
Hans
im
Schnakeloch
doet alles wat hij
wil
dut
alles,
was
er will.
Hans
im
Schnakenloch
is
een toneelstuk van
René Schickele, een
in 1914 geschreven parodie op de oorlog.
2.
Max
Pallenberg,
1877
– 1934,
Oostenrijkse zanger en
toneelspeler. Kurt Tucholsky beschreef Max Pallenberg ooit als een
duivel, een ontspoorde
God, een groot kunstenaar.
3.
Alfred
Kubin,
Oostenrijkse graficus,
schrijver en
illustrator. Heeft ook Panizza’s Liebeskonzil geïllustreerd.
4.
Frank
Wedekind,
1864
– 1918, Duits
schrijver en acteur.
Een van de oprichters van het satitisch blad Simpliccisimus. Veroordeeld wegens majesteitsschennis.
5.
Michael
Georg
Conrad, 1846 – 1927.
Duits naturalistisch
schrijver. Oprichter van het tijdschrift „Die Gesellschaft“ waarmee hij
een
grote invloed uitoefende op het geestelijk leven in München. Verdedigt
Panizza
in het proces naar aanleiding van het “Liebeskonzil”.
6.
Gerhard
Hauptman,
1862 – 1946, Duits
schrijver,
belangrijkste vertegenwoordiger van het naturalisme. Kreeg
in
1912
de
Nobelprijs
voor litteratuur.
7.
Heinrich
Mann,
1871
– 1950, Duits
schrijver. Schreef
tijdens de Weimar Republiek politieke en cultuurkritische essays
8.
Maurice
Barrès,
1862
– 1923, Frans
schrijver, antisemiet
en journalist. Keerde zich in de zaak Dreyffus tgen Emile Zola.
9.
Oskar Freiherr von
Redwitz-(Schmölz), 1823
– 1891. Schreef een dweperige apologie van het positieve
christendom
tegen het rationalisme en pantheïsme.
10.
Detlev Freiherr von
Liliencron, 1844
-1909, Duits lyrisch dichter.
11.
Helmut
von
Moltke,
1848 – 1916. Duits
generaal-veldmaarschalk.
In 1906 werd hij chef van de generale staf. Bij het uitbreken van de
Eerste
Wereldoorlog had hij de leiding van de Duitse operaties en droeg hij de
verantwoordelijkheid voor het offensief tegen Frankrijk.
12.
November-revolutie,
een
reeks
gebeurtenissen
in
Duitsland in 1918 en 1919 met als hoogtepunt het afzetten van de Duitse
keizer
Wilhelm II en de vorming van een democratische republiek.
KURT
TUCHOLSKY
Interview
met mezelf
‘Mijnheer
Panter, wilt u zo
goed zijn...’ zei de bediende.
Ik trad
naderbij.
De hoge
deuren die toegang
gaven tot het werkvertrek van de meester openden zich, de bediende
hield de
portière opzij—ik trad binnen, de deur sloot zich achter mij. De
meester zat
daar breed en omvangrijk achter zijn bureau; een man die bijna dik
mocht worden
genoemd, hij spreidde een gesoigneerd Caesar-profiel ten toon, waarbij
alleen
de onderkinnen enigszins uit de toon vielen. Zijn haren staken
borstelig
omhoog, in zijn stralende knoopoogjes lag een weldadig-behaaglijke
tevredenheid. Hij kwam overeind.
‘Ik heet u
welkom, jongeman,’
zei hij tegen mij. ‘Neemt u plaats en geeft u mij eens een toelichting
op uw
merkwaardige brief!’
Ik ging
ongemakkelijk zitten.
‘U stelt
mij de vraag,’ zei
de meester, terwijl hij zijn dikke hand met de blankgepolijste nagels
zo
neerlegde dat ik haar moest zien, ‘of ik u een advies voor uw toekomst
kan
geven. U voegt eraan toe, dat u vervuld bent van idealen. U stoot zich
aan het
leven, dat volgens u vol scherpe kanten zit—dat waren uw eigen
woorden—, en u
komt bij mij om raad. Welnu, jongeman, dat kan gebeuren!’
Ik maakte
een beleefde
buiging.
‘In de
eerste plaats,’ sprak
de meester, ‘wat bent u van uw beroep?’
‘Ik ben
helemaal niets,’ zei
ik beschaamd.
‘Hm...’
mompelde de meester,
terwijl hij bedenkelijk het hoofd schudde. ‘Waarom heeft u dan nog
advies
nodig? Enfin.., ik sta tot uw beschikking.’
‘Meester,’
zei ik, de stoute
schoenen aantrekkend, ‘leert u mij, hoe men in het leven succes kan
hebben. Hoe
hebt u iets bereikt? Hoe heeft u dit bereikt?’ En ik wees naar het
comfortabel
ingerichte vertrek: boeken met vergulde stempelbanden vulden de
pompeuze
boekenplanken, een staande bronzen lamp straalde een behaaglijk gedempt
licht
uit, en de zware asbak die uitnodigend voor mij stond was van
zwartgeaderd
marmer. ‘Hoe heeft u dit bereikt?’ zei ik vragend.
De meester
glimlachte even.
‘Succes? U
wilt weten waaraan
ik mijn succes te danken heb, jongeman? Dwaze, jonge heethoofd! Welnu,
ik heb
mij onderworpen.’
‘Dat
nooit!’ zei ik
nadrukkelijk.
’U moet het
doen,’ zei hij,
‘en u zult het ook doen.
Wat heeft u
in de oorlog
gedaan?’
‘Ik was,’
zei ik en keek naar
mijn schoenpunten, ‘corveeër.’
‘Mis!’ zei
hij. ‘Een flinke
kerel met een beetje gezond verstand had ergens anders moeten zitten:
op een
persafdeling, bij de politieke politie, weet ik veel. Weet u wat een
compromis
is? Kunt u concessies doen?’
‘Nooit!’
riep ik.
’U moet
concessies doen. U
zult ze ook doen. Kijk naar mij: ik ben het lijfelijke resultaat van
compromissen. Men moet in het leven vooruitkomen, jonge vriend!’
‘En de
waarheid dan, de
idealen?’ riep ik luider dan gepast was. ‘De dingen die het leven de
moeite
waard maken? Ik ben nu nog een idealist en dat wil ik blijven! Ik wil
een moord
een moord noemen ook als er een vlag boven wappert, een Streber een
Streber ook
als hij een hoge regeringspositie heeft, een kliek een kliek al zit de
hele
stad in het komplot. Dat is het, wat ik wil! Helpt u mij! Wijst u mij
de weg,
hoe ik mijn plannen kan verwezenlijken, tot geluk van mijzelf, en,
geloof ik,
tot geluk van de mensen!’
Al sprekend
had ik mij
opgewonden: mijn wangen gloeiden, ik hijgde en mijn lippen trilden.
De meester
lachte. De grote
meester Peter Panter lachte.
‘Beste
jonge vriend,’ hief
hij aan, ‘luister nu eens goed naar mij. Ook ik begrijp uw edele
motieven. Ze
strekken u tot eer. Ook ik zou willen, dat de mensheid zo edel was, als
u haar
zou willen maken. Ook ik sta, mag ik wel zeggen, op de bres voor het
Goede, het
Ware en het Schone. Ik heb het diepste respect voor het Goede, het Ware
en het
Schone. Maar, beste vriend, het harde leven stelt zijn eisen! Men moet
rekening
houden met de realiteit. Men moet concessies doen als dat nodig is...,
‘Ik wil
geen concessies
doen,’ onderbrak ik hem koppig.
‘U zult
concessies doen. U
zult het wel moeten. Op een dag zult u ook geld willen verdienen, en
dan doet u
concessies. Het is zo gemakkelijk. Het is zo’n koud kunstje; een beetje
toegeeflijkheid, zoetjes ja en amen knikken, een klein beetje de
principes over
boord zetten, en u bent een algemeen geachte, gerespecteerde jongeman,
die
overal hartelijk wordt ontvangen! Wilt u dat?’
Ik schudde
verachtelijk het
hoofd.
‘Maar
luistert u toch eens!’
suste de meester. ‘Bedenkt u eens, wat u doet! U zult willen trouwen,
een gezin
stichten, een huishouden—en u zult concessies doen. Wat heeft u, wat
heeft de
wereld aan deze principes, aan dat starre vasthouden aan de waarheid of
wat u
zo noemt! Maar nu de andere kant: wat kost het mij? Ik ben vriendelijk
tegen
iedereen, ik zeg op alles ja, waar u misschien verontwaardigd nee zou
roepen,
en ik kan zwijgen. Zwijgen kost helemaal niets. Zwijgen is de parel aan
de
kroon der menselijke kunsten. Zwijgt u toch!’
‘Ik moet
spreken!’ zei ik
luid.
’U moet
niets. Wie moet er
hier iets? U moet zwijgen, u moet concessies doen, concessies aan het
geld, de
roem, concessies aan de macht—dat in de eerste plaats—en concessies aan
de
vrouwen. En wat zal uw loon zijn?’
Hij leunde
achterover en
lachte zelfgenoegzaam.
‘Ik leef
er, zoals u ziet,
behoorlijk van en ik ben heel tevreden. In mijn huis lopen priesters en
doktoren, officieren en kunstenaars in en uit, en in mijn geschriften
leg ik
niemand een duimbreed in, de weg, en iedereen krijgt een fles goede
rode wijn.
Meent u, dat ik niet zie wat erachter steekt? Ik maak er me alleen niet
druk
om. U leest mijn werk, u koopt mijn boeken—wat wil ik nog meer? Heb ik
opdracht
om u de waarheid te zeggen, de lastige, harde waarheid?’
‘Wij hebben
allemaal
opdracht, de mensen de waarheid te vertellen!’ zei ik.
‘Ik niet,’
zei de meester,
‘ik niet. Ik heb de opdracht teruggegeven en sindsdien gaat het mij
zeer goed.
En sindsdien heb ik wat ik nodig heb, meer dan ik nodig heb; mijn
dochter
trouwt binnenkort met een industrieel.’
‘Moet ik
trouwen?’ vroeg ik.
‘Niet met
de vrouw van wie u
houdt, want ik vermoed dat ze geen geld zal hebben. Trouwt u met de
dochter van
een rijk man: zelfs de kleinste villa is nog groot genoeg— maar het
moet wel
een villa zijn. Rookt u?’
‘Nee,’ zei
ik, ‘ik rook niet.
Ik...’
‘Rookt u
toch eens!’ zei hij
vriendelijk. ‘Het lucht op. En luistert u nu eens naar mij. Ik sta
bovenaan de
ladder, die u op het punt staat te beklimmen. Alles draait om het
succes. En
dat kunt u op allerlei manieren krijgen: door compromissen, door te
zwijgen,
door te luisteren en door de ouderen te vleien. Als u dat begrijpt, dan
bent u
er. En het is prettig om er te zijn!’
Hij glom
van zelfvoldaanheid
en zag eruit als een voordrachtskunstenaar na het applaus.
Ik kwam
overeind en keek hem
vragend en opgewonden aan.
‘U zult mij
nu nog
tegenspreken,’ zei Peter Panter.
‘Over
dertig jaar doet u dat
niet meer. Zorgt u, dat het dan niet te laat is! Het ga u goed, het
beste met
u!’
Ik drukte
de hand die mij
werd toegestoken en tuimelde naar buiten.
Binnen zat
de meester aan
zijn protserige diplomatenbureau en schudde lachend het hoofd. ‘Die
jonge
mensen,’ zei hij. ‘Ze willen altijd hun zin doordrijven en ze weten het
altijd
beter. Enfin, een mens wordt toch alleen maar wijzer van zijn eigen
ervaringen!
Maar nu wordt het tijd om thee te drinken. Frans!’
Hij belde.
Buiten bij
het hek stond ik,
mijn hand aan de smeedijzeren klink van de tuinpoort, verteerd door
haat,
sidderend van woede, machteloos, verbitterd, terwijl ik diep in mezelf
voelde,
dat hij op zijn minst genomen voor zichzelf gelijk had.
En ik zei:
‘Een afschuwelijke
kerel.’ (1919)
KURT
TUCHOLSKY
De
Familie
De Grieken, die
zo goed wisten wat een
vriend is,
hebben voor de bloedverwanten een uitdrukking gebruikt, die de
overtreffende trap
van het woord ‘vriend’ is. Dat blijft voor mij een raadsel.
Toen God op de zesde
dag van de schepping
alles overzag, wat hij had gemaakt, was weliswaar alles goed, maar dat
kwam dus
omdat de familie er nog niet was. Dat voorbarige optimisme wreekte
zich, en het
verlangen van het mensdom naar het paradijs is hoofdzakelijk op te
vatten als
de vurige wens één keer, maar één enkele keer vreedzaam zonder familie
te
leven. Wat is die familie dan? De familie (familia domestica communis,
die
gewone huisfamilie) komt in midden-europa in het wild voor en volhardt
gewoonlijk in die toestand. Ze bestaat uit een verzameling van veel
mensen van
verschillend geslacht, die het als hun belangrijkste taak beschouwen om
hun
neus in jouw zaken te steken. Als de familie een grotere omvang
bereikt, noemt
men het ‘familieband’ (kijk in het woordenboek onder M). De familie
lijkt
meestal tot een afgrijselijke klont samengebald en zal bij oproeren
voortdurend
gevaar lopen doodgeschoten te worden, omdat ze principieel niet uit
elkaar
gaat. De familie is in de regel behoorlijk weerzinwekkend. De
saamhorigheid van
de familie is gunstig voor een ziektekiem, die wijdverbreid is: alle
leden van
het gilde nemen doorlopend kwalijk. Die ene tante, die op de beroemde
sofa zat,
is gezichtsbedrog: want ten eerste zit een tante nooit alleen, en ten
tweede
neemt ze altijd kwalijk – niet alleen op de sofa, maar tijdens het
zitten,
tijdens het staan, tijdens het liggen en in de metro.
De familie weet alles
van elkaar: wanneer
Kareltje de mazelen heeft gehad, hoe tevreden Inge met haar kleermaker
is,
wanneer Erna met haar elektrotechnicus gaat trouwen, en dat Jenny na de
laatste
ruzie nu eindelijk bij haar man zal blijven. Dergelijke boodschappen
planten
zich ’s morgens tussen elf en een uur via de weerloze telefoon voort.
De
familie weet alles, maar keurt het allemaal af. Andere wilde
indianenstammen
leven of op voet van oorlog of roken een vredessigaar: de familie kan
het
allebei tegelijk.
De familie is zeer
exclusief. Wat de
jongste neef in zijn vrije tijd doet, is haar bekend, maar wee als de
jongeman
het in zijn hoofd haalt een vreemde te trouwen! Twintig brillen richten
zich op
het arme offer, veertig ogen knijpen zich keurend samen, twintig neuzen
snuffen
wantrouwend: “Wie is dat? Is zij de hoge eer wel waard?” Aan de andere
kant is
het net zo. In dit geval zijn beide partijen er gewoonlijk van
doordrongen dat
ze diep onder hun niveau zijn gezonken.
Heeft de familie de
vreemdeling echter
eenmaal in haar schoot opgenomen, dan wordt de grote hand van de kliek
op deze
schedel gelegd. Ook het nieuwe lid moet op het altaar van de
verwantschap
offeren; geen vrije dag, die niet de familie toebehoort! Ze vloeken
allemaal,
niemand doet het graag – maar lieve God, als er iemand zou ontbreken!
En
zuchtend bukken ze allemaal onder het bittere juk…
Bovendien leidt het
‘gezellig bij elkaar
zijn’ meestal tot ruzie. In hun omgangsvormen overweegt die zoetzure
toon, die
het best vergeleken kan worden met een zomermiddagstemming kort na een
onweer.
Wat echter de gezelligheid niet hindert. De Hernnfelds zaliger,
speelden ooit
in een van hun stukken een scène, waarin de vreselijk verscheurde
familie een
huwelijksplechtigheid viert, en nadat ze onderling alle koppen in
elkaar hadden
geslagen, stond een prominent lid van de familie op en sprak op de
meest
beminnelijke toon van de wereld: “Wij komen nu bij het tafellied –!” Ze
komen
altijd bij het tafellied.
In de grote sociologie
van Georg Simmel
valt al te lezen dat niemand zo’n pijn kan doen, als dat bekrompen
kastenlid,
omdat die precies de meest gevoelige plek van het slachtoffer kent. Men
kent
elkaar net te goed, om hartstochtelijk van elkaar te houden, en niet
goed
genoeg om plezier aan elkaar te beleven.
Men zit boven op
elkaar. Een vreemde zou
het nooit durven jou zo te lijf te gaan, als jouw neefje je schoonzus,
op
rekening de familieband. Noemden de oude Grieken hun familieleden niet
de
“allerliefsten”? De hele jonge wereld noemt ze anders. En lijdt onder
de
familie. En sticht er later zelf een en wordt dan net zo.
Er is geen enkel
familielid, dat een ander
familielid ooit serieus neemt. Als Goethe een oude tante zou hebben
gehad, was
ze vast naar Weimar gekomen, om te zien wat die jongen uitvoerde, zou
uit haar
tasje wat rouge hebben gepakt en zou tot slot diep en diep beledigt
weer zijn
vertrokken. Maar Goethe heeft niet zo’n tante gehad, maar zijn rust –
en op die
manier is de Faust ontstaan. Tante zou hem overdreven hebben
gevonden
Het is raadzaam bij
verjaardagen de
familie iets cadeau te doen. Veel zin heeft dat overigens niet; ze
ruilt
regelmatig alles weer om.
Er bestaat geen enkele
mogelijkheid je aan
de familie te onttrekken. Mijn oude vriend Theobald Tijger zingt dan
wel:
Begin
nooit iets met je
familie –
want
dat loopt mis,
want
dat loopt mis!
maar
deze versregels zijn
slechts aan een verbluffende
gebrek aan levenservaring ontsproten. Er valt met de familie namelijk
helemaal
niets te beginnen – de familie handelt het helemaal alleen af.
En dus valt het te
vrezen dat, als de hele
wereld te gronde gaat, jou in het hiernamaals een lieflijke engel
tegemoetkomt,
die zachtjes met zijn palmtak wuift en zegt: “Zeg eens – zijn wij niet
familie
van elkaar -? En ijlings, geschrokken en tot in het diepst van je hart
geraakt,
sla je op de vlucht. Naar de hel.
Maar dat helpt je
helemaal niets. Want
daar zitten ze allemaal, alle andere.
Peter
Panter
Die
Weltbühne, 12.01.1923, Nr.
2, bldz. 53,
|